Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Procedure ° Interventie ° Kort geding ° Belanghebbenden ° Geding in hoofdzaak betreffende geldigheid van beschikking tot toepassing van mededingingsregels ° Onderneming die klacht indient
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 37, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 115)
2. Procedure ° Interventie ° Toezending van processtukken aan interveniënten ° Afwijking ° Vertrouwelijke behandeling
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 37, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 116, lid 2)
3. Kort geding ° Ontvankelijkheidsvoorwaarden ° Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak ° Beroep in hoofdzaak niet op eerste gezicht niet-ontvankelijk ° Ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
4. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Opschorting van tenuitvoerlegging van beschikking inzake mededinging ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Begrip ° Toekomstig, onzeker en toevallig risico ° Daarvan uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 85, 86 en 185)
Partijen
In zaak T-24/93 R,
Compagnie Maritime Belge Transport NV, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Antwerpen (België), vertegenwoordigd door M. Waelbroeck en D. Waelbroeck, advocaten te Brussel, en A. Pappalardo, advocaat te Trapani, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Langeheine en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Grimaldi, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Palermo (Italië), en
Cobelfret, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Antwerpen (België), vertegenwoordigd door M. Clough, Barrister van Gray' s Inn, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
interveniënten,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 93/82/EEG van de Commissie van 23 december 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal, Cowac, Ukwal) en artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal) (PB 1993, L 34, blz. 20),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 19 maart 1993, hebben Compagnie Maritime Belge Transport NV (hierna: "CMBT") en Compagnie Maritime Belge NV (hierna: "CMB") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 93/82/EEG van de Commissie van 23 december 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal, Cowac, Ukwal) en artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/32.448 en IV/32.450: Cewal) (PB 1993, L 34, blz. 20).
2 Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 13 april 1993, heeft CMBT tevens een verzoek krachtens artikel 185 EEG-Verdrag ingediend om tot de uitspraak in de hoofdzaak de tenuitvoerlegging op te schorten van enerzijds de artikelen 6 en 7 van de bestreden beschikking, waarbij CMB een boete is opgelegd, en anderzijds artikel 3 van de beschikking, waarbij de conference Cewal (Associated Central West Africa Lines) en haar leden wordt gelast de samenwerkingsovereenkomst met het Office zaïrois de gestion du fret maritime (hierna: "Ogefrem") te beëindigen.
3 De Commissie heeft op 26 april 1993 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
4 Op 3 mei 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven bij verzoek hebben Grimaldi en Cobelfret verzocht om toelating tot interventie in de zaken T-24/93 en T-24/93 R ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
5 Bij brief ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 3 mei 1993, heeft CMBT haar verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 6 en 7 van de beschikking ingetrokken, zulks echter onder handhaving van haar verzoek met betrekking tot artikel 3.
6 Bij brief van 3 mei 1993 heeft de griffier van het Gerecht afschrift van het verzoek tot interventie van Grimaldi en Cobelfret toegezonden aan partijen en hen uitgenodigd zich daar voor de zitting mondeling over uit te spreken alsmede over eventuele vragen betreffende de vertrouwelijkheid van bepaalde bij het Gerecht ingediende stukken. Bij brief van dezelfde datum heeft de griffier van het Gerecht interveniënten uitgenodigd ter zitting aanwezig te zijn, waar zij mondelinge opmerkingen zouden kunnen maken over het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging, zulks onder voorbehoud van de door de president van het Gerecht na het horen van de partijen ten principale te nemen beslissing.
7 De partijen in het kort geding hebben de president van het Gerecht vóór de zitting medegedeeld geen bezwaren tegen het verzoek tot interventie te hebben. CMBT heeft evenwel gevraagd, interveniënten slechts een afschrift van haar verzoekschrift met bijlagen toe te zenden, waarin bepaalde onder het zakengeheim vallende vertrouwelijke gegevens zijn weggelaten, waarbij zij verklaarde Grimaldi en Cobelfret reeds op 4 mei 1993 een niet-vertrouwelijke versie van haar verzoekschrift te hebben gezonden.
8 Partijen hebben ter terechtzitting van 5 mei 1993 mondelinge opmerkingen gemaakt.
9 De wezenlijke feiten die ten grondslag liggen aan het geding voor het Gerecht, zoals die blijken uit de litigieuze beschikking, uit de door partijen neergelegde stukken en uit de mondelinge opmerkingen ter terechtzitting, kunnen worden samengevat als volgt.
10 In 1987 ontving de Commissie een aantal klachten over beweerdelijk concurrentiebeperkende praktijken in het lijnvaartvervoer tussen Europa en West- en Midden-Afrika. Naar aanleiding daarvan stelde de Commissie een onderzoek in naar de praktijken van de verschillende lijnvaartconferences die vervoerdiensten tussen Europa en Afrika onderhouden.
11 In haar beschikking van 23 december 1992 kwam de Commissie in wezen tot het oordeel dat:
° de lijnvaartconferences Cewal, Cowac (Continent West Africa Conference) en Ukwal (United Kingdom West Africa Lines Joint Service) en de daarbij aangesloten leden-ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door zich te verbinden zich van mededinging te onthouden, teneinde de markt voor zeetransport op de lijn tussen Noord-Europa en West-Afrika onder elkaar te verdelen (artikel 1);
° de leden-ondernemingen van Cewal misbruik hebben gemaakt van hun gezamenlijke machtspositie, door deel te nemen aan de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem en herhaaldelijk om strikte naleving ervan te verzoeken, door de zogenoemde praktijk van "fighting ships" te bezigen en door getrouwheidsregelingen te treffen die verder gaan dan wordt toegestaan in artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer (PB 1986, L 378, blz. 4; hierna: "verordening nr. 4056/86") (artikel 2).
12 Artikel 3 van de beschikking gelast enerzijds de ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, de in artikel 1 vastgestelde inbreuk te beëindigen, en anderzijds de leden-ondernemingen van Cewal de in artikel 2 vastgestelde inbreuken te beëindigen. De beschikking is, luidens artikel 8, gericht tot de lijnvaartconferences Cewal, Cowac en Ukwal, alsmede tot de in bijlage I genoemde leden-ondernemingen van deze conferences. Wegens de in artikel 2 vastgestelde inbreuken werd een aantal leden van Cewal beboet, waaronder CMB, die zich een boete van 9 600 000 ECU zag opgelegd.
13 In 1991 heeft CMB haar vervoersactiviteiten naar en/of uit Zaïre overgedragen aan CMBT, een gemeenschappelijke dochteronderneming ° voor gelijke delen ° van CMB en Saffron Holdings.
In rechte
Het verzoek tot interventie
14 Het verzoek tot interventie van Grimaldi en Cobelfret is binnen de gestelde termijnen ingediend.
15 De bestreden beschikking is het resultaat van een procedure, door de Commissie ingeleid naar aanleiding van een aantal klachten, met name die van 7 september 1987 van Aiwasi (Association of Independent West African Shipping Interests), waarbij de verzoeksters tot interventie, die eveneens lijnvervoer verzorgen tussen de Noordzeehavens en Zaïre en Angola, zijn aangesloten. Zij hebben overigens ook deelgenomen aan de procedure voor de Commissie, met name door het indienen van schriftelijke opmerkingen en aanwezig te zijn bij hoorzittingen.
16 Mitsdien moet worden geoordeeld, dat Grimaldi en Cobelfret een gerechtvaardigd belang hebben bij interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in het onderhavige kort geding.
Het verzoek om vertrouwelijke behandeling
17 Met betrekking tot de gegevens die onder het zakengeheim vallen en waarvoor verzoekster om vertrouwelijke behandeling heeft verzocht, komt het gerechtvaardigd voor, in het kader van het kort geding gevolg te geven aan het verzoek van GMBT, daar die gegevens op het eerste gezicht onder het zakengeheim lijken te vallen.
Het verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging
18 Ingevolge de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag juncto artikel 4 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
19 Ingevolge artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dienen de in artikel 185 EEG-Verdrag bedoelde verzoeken tot opschorting van tenuitvoerlegging een duidelijke omschrijving te bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen dienen van voorlopige aard te zijn en mogen de in de hoofdzaak te geven beslissing niet prejudiciëren.
° Argumenten van partijen
20 Verzoekster maakt om te beginnen melding van enige verwarring over de identiteit van de adressaat van de beschikking. Hoewel deze is gericht tot CMB, aan wie een boete is opgelegd, is zij betekend aan het adres van CMBT, die vanaf 1991 alle activiteiten van CMB inzake het vervoer naar en/of uit Zaïre heeft overgenomen. De beschikking, aldus verzoekster, dient zowel wat de boete als wat de erin vervatte verplichtingen tot beëindiging van de vastgestelde inbreuken betreft, te worden geacht tot CMBT te zijn gericht.
21 Met betrekking tot de omstandigheden op grond waarvan de gevraagde opschorting van de tenuitvoerlegging aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, betoogt verzoekster, dat de gehele handelwijze van de Commissie duidelijk misbruik van bevoegdheid oplevert en dat zij in haar beschikking geen der gestelde inbreuken op de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag heeft waargemaakt.
22 Verzoekster betwist kort gezegd, dat Cewal, Cowac en Ukwal in enig opzicht waren overeengekomen dat de leden van een conference niet als "outsiders" in het werkgebied van de andere conferences zouden opereren, en merkt op, dat noch de Cewal-conference noch haar leden een individuele of collectieve machtspositie innemen. Met name kan CMBT niet worden veroordeeld wegens de beweerde deelneming van Cewal en haar leden aan de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem, aangezien het daarbij gaat om een bestuurshandeling van de Zaïrese Staat; in feite zijn zowel de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de gestelde, door Zaïre aan Cewal toegekende exclusiviteit ° die overigens nooit echt heeft bestaan °, als de herhaalde pogingen van die conference om zich tegen het beleid van de Zaïrese overheid te verzetten, door de Commissie buiten beschouwing gelaten. In ieder geval heeft de Commissie niet bewezen dat de gestelde inbreuken van invloed zijn geweest op de gemeenschappelijke markt of op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten.
23 Met betrekking tot het spoedeisend karakter verklaart verzoekster, dat het haar niet mogelijk is de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem op te zeggen, omdat het daarbij enerzijds gaat om een door de Zaïrese overheid opgelegde overeenkomst, waarin men ondanks alle pogingen van de maatschappijen, de overheidsorganen en de Commissie zelf geen wijziging heeft vermogen te brengen, en omdat anderzijds de opzegging van de overeenkomst niet alleen afhangt van de wil van verzoekster, maar van de gehele Cewal-conference, waarin de Compagnie maritime zaïroise (CMZ) een meerderheidsbelang heeft. En zelfs al zou verzoekster de mogelijkheid hebben die overeenkomst op te zeggen, dan zou die opzegging onoverzienbare gevolgen kunnen hebben voor de Cewal-conference en haar leden, daar de Zaïrese Staat dan immers zou kunnen besluiten de toegang tot de havens van Zaïre voor alle niet-Zaïrese lijndiensten van Cewal te sluiten of voor de toekomst veel strengere voorwaarden te stellen, waardoor het onmogelijk zou worden de havens van Zaïre nog aan te doen.
24 De Commissie meent, dat verzoeksters betoog over de eigenlijke adressaat van de bestreden beschikking elke grond mist en in ieder geval in de hoofdprocedure thuishoort.
25 Wat de middelen betreft op grond waarvan de door verzoekster verlangde opschorting van de tenuitvoerlegging aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, meent de Commissie, dat zij, anders dan verzoekster stelt, haar bevoegdheden niet heeft overschreden noch een onjuiste beschikking heeft gegeven. De meeste argumenten van verzoekster betreffen feitelijke of rechtskwesties die in de procedure in de hoofdzaak aan de orde komen. Met name geldt dit voor de vragen over het misbruikkarakter van de praktijken van Cewal of de gevolgen daarvan voor de gemeenschappelijke markt, en voor het verband tussen verordening nr. 4056/86 en de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag. De Commissie wijst er voorts op, dat de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem een bepaling bevat die elke mededinging van maatschappijen die niet lid zijn van Cewal, uitsluit. Zij ziet niet, hoe de deelneming van de Cewal-conference of haar leden aan de uitvoering van een overeenkomst een handeling van een derde staat kan zijn.
26 Aangaande het gevaar van ernstige en onherstelbare schade betoogt de Commissie, dat het beëindigen van een inbreuk op de mededingingsregels van het Verdrag, zelfs al zou dat tot financieel verlies leiden, nimmer ernstige en onherstelbare schade oplevert. Verzoekster heeft enkel verklaard, dat de opzegging van de overeenkomst met Ogefrem onoverzienbare gevolgen voor Cewal en haar leden zou kunnen hebben en, in het bijzonder, dat Zaïre de toegang tot zijn havens zou kunnen sluiten voor alle niet-Zaïrese lijnen van Cewal. Het valt echter niet in te zien, waarom Zaïre dat zou doen, daar de enige maatschappij van die staat geen enkel schip heeft en de overeenkomst zelf in artikel 11 al de mogelijkheid van eenzijdige opzegging biedt. In ieder geval laten dergelijke veronderstellingen niet toe, tot ernstige en onherstelbare schade te concluderen.
27 ° Beoordeling door de rechter in kort geding
De ontvankelijkheid van het verzoek in kort geding
28 In de eerste plaats zij opgemerkt, dat in artikel 3 van de bestreden beschikking de leden-ondernemingen van Cewal wordt opgedragen een einde te maken aan de in artikel 2 vastgestelde inbreuken, met name de deelneming aan de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem.
29 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat niet CMBT maar CMB wordt genoemd in de in bijlage I van de beschikking opgenomen lijst van de leden-ondernemingen van de lijnvaartconferences Cewal, Cowac en Ukwal, welke de beschikking in artikel 8 aanduidt als de adressaten.
30 Daarbij zij in herinnering gebracht, dat degenen die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen dat zij erdoor worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, indien de beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van 2 april 1993, zaak T-12/93 R, CCE Vittel en CE Pierval, Jurispr. 1993, blz. II-449, r.o. 21).
31 Naar vaststaat, heeft CMB haar lijnvaartactiviteiten op Zaïre per 1 januari 1991 overgedragen aan CMBT en is CMBT thans lid van Cewal. Hoewel de beschikking niet formeel tot CMBT is gericht, valt op het eerste gezicht dus niet uit te sluiten, dat sommige van de in de beschikking opgelegde verplichtingen, met name die betreffende de deelneming aan de uitvoering van de overeenkomst met Ogefrem, CMBT rechtstreeks en individueel raken. Dit is echter geen punt dat in kort geding kan worden beslist.
Het gevaar van ernstige en onherstelbare schade
32 Volgens vaste rechtspraak (zie beschikking van de president van het Gerecht van 15 december 1992, zaak T-96/92 R, CCE Grandes Sources e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2579, r.o. 42) moet de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding worden beoordeeld aan de hand van de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. De partij die om opschorting van de tenuitvoerlegging verzoekt, dient dus aan te tonen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder schade te lijden met voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen.
33 Voor haar verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging heeft verzoekster slechts aangevoerd, dat zij alléén niet de mogelijk had de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem op te zeggen, en dat de opzegging van de overeenkomst onoverzienbare gevolgen zou kunnen hebben voor Cewal en haar leden.
34 Wat het eerste punt betreft is het zo, gelijk de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, dat artikel 3 van de beschikking de adressaten hoe dan ook niet verplicht de samenwerkingsovereenkomst met Ogefrem te beëindigen. Het verplicht hen enkel, hun deelneming aan de uitvoering van die overeenkomst en handelingen ter verzekering van de strikte naleving ervan te beëindigen. Verzoekster heeft echter niet aangetoond of zelfs maar gesteld, dat het haar onmogelijk was haar deelneming aan de uitvoering van de overeenkomst te beëindigen, of dat bij niet-deelneming aan de uitvoering van de overeenkomst ernstige en onherstelbare schade voor haar dreigde te ontstaan.
35 Met betrekking tot het tweede punt zij opgemerkt, dat onvoorzienbare omstandigheden zoals door verzoekster aangevoerd, niet op één lijn kunnen worden gesteld met een risico van ernstige en onherstelbare schade, dat de gevraagde voorlopige maatregel zou rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden vormen geen actueel risico van schade, maar een toekomstig, onzeker en toevallig risico. Indien het zich werkelijk zou voordoen, zal verzoekster haar rechten voor de gemeenschapsrechter kunnen doen gelden (zie beschikking van de president van het Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-19/91 R, Vichy, Jurispr. 1991, blz. II-265).
36 Zonder dat behoeft te worden ingegaan op verzoeksters betoog betreffende de fumus boni juris van haar beroep in de hoofdzaak, moet mitsdien worden vastgesteld, dat niet is voldaan aan de voorwaarden rechtens waaronder de gevraagde maatregel kan worden toegestaan, en dat het verzoek derhalve moet worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Grimaldi en Cobelfret worden toegelaten tot interventie in zaak T-24/93 R ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.
2) In de procedure in kort geding wordt het verzoek van CMBT om vertrouwelijke behandeling van bepaalde in haar verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging vervatte gegevens ingewilligd.
3) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 13 mei 1993.
Full & Egal Universal Law Academy