Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Kosten ° Beroep tot vergoeding van schade, geleden in kader van toepassing van melkquotaregeling ° Afstand van instantie na verklaring van verweerder voor Gerecht, in kader van ander beroep, met betrekking tot zijn houding ingeval van nietigverklaring van verordening nr. 2187/93 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen ° Voorwaarden om kosten ten laste van andere partij te brengen, niet vervuld ° Compensatie
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 87, lid 5; verordening nr. 2187/93 van de Raad)
Samenvatting
De in het proces-verbaal van een terechtzitting voor het Gerecht opgenomen verklaring van de instellingen omtrent de gevolgen die zij zouden verbinden aan een eventuele nietigverklaring door de gemeenschapsrechter van verordening nr. 2187/93 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, te weten dat alle belanghebbenden, ook al waren zij geen partij bij het in deze nietigverklaring resulterende beroep, aanspraak zouden kunnen maken op een vergoeding die wordt berekend zonder dat de in de artikelen 8 en 14 van deze verordening bedoelde beperkingen worden toegepast, heeft een aantal verzoekers die beroep hadden ingesteld, strekkende tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden in het kader van de toepassing van de melkquotaregeling, ertoe kunnen bewegen, afstand te doen van instantie. Deze verklaring heeft de verzoekers namelijk duidelijkheid verschaft over het standpunt van de Raad over de gevolgen van de aanvaarding van het in de betrokken verordening neergelegde vergoedingsvoorstel voor het geval deze verordening nietig zou worden verklaard.
Deze verklaring is echter niet van dien aard, dat zij overeenkomstig artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een reden kan vormen om de kosten van verzoekers ten laste van verweerder te brengen. In deze omstandigheden dient elk der partijen haar eigen kosten te dragen.
Partijen
In zaak T-524/93,
H. Hennesy, wonende te Timoleague (Ierland), en de andere melkproducenten wier namen in bijlage bij deze beschikking zijn vermeld, vertegenwoordigd door J. O' Reilly, SC, van de balie van Ierland, en P. Watson, Barrister, geïnstrueerd door O. Ryan-Purcell, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fyfe Business Centre, Rue Jean-Pierre Brasseur 29,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur A. Brautigam en door M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booss en door C. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot vergoeding van de schade die verzoekers stellen te hebben geleden als gevolg van de toepassing van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 28 oktober 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben H. Hennesy en de andere in bijlage bij deze beschikking vermelde verzoekers krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep tegen de Raad en de Commissie ingesteld betreffende een verzoek tot vergoeding van de schade die verzoekers stellen te hebben geleden als gevolg van de toepassing van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13, hierna: "verordening nr. 857/84"), voor zover daarin niet was voorzien, dat een representatieve referentiehoeveelheid kon worden toegewezen aan producenten die gedurende een beperkte periode geen melk hadden geleverd krachtens een verbintenis als bedoeld in verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het veebestand (PB 1977, L 131, blz. 1).
2 Verzoekers zijn ook partij in zaak T-541/93 (McCutcheon e.a.), waarin zij nietigverklaring vorderen van verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB 1993, L 196, blz. 6, hierna: "verordening nr. 2187/93"). Ook waren zij partij in zaak T-541/93 R, waarin zij verzochten om opschorting van die verordening. Dit verzoek om opschorting is afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht van 1 februari 1994 (zaken T-278/93 R en T-555/93 R, T-280/93 R en T-541/93 R, Jones e.a., Jurispr. 1994, blz. II-11).
3 Bij tussen 24 februari en 26 juli 1994 ter griffie van het Gerecht ingeschreven brieven hebben verzoekers, met uitzondering van T. Wall, in de onderhavige zaak afstand gedaan van instantie.
4 Overeenkomstig artikel 87, lid 5, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de partij die afstand doet van instantie, in de proceskosten veroordeeld, voor zover dit door de wederpartij is gevorderd. In casu vorderen verzoekers evenwel, dat het Gerecht toepassing geeft aan artikel 87, lid 5, tweede volzin, van dit Reglement, volgens hetwelk de wederpartij in de kosten kan worden veroordeeld, indien dit op grond van haar houding gerechtvaardigd lijkt.
5 In hun tussen 10 mei en 10 augustus 1994 ter griffie van het Gerecht ingekomen opmerkingen zijn de Raad en de Commissie opgekomen tegen verzoekers' verzoek betreffende de beslissing omtrent de kosten.
6 Tot staving van hun verzoek voeren verzoekers drie hoofdargumenten aan. In de eerste plaats stellen verzoekers dat, zoals het Hof reeds heeft verklaard in arrest van 19 mei 1992 (gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061), de verwerende instellingen aansprakelijk zijn voor de schade, veroorzaakt aan de melkproducenten die zich hadden verbonden gedurende een beperkte periode geen melk te leveren, doordat hun geen referentiehoeveelheid is toegekend in verordening nr. 857/84. In verordening nr. 2187/93, die is vastgesteld in het kader van de maatregelen tot uitvoering van voornoemd arrest Mulder, hebben verweerders verjaring aangevoerd tegen producenten die in de situatie van verzoekers verkeren. Ingevolge artikel 14 van deze verordening dienen de producenten voorts voor de ontvangst van de vergoeding af te zien van iedere vordering tegen de instellingen van de Gemeenschap voor het nadeel waarop het vergoedingsvoorstel betrekking heeft. Volgens verzoekers wordt hun met deze benadering het recht op vergoeding ontnomen voor een gedeelte van de schade die zij stellen te hebben geleden. In de tweede plaats, aldus verzoekers, heeft de Commissie bij verordening (EEG) nr. 2648/93 van 28 september 1993 houdende bepalingen voor de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2187/93 (PB 1993, L 243, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2648/93") ermee ingestemd, door middel van een forfaitair bedrag de honoraria te betalen van de advocaten van melkproducenten die vóór de mededeling van 5 augustus 1992 (PB 1992, C 198, blz. 4) zijn opgetreden; derhalve moet zij naar analogie ook de advocatenkosten betalen die gemaakt zijn ná 5 augustus 1992, op grond dat het optreden van deze advocaten nodig bleek te zijn voor de positieverbetering van de producenten. In de derde plaats, zo betogen verzoekers, blijkt uit voornoemde beschikking Jones, dat indien de in de hoofdgedingen gelaakte bepalingen van verordening nr. 2187/93 onwettig werden verklaard, zij geen schade zouden lijden, omdat zij intussen het in deze verordening vervatte vergoedingsvoorstel zouden hebben aangenomen. Verzoekers geven te kennen, dat de toegenomen rechtszekerheid die zij aan de beschikking ontlenen, hun thans in staat stelt afstand te doen van instantie.
7 In hun schriftelijke opmerkingen stellen de Raad en de Commissie, dat deze beroepen niet behoefden te worden ingesteld, en ten aanzien van het tweede en het derde argument van verzoekers betogen zij, dat voornoemde beschikking Jones enkel erkent, dat de instellingen alle maatregelen moeten treffen om uitvoering te geven aan een arrest van het Gerecht of het Hof waarbij in voorkomend geval verordening nr. 2187/93 wegens onjuiste toepassing van de bepalingen van 's Hofs Statuut-EEG ter zake van verjaring nietig wordt verklaard. Deze beschikking bevat generlei rechtvaardiging voor de afstand door de betrokken melkproducenten van hun individuele beroepen tot schadevergoeding. Het in verordening nr. 2648/93 vervatte voorstel tot betaling van de advocatenkosten is gekoppeld aan de aanvaarding van het vergoedingsvoorstel waarvan de bijzonderheden in verordening nr. 2187/93 zijn omschreven, en kan buiten die context niet worden toegepast.
8 Om te beginnen zij herinnerd aan het bepaalde in artikel 8 van verordening nr. 2187/93, te weten dat de forfaitaire vergoeding slechts wordt toegekend voor de periode waarvoor het recht op vergoeding niet is verjaard, en dat de in artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar inzake niet-contractuele aansprakelijkheid wordt geacht te zijn gestuit, hetzij op de datum waarop de producent de aanvraag aan een van de instellingen van de Gemeenschap heeft toegezonden, hetzij op de datum van inschrijving van het verzoekschrift in het register van het Hof, hetzij op de datum van de mededeling van 5 augustus 1992, waarbij de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden om voornoemd arrest Mulder op alle betrokken melkproducenten toe te passen. Luidens artikel 14 van verordening nr. 2187/93 houdt het aannemen van het vergoedingsvoorstel in, dat de producenten afzien van iedere vordering tegen de instellingen van de Gemeenschap met betrekking tot de schade waarvoor zij vergoeding vragen.
9 Tijdens de procedures in kort geding in zaak T-541/93 R (McCutcheon e.a.), waarin verzoekers in de onderhavige zaak partij waren, alsmede in andere overeenkomstige zaken (beschikking Jones, reeds aangehaald) hebben de Raad en de Commissie tijdens de schriftelijke behandeling verklaard, dat wanneer verzoekers het vergoedingsvoorstel aannemen en afzien van iedere vordering tegen de instellingen, zij niet noodzakelijkerwijs al hun rechten op schadevergoeding verliezen voor de gehele periode waarvoor zij stellen hierop recht te hebben, zo het Gerecht of het Hof de bepalingen inzake verjaring in artikel 8 van verordening nr. 2187/93 onwettig zou verklaren. Wat de Raad betreft, zou in die omstandigheden de schadevergoeding in beginsel voor de gehele periode opeisbaar zijn.
10 Ter terechtzitting van 6 januari 1994 in voornoemde procedures in kort geding hebben de gemachtigden van de Raad en de Commissie erin toegestemd, dat een verklaring van die strekking in het proces-verbaal werd opgenomen (zie beschikking Jones, reeds aangehaald, r.o. 51).
11 In die omstandigheden kan niet worden ontkend dat, ook al is het verzoek in kort geding afgewezen, deze verklaring van de instellingen verzoekers ertoe heeft kunnen bewegen, afstand te doen van hun beroep tot schadevergoeding, dat zij hadden ingesteld na de publikatie van verordening nr. 2187/93, voor zover deze verklaring hen duidelijkheid heeft verschaft over het standpunt van de Raad en de Commissie over de gevolgen van de aanvaarding van het in de in geding zijnde verordening neergelegde vergoedingsvoorstel voor het geval deze verordening nietig zou worden verklaard.
12 Deze verklaring is echter niet van dien aard, dat zij overeenkomstig artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan rechtvaardigen, dat de kosten van verzoekers ten laste van verweerders worden gebracht. In deze omstandigheden dient elk der partijen haar eigen kosten te dragen. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verordening nr. 2648/93, die in artikel 2 enkel voorziet in de betaling van de vóór 5 augustus 1992 gemaakte advocatenkosten.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) De namen van H. Hennesy en de andere in bijlage bij deze beschikking vermelde melkproducenten worden geschrapt van de lijst van verzoekers in zaak T-524/93, met uitzondering van die van T. Wall.
2) Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 13 januari 1995.
Full & Egal Universal Law Academy