Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Voor beroep vatbare handelingen ° Handelingen van Europese Raad ° Verklaring inzake inwerkingtreding van Verdrag betreffende Europese Unie ° Niet daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 173, eerste alinea; Europese Akte, art. 31)
2. Beroep tot nietigverklaring ° Voor beroep vatbare handelingen ° Verdrag betreffende Europese Unie ° Niet daaronder begrepen
(EG-Verdrag, art. 4 en 173, eerste alinea)
Samenvatting
1. Handelingen van de Europese Raad behoren ingevolge artikel 173, eerste alinea, van het Verdrag niet tot de handelingen die aan het wettigheidstoezicht van de gemeenschapsrechter zijn onderworpen. Artikel 31 van de Europese Akte sluit ten aanzien van de Europese Raad de toepassing van de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter overigens uitdrukkelijk uit, en deze uitsluiting wordt gehandhaafd in artikel L van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Hieruit volgt, dat de gemeenschapsrechter niet bevoegd is de wettigheid te toetsen van de verklaring van de Europese Raad inzake de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
2. Het Verdrag betreffende de Europese Unie vormt geen handeling van een instelling van de Gemeenschap in de zin van de artikelen 4 en 173 van het Verdrag, zodat het Gerecht niet bevoegd is de wettigheid van de bepalingen ervan te toetsen.
Partijen
In zaak T-584/93,
O. Roujansky, wonende te Bordeaux, vertegenwoordigd door P. Alt, advocaat te Sarreguemines,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué, directeur bij de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de afdeling juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende, in de eerste plaats, een verzoek om een verklaring van non-existentie of in ieder geval tot nietigverklaring van de verklaring van de Europese Raad van 29 oktober 1993, waarbij ter kennis van de onderdanen van de Europese Economische Gemeenschap is gebracht, dat het Verdrag betreffende de Europese Unie op 1 november 1993 in werking trad, en, in de tweede plaats, tot vaststelling van de nietigheid van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in de versie van 7 februari 1992, en van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd door de verklaringen van Denemarken,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, C. P. Briët, A. Kalogeropoulos, D. P. M. Barrington en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Bij op 4 januari 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker krachtens artikel 173 EG-Verdrag verzocht om
° een verklaring van "volkomen non-existentie" of, in ieder geval, nietigverklaring van de verklaring van de Europese Raad van 29 oktober 1993, waarbij ter kennis van de onderdanen van de Europese Economische Gemeenschap is gebracht, dat het Verdrag betreffende de Europese Unie op 1 november 1993 in werking trad;
° nietigverklaring van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van 7 februari 1992, en van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd door de verklaringen van Denemarken.
2 Bovenbedoelde verklaring van 29 oktober 1993 werd door de Europese Raad vastgesteld toen deze ter gelegenheid van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie te Brussel bijeen was. In de eerste alinea ervan, onder meer gepubliceerd in het supplement bij "Europolitique" nr. 1899 van 3 november 1993, heet het, dat Europa op 1 november 1993, de datum van inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, een belangrijke stap zet: belangrijk door de inhoud van het Verdrag zelf, en belangrijk door de levendige discussies waartoe de bekrachtiging ervan aanleiding heeft gegeven.
3 Het Verdrag betreffende de Europese Unie is op 1 november 1993 in werking getreden, nadat de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel R van het Verdrag aan de Hoge Verdragsluitende Partijen kennis had gegeven van de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging door de ondertekenende Staten.
4 Bij op 10 februari 1994 ter griffie neergelegde akte heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
5 Bij op 9 maart 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegde conclusie, heeft verzoeker zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
6 Bij op 18 april 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief, heeft verzoeker verzocht de zaak krachtens artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering aan het Gerecht in volle samenstelling voor te leggen, opdat het de zaak met name vanuit het oogpunt van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou onderzoeken.
7 Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu is het Gerecht (Tweede kamer) van oordeel dat het door de stukken voldoende is voorgelicht, en ziet het geen aanleiding om tot de mondelinge behandeling over te gaan noch om de verwijzing van de zaak naar het Gerecht in volle samenstelling voor te stellen.
Middelen en argumenten van partijen
8 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan: in de eerste plaats, onbevoegdheid van de Europese Raad; in de tweede plaats, ontbreken van wettigheidstoetsing van de nederlegging van de akten van bekrachtiging vóór de inwerkingtreding van het Verdrag; in de derde plaats, juridische non-existentie van de nederlegging van de akten van bekrachtiging van de Franse Republiek, na de weigering van het Koninkrijk Denemarken op 18 mei 1993 om het Verdrag in de versie van 7 februari 1992 te bekrachtigen; in de vierde plaats, schending van artikel 236 EEG-Verdrag, en in de vijfde plaats transformatie van de Gemeenschap in een "organisme dat buiten het recht staat".
9 Met zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Raad van de Europese Unie aan, dat het beroep aan geen van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag voldoet. In de eerste plaats is de bestreden verklaring niet afkomstig van een gemeenschapsinstelling, en voorts valt zij, nu het een handeling van de Europese Raad betreft, op grond van artikel 31 van de Europese Akte, die gold op het tijdstip van de bestreden verklaring, buiten de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter. In de tweede plaats staat tegen de verklaring van de Europese Raad geen beroep open, aangezien zij zelf geen enkel rechtsgevolg teweegbrengt. In de derde plaats kan de bestreden verklaring niet als een tot de verzoeker gerichte beschikking worden aangemerkt of als een beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raakt.
10 In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogt verzoeker onder meer, dat zijn beroep niet is gericht tegen een handeling van de Raad van de Europese Unie, maar tegen de verklaring van de Europese Raad van 29 oktober 1993.
Beoordeling door het Gerecht
11 Het Gerecht herinnert er vooraf aan, dat in de onderhavige zaak om nietigverklaring wordt verzocht van enerzijds de verklaring van de Europese Raad van 29 oktober 1993, en anderzijds van het Verdrag betreffende de Europese Unie zelf.
12 Wat in de eerste plaats het verzoek om vaststelling van de non-existentie of nietigverklaring van de verklaring van de Europese Raad betreft, merkt het Gerecht om te beginnen op, dat handelingen van de Europese Raad ingevolge artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag niet tot de handelingen behoren die aan het wettigheidstoezicht van de gemeenschapsrechter zijn onderworpen.
13 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat artikel 31 van de Europese Akte, die gold op de dag van de bestreden verklaring, de toepassing ten aanzien van de Europese Raad van de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter uitdrukkelijk uitsluit. Artikel L van het Verdrag betreffende de Europese Unie handhaaft die uitsluiting.
14 Hieruit volgt, dat het Gerecht niet bevoegd is de wettigheid te toetsen van de verklaring van de Europese Raad, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de andere onderdelen van de door de Raad van de Europese Unie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
15 Wat in de tweede plaats het verzoek om nietigverklaring van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreft, moet worden opgemerkt, dat dit verdrag geen handeling van een instelling van de Gemeenschap in de zin van de artikelen 4 en 173 van het Verdrag vormt, zodat het Gerecht niet bevoegd is de wettigheid van de bepalingen ervan te toetsen (arrest van het Hof van 28 april 1988, gevoegde zaken 31/86 en 35/86, LAISA e.a., Jurispr. 1988, blz. 2285, r.o. 18).
16 Uit een en ander volgt, dat het Gerecht niet bevoegd is ter zake van het onderhavige beroep tot nietigverklaring, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld en verweerder in die zin heeft geconcludeerd, moet hij in de kosten worden verwezen, daaronder begrepen die van de Raad van de Europese Unie.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 14 juli 1994.
Full & Egal Universal Law Academy