CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 21 februari 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
In het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn regels ingevoerd waarin onder meer wordt bepaald, dat de Lid-Staten voor bepaalde soorten suiker de opslagkosten terugbetalen. Deze terugbetalingsregeling wordt gefinancierd door middel van een opslagbijdrage die de Lid-Staten van de suikerfabrikanten heffen per gewichtseenheid geproduceerde suiker.
In casu dient het Hof te beslissen over de vraag, of het feit dat de verplichting tot betaling van deze bijdrage doet ontstaan, wordt gevormd door de produktie van de suiker dan wel of deze verplichting ook afhankelijk is van de afzet van de suiker.
De feiten
2.
Deze vraag is gerezen in een geschil tussen SAFBA (Société anonyme des sucreries de Fontaine-le-Dun — Bolbec — Auffay) en de Franse minister van Begroting, met betrekking tot de fiscale situatie van SAFBA.
Deze onderneming is gevestigd te Fontaine-le-Dun (Frankrijk) en houdt zich bezig met de produktie van bietsuiker. Deze produktie is seizoengebonden, doordat zij tussen september en december van hetzelfde jaar plaatsvindt. Het eindprodukt wordt gedurende het gehele jaar verkocht, zodat het noodzakelijk is bepaalde hoeveelheden suiker die na de produktie niet onmiddellijk kunnen worden afgezet, op te slaan.
Bij de afsluiting van haar boekhouding betreffende elk van de verkoopseizoenen 1981 tot en met 1983 had SAFBA de bijdrage voor de in die verkoopseizoenen geproduceerde suiker van haar winst afgetrokken. Na controle van SAFBA's boekhouding over de betrokken jaren ging de belastingdienst over tot wijziging van de aanslagen met betrekking tot de belastbare winst van SAFBA, op grond dat de fiscale verplichting eerst actueel wordt bij de afzet van de suiker en dus enkel de bijdragen die betaald zijn voor gedurende het betrokken verkoopseizoen afgezette suiker, bij de vaststelling van de belastbare winst kunnen worden afgetrokken.
3.
De zaak is thans aanhangig bij de Cour administrative d'appel de Nantes, waar SAFBA hoger beroep heeft ingesteld, nadat het Tribunal administratif de Rouen bij vonnis van 5 november 1991 haar verzoek om ontheffing van de opgelegde aanvullende vennootschapsbelasting had afgewezen. In dit kader heeft de Cour administrative d'appel de Nantes, onder verwijzing naar de hierna te bespreken verordeningen, het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Welk feit doet de verplichting ontstaan tot betaling van de bijdrage bedoeld in genoemde bepalingen?”
De relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht
4.
Verordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( 1 ), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1396/78 van de Raad van 20 juni 1978 ( 2 ), was tot 30 juni 1981 van kracht en bepaalde in artikel 8, lid 1, eerste en derde alinea, het volgende:
„1.
Onder voorbehoud (...) worden de opslagkosten van witte suiker (...) vervaardigd uit in de Gemeenschap geoogste suikerbieten of uit in de Gemeenschap geoogst suikerriet, forfaitair door de Lid-Staten terugbetaald.
(...)
De Lid-Staten heffen al naar het geval een bijdrage:
a)
van iedere suikerfabrikant, naargelang van het geval:
—
per gewichtseenheid geproduceerde suiker,
—
(...)”
Per 1 juli 1981 trad een nieuwe verordening in werking, te weten verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker. ( 3 ) Artikel 8, lid 2, eerste en derde alinea, van deze verordening is inhoudelijk hetzelfde als de reeds genoemde bepalingen van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78.
5.
Volgens artikel 8, lid 3, sub a, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, en volgens artikel 8, lid 4, suba, van verordening nr. 1785/81 stelt de Raad „de algemene voorschriften voor de toepassing van dit artikel” vast. Die regels zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1358/77 van de Raad van 20 juni 1977 houdende de algemene voorschriften inzake verevening van de opslagkosten in de sector suiker en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 750/68. ( 4 ) De tiende overweging van de considerans van deze verordening luidt als volgt:
„(...) dat bij de afzet van suiker een doeltreffende controle op de produktie kan plaatsvinden; dat het wenselijk is de bijdrage in het stadium van de produktie te heffen op het moment van de afzet”.
Verder bepaalt verordening nr. 1358/77 in artikel 6, leden 1 en 4, het volgende:
„1.
De te heffen bijdrage als bedoeld in artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a), van verordening (EEG) nr. 3330/74 wordt op zodanige wijze vastgesteld dat voor een bepaald verkoopseizoen voor suiker het verwachte totaalbedrag van de bijdragen gelijk is aan het verwachte totaalbedrag van de in artikel 8, lid 1, eerste alinea, van dezelfde verordening bedoelde terugbetalingen.
(...)
4.
De Lid-Staat int de bedragen van elke suikerfabrikant voor de hoeveelheden witte of ruwe suiker, en de in artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening (EEG) nr. 3330/74 bedoelde stropen die binnen zijn maximumquota zijn geproduceerd en afgezet (...)”
6.
De toepassingsregels zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1998/78 van de Commissie van 18 augustus 1978 houdende vaststelling van de wijze van toepassing van de vereveningsregeling voor opslagkosten in de sector suiker ( 5 ), gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2671/81 van de Commissie van 14 september 1981 ( 6 ), waarvan artikel 12, lid 1, eerste alinea, het volgende bepaalt:
„De bijdrage is verschuldigd voor de in artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a), van verordening (EEG) nr. 3330/74 bedoelde produkten zodra deze zijn afgezet.”
In artikel 12, lid 1, tweede alinea, van de toepassingsverordening wordt vastgesteld wat onder „afzet” in de zin van de eerste alinea moet worden verstaan.
Het procesverloop voor het Hof
7.
SAFBA stelt, dat uit artikel 8, lid 1, derde alinea, sub a, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, en uit de overeenkomstige bepaling van artikel 8, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1785/81 volgt, dat het feit dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan, wordt gevormd door de produktie van de suiker.
Hiertegenover betogen de Franse regering en de Commissie, dat deze bepalingen enkel tot doel hebben de belastingplichtigen en de grondslag van heffing van de bijdrage vast te stellen. Het feit dat de verplichting doet ontstaan, is daarentegen vastgesteld in artikel 6, lid 4, van verordening nr. 1358/77, waar een verband wordt gelegd met de afzet van de geproduceerde suiker.
Voorts heeft de Commissie beklemtoond, dat ook al moet de afzet van de suiker worden beschouwd als het feit dat de verplichting tot betaling van de bijdrage doet ontstaan, dit niet belet, dat nationale belastingregels het voor de suikerfabrikanten mogelijk kunnen maken de bijdrage in een eerder stadium af te trekken bij de vaststelling van de winst- en verliesrekening.
Stellingname
8.
Bij lezing van de genoemde gemeenschapsregels blijkt zonder meer, dat de Commissie en de Franse regering gelijk hebben: het feit waardoor de verplichting tot betaling van de bijdrage ontstaat, doet zich pas voor bij de afzet van de geproduceerde suiker.
Artikel 8, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, stelt de categorie van belastingplichtigen vast, te weten de suikerfabrikanten, alsmede de grondslag van heffing van de bijdrage, te weten de suiker berekend per gewichtseenheid. Artikel 8, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1785/81 bevat dezelfde regel.
Uit artikel 8, lid 3, sub a, van verordening nr. 3330/74, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1396/78, en uit artikel 8, lid 4, sub a, van verordening nr. 1785/81 blijkt, dat de gemeenschapswetgever de bijdrageregeling daarmee niet volledig had geregeld, omdat de Raad de algemene voorschriften voor de toepassing ervan nog moest vaststellen.
Dit is gebeurd bij verordening nr. 1358/77. Artikel 6, lid 4, gezien in samenhang met de tiende overweging van de considerans van deze verordening, moet noodzakelijkerwijze aldus worden uitgelegd, dat de bijdrage van de fabrikant wordt geheven bij de afzet. Deze afzet vormt dus het feit waardoor de bijdrageplicht ontstaat, te weten het feit waardoor wordt voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden op grond waarvan de betrokken Lid-Staat de bijdrage van de belastingplichtige kan opeisen. ( 7 )
9.
Vanuit dezelfde opvatting verklaarde het Hof in zijn arrest van 15 mei 1984 (zaak 121/83, Zuckerfabrik Franken, Jurispr. 1984, blz. 2039) voor recht:
„(...) artikel 8, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 3330/74 van de Raad bepaalt zich namelijk enerzijds tot het opsommen van de bijdrageplichtige personen, te weten de suikerfabrikanten, -importeurs en -raffinadeurs, en anderzijds tot het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de hoogte van de bijdrage, te weten het gewicht van de bedoelde produkten. Toepassingsverordening nr. 1358/77 van de Raad dient duidelijk te maken, dat de bijdrage van de suikerfabrikanten eerst na de afzet van de suiker of de geproduceerde stropen kan worden geïnd. Geen van deze verordeningen geeft een nauwkeurige definitie van het begrip afzet als feit dat de bijdrageplicht doet ontstaan.
Onder deze omstandigheden was de Commissie gerechtigd om — gelijk zij in de litigieuze bepaling heeft gedaan — dit begrip in haar verordening betreffende de wijze van toepassing van de vereveningsregeling nader te omschrijven” (r. o. 14 en 15).
10.
Ook wanneer men ziet naar de geldstroom in het kader van de produktie en de afzet van suiker, lijkt het logischer het belastbare feit te laten samenvallen met de afzet van de suiker. Voor de produktie van suiker worden geen extra kosten gemaakt, maar de uitgaven voor de opslag van suiker worden geringer door de terugbetaling van de opslagkosten. De uitgaven worden gefinancierd door een bijdrage die van de suikerfabrikant wordt geheven zodra de suiker is afgezet, dus — in het typische geval — wanneer hij aan een koper is verkocht. Alles bijeen komt men tot een vermindering van de lasten van de producenten, die via het algemene prijsmechanisme door de consumenten van de suiker wordt betaald.
11.
De bij de verwijzende rechter aanhangige zaak betreft enkel de uitlegging van de gemeenschapsregels voor zover de Franse belastingregels worden geacht daarnaar te verwijzen voor de bepaling van de omstandigheid die het belastbare feit vormt. Zoals de Commissie heeft beklemtoond, beletten die gemeenschapsregels niet, dat de suikerfabrikanten op grond van nationale belastingregels bij de opstelling van hun winst- en verliesrekening de bijdrage in een ander stadium, eventueel vóór de afzet, aftrekken.
Conclusie
12.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 6, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1358/77 van de Raad van 20 juni 1977 moet aldus worden uitgelegd, dat de afzet het feit is waardoor de verplichting ontstaat tot betaling van de bijdrage per gewichtseenheid geproduceerde suiker, waarvan sprake is in artikel 8, lid 1, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1396/78 van de Raad van 20 juni 1978, en in artikel 8, lid 2, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1974, L 359, blz. 1.
( 2 ) PB 1978, L 170, blz. 1.
( 3 ) PB 1981, L 177, biz. 4.
( 4 ) PB 1977, L 156, biz. 4.
( 5 ) PB 1978, L 231, biz. 5.
( 6 ) PB 1981, L 262, blz. 17.
( 7 ) Zie ín dit verband artikel 10, lid 1, van de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (richtlijn 77/388/EEG, PB 1977, L 145, blz. 1), meermaals gewijzigd.
Full & Egal Universal Law Academy