Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 Met de onderhavige prejudiciële verwijzing verzoekt de Consiglio di Stato het Hof om uitlegging van bepaalde artikelen van verordeningen (EEG) van de Raad nrs. 1785/81 van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker(1) en 193/82 van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker.(2)
2 De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is gebaseerd op artikel 40, lid 2, tweede alinea, sub c, van het EEG-Verdrag, en is ingesteld op 1 juni 1968.(3) Thans is zij neergelegd in verordening nr. 1785/81. Zij heeft tot doel, "(...) de bietenproducenten garanties te bieden voor prijzen en afzet, beperkt tot hoeveelheden die in relatie staan tot de behoeften van het suikerverbruik en de exportmogelijkheden die voor dit produkt in de Gemeenschap bestaan."(4)
3 Deze gemeenschappelijke marktordening is gebaseerd op een quotaregeling, die ertoe strekt "in een situatie waarin zowel de gemeenschappelijke markt als de wereldmarkt een overproduktie kent, (...) de produktie binnen bepaalde perken te houden door haar zo dicht mogelijk bij het binnenlands verbruik te brengen en tegelijkertijd de regionale specialisatie te bevorderen."(5) Eerst worden de te produceren hoeveelheden suiker toegewezen aan de Lid-Staten, die ze vervolgens over de verschillende producenten verdelen.
4 Artikel 24 van verordening nr. 1785/81 onderscheidt drie soorten quota, met de volgende kenmerken: "Het A-quotum, dat het verbruik in de Gemeenschap weergeeft, kan vrij op de gemeenschappelijke markt worden verhandeld en de afzet ervan wordt door de interventieprijs gewaarborgd. Het B-quotum is de hoeveelheid geproduceerde suiker die wel het basisquotum (A-quotum), doch niet het `maximumquotum' overschrijdt, dat wordt verkregen door op het A-quotum een coëfficiënt toe te passen. Dit kan eveneens vrij op de gemeenschappelijke markt worden verhandeld, maar zonder de garantie van de interventieprijs, en kan met exportsteun naar derde landen worden uitgevoerd. (...) Het C-quotum ten slotte, dat wil zeggen de hoeveelheid van de produktie waarmee het `maximumquotum' (A-quotum plus B-quotum) wordt overschreden, mag enkel in derde landen worden verhandeld en komt niet in aanmerking voor enige exportsteun."(6)
5 Voor elk verkoopseizoen (van 1 juli tot 30 juni van het daaropvolgende jaar) wijzen de Lid-Staten aan iedere op hun grondgebied gevestigde suikerproducent een A-quotum en een B-quotum toe.
6 Artikel 25 van verordening nr. 1785/81 laat de Lid-Staten toe, de A-quota en de B-quota tussen ondernemingen over te dragen, "(...) waarbij het belang van elk van de betrokken partijen en met name dat van de producenten van suikerbieten of suikerriet in aanmerking wordt genomen."(7)
7 Deze manoeuvreermarge(8) van de Lid-Staten moet het mogelijk maken, dat "(...) in voorkomend geval tegemoet (wordt) gekomen aan de behoefte tot herstructurering van de sectoren teelt van suikerbieten en suikerriet, suikerproduktie en isoglucoseproduktie zowel voor wat betreft de bestaande produktie-eenheden als de mogelijkerwijs te vormen eenheden."(9)
8 Artikel 25, lid 2, bepaalt:
"De Lid-Staten kunnen het A-quotum en het B-quotum van elke op hun grondgebied gevestigde suiker- of isoglucoseproducerende onderneming verminderen met een hoeveelheid die voor de in artikel 23, lid 1, bedoelde periode in totaal niet groter is dan 10 % van respectievelijk het A-quotum of het B-quotum dat voor elk dezer ondernemingen is bepaald overeenkomstig artikel 24.
De in de eerste alinea bedoelde grens van 10 % is niet van toepassing in Italië en de Franse overzeese departementen wanneer de quotaoverdrachten geschieden op basis van plannen ter herstructurering van de suikerbiet- of suikerrietsector en van de suikersector van het betrokken gebied, voor zover zulks noodzakelijk is om de uitvoering van deze plannen mogelijk te maken.
(...)".(10)
9 Ingevolge artikel 25, lid 3, tenslotte mogen deze overdrachten enkel ten goede komen aan "(...) een of meer andere ondernemingen, al dan niet voorzien van een quotum, die in hetzelfde gebied (...) zijn gevestigd (...) als de ondernemingen waarvan deze hoeveelheden werden afgetrokken."
10 Voor de quota-overdrachten in Italië in het kader van de herstructureringsplannen als bedoeld in artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81 "(...) kan als suikerproducerende onderneming worden beschouwd, een groep suikerproducerende ondernemingen die technisch, economisch en structureel onderling met elkaar verbonden zijn en die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die zij op grond van de communautaire regeling met name ten opzichte van producenten van suikerbieten of suikerriet hebben."(11)
11 Ingevolge artikel 25, lid 4, van verordening nr. 1785/81, moesten deze bepalingen betreffende de quota-overdrachten worden aangevuld met voorschriften van de Raad betreffende de voorwaarden waaronder in geval van fusie of vervreemding van suikerproducerende ondernemingen en van vervreemding van suikerproducerende fabrieken, de A- en de B-quota kunnen worden gewijzigd. Bedoelde voorschriften zijn neergelegd in verordening nr. 193/82.
12 Artikel 2, lid 1, sub b en c, daarvan bepaalt:
"(...)
b) in geval van vervreemding van een suikerproducerende onderneming wijst de Lid-Staat, voor de produktie van suiker, aan de overnemende onderneming het A-quotum en het B-quotum van de overgenomen onderneming toe; wanneer er verschillende overnemende ondernemingen zijn, vindt de toewijzing plaats naar rata van de produktiehoeveelheid van suiker die door iedere onderneming wordt overgenomen;
c) in geval van vervreemding van een suikerproducerende fabriek vermindert de Lid-Staat het A-quotum en het B-quotum van de overdragende onderneming naar rata van de overgedragen produktiehoeveelheid, terwijl het A-quotum en het B-quotum van de overnemende suikerproducerende onderneming of ondernemingen dienovereenkomstig wordt verhoogd."
13 Zo kan het voorkomen, dat de door artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de Lid-Staten toegekende manoeuvreerruimte in bepaalde gevallen - in het kader van herstructureringsplannen - onbeperkt is, doch in geval van fusie of vervreemding als bedoeld in verordening nr. 193/82, is de quotawijziging niet overgelaten aan het oordeel van de Lid-Staten, die een strikte prorataregel toepassen.
14 Het onderlinge verband tussen deze twee gronden voor wijziging van de quota heeft bij belangrijke herstructureringsprojecten in de suikerproduktiesector in Italië voor moeilijkheden gezorgd.
15 De vennootschappen Cavarzere Produzioni Industriali SpA (hierna: "Cavarzere"), Saccarifera del Rendina SpA (hierna: "Saccarifera") en Italiana per la Industria degli Zuccheri (hierna: "SIZ") vormen samen de groep Gruppo Saccarifero Veneto (hierna: "GSV").
16 Cavarzere en SIZ verkopen hun fabrieken, of een deel ervan, aan Industria Saccarifera Italiana Agro-Industriale SpA (hierna: "ISI").
17 Bij ministerieel besluit van 11 augustus 1986(12), vastgesteld krachtens artikel 25 van verordening nr. 1785/81, werden de quota van GSV voor het produktieseizoen 1986/1987 herzien, in het licht van de verminderde produktiecapaciteit van de groep. Van het bij ministerieel besluit van 22 april 1986(13) aan GSV toegekende A-quotum, in totaal 3 225 000 kwintaal, werd 2 573 300 kwintaal overgedragen aan ISI. Van het B-quotum van 600 700 kwintaal werd 508 900 kwintaal aan ISI overdragen.
18 Cavarzere en Saccarifera hebben het ministerieel besluit van 11 augustus 1986 voor de administratieve rechter aangevochten. Zij betogen onder meer, dat dit besluit tot stand is gekomen nà de uiterste datum die in de gemeenschapsregeling voor quota-overdrachten is vastgesteld.
19 Cavarzere en Saccarifera zijn eveneens opgekomen tegen het ministerieel besluit van 27 februari 1987 houdende vaststelling van de quota voor het verkoopseizoen 1987/1988 (gepubliceerd op 16 maart)(14). Dit besluit liet de bij besluit van 11 augustus 1986 voor het voorgaande seizoen aan GSV toegewezen quota ongewijzigd, en verhoogde de quota van concurrerende ondernemingen. Cavarzere en Saccarifera betogen, dat de termijnen niet in acht zijn genomen en dat de door de gemeenschapsbepalingen opgelegde kwantitatieve grenzen waarbinnen bij de quotatoewijzing kan worden "geschoven", werden overschreden.
20 De beroepen tegen de ministeriële besluiten van 11 augustus 1986 en 27 februari 1987 werden door het Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio afgewezen.(15)
21 Verder is krachtens verordening (EEG) nr. 1107/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 1785/81(16), bij ministerieel besluit van 30 juni 1988(17) gebruik gemaakt van de aan de Lid-Staten toegekende "manoeuvreerruimte", en zijn daarbij de suikerproduktiequota voor het seizoen 1988/1989 toegewezen en de produktiequota van Cavarzere en Saccarifera verminderd. Op verzoek van deze ondernemingen is dit ministerieel besluit bij vonnis nr. 1245/91 van het Tribunale Amministrativo Regionale nietig verklaard, op grond dat ten tijde van de vaststelling ervan de termijn voor aanwending van de "manoeuvreerruimte" in de zin van artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 verstreken was.
22 Tegen deze drie vonnissen van het Tribunale Amministrativo Regionale is beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato, afdeling geschillen, die het Hof zes prejudiciële vragen voorlegt. Ik zal deze een na een behandelen.
Eerste vraag: heeft de termijn van artikel 7 van verordening nr. 193/82 waarbinnen een Lid-Staat gebruik kan maken van de bij artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 toegekende "manoeuvreerruimte", een peremptoir karakter?
23 De manoeuvreerruimte waarover de Lid-Staten krachtens artikel 25 van verordening nr. 1785/81 beschikken, is bevestigd bij artikel 1, lid 4, van verordening nr. 934/86(18), waarbij aan lid 2 van genoemd artikel 25 slechts een geringe wijziging is aangebracht. Verordening nr. 1107/88 heeft artikel 25 gewijzigd noch opgeheven, zodat dit artikel verder van toepassing bleef.(19) Bijgevolg konden de Lid-Staten gebruik maken van de manoeuvreerruimte tijdens de verkoopseizoenen 1986/1987, 1987/1988 en 1988/1989, die in het hoofdgeding aan de orde zijn.
24 De uiterste datum om die manoeuvreerruimte te gebruiken, is bij artikel 7 van verordening nr. 193/82, bij wijze van algemene regel en zonder verwijzing naar een bepaald verkoopseizoen of jaar, vastgesteld op 1 maart. In afwijking van deze regel heeft artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1662/86 van de Commissie van 29 mei 1986(20) uitsluitend voor het verkoopseizoen 1986/1987 deze datum naar 1 juli 1986 verschoven.
25 De ministeriële besluiten waarover de nationale rechter zich heeft uit te spreken, zijn alle van een latere datum dan de door de gemeenschapsregeling voorgeschreven uiterste datum. Het ministerieel besluit van 11 augustus 1986 had moeten worden bekendgemaakt vóór 1 juli 1986, dat van 27 februari 1987 - bekendgemaakt op 16 maart 1987 - vóór 1 maart 1987, en dat van 30 juni 1988 - bekendgemaakt op 10 augustus - vóór 1 maart 1988.
26 Tegen deze achtergrond is het Hof om een beslissing verzocht over het peremptoire of "dwingende" karakter van de datum 1 maart (of 1 juli, voor het jaar 1986).
27 Mijns inziens zijn deze data dwingend voor de Lid-Staten, die niet bevoegd zijn om ze eenzijdig te wijzigen.
28 Vast staat, dat de vertraging bij de vaststelling van de gemeenschapsregeling voor de Lid-Staten en de marktdeelnemers een bron van moeilijkheden is geweest.
29 Ik neem het voorbeeld van het verkoopseizoen 1988/1989: verordening nr. 1107/88 sluit de toepassing niet uit van artikel 25 van verordening nr. 1785/81, en heeft dit artikel ook niet opgeheven.(21) Het nieuwe artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1785/81, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 5, van verordening nr. 1107/88, luidt:
"Voor de verkoopseizoenen 1988/1989, 1989/1990 en 1990/1991 en onverminderd het bepaalde in artikel 24, lid 1 bis, en in artikel 25, zijn het A-quotum en het B-quotum van de suiker- en isoglucoseproducerende ondernemingen gelijk aan de quota die golden voor het verkoopseizoen 1987/1988."(22)
30 Dit betekent, dat voor het verkoopseizoen 1988/1989 aan de Lid-Staten een manoeuvreerruimte werd toegekend, maar dat de datum 1 maart, welke zij onmogelijk in acht konden nemen, niet werd gewijzigd.
31 Daarbij komt nog, dat verordening nr. 1107/88, naar luid van artikel 2, lid 2, ervan, eerst van toepassing is met ingang van 1 juli 1988.
32 Dit artikel - dat het gebruik van de manoeuvreerruimte voor het verkoopseizoen 1988/1989 onmogelijk maakt - is dus onverenigbaar met het nieuwe artikel 23, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81, dat de toepassing van artikel 25 voor datzelfde seizoen niet uitsluit.
33 Wel is duidelijk, dat de bij artikel 7 van verordening nr. 193/82 vastgestelde datum van 1 maart uitsluitend door een gemeenschapsbepaling kon worden gewijzigd, en wel om de volgende drie redenen: in de eerste plaats was alleen de Gemeenschap bevoegd deze datum te wijzigen. In de tweede plaats vereiste de ratio legis van deze regeling, dat een datum werd vastgesteld die voldoende van de aanvang van het seizoen was verwijderd. In de derde plaats impliceert het rechtszekerheidsbeginsel, dat de marktdeelnemers zich op de door de gemeenschapswetgever vastgestelde datum van 1 maart kunnen verlaten. Laten we nu op deze drie punten nader ingaan.
34 In de eerste plaats kon deze datum, omdat hij door de Raad was vastgesteld, alleen worden gewijzigd door de Raad zelf of door de Commissie, daartoe door de Raad gemachtigd. In zijn arrest van 16 januari 1979(23) heeft het Hof overwogen:
"Aangezien (...) de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker zich uitstrekt tot de betrekkingen tussen de suikerfabrikanten en de producenten van suikerbieten, is deze materie, voor zover zij specifiek betrekking heeft op de produktie van suiker, uitsluitend een communautaire aangelegenheid, zodat de Lid-Staten hier niet meer eenzijdig kunnen ingrijpen."
35 Een Lid-Staat toestaan de door de Raad vastgestelde termijn eenzijdig - en met terugwerkende kracht - te wijzigen, zou hierop neerkomen, dat de uniforme toepassing van de gemeenschappelijke marktordening in de Gemeenschap wordt verstoord en vooral, dat de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Lid-Staten en de Gemeenschap worden overtreden.
36 Zo is, toen in 1986 de quotatoewijzingsverordening laattijdig, ná 1 maart, werd vastgesteld, bij verordening van de Commissie(24) aan de Lid-Staten toestemming verleend om in afwijking van artikel 7 van verordening nr. 193/82 hun manoeuvreerruimte te gebruiken vóór 1 juli 1986. De vaststelling van die datum is nooit aan de Lid-Staten overgelaten.
37 In de tweede plaats, zoals de Commissie heeft opgemerkt(25), is de datum 1 maart bedoeld om de ondernemingen de tijd te laten, namelijk van 1 maart tot 30 juni, om hun werkzaamheden te plannen. Zij moeten namelijk de precieze produktiequota kennen die hun zijn toegewezen, teneinde vóór 1 juli - aanvang van het seizoen - hun bietenaankopen te kunnen voorzien en overschrijdingen van de produktiequota te voorkomen, hetgeen de suikerproducerende onderneming elke prijsgarantie ontneemt en het risico van verliezen meebrengt.
38 De problemen betreffende de datum van 1 maart ontwrichten bovendien de toepassing van de gemeenschappelijke suikermarktordening in haar geheel beschouwd. Het is namelijk onmogelijk koopovereenkomsten voor bieten te sluiten wanneer de produktiequota niet bekend zijn. Naar luid van artikel 30, lid 1, van verordening nr. 1785/81 delen de suikerfabrikanten de met het A-quotum overeenstemmende hoeveelheden suikerbieten mede waarvoor zij vóór de uitzaai, dus vóór maart, contracten hebben gesloten. Zijn vóór de uitzaai geen toeleveringscontracten gesloten, dan zijn de fabrikanten verplicht voor elke hoeveelheid verwerkte suikerbieten ten minste de minimumprijs te betalen.(26)
39 Ten slotte vereist het rechtszekerheidsbeginsel, dat de quota ná 1 maart niet meer ter discussie worden gesteld, indien de marktdeelnemers daarvan niet vooraf op de hoogte werden gebracht. Dit geldt te meer voor de gevallen waarin de quota onbeperkt kunnen worden overgedragen. In verband met gemeenschapsbesluiten heeft het Hof als volgt overwogen:
"(...) al verzet de rechtszekerheid zich er in het algemeen tegen dat een communautair besluit vóór afkondiging in werking treedt, het beginsel kan uitzondering lijden wanneer het te bereiken doel zulks noodzakelijk maakt en het rechtmatig vertrouwen van betrokkenen naar behoren wordt geëerbiedigd."(27)
40 In 1988 is het besluit tot vermindering van de quota van Cavarzere en Saccarifera vastgesteld op 30 juni, dus daags vóór de aanvang van het seizoen (1 juli), en afgekondigd op 10 augustus, lang nadat het seizoen was ingegaan.
41 Hieruit volgt, dat artikel 7 van verordening nr. 193/82 en artikel 1 van verordening nr. 1662/86 eraan in de weg stonden, dat Italië van zijn manoeuvreerruimte gebruik maakte na 1 juli 1986 (ministerieel besluit van 11 augustus 1986) voor het seizoen 1986/1987, en na 1 maart voor de seizoenen 1987/1988 en 1988/1989 (ministeriële besluiten van 27 februari 1987 en 30 juni 1988).
De tweede en de derde vraag, als volgt geherformuleerd: "Is bij herverdeling van quota in geval van fusie of vervreemding van ondernemingen, artikel 2 van verordening nr. 193/82 alleen van toepassing? Of kunnen de Lid-Staten bovendien gelijktijdig gebruik maken van de manoeuvreerruimte van artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81?"
42 Deze beide aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheden dienen verschillende doeleinden: enerzijds een structurele aanpassing mogelijk maken van de verwerkingsindustrie en de teelt van suikerbieten en suikerriet in de periode waarin de quota worden toegepast, anderzijds consequenties trekken uit de fusies of vervreemdingen van ondernemingen. Voor de twee materies gelden verschillende procedures: de manoeuvreerruimte van Italië is onbeperkt wanneer het gaat om de uitvoering van herstructureringsplannen, doch in het tweede geval kent de Lid-Staat de quota toe naar rata van de overgenomen of afgetrokken produktiehoeveelheden suiker. Ook de termijnen zijn verschillend: in het eerste geval moet de toewijzing van gewijzigde quota voor de toepassing tijdens het volgende verkoopseizoen geschieden vóór 1 maart, in het andere geval geldt zij voor het lopende verkoopseizoen wanneer de fusie of vervreemding plaats vindt tussen 1 juli en 31 januari van het volgende jaar.
43 De toepassing van artikel 2 van verordening nr. 193/82 sluit dus de toepassing van artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 niet uit, voor zover is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling, met name wat de termijnen betreft. In dit verband zij gewezen op artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81: "De grens van 10 % is niet van toepassing in Italië (...) wanneer de quotaoverdrachten geschieden op basis van plannen ter herstructurering (...), voor zover zulks noodzakelijk is om uitvoering van deze plannen mogelijk te maken."(28)
44 Bijgevolg kan een Lid-Staat tegelijkertijd een plan tot herstructurering van zijn suikerindustrie uitvoeren, overeenkomstig artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81, en quota overdragen naar aanleiding van een vervreemding of fusie van ondernemingen, overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82.
Vierde vraag: houdt de bij artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81 aan de Lid-Staten toegekende manoeuvreerruimte in, dat de quota A en B tezamen met ten hoogste 10 % mogen worden verminderd, of mag elk van die quota met 10 % worden verminderd?
45 Er zijn geen aanwijzingen, dat de bestreden besluiten dit artikel hebben toegepast. De Consiglio di Stato zegt niet waarom hij deze vraag heeft gesteld, maar het is mogelijk dat hij van oordeel was, dat het antwoord voor de beslechting van het voorgelegde geschil van belang was.
46 Artikel 25, lid 2, eerste alinea, bepaalt: "De Lid-Staten kunnen het A-quotum en het B-quotum van elke (...) suikerproducerende onderneming verminderen met een hoeveelheid die (...) niet groter is dan 10 % van respectievelijk het A-quotum of het B-quotum, dat voor elk dezer ondernemingen is bepaald overeenkomstig artikel 24." Het gebruik van het disjunctief voegwoord "of" wijst erop, dat "(...) de marge van 10 % wordt berekend voor het A-quotum op basis van de hoeveelheid A en voor het B-quotum op basis van de hoeveelheid B."(29)
47 Bovendien kunnen het A- en het B-quotum niet met elkaar worden verwisseld: zoals gezegd, vallen zij onder verschillende regelingen en zijn zij niet onderling verwisselbaar.
Vijfde vraag: van welk quotum moeten de Lid-Staten uitgaan voor de berekening van de 10 %-manoeuvreerruimte: van het quotum vastgesteld in het oorspronkelijke toewijzingsbesluit, dan wel van dat voortvloeiend uit eventuele aanvullende, van voorgaande jaren overgedragen toewijzingen en uit eventuele verminderingen wegens niet-geproduceerde hoeveelheden?
48 Blijkens artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81 wordt de manoeuvreerruimte van 10 % berekend op basis van respectievelijk het A-quotum of het B-quotum, bepaald overeenkomstig artikel 24. Zij is bijgevolg gebaseerd op het nationaal besluit tot verdeling van de basishoeveelheden A en de basishoeveelheden B tussen de op het grondgebied gevestigde suikerfabrikanten. Bij gebreke van nadere bepalingen moet de manoeuvreerruimte niet worden toegepast op het theoretische quotum maar wel op het daadwerkelijk aan de betrokken onderneming toegekende quotum. Derhalve bestaat voor de Lid-Staat geen beletsel om aanvullende, van vorige jaren overgedragen toekenningen in aanmerking te nemen of om de niet-geproduceerde hoeveelheden suiker van het basisquotum af te trekken.
Zesde vraag: wat moet onder "herstructureringsplannen" worden verstaan? Gaat het om plannen op nationaal niveau dan wel op kleiner, regionaal niveau?
49 Deze vraag is voor Italië van groot belang, omdat onbeperkte overdrachten enkel mogelijk zijn "(...) op basis van plannen ter herstructurering van de suikerbieten- of suikerrietsector van het betrokken gebied (...)".(30)
50 Mijns inziens volgt uit de bewoordingen van artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81, - wat door de veertiende overweging van de considerans van de verordening wordt bevestigd -, dat die plannen over de herstructurering van de suikersector in een geografisch nauwkeurig afgebakende regio of gebied moeten gaan, met dien verstande natuurlijk dat zij de suikerfabrikanten moeten betreffen.
51 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
"- Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker, en artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1662/86 van de Commissie van 29 mei 1986 tot vaststelling van overgangsmaatregelen inzake de overdracht van quota in de suikersector, moeten aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat de bij deze bepalingen vastgestelde uiterste datum voor het gebruik van de `manoeuvreerruimte' bedoeld in artikel 25 van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, niet eenzijdig kan wijzigen.
- De toepassing van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 193/82, dat de wijziging mogelijk maakt van de A- en de B-quota in geval van fusie of vervreemding van suikerproducerende ondernemingen, vormt geen beletsel voor het gebruik, - eventueel zelfs gelijktijdig en ten aanzien van dezelfde onderneming -, van de krachtens artikel 25 van verordening (EEG) nr. 1785/81 aan de Lid-Staten toekomende manoeuvreerruimte, voor zover aan de toepassingsvoorwaarden van elk van deze bepalingen is voldaan.
- Artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 1785/81 moet aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten het A-quotum én het B-quotum elk met 10 % mogen verminderen.
- De manoeuvreerruimte van 10 %, voorzien in artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81, heeft betrekking op de daadwerkelijk aan de onderneming toegewezen quota, waarbij ook wordt gelet op eventuele, na het nationale besluit tot verdeling van de quota tot stand gekomen wijzigingen.
- Het begrip `herstructureringsplan' in de zin van artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 1785/81 heeft betrekking op de herstructurering van een specifiek afgebakende geografische regio of zone."
(1) - PB 1981, L 177, blz. 4.
(2) - PB 1982, L 21, blz. 3.
(3) - Bij verordening nr. 1009/67/EEG van de Raad van 18 december 1967 (PB 1967, 308, blz. 1).
(4) - Beschikking 90/45/EEG van de Commissie van 19 december 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (PB 1990, L 31, blz. 32, punt 14).
(5) - R.o. 19 van het arrest van 22 januari 1986 (zaak 250/84, Eridania, Jurispr. 1986, blz. 117).
(6) - Ibidem, r.o. 8.
(7) - Lid 1.
(8) - De term marge komt voor in de zesde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 934/86 van de Raad van 24 maart 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1785/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1986, L 87, blz. 1).
(9) - Veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81.
(10) - Cursivering van mij.
(11) - Artikel 9 van verordening nr. 193/82, cursivering van mij.
(12) - GURI nr. 191 van 19 augustus 1986.
(13) - GURI nr. 102 van 5 mei 1986.
(14) - GURI nr. 62 van 16 maart 1987.
(15) - Vonnissen nrs. 1737/87, 17/89 en 16/89.
(16) - PB 1988, L 110, blz. 20.
(17) - GURI nr. 187 van 10 augustus 1988.
(18) - Reeds aangehaald in voetnoot 8.
(19) - Zie artikel 1, lid 5, van verordening nr. 1107/88, dat naar artikel 25 verwijst.
(20) - Verordening tot vaststelling van overgangsmaatregelen inzake de overdracht van quota in de suikersector (PB 1986, L 145, blz. 41).
(21) - Zie artikel 1, lid 5, van verordening nr. 1107/88.
(22) - Cursivering van mij. Zie eveneens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 934/86.
(23) - Zaak 151/78, Nykobing, Jurispr. 1979, blz. 1, r.o. 17.
(24) - Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1662/86.
(25) - Opmerkingen van de Commissie, blz. 13.
(26) - Artikel 30, lid 2, van verordening nr. 1785/81.
(27) - R.o. 11 van het arrest van 16 februari 1982 (zaak 258/80, Rumi, Jurispr. 1982, blz. 487).
(28) - Cursivering van mij.
(29) - Opmerkingen van de Commissie, punt 12.
(30) - Artikel 25, lid 2, tweede alinea.
Full & Egal Universal Law Academy