Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Kosten ° Afstand van instantie niet gerechtvaardigd door houding van wederpartij
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 87, lid 5)
Partijen
In zaak T-561/93,
Tiercé Ladbroke NV, vennootschap naar Belgisch recht, vertegenwoordigd door J. Lever, QC, C. Vajda, Barrister, en S. Kon, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Winandy en Err, advocaten aldaar, Avenue Gaston Diderich 60,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. González Díaz en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Pari mutuel unifié belge, vereniging naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, en
Société coopérative auxiliaire PMU belge, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel,
vertegenwoordigd door T. Delahaye, advocaat bij het Belgische Hof van Cassatie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Turk, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 13 B,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 3 september 1993 houdende afwijzing van een klacht, op 18 mei 1992 door Tiercé Ladbroke NV ingediend krachtens artikel 3 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204), alsook tot veroordeling van de Commissie om deze klacht krachtens artikel 176 EG-Verdrag onverwijld aan een nieuw onderzoek te onderwerpen,
geeft
DE PRESIDENT VAN DE TWEEDE KAMER (UITGEBREID) VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten, het procesverloop en de middelen van partijen
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 november 1993, heeft Tiercé Ladbroke NV (hierna: "verzoekster") krachtens artikel 173 EG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 3 september 1993 houdende afwijzing van de klacht (IV/34.318) die zij op 18 mei 1992 had ingediend krachtens artikel 3 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204). In die klacht laakte zij een schending van artikel 86 van het Verdrag door Société coopérative auxiliaire PMU belge en Pari mutuel unifié belge (hierna: "PMUB"), bestaande in de weigering van deze laatste, die zich bezighoudt met het organiseren van weddenschappen buiten de renbaan op in België gelopen paardenrennen, haar aan te stellen als agent voor het aanvaarden van totalisatorweddenschappen op Belgische wedrennen.
2 Bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 8 augustus 1994 zijn Société coopérative auxiliaire PMU belge en PMUB toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
3 Bij op 27 juli 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft verzoekster verzocht om doorhaling van de zaak in het register, op grond dat zij met PMUB een akkoord had bereikt, waarbij zij als agent van PMUB voor het aannemen van totalisatorweddenschappen op in België gehouden paardenrennen werd aangesteld, waardoor een einde was gekomen aan de inbreuk die zij had gelaakt in de klacht waarop de bestreden beschikking is gegeven, en dat zij derhalve afstand deed van instantie.
4 Bij dezelfde brief heeft verzoekster verzocht, de Commissie krachtens artikel 87, lid 5, eerste alinea, tweede zin, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
5 Tot staving van dit verzoek voert zij aan, dat de instelling van het beroep gerechtvaardigd was door de houding van de Commissie, die in de bestreden beschikking de in de klacht opgeworpen vragen niet ten gronde heeft onderzocht, maar zich heeft beperkt tot de vragen die waren opgeworpen in haar antwoord op de brief die de Commissie haar tevoren, op 23 februari 1993, had gezonden krachtens artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie (hierna: "brief krachtens artikel 6") van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268).
6 Verzoekster betoogt, dat deze houding van de Commissie haar geen andere keuze had gelaten om de juiste motivering van de beschikking tot afwijzing van haar klacht te weten te komen, dan tegen die beschikking op te komen met een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag.
7 Bij griffiersbrief van 28 juli 1995 heeft het Gerecht verweerster en interveniënten verzocht, hun opmerkingen over het verzoek om doorhaling in te dienen.
8 In haar op 4 augustus 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen concludeert de Commissie tot verwijzing van verzoekster in de kosten, overeenkomstig artikel 87, lid 5, eerste alinea, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering. Zij betoogt, dat de instelling van het beroep niet door haar houding is gerechtvaardigd, dat er dus geen termen zijn om in casu artikel 87, lid 5, eerste alinea, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen en dat integendeel verzoekster in de kosten moet worden verwezen.
9 De Commissie beklemtoont dat, anders dan verzoekster stelt, het beroep niet kan worden geacht te zijn ingesteld om het verzoekster mogelijk te maken, de motivering van de afwijzing van haar klacht te weten te komen. Nadat zij in haar brief krachtens artikel 6 had uiteengezet, op welke gronden zij de klacht zou afwijzen, had verzoekster over diverse punten van die brief opmerkingen gemaakt; ten aanzien van die opmerkingen had zij weer stelling genomen in haar brief van 3 september 1993, waarbij de klacht definitief werd afgewezen. De motivering van de afwijzing van de klacht is dus zowel voor verzoekster als voor het Gerecht volkomen duidelijk en verzoekster heeft het beroep ingesteld om nietigverklaring van de beschikking tot afwijzing van haar klacht en langs die weg een commercieel voordeel vanwege PMUB te verkrijgen. Nu verzoekster dit voordeel via onderhandelingen met de betrokken partijen heeft verkregen, heeft zij er geen belang meer bij, de afwijzing van haar klacht te betwisten.
10 In hun opmerkingen van 6 september 1995 merken interveniënten op, dat in het verzoek om doorhaling van 27 juli 1995 wordt verklaard, dat de met de klacht gelaakte inbreuk thans is beëindigd doordat er tussen verzoekster en PMUB een akkoord is gesloten. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt, dat die inbreuk tevoren daadwerkelijk bestond. Zij bestrijden echter dat dit het geval was, en betogen, dat bedoeld akkoord tussen verzoekster en PMUB niet impliceert, dat zij erkennen dat hun aanvankelijke weigering om verzoekster als agent aan te wijzen, een inbreuk vormde.
11 Volgens interveniënten brengt verzoekster geen bewijs aan voor haar bewering, dat de instelling van het beroep door de houding van verweerster werd gerechtvaardigd, en zij concluderen tot veroordeling van verzoekster in de op hun interventie gevallen kosten, overeenkomstig artikel 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering.
Beoordeling door het Gerecht
12 Overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering moet de doorhaling van de zaak in het register worden gelast en moet over de kosten worden beslist.
13 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 87, lid 5, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering de partij die afstand doet van instantie, in de proceskosten wordt veroordeeld voor zover dit door de wederpartij is gevorderd. Op vordering van eerstbedoelde partij wordt evenwel de wederpartij in de kosten veroordeeld, indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt.
14 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de Commissie in haar brief krachtens artikel 6 aan verzoekster heeft meegedeeld, dat op grond van de ingewonnen inlichtingen geen gunstig gevolg kon worden gegeven aan haar klacht tot vaststelling van een inbreuk op artikel 86 van het Verdrag. Volgens de Commissie namen PMUB en Tiercé franco-belge, een door PMUB overgenomen concurrent van verzoekster, geen machtspositie in op de betrokken markt, omschreven als de Belgische markt voor het aannemen van totalisatorweddenschappen of weddenschappen volgens het "bookmaking"-systeem op Belgische en buitenlandse paardenrennen, en was hun marktaandeel bovendien kleiner dan dat van verzoekster. Verder zette de Commissie uiteen, dat gesteld al dat PMUB kon worden geacht op de betrokken markt een machtspositie in te nemen, en haar weigering om verzoekster toe te staan als agent weddenschappen te aanvaarden, misbruik opleverde, dit verband hield met de Belgische nationale wettelijke regeling en de handel tussen Lid-Staten niet ongunstig zou kunnen beïnvloeden, zodat het niet binnen het toepassingsgebied van artikel 86 van het Verdrag kon vallen.
15 In de tweede plaats moet worden opgemerkt, dat verzoekster in haar antwoord van 12 mei 1993 op de brief krachtens artikel 6 heeft betoogd, dat de conclusies van de Commissie berustten op een onjuiste analyse, feitelijk en rechtens, met betrekking tot de betrokken markt, de machtspositie van PMUB op die markt, de gedraging van PMUB en de ongunstige invloed van deze gedraging op de handel tussen Lid-Staten.
16 In haar brief van 12 mei 1993 immers heeft verzoekster, zonder te stellen dat zij de redenen die volgens de brief krachtens artikel 6 de afwijzing van haar klacht rechtvaardigden, niet had begrepen, die redenen ten gronde betwist. Zij betoogde, dat anders dan de Commissie had geconcludeerd, er in de sector van in België aangenomen weddenschappen op paardenrennen wel twee onderscheiden markten bestonden. De eerste zou die van weddenschappen op Belgische rennen en de tweede die van weddenschappen op buitenlandse rennen zijn. Bijgevolg zou zowel het bestaan van een machtspositie als dat van misbruik moeten worden onderzocht onder verwijzing naar elk van die markten en hun onderlinge samenhang.
17 In genoemde brief betwistte verzoekster voorts de conclusie van de Commissie, dat zelfs indien er daadwerkelijk sprake zou zijn van het met de klacht gelaakte misbruik, dit verband hield met de toepassing van de Belgische nationale wettelijke regeling en het de handel tussen Lid-Staten niet ongunstig kon beïnvloeden. Daartoe betoogde zij, dat voor zover zij en aan PMUB gelieerde bedrijven in België weddenschappen op buitenlandse wedrennen aannemen, er in de sector van de betrokken activiteiten wel degelijk sprake is van handel tussen Lid-Staten, zodat de weigering om haar als agent van PMUB weddenschappen op Belgische rennen te laten aannemen, waardoor haar juridische en commerciële positie ongunstig werd beïnvloed, tevens de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden.
18 Ten slotte moet worden vastgesteld, dat in de bestreden beschikking van 3 september 1993 houdende afwijzing van verzoeksters klacht enerzijds wordt gepreciseerd, dat verzoeksters antwoord op de haar krachtens artikel 6 gezonden brief geen nieuwe elementen feitelijk of rechtens bevatte die wijziging konden brengen in het standpunt van de Commissie, en anderzijds de in de brief krachtens artikel 6 vervatte analyse van de Commissie wordt herhaald met betrekking tot voornoemde punten, te weten de betrokken markt, een machtspositie van PMUB op die markt, het bestaan van een eventueel misbruik en de mogelijkheid dat de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig wordt beïnvloed.
19 Uit al het voorgaande volgt, dat Ladbroke de motivering op grond waarvan de Commissie haar klacht heeft afgewezen, kende, daar die haar zowel in de brief krachtens artikel 6, waarover zij opmerkingen ten gronde heeft kunnen maken, als in de bestreden beschikking zelf is meegedeeld.
20 In die omstandigheden en gelet op het feit dat de Commissie niet verplicht is in haar beschikkingen in te gaan op alle feitelijke en rechtspunten die door de belanghebbenden tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (arrest Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78-215/78 en 218/78, Van Landewyck e.a., Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 66), kan het Gerecht niet vaststellen, dat de instelling van het onderhavige beroep door de houding van de Commissie werd gerechtvaardigd.
21 Bijgevolg zijn er termen aanwezig om de bepaling van artikel 87, lid 5, eerste alinea, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen en verzoekster in de kosten te verwijzen. Wat de kosten van interveniënten betreft, moet daaraan worden toegevoegd, dat toepassing van artikel 87, lid 4, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering, zoals gewijzigd op 28 februari 1995, in casu niet passend lijkt.
Dictum
DE PRESIDENT VAN DE TWEEDE KAMER (UITGEBREID) VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Zaak T-561/93 wordt doorgehaald in het register.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten, die van interveniënten daaronder begrepen.
Luxemburg, 16 oktober 1995.
Full & Egal Universal Law Academy