Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vormvereisten - Omschrijving van voorwerp van geschil
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 19; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 38, lid 1, sub c)
2. Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Handeling waarvan niet aan verzoeker is kennis gegeven - Exacte kennis van inhoud en gronden - Verplichting om binnen redelijke termijn na bekend worden van bestaan van handeling volledige tekst ervan te vragen
(EEG-Verdrag, art. 173)
3. Beroep tot nietigverklaring - Bevoegdheid van gemeenschapsrechter - Conclusies strekkende tot erkenning van recht van verzoeker - Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 173)
Partijen
In zaak T-468/93,
Frinil-Frio Naval e Industrial, SA, vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Lissabon, vertegenwoordigd door M. Rodrigues, advocaat te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Â. Alves Azevedo, Rue de Gasperich 61,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Caeiro en N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie houdende vermindering van de door het Europees Sociaal Fonds aan verzoekster toegekende bijstand,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, C. P. Briët, A. Kalogeropoulos, A. Saggio en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij op 15 maart 1993 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster krachtens de artikelen 173 en 174 EEG-Verdrag beroep ingesteld tegen de beschikking van de Commissie houdende vermindering van de door het Europees Sociaal Fonds (hierna: "ESF") toegekende bijstand voor een door verzoekster in Portugal georganiseerde beroepsopleiding.
2 Artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het ESF (PB 1983, L 289, blz. 38, hierna: "besluit 83/516") bepaalt, dat het ESF onder meer deelneemt in de financiering van beroepsopleiding en beroepskeuzevoorlichting. Artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG (PB 1983, L 289, blz. 1, hierna: "verordening nr. 2950/83") bepaalt, dat de aanvragen om bijstand van het ESF door de Lid-Staten worden ingediend. Bij de indiening van een aanvraag om bijstand vermeldt de Lid-Staat aan wie de betalingen moeten worden gedaan, en wijst hij de instelling aan ten behoeve waarvan de bijstand wordt gevraagd, voor het geval de betalingen niet aan deze instelling worden gedaan (artikel 5, lid 5, van verordening nr. 2950/83).
3 Wanneer de aanvraag is goedgekeurd, doch van de bijstand geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, kan de Commissie krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 de bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken Lid-Staat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.
4 De Portugese autoriteiten hebben een aanvraag om bijstand van het ESF ingediend voor een door verzoekster georganiseerde beroepsopleiding, in het kader waarvan 250 jongeren werden voorbereid op het zoeken naar een eerste baan. In de aanvraag was het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het ESF, hierna: "DAFSE") te Lissabon aangewezen als instelling aan wie de betalingen moesten worden gedaan.
5 Het beroepsopleidingsproject waarvoor de bijstand was gevraagd (dossiernummer 860288P1) is door de Commissie goedgekeurd bij beschikking C(86)736 van 7 mei 1986. Deze beschikking is meegedeeld aan het DAFSE, dat deze op zijn beurt bij brief van 17 juni 1986 ter kennis van verzoekster bracht.
6 In beschikking C(86)736 van de Commissie was het bedrag van de bijstand van het ESF vastgesteld op 124 992 710 ESC. In de brief van het DAFSE, waarbij de beschikking van de Commissie ter kennis van verzoekster werd gebracht, werd bovendien vermeld, dat de Portugese autoriteiten een financiële bijdrage van 102 266 763 ESC tot hetzelfde project zouden leveren.
7 Uit het dossier blijkt, dat het ESF een voorschot van 50 % van haar deelneming in de financiering van het project aan het DAFSE heeft uitgekeerd. In 1986 ontving verzoekster via het DAFSE dus een voorschot van 62 496 355 ESC van het ESF. In hetzelfde jaar ontving zij een bedrag dat gelijk was aan 50 % van de bijdrage van de Portugese autoriteiten in de financiering van het project.
8 Nadat volgens haar de beroepsopleiding voltooid was, verzocht verzoekster het DAFSE om betaling van het saldo. In 1988 betaalden de Portugese autoriteiten het saldo van hun bijdrage.
9 Bij brief van 19 september 1989 verzocht verzoekster het DAFSE om betaling van het door het ESF verschuldigde saldo.
10 Bij brief van 21 januari 1991 (nota nr. 746) deelde het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Industriële betrekkingen en Sociale zaken van de Commissie het DAFSE in verband met dossier 860288P1 het volgende mee:
"Met betrekking tot dit dossier zenden wij u het resultaat van de door onze diensten verrichte controle.
Een eerste gedeelte van 62 496 355 ESC (zijnde het door het ESF voor dit dossier goedgekeurde totaalbedrag) is reeds betaald. Het dossier wordt op die basis gesloten."
11 In het controleverslag waarnaar de Commissie in haar nota van 21 januari 1991 verwijst, stelden de diensten van de Commissie vast, dat verzoekster de betrokken beroepsopleiding volledig had uitbesteed en dat slechts 10 % van de tot de beroepsopleiding toegelaten personen bij haar waren tewerkgesteld. Voorts vermeldden de diensten van de Commissie in dit verslag, dat de hun door verzoekster overgelegde documenten de indruk wekten, dat verzoekster een niet erg gezond economisch beheer had gevoerd. Op grond van die bevindingen werd in het verslag geconcludeerd, dat "er termen leken te bestaan om het saldo te annuleren".
12 Op 25 februari 1991 zond het DAFSE verzoekster een nota (nr. 1900) waarvan de eerste paragraaf luidde als volgt:
"Assunto: 'Dossier' 860288P1
(Restituição de verbas)
Para os efeitos convenientes, communica-se que, de acordo com a decisão da CCE(1), foi fixada em 62 496 355 ESC. a comparticipação/FSE relativa ao 'dossier' acima referido.
(...)
°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
(1) V. fotocópia em anexo."
["Betreft: Dossier 860288P1
(Betaling van kredieten)
Ten overvloede delen wij u mee, dat ingevolge het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (1) de bijstand van het ESF voor voormeld dossier op 62 496 355 ESC is vastgesteld.
(...)
°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
(1) Zie bijgevoegde fotokopie."]
13 In de als bijlage bij het inleidend verzoekschrift gevoegde kopie van nota nr. 1900 kwam in de eerste alinea niet het nootteken (1) voor. Evenmin bevatte die kopie de tekst van de voetnoot "(1) zie bijgevoegde fotocopie". Aangezien de aldus bij het verzoekschrift gevoegde bestreden beschikking evenwel onleesbaar was, heeft de griffier van het Hof verzoekster om een nieuwe kopie van de betrokken nota verzocht. Het is de inhoud van de eerste alinea van deze nieuwe kopie die hierboven in rechtsoverweging 12 is weergegeven.
14 In de tweede alinea van nota nr. 1900 van het DAFSE van 25 februari 1991 werd verzoekster meegedeeld, dat onder die omstandigheden de deelneming van de Portugese autoriteiten op 51 133 382 ESC was vastgesteld - zijnde 50 % van de oorspronkelijk voorziene deelneming van 102 266 763 ESC - en dat verzoekster - die reeds de totale oorspronkelijk vastgestelde bijdrage van de Portugese autoriteiten had ontvangen - dus 51 133 382 ESC diende terug te betalen.
15 Uit het bij het dossier gevoegde ontvangstbewijs van de postdiensten blijkt, dat verzoekster nota nr. 1900 van het DAFSE op 26 februari 1991 heeft ontvangen.
16 Op 12 maart 1991 stelde verzoekster tegen de in nota nr. 1900 van het DAFSE vervatte terugvordering administratief beroep in bij de minister van Werkgelegenheid en Sociale zaken. Daarbij betoogde zij, dat dit besluit willekeurig was, aangezien "nem sequer [...] a decisão da CEE comunicada ao DAFSE e por este notificada à Recorrente, e não obstante se contestar e não aceitar, manda devolver/restituir o que quer que seja" ("in de aan het DAFSE meegedeelde en door het DAFSE ter kennis van verzoekster gebrachte beschikking van de EEG, nog afgezien van het feit dat zij wordt betwist en niet wordt aanvaard, in het geheel niet de terugbetaling/teruggave van welk bedrag dan ook wordt gelast").
17 Op 7 januari 1993 is verzoekster op de hoogte gebracht van besluit nr. 121/92 van het DAFSE van 4 december 1992, als bijlage bij nota nr. 44 van de directeur-generaal van het DAFSE. In dit besluit werd het verzoek om terugbetaling van de Portugese autoriteiten gerechtvaardigd op basis van de beschikking van de Commissie om de deelneming van het ESF aan het betrokken project tot 62 496 355 ESC te verminderen.
18 Onder die omstandigheden heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
19 Bij op 25 mei 1993 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 6 juli 1993 heeft verzoekster haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
20 Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof de zaak krachtens artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21) naar het Gerecht verwezen.
21 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren de beschikking van de Commissie, houdende vermindering van de bijstand van het ESF voor het betrokken project van 124 992 710 ESC tot 62 496 355 ESC;
- te verklaren dat verzoekster recht heeft op betaling van het saldo;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
22 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- verzoekster te gelasten het origineel van de hierna genoemde, door haar op 26 februari 1991 ontvangen documenten aan het dossier toe te voegen: i) nota nr. 1900 van het DAFSE van 25 februari 1991, waarvan zij op verzoek van de griffie van het Hof een fotokopie heeft overgelegd; ii) een kopie van nota nr. 746 van 21 januari 1991 van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Industriële betrekkingen en Sociale zaken; iii) een kopie van het controleverslag betreffende verzoekster;
- verzoekster te gelasten het origineel van nota nr. 1900 van het DAFSE van 25 februari 1991, waarvan zij een fotokopie als bijlage nr. 22 bij het verzoekschrift heeft gevoegd, aan het dossier toe te voegen en uit te leggen hoe dat document in haar bezit is geraakt;
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens onbegrijpelijkheid van het verzoekschrift;
- subsidiair het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat het lang na afloop van de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag bepaalde termijn van twee maanden is ingesteld;
- subsidiair, de vordering tot veroordeling van de Commissie tot betaling van het saldo van het dossier niet-ontvankelijk te verklaren, op grond dat die vordering niet binnen het kader van een beroep tot nietigverklaring valt;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
23 Krachtens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht (Tweede kamer) acht zich in casu voldoende ingelicht en is van mening, dat een mondelinge behandeling niet nodig is.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
24 De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat de beschikking waarvan verzoekster de nietigverklaring vordert, in de conclusies van het verzoekschrift wordt omschreven als "de beschikking van de EEG van (?), houdende vermindering van de bijstand van 124 992 710 ESC tot 62 496 355 ESC". Aangezien het voorwerp van het geschil niet is gepreciseerd, concludeert de Commissie dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens onbegrijpelijkheid.
25 Subsidiair voert de Commissie aan, dat het op 15 maart 1993 ingestelde beroep te laat is ingesteld, daar verzoekster van de litigieuze beschikking op 26 februari 1991 kennis heeft gekregen bij nota nr. 1900 van het DAFSE van 25 februari 1991. Naast het ontvangstbewijs van de postdiensten waren bij deze nota ook nog twee bijlagen gevoegd, namelijk een kopie van nota nr. 746 van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Industriële betrekkingen en Sociale zaken van de Commissie van 21 januari 1991 en een kopie van het door de diensten van de Commissie opgestelde controleverslag betreffende verzoekster. De Commissie is van mening, dat de in artikel 173 van het Verdrag voorziene termijn van twee maanden voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring duidelijk is overschreden.
26 Verzoekster betoogt, dat zij de datum van de beschikking van de Commissie niet kende en dat zij om die reden een vraagteken in haar verzoekschrift had geplaatst.
27 Zij stelt, dat zij van de beschikking van de Commissie, houdende vermindering van het bedrag van de haar aanvankelijk toegekende bijstand van het ESF, pas op 7 januari 1993 in kennis is gesteld, en wel door het bij nota nr. 44 van de directeur-generaal van het DAFSE gevoegde besluit nr. 121/92 van het DAFSE. Zij betoogt, dat aan nota nr. 1900 van het DAFSE van 25 februari 1991 alleen een ontvangstbewijs van de postdiensten was gehecht. Zij stelt voorts, dat zij nota nr. 1900 als een beschikking van het DAFSE heeft beschouwd, die zij als zodanig voor de Portugese autoriteiten en rechterlijke instanties heeft bestreden. Ten slotte betoogt zij dat zij, zelfs indien zij een kopie van nota nr. 746 van de Commissie van 21 januari 1991 en van het controleverslag had ontvangen, daarom nog niet op dat ogenblik in kennis van de bestreden beschikking zou zijn gesteld, daar deze documenten vaag waren, en niet tot haar waren gericht.
Beoordeling van het Gerecht
De conclusies strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie houdende vermindering van de bijstand van het ESF
28 Om te beginnen stelt het Gerecht vast, dat de bestreden beschikking wordt gevormd door nota nr. 746 van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Industriële betrekkingen en Sociale zaken van de Commissie van 21 januari 1991, en voorts dat de gronden waarop deze beschikking is gebaseerd, zijn uiteengezet in het controleverslag waarnaar in deze nota wordt verwezen.
29 In haar verzoekschrift verklaart verzoekster evenwel, dat de deelneming van het ESF aan de door haar georganiseerde actie bij de bestreden beschikking, waarvan zij de datum niet vermeldt, van 124 992 710 ESC tot 62 496 355 ESC is verminderd. Bij haar verzoekschrift heeft zij een kopie van beschikking C(86)736 van de Commissie van 7 mei 1986 gevoegd, waarin de bijstand van het ESF aanvankelijk op 124 992 710 ESC was bepaald. Voorts heeft zij een kopie van beschikking nr. 121/92 van het DAFSE van 4 december 1992 bijgevoegd.
30 Onder die omstandigheden is het Gerecht van mening, dat het voorwerp van het beroep in het verzoekschrift voldoende duidelijk is omschreven, en dat het verzoekschrift dus voldoet aan de minimumvereisten van artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, die op de datum van de indiening van het verzoekschrift van toepassing waren.
31 Ter beoordeling van de ontvankelijkheid van de conclusies strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking moet worden onderzocht, of de procestermijnen in acht zijn genomen. Dienaangaande zij opgemerkt, dat krachtens artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag, dat van toepassing was op de datum waarop het verzoekschrift werd neergelegd, en dat is overgenomen in artikel 173, vijfde alinea, EG-Verdrag, een beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang het geval, van de dag van bekendmaking van de handeling, van die van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, van de dag waarop de verzoeker van de handeling heeft kennis gekregen. Krachtens artikel 42 van 's Hofs Statuut-EEG wordt die termijn verlengd met de termijn volgens afstand, zoals die in het Reglement voor de procesvoering is vastgesteld.
32 In nota nr. 1900 van 25 februari 1991, waarin naar de bestreden beschikking wordt verwezen, wordt het belangrijkste punt van die beschikking, namelijk de vermindering van de bijstand van het ESF voor het betrokken project tot 62 496 355 ESC, overgenomen. Derhalve is het Gerecht van mening, dat verzoekster uiterlijk op 26 februari 1991 noodzakelijkerwijs niet alleen van het bestaan van de bestreden beschikking afwist, maar bovendien van het belangrijkste punt van de inhoud ervan kennis heeft gekregen.
33 Verzoekster stelt weliswaar, dat in nota nr. 1900 van 25 februari 1991 ten aanzien van de bestreden beschikking wordt verklaard "zie bijgevoegde fotokopie", doch dat die fotokopie niet bij de nota was gevoegd. Dit argument gaat echter niet op. Het staat immers vast, dat verzoekster in haar op 12 maart 1991 bij de bevoegde Portugese minister tegen nota nr. 1900 van het DAFSE ingesteld administratief beroep zelf spreekt van "de aan het DAFSE meegedeelde en door het DAFSE ter kennis van verzoekster gebrachte beschikking van de EEG". Hoe dan ook, het Gerecht is van mening, dat voor zover nota nr. 1900 als zodanig niet zou hebben volstaan om verzoekster over de gronden van de bestreden beschikking in te lichten, verzoekster de Commissie of in voorkomend geval het DAFSE binnen een redelijke termijn om overlegging van de volledige tekst van de betrokken beschikking had moeten verzoeken, waar niet wordt betwist dat zij van het bestaan van die beschikking op de hoogte was gebracht (zie onder meer arrest van het Hof van 5 maart 1986, zaak 59/84, Tezi Textiel, Jurispr. 1986, blz. 887, r.o. 11, en arrest van het Gerecht van 28 oktober 1993, zaak T-83/92, Zunis Holding e.a., nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 38 en 39).
34 Verzoekster, die geen stappen daartoe bij de Commissie heeft ondernomen, stelt enkel, dat zij zich op 27 januari 1993 tot het DAFSE heeft gewend om een bevestiging van de bestreden beschikking te verkrijgen, "ten einde daartegen bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te kunnen opkomen", en dat het DAFSE nog dezelfde dag aan dat verzoek gevolg heeft gegeven. Onder die omstandigheden is het Gerecht van mening, dat verzoekster haar verzoek om overlegging van de bestreden beschikking niet binnen een redelijke termijn heeft geformuleerd.
35 Hieruit volgt dat de conclusies tot nietigverklaring van de beschikking in ieder geval lang na afloop van de in artikel 173 EEG-Verdrag bepaalde termijn van twee maanden, vermeerderd met tien dagen wegens afstand, zijn ingediend.
De conclusies in het verzoekschrift strekkende tot verklaring dat verzoekster recht heeft op betaling van het saldo van de bijstand van het ESF
36 In het kader van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 173 van het Verdrag beperkt de gemeenschapsrechter zich tot een toetsing van de wettigheid van de handeling waartegen wordt opgekomen. Indien het beroep gegrond is, wordt ingevolge artikel 174 van het Verdrag de betwiste handeling door de gemeenschapsrechter nietig verklaard. Krachtens artikel 176 van het Verdrag is de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht - en niet de gemeenschapsrechter - gehouden de maatregelen te nemen, die nodig zijn ter uitvoering van het arrest.
37 De conclusie dat het het Gerecht behage te verklaren dat verzoekster recht heeft op betaling van het saldo van de bijstand van het ESF is dus niet-ontvankelijk, op grond dat zij buiten de grenzen van de bevoegdheid valt die het EG-Verdrag aan de gemeenschapsrechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring verleent.
38 Uit al het voorgaande volgt dat, zoals de Commissie in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt, het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat het Gerecht de overlegging van de door de Commissie gevraagde stukken behoeft te gelasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Krachtens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 10 februari 1994.
Full & Egal Universal Law Academy