Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding ° Voorlopige maatregelen ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Verplichting voor bepaalde melkproducenten die niet van extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheden hebben verkregen, om te kiezen tussen aanvaarding van globale vergoeding die hen niet tevreden stelt, en het gedurende onbepaalde tijd wachten op schadevergoeding ° Voorlopige maatregelen die na onderzoek van gevolgen van aanvaarding van globale vergoeding niet noodzakelijk lijken
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 2187/93 van de Raad)
Samenvatting
De spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherroepelijke schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze partij dient dus aan te tonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder schade met ernstige en onherstelbare gevolgen te lijden.
Door het feit dat melkproducenten die aanspraak maken op vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de door het Hof onwettig geoordeelde weigering om hun bij de beëindiging van hun niet-leveringsverbintenis van de extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheden toe te kennen, hetzij de in verordening nr. 2187/93 bedoelde globale vergoeding moeten aanvaarden in welk geval zij van alle beroepsmogelijkheden moeten afzien, hetzij de uitspraak op de beroepen tot schadevergoeding moeten afwachten die zij voor de gemeenschapsrechter hebben ingesteld om daadwerkelijk schadevergoeding te verkrijgen, lopen zij niet het risico een dergelijke schade te lijden.
Immers, al kan de producent die zich in de schulden heeft gestoken en blootstaat aan gerechtelijke vervolgingen door zijn schuldeisers, niet onbeperkt de betaling van schadevergoeding afwachten, de aanvaarding van het voorstel voor een globale vergoeding op de door voornoemde verordening gestelde voorwaarden, betekent niet noodzakelijkerwijze dat het recht op een hogere schadevergoeding waarop betrokkenen aanspraak maken, definitief verloren gaat. Dit volgt uit het feit, dat wanneer - zoals deze laatsten stellen - de in de verordening neergelegde regeling inzake de globale vergoeding onwettig is, de nietigverklaring van de betwiste bepalingen door de rechter in het kader van een beroep ten aanzien waarvan geen afstand van instantie is gedaan, nieuwe omstandigheden zal scheppen die, naar de verwerende instellingen voor de rechter in kort geding uitdrukkelijk hebben erkend, alle betrokkenen de mogelijkheid zal bieden, schadevergoeding te vorderen die zal worden berekend over een langere periode dan die welke bij de globale vergoeding in aanmerking is genomen. Weliswaar zouden in dat geval voor de berekening van de schadevergoeding de werkelijk geleden verliezen in aanmerking worden genomen, maar daarmee zou geen inbreuk op de rechten van betrokkenen worden gemaakt.
Bijgevolg moet het verzoek om voorlopige maatregelen worden afgewezen, daar de aanvaarding, door verzoekers, van het in verordening nr. 2187/93 bedoelde voorstel voor globale vergoeding op zichzelf geen ernstige en onherstelbare schade kan veroorzaken.
Partijen
In de zaken T-278/93 R en T-555/93 R,
D. A. Jones en M. B. Jones, wonende te Llandeilo (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam, en H. J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage, geïnstrueerd door Burges Salmon, Solicitors te Bristol, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Frieden, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en C. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
T-280/93 R,
B. S. Garett, wonende te Motcombe (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door M. Rawstorne, Solicitor te Yeovil, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Berna c.s., Boulevard de la Foire 16 A,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
en
T-541/93 R,
N. McCutcheon, wonende te Aldoghal (Verenigd Koninkrijk) en de 246 andere melkproducenten van wie de naam en woonplaats in de bijlage zijn vermeld, vertegenwoordigd door J. O' Reilly, SC, en P. Watson, Barrister, geïnstrueerd door O. Ryan-Purcell, Solicitor te Tipperary, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fyfe Business Centre, Rue Jean-Pierre Brasseur 29,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer,
verweerder,
betreffende:
- in de zaken T-278/93 R, T-555/93 R en T-541/93 R, een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB 1993, L 196, blz. 6) en in het bijzonder van artikel 14, vierde alinea, alsmede een verzoek dat de Raad en de Commissie wordt gelast om alle nodige maatregelen te nemen opdat verzoekers de in die verordening voorziene globale vergoeding kunnen ontvangen, zonder gedwongen te zijn afstand te doen van hun beroepen in de hoofdzaak, en,
- in zaak T-280/93 R, een verzoek dat de Raad en de Commissie wordt gelast om, in de eerste plaats, binnen een maand met verzoeker een overeenkomst te sluiten over het bedrag van de aan hem toe te kennen schadevergoeding met betrekking tot zijn beide bedrijven, bij gebreke waarvan de behandeling van de hoofdzaak wordt hervat en, in de tweede plaats, hem onmiddellijk als voorschot een bedrag van 329 000 UKL te betalen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij op 18 mei 1992 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift (zaak C-202/92) hebben D. Jones en M. Jones krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tegen de Raad en de Commissie, strekkende tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de toepassing van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
2 Bij beschikking van het Hof van 14 september 1993 is de behandeling van die zaak geschorst tot de datum van het eindarrest in de gevoegde zaken C-104/89 (Mulder e.a.) en C-37/90 (Heinemann), die hetzelfde voorwerp betroffen en waarin de geldigheid van dezelfde verordeningen in geding was.
3 Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof krachtens artikel 47 van 's Hofs Statuut-EEG het beroep naar het Gerecht verwezen overeenkomstig artikel 3 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21). De zaak is bij het Gerecht ingeschreven onder nr. T-278/93.
4 Bij op 29 oktober 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben dezelfde verzoekers, alsmede 25 andere melkproducenten die voordien beroepen tot schadevergoeding hadden ingesteld die hetzelfde voorwerp betroffen, krachtens artikel 173 EEG-Verdrag tegen de Raad beroep ingesteld tot nietigverklaring van de artikelen 8, lid 2, sub a, en 14, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB 1993, L 196, blz. 6).
5 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven, hebben D. Jones en M. Jones een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, dat hoofdzakelijk ertoe strekt dat het Gerecht de Raad en de Commissie gelast, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om te verzekeren dat zij de in verordening nr. 2187/93 voorziene globale vergoeding kunnen ontvangen, zonder gedwongen te zijn afstand te doen van de beroepen die zij bij het Gerecht hebben ingesteld.
6 De Raad en de Commissie hebben op 18 respectievelijk 19 november 1993 hun schriftelijke opmerkingen over dit verzoek in kort geding ingediend.
7 Bij op 10 augustus 1992 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift (zaak C-337/92) heeft B. Garrett krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag tegen de Raad en de Commissie beroep ingesteld tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de toepassing van verordening nr. 857/84.
8 Bij beschikking van het Hof van 14 september 1993 is de behandeling van die zaak geschorst tot de datum van het eindarrest in de gevoegde zaken C-104/89 (Mulder e.a.) en C-37/90 (Heinemann), die hetzelfde voorwerp betroffen en waarin de geldigheid van dezelfde verordeningen in geding was.
9 Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof krachtens artikel 47 van 's Hofs Statuut-EEG het beroep naar het Gerecht verwezen overeenkomstig voornoemde besluiten van 24 oktober 1988 en 8 juni 1993. De zaak is bij het Gerecht ingeschreven onder nr. T-280/93.
10 Bij afzonderlijke akte, op 26 november 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven, heeft verzoeker een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, dat hoofdzakelijk ertoe strekt dat het Gerecht de Raad en de Commissie gelast om, in de eerste plaats, binnen een maand met hem een overeenkomst te sluiten over het bedrag van de aan hem toe te kennen schadevergoeding met betrekking tot zijn beide bedrijven, bij gebreke waarvan de behandeling van de hoofdzaak wordt hervat en, in de tweede plaats, hem onmiddellijk als voorschot een bedrag van 329 000 UKL te betalen.
11 De Raad en de Commissie hebben op 9 respectievelijk 10 december 1993 hun schriftelijke opmerkingen over dit verzoek in kort geding ingediend.
12 Bij op 14 oktober 1993 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift hebben N. McCutcheon en 246 andere melkproducenten krachtens artikel 173 EEG-Verdrag tegen de Raad beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 2187/93 en in het bijzonder van de artikelen 8 en 14 daarvan. De zaak is ingeschreven onder nr. T-541/93. Al deze producenten hadden ook krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag tegen de Raad en de Commissie beroep ingesteld tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de toepassing van verordening nr. 857/84.
13 Bij afzonderlijke akte, op 19 november 1993 ter griffie van het Hof ingeschreven, hebben N. McCutcheon en de 246 andere verzoekers in zaak T-541/93 een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, dat er toe strekt dat het Gerecht, in de eerste plaats, de opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 2187/93 gelast en in het bijzonder van artikel 14, vierde alinea, daarvan en, in de tweede plaats, verstaat dat verzoekers de in verordening nr. 2187/93 voorziene globale vergoeding kunnen ontvangen, zonder gedwongen te zijn afstand te doen van hun beroepen tot schadevergoeding die bij het Gerecht aanhangig zijn.
14 De Raad heeft op 9 december 1993 schriftelijke opmerkingen over dit verzoek in kort geding ingediend.
15 Bij op 5 januari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie een verzoek ingediend tot tussenkomst in zaak T-541/93 R ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Het verzoek tot tussenkomst is partijen in het hoofdgeding betekend overeenkomstig artikel 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
16 Partijen zijn in hun mondelinge opmerkingen gehoord ter terechtzitting van 6 januari 1994.
17 Tijdens die terechtzitting heeft de president van het Gerecht partijen verzocht, mondelinge opmerkingen te maken over een eventuele voeging van de onderhavige zaken voor een gelijktijdige berechting bij de beschikking in kort geding, alsmede over het verzoek tot tussenkomst van de Commissie in zaak T-541/93 R. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen een dergelijke voeging, noch tegen de tussenkomst van de Commissie ter ondersteuning van de Raad in zaak T-541/93 R.
18 Daar de zaken T-278/93 R en T-555/93 R, T-280/93 R en T-541/93 R wat hun voorwerp betreft verknocht zijn, dienen zij te worden gevoegd voor gelijktijdige berechting bij de beschikking in kort geding. Onder deze omstandigheden moet ook worden geoordeeld dat de Commissie een belang bij tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de Raad in zaak T-541/93 R heeft aangetoond.
19 Alvorens de gegrondheid van de bij het Gerecht ingediende verzoeken wordt onderzocht, zal kort worden ingegaan op de context van de onderhavige zaken en in het bijzonder op de belangrijkste feiten die geleid hebben tot de bij het Gerecht ingestelde procedures, zoals deze blijken uit de door partijen ingediende memories en de mondelinge verklaringen ter terechtzitting.
20 Bij arresten van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321; hierna: "Mulder I" en zaak 170/86, von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355) heeft het Hof verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), ongeldig verklaard, voor zover deze verordeningen niet hadden voorzien in toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die, ter uitvoering van een op grond van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1) aangegane verbintenis, gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd.
21 Bij arrest van 19 mei 1992 (gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061; hierna: "Mulder II"), heeft het Hof geoordeeld dat de Raad en de Commissie gehouden zijn, de schade te vergoeden die verzoekers hebben geleden ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84.
22 Naar aanleiding van dit arrest van het Hof hebben de Raad en de Commissie in een mededeling, gepubliceerd in het Publikatieblad van 5 augustus 1992 (PB 1992, C 198, blz. 4), erkend dat de bevindingen van het Hof in zijn arrest Mulder II van toepassing zijn op alle personen die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de verzoekers in de gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, en hebben zij zich verbonden om, in afwachting van de vaststelling van de nodige maatregelen om uitvoering te geven aan het arrest van het Hof, ten aanzien van de na 5 augustus 1992 ingestelde vorderingen geen beroep te doen op artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, volgens hetwelk de vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven.
23 In deze omstandigheden heeft de Raad op 22 juli 1993 op voorstel van de Commissie en na advies van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité verordening nr. 2187/93 vastgesteld, die voorziet in een voorstel voor een globale vergoeding aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, en de modaliteiten voor de toekenning van deze vergoeding vastlegt.
24 Een aantal van de betrokken producenten achtte zich echter benadeeld door sommige bepalingen van deze verordening, met name door de bepalingen betreffende de verjaringstermijn, en hebben daarom bij het Gerecht een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening nr. 2187/93, alsmede de onderhavige verzoeken om voorlopige maatregelen ingesteld.
In rechte
25 Krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag, juncto artikel 4 van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988, kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijk voorlopige maatregelen gelasten.
26 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat de verzoeken tot verkrijging van de voorlopige maatregelen, bedoeld in de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag, een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De maatregelen waarom wordt verzocht, moeten een voorlopig karakter hebben, in die zin dat zij de beslissing ten gronde niet mogen prejudiciëren.
27 Volgens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2187/93 wordt de globale vergoeding slechts toegekend voor de periode waarvoor het recht op de vergoeding niet verjaard is. Artikel 8, lid 2, sub a, bepaalt dat als datum van de stuiting van de verjaringstermijn van vijf jaar betreffende de actie wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, zoals vastgesteld in artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, wordt aangehouden de datum waarop de producent die zich benadeeld acht, aan één van de instellingen van de Gemeenschap zijn aanvraag heeft toegezonden, de datum waarop beroep bij het Hof is ingesteld of de datum van genoemde mededeling van 5 augustus 1992.
28 Volgens artikel 10, leden 1 en 2, van verordening nr. 2187/93 moet de aanvraag om schadevergoeding uiterlijk op 30 september 1993 aan de daartoe door elke Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie worden toegezonden. Ingevolge artikel 14, eerste alinea, beschikt deze instantie over een periode van maximaal vier maanden na ontvangst van de aanvraag om namens en voor rekening van de Raad en van de Commissie een vergoedingsvoorstel aan de producent te doen, vergezeld van een kwitantie voor definitieve afrekening.
29 Volgens artikel 14, derde alinea, van verordening nr. 2187/93 zijn de betrokken instellingen van de Gemeenschap, dat wil zeggen de Raad en de Commissie, niet meer door het voorstel gebonden, wanneer het niet binnen twee maanden na de ontvangst ervan wordt aangenomen. Verder bepaalt artikel 14, vierde alinea, dat het aannemen van het voorstel door terugzending van de goedgekeurde en ondertekende kwitantie aan de bevoegde nationale instantie binnen deze termijn van twee maanden inhoudt, dat wordt afgezien van iedere verdere vordering tegen de instellingen van de Gemeenschap met betrekking tot het nadeel waarop het vergoedingsvoorstel betrekking heeft.
De argumenten van partijen
30 De argumenten van partijen die relevant zijn voor een beslissing op de onderhavige verzoeken in kort geding, kunnen worden samengevat als volgt.
31 Als middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen, voeren de verzoekers Jones en McCutcheon in hoofdzaak aan, dat de toepassing die de Raad aan artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG heeft gegeven in het kader van artikel 8, lid 2, sub a, van verordening nr. 2187/93 onwettig is, daar zij in de eerste plaats op een onjuiste uitlegging van het recht is gebaseerd, en in de tweede plaats in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
32 Volgens verzoekers volgt uit artikel 43 van 's Hofs Statuut EEG, zoals door het Hof uitgelegd in zijn arresten van 27 januari 1982 (gevoegde zaken 256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Birra Wuehrer e.a., Jurispr. 1982, blz. 85) en 13 november 1984 (gevoegde zaken 256/80, 257/80, 265/80, 267/80, 5/81, 51/81 en 282/82, Birra Wuehrer e.a., Jurispr. 1984, blz. 3693; hierna: "Birra Wuehrer II"), dat de verjaringstermijn voor een actie wegens niet-contractuele aansprakelijkheid tegen de Gemeenschap niet kan ingaan, voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en met name niet voordat de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd. In de omstandigheden van de onderhavige zaak is volgens verzoekers pas op 28 april 1988, dat wil zeggen de datum van de uitspraak in het arrest Mulder I, aan alle vereisten voor het ontstaan van een schadevergoedingsplicht voldaan, daar geen van de betrokken melkproducenten vóór die datum kon weten dat hij recht had op een referentiehoeveelheid.
33 Verzoekers zijn ook van mening dat in casu het beroep op artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG in strijd is met het fundamentele beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, voor zover noch de Raad, noch de Commissie in de zaak Mulder II het probleem van de verjaring aan de orde heeft gesteld, terwijl de vordering tot schadevergoeding van één van de verzoekers in die zaak gedeeltelijk - voor iets meer dan twee maanden - betrekking had op een door de verjaringstermijn bestreken periode. Verzoekers zijn daarom van oordeel dat de Raad en de Commissie moeten worden geacht afstand te hebben gedaan van het recht om met betrekking tot de door alle betrokken melkproducenten ingestelde beroepen tot schadevergoeding een beroep op verjaring te doen.
34 Volgens verzoekers is de toepassing van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG bovendien in strijd met het fundamentele beginsel van gelijke behandeling, daar zij een discriminatie veroorzaakt tussen de producenten wier niet-leverings- of omschakelingsverbintenissen in 1983 of 1984 afliepen, en diegenen wier verbintenissen in 1987 afliepen, daar deze laatsten nauwelijks door de verjaring worden geraakt.
35 Aangaande de spoedeisendheid betogen verzoekers dat zij een ernstige en onherstelbare schade zullen lijden, indien zij niet de voorlopige maatregelen verkrijgen waarom is verzocht. Dienaangaande wijzen zij erop, dat zij door de bestreden verordening voor de keuze worden gesteld om ofwel de globale vergoeding aan te nemen, en dus afstand te doen van hun recht op vergoeding van de totale schade, of om het voorstel voor een globale vergoeding af te wijzen en derhalve verscheidene jaren te moeten wachten totdat het Gerecht, en eventueel het Hof in geval van hogere voorziening, arrest wijst in de thans aanhangige zaken. Volgens verzoekers kunnen zij evenwel niet op de uitspraak in die procedures wachten, daar het bestaan zelf van hun bedrijven thans in gevaar is, aangezien hun schuldeisers zich opmaken om beslag op deze bedrijven te leggen en deze te verkopen. Verzoekers menen daarom dat zij in de twee onderhavige zaken een ernstige en onherstelbare schade lijden, die enkel kan worden verholpen door de vaststelling van de gevraagde voorlopige maatregelen, daar ingevolge artikel 14, eerste en derde alinea, van verordening nr. 2187/93 het vergoedingsvoorstel hun uiterlijk op 31 januari 1994 moet worden gedaan en zij dit voorstel binnen twee maanden moeten aannemen.
36 Verzoeker Garrett betoogt dat, zonder de gevraagde voorlopige maatregelen, zijn banken wegens het feit dat de globale vergoeding van verordening nr. 2187/93 ongeveer de helft lager is dan het bedrag dat zij van hem te vorderen hebben, beslag zullen leggen op de gedeelten van zijn bedrijven die zijn verhypothekeerd, waardoor hij niet alleen de globale vergoeding betreffende deze gedeelten zal verliezen, maar ook de referentiehoeveelheden die hem zijn of zullen worden toegekend ingevolge artikel 4 van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 405, blz. 1).
37 De Raad en de Commissie zijn allereerst van mening dat de verzoeken om voorlopige maatregelen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, daar verzoekers door verordening nr. 2187/93 niet rechtstreeks en individueel worden geraakt. Afgezien van het feit dat de bestreden bepalingen verzoekers enkel raken in hun objectieve hoedanigheid van melkproducent die aan de niet-leveringsregeling heeft deelgenomen, betogen verweerders dat deze verordening voor de betrokken personen geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept, aangezien zij hun rechtspositie niet zonder hun toestemming wijzigt. De Raad en de Commissie wijzen erop, dat het in de verordening bedoelde voorstel voor een globale vergoeding niet bindend is, daar de desbetreffende personen volstrekt vrij zijn om het aan nemen of te weigeren.
38 Aangaande de middelen, zowel feitelijk als rechtens, als gevolg waarvan de door verzoekers gevraagde voorlopige maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd zouden voorkomen, menen de Raad en de Commissie dat zij volledig ongegrond zijn. Aangaande de grief dat artikel 43 van 's Hofs Statuut EEG onjuist is toegepast, betogen verweerders dat de regels betreffende de verjaring in artikel 8, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 2187/93 precies gelijk zijn aan die welke het Hof in zijn arrest Birra Wuehrer II heeft ontwikkeld, zodat hun niet kan worden verweten dat zij in strijd met 's Hofs rechtspraak hebben gehandeld.
39 De Raad en de Commissie bestrijden overigens dat het gewettigd vertrouwen is geschonden, vooral daar, anders dan verzoekers betogen, in de zaak Mulder II geen beroep had kunnen worden gedaan op de exceptie van verjaring, daar de verzoeker in die zaak drie maanden vóór het instellen van zijn beroep bij het Hof tot de Raad een verzoek ingevolge artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG had gericht en dus de verjaring had gestuit. Hoe dan ook, de Raad meent dat, daar het een exceptie betreft die in ieder individueel geval ter discretie van de verwerende partij kan worden opgeworpen, hij de mogelijkheid moet houden om een beroep op verjaring te doen bij een later ingesteld beroep of om deze verjaring toe te passen bij de vaststelling van een wetgevende maatregel van algemene strekking, zoals in casu.
40 Volgens de Raad en de Commissie kan het middel, ontleend aan schending van het gelijkheidsbeginsel, evenmin slagen, daar het verschil in behandeling van de betrokken producenten slechts het automatisch gevolg is van een objectief verschil in hun feitelijke situaties in het licht van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG.
41 Meer in het bijzonder met betrekking tot het verzoek om voorlopige maatregelen van verzoeker Garrett betogen verweerders, dat dit kennelijk ongegrond is, daar verzoeker niet heeft aangetoond dat de gestelde schade het gevolg is van een onwettige handeling van de Gemeenschap en dat voorts de gevraagde voorlopige maatregelen de beslissing in de hoofdzaak prejudiciëren, daar zij strekken tot een vooruitbetaling van een vergoeding voor schade waarvan het bestaan in de hoofdzaak moet worden aangetoond. Verweerders wijzen er voorts op, dat verzoeker bij wijze van voorlopige maatregel betaling vordert van een bedrag dat twee keer zo groot is als de schade die hij in de hoofdzaak lijkt aan te voeren, namelijk 136 000 UKL.
42 Wat de spoedeisendheid betreft, zijn de Raad en de Commissie, zakelijk weergegeven, van mening dat verzoekers niet alleen niet voor een onmogelijke keuze zijn gesteld, maar ook geen ernstige en onherstelbare schade dreigen te lijden. Wanneer verzoekers het voorstel voor een globale vergoeding aannemen, zal dit namelijk voldoende zijn om hun huidige financiële moeilijkheden op te lossen. Mochten het Gerecht en, in laatste aanleg het Hof, in beroepen waarin geen afstand van instantie is gedaan, de bepalingen inzake de verjaringstermijn in artikel 8 van verordening nr. 2187/93 overigens onwettig achten, dan zouden verzoekers evenmin noodzakelijkerwijs al hun rechten op schadevergoeding verliezen voor de gehele periode waarover zij hierop recht menen te hebben. In een dergelijk geval zou zich een geheel nieuwe situatie voordoen, daar in beginsel over de gehele betrokken periode schadevergoeding kan worden gevorderd. Volgens verweerders zou deze schadevergoeding dan niet meer kunnen worden berekend op basis van een voordelige globale raming, maar enkel op basis van de werkelijke verliezen.
43 Volgens de Raad en de Commissie dreigen verzoekers evenmin ernstige en onherroepelijke schade te lijden, wanneer zij het voorstel voor een globale vergoeding zouden afwijzen. Voor zover verzoekers voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de globale vergoeding uit hoofde van verordening nr. 2187/93, hebben zij ongetwijfeld recht op een schadevergoeding vermeerderd met een rente van 8 % per jaar. Dit recht op schadevergoeding, dat in beginsel ten minste gelijk moet zijn aan het bedrag van de globale vergoeding waarop verzoekers recht hebben wanneer zij het voorstel aannemen, zal zo nodig aan hun bank kunnen worden gecedeerd als zekerheid voor de lening.
Beoordeling van de verzoeken
44 Gelet op de argumenten van partijen, moet in de eerste plaats worden onderzocht of zonder de gevraagde voorlopige maatregelen in de onderhavige zaken voor verzoekers een ernstige en onherstelbare schade dreigt die de vaststelling van dergelijke maatregelen kan rechtvaardigen.
45 Het is vaste rechtspraak (zie met name de beschikking van de president van het Gerecht van 13 mei 1993, zaak T-24/93, CMBT, Jurispr. 1993, blz. II-544), dat de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherroepelijke schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. De partij die om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verzoekt, dient dus aan te tonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder schade met ernstige en onherstelbare gevolgen te lijden.
46 Het hoofdargument van de verzoekers Jones en McCutcheon is, dat zij, zonder de aan de rechter in kort geding gevraagde voorlopige maatregelen, ernstige en onherroepelijke schade zullen lijden, zowel wanneer zij het hun gedane voorstel voor een globale vergoeding zouden aannemen - daar zij dan zouden moeten afzien van elke vordering tegen de instellingen van de Gemeenschap tot verkrijging van vergoeding van de gehele door hen geleden schade -, als wanneer zij dat voorstel zouden afwijzen - daar hun economische situatie het hun niet zou permitteren op de uitspraak in de hoofdzaak te wachten.
47 Derhalve moet worden onderzocht of de keuze die verzoekers moeten maken tussen aanneming en afwijzing van het voorstel voor een globale vergoeding noodzakelijkerwijs de ernstige en onherstelbare gevolgen heeft die zij stellen.
48 Bij een afwijzing van het voorstel voor een globale vergoeding zouden verzoekers weliswaar in beginsel al hun kansen behouden om schadevergoeding te kunnen verkrijgen over de gehele periode waarin zij stellen schade te hebben geleden, maar verzoekers hebben niettemin op het eerste gezicht aangetoond dat zij, gelet op hun ernstige financiële moeilijkheden en het dreigende beslag op hun bedrijven door hun respectieve schuldeisers, niet op de uitspraak in de hoofdzaak kunnen wachten.
49 Zouden zij anderzijds het voorstel voor een globale vergoeding aannemen, dan zou door deze vergoeding althans voor de verzoekers Jones en McCutcheon het beslag op hun bedrijven door hun respectieve schuldeisers kunnen worden voorkomen. Hun schade zou dus bestaan in het feit dat zij moeten afzien van hun recht op schadevergoeding voor de periode die krachtens artikel 8 van verordening nr. 2187/93 door de verjaring wordt gedekt.
50 De Raad en de Commissie hebben in hun schriftelijke opmerkingen verklaard, dat wanneer verzoekers het voorstel voor een globale vergoeding aannemen en dus afzien van iedere verdere vordering tot schadevergoeding tegen de instellingen van de Gemeenschap, zij niet noodzakelijkerwijs al hun rechten op schadevergoeding verliezen voor de gehele periode waarvoor zij stellen hierop recht te hebben, indien het Gerecht of het Hof de bepalingen inzake de verjaring in artikel 8 van verordening nr. 2187/93 onwettig zou verklaren in één van de zaken die bij hen aanhangig zouden blijven. In die omstandigheden zou zich naar de mening van verweerders een geheel nieuwe situatie voordoen en zou in beginsel over de gehele periode schadevergoeding kunnen worden gevorderd, met dien verstande dat de berekening van die schadevergoeding echter alleen kan worden gebaseerd op de werkelijke verliezen en niet op een globale raming zoals in verordening nr. 2187/93 is voorzien.
51 Op een vraag van de president ter terechtzitting van 6 januari 1994 over de strekking van hun verklaringen op bladzijde 16 van hun respectieve schriftelijke opmerkingen "verklaarden de gemachtigden van de Raad en de Commissie dat indien het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie in laatste instantie zouden beslissen dat in verordening (EEG) nr. 2187/93 artikel 43 van 's Hofs Statuut EEG niet juist was toegepast, zich een nieuwe situatie zou voordoen, doordat de vergoedingsperiode dan in beginsel zou moeten worden berekend zonder rekening te houden met de gevolgen van de verjaring. In dat geval zou volgens de gemachtigden het forfait op basis waarvan de vergoeding wordt berekend, kunnen worden herzien, bij voorbeeld op basis van de werkelijke schade". Deze verklaring is met toestemming van verweerders opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in kort geding.
52 In deze omstandigheden moet worden geconcludeerd, dat wanneer in de beroepen strekkende tot nietigverklaring van sommige bepalingen van verordening nr. 2187/93 - waaronder een aantal beroepen waarin, zoals partijen ter terechtzitting hebben erkend, in beginsel geen afstand van instantie zal worden gedaan - het Gerecht en, in voorkomend geval, het Hof de bepalingen inzake de verjaringstermijn in artikel 8 van die verordening onwettig zou verklaren, het feit dat de desbetreffende producenten het voorstel voor een globale vergoeding hebben aangenomen en derhalve afstand hebben gedaan van de beroepen die zij bij het Gerecht hebben ingesteld, niet kan betekenen dat hun recht op schadevergoeding over de gehele periode waarover zij daarop recht menen te hebben, definitief teniet is gegaan.
53 De vraag of in een dergelijk geval de schadevergoeding wordt berekend op basis van de werkelijke verliezen of van een globale raming is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of voor verzoekers ernstige en onherstelbare schade dreigt. Het feit dat de verwerende instellingen in geval van nietigverklaring van artikel 8 van verordening 2187/93 kunnen besluiten om een vergoeding te voorzien op basis van de door de betrokken producenten werkelijk geleden verliezen en niet een globale vergoeding, zoals thans het geval is, kan in beginsel niet worden uitgelegd als een inbreuk op verzoekers' recht om schadeloos te worden gesteld over de gehele periode waarin zij schade menen te hebben geleden. Wanneer verzoekers het in verordening nr. 2187/93 voorziene voorstel voor een globale vergoeding aannemen, veroorzaakt dat derhalve op zichzelf voor hen geen ernstige en onherstelbare schade.
54 Wat in het bijzonder het verzoek om voorlopige maatregelen van verzoeker Garrett betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat zelfs indien de spoedeisendheid zou zijn aangetoond, de hervatting van de procedure in de hoofdzaak niet het door verzoeker gestelde risico van dreigende schade voorkomt. Verder komt het verzoek dat het Gerecht verweerders gelast, als voorschot een bedrag van 329 000 UKL te betalen, neer op een verzoek om reeds in het stadium van het kort geding de conclusies in de hoofdzaak toe te wijzen, hetgeen, wanneer het zou worden toegewezen, de beslissing in de hoofdzaak zal prejudiciëren. Ten slotte heeft verzoeker in ieder geval niet aangetoond, zelfs niet op het eerste gezicht, dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen enerzijds de in de hoofdzaak gestelde, maar niet begrote schade die het gevolg zou zijn van een onwettige handeling van de Gemeenschap waarvoor zij aansprakelijk is, en anderzijds de schade waaraan hij zou zijn blootgesteld ingeval de gevraagde voorlopige maatregelen niet worden gelast, te weten het dreigende beslag op een gedeelte van zijn bedrijven als gevolg van het feit dat hij twee hypothecaire leningen niet kan terugbetalen.
55 Gelet op al het voorgaande, en zonder dat in dit stadium behoeft te worden ingegaan op de argumenten van verweerders betreffende de ontvankelijkheid of op de vraag of de door verzoekers in hun verzoekschrift in de hoofdzaak aangevoerde middelen aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen, moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden op grond waarvan de gevraagde voorlopige maatregelen rechtens kunnen worden gelast, zodat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG,
rechtdoende bij voorraad:
beschikt:
1) De verzoeken om voorlopige maatregelen worden afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 1 februari 1994.
Full & Egal Universal Law Academy