Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak stelt de High Court of Ireland het Hof twee prejudiciële vragen over de geldigheid van de verordeningen (EEG) nrs. 816/92(1) en 1560/93(2), waarbij de voor de melkproductie geldende referentiehoeveelheden zonder schadevergoeding voor de betrokken producenten zijn verlaagd.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen vier Ierse melkproducenten (M. Slattery, H. Duffy, B. Roche en E. Twomey), ondersteund door de Irish Farmers Association, en het Ierse Ministerie van Landbouw. Bij brief van 28 april 1993 verzochten die producenten de minister, de voor de toepassing van het stelsel van extra heffing bevoegde nationale autoriteit, om teruggave van de 4,5 % van hun definitieve referentiehoeveelheden die vanaf 1 april 1987 tot en met 31 maart 1992 tijdelijk geschorst waren geweest. Subsidiair verzochten zij om een passende vergoeding voor de schade en het nadeel die zij als gevolg van de definitieve schorsing van dat percentage van hun referentiehoeveelheden hadden ondervonden.
3 Het Ierse Ministerie van Landbouw wees hun verzoek af op grond van de verordeningen (EEG) nrs. 3950/92(3) en 748/93.(4) De melkproducenten gingen tegen die beslissing bij de nationale rechter in beroep met het argument dat beide verordeningen ongeldig zijn, evenals de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93. De High Court of Ireland achtte het ter beslechting van dat geschil noodzakelijk het Hof de twee volgende vragen te stellen:
"1) Is artikel 5 quater, lid 3, sub g, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 3, van verordening (EEG) nr. 816/92 van de Raad, ongeldig en in strijd met het gemeenschapsrecht, voor zover in de voor 1992/1993 toegekende referentiehoeveelheden niet zijn begrepen de 4,5 % van de referentiehoeveelheden die ingevolge verordening (EEG) nr. 775/87 van de Raad, zoals gewijzigd, tijdelijk zijn geschorst, en de producenten hiervoor geen vergoeding is betaald?
2) Is artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad, zoals ingevoegd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad, ongeldig en in strijd met het gemeenschapsrecht, voor zover in de daarbij toegekende referentiehoeveelheden niet zijn begrepen de 4,5 % van de referentiehoeveelheden die eerder ingevolge verordening (EEG) nr. 775/87 van de Raad, zoals gewijzigd, tijdelijk zijn geschorst, en de producenten hiervoor geen vergoeding is betaald?"
4 Het antwoord op deze prejudiciële vragen vergt om te beginnen een uiteenzetting van de gemeenschapsregeling met betrekking tot het stelsel van extra heffing die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten is ingevoerd teneinde de productieoverschotten in bedwang te krijgen, en die vanuit het oogpunt van wetgevingstechniek duidelijk verbetering behoeft.
De gemeenschapsregeling
5 Teneinde het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod van melk en zuivelprodukten, alsook de daaruit voortvloeiende structurele overschotten te verminderen, werd bij verordening (EEG) nr. 856/84(5) de gemeenschappelijke ordening der markten gewijzigd door de invoering van een stelsel van extra heffing, dat vanaf 2 april 1984 van toepassing was. Die methode ter beheersing van de melkproductie functioneerde als volgt:
- Er werd voor de gehele Gemeenschap een totale hoeveelheid vastgesteld die de gegarandeerde hoeveelheid voor de melkproductie vormde.
- Die hoeveelheid werd tussen de Lid-Staten verdeeld op basis van de hoeveelheden melk die op hun grondgebied waren geleverd in het kalenderjaar 1981, vermeerderd met 1 %, met uitzondering van de hoeveelheid bestemd voor de communautaire reserve, die in het leven werd geroepen om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van sommige Lid-Staten en bepaalde producenten.
- Op zijn beurt verdeelde elke Lid-Staat de gegarandeerde hoeveelheid onder zijn producenten, en wees hun individuele referentiehoeveelheden toe, die gewoonlijk "melkquota" worden genoemd.
- De overschrijding van de referentiehoeveelheid deed voor de producenten de verplichting ontstaan tot betaling van een extra heffing, die bestemd was ter financiering van de kosten van verkoop van die overschotten. De extra heffing moest worden betaald door de producent (formule A) of door de koper van de melk met het recht van doorberekening aan de producent (formule B), waarbij elke Lid-Staat zelf een keuze mocht maken. Ierland koos voor formule B.
6 De algemene voorschriften voor de toepassing van het stelsel van extra heffing werden door de Raad vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 857/84.(6) Deze verordening stond de Lid-Staten toe de jaren 1981, 1982 of 1983 als referentieperiode voor de berekening van de individuele hoeveelheden van de producenten te kiezen en voorzag in de mogelijkheid dat de Lid-Staten nationale reserves van referentiehoeveelheden aanleggen, teneinde rekening te houden met de bijzondere situaties van sommige producenten.
7 Dit stelsel van extra heffing werd vastgesteld voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf 1 april 1984. De aanvankelijk genomen maatregelen waren evenwel niet voldoende om vraag en aanbod van melk en melkprodukten in evenwicht te brengen. Ter verbetering van dat stelsel voerden de gemeenschapsinstellingen daarom nieuwe maatregelen in, waaronder met name een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproductie(7) en de vermindering of de tijdelijke schorsing van de gegarandeerde totale melkhoeveelheden. Het laatste type maatregel, dat in de onderhavige zaak in het geding is, leidt automatisch tot een symmetrische verlaging of tijdelijke schorsing van de individuele referentiehoeveelheden van de producenten.
8 Bij de verordeningen (EEG) nrs. 1335/86 en 1343/86(8) werden de gegarandeerde totale hoeveelheden voor de periode 1987/1988 met 2 % verminderd en voor de periode 1988/1989 met 1 %, zonder te voorzien in schadevergoeding voor de producenten. In aanvulling op deze definitieve verlaging werd bij verordening (EEG) nr. 775/87(9), overgegaan tot tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden, die in totaal neerkwam op 4 % van de gegarandeerde totale hoeveelheden voor de periode 1987/1988 en 5,5 % voor de periode 1988/1989. Die tijdelijke schorsing van een deel van de hoeveelheden werd gecompenseerd doordat voor elk van deze periodes een vergoeding van 10 ECU per 100 kg werd toegekend.
9 In 1988 werd het stelsel van extra heffing tot en met 31 maart 1992 verlengd.(10) Tevens werd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1111/88(11) de bij verordening nr. 775/87 vastgestelde tijdelijke schorsing van 5,5 % gehandhaafd en uitgebreid tot de drie volgende periodes van 12 maanden (1989/1990, 1990/1991, 1991/1992). Bovendien voorzag artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1111/88 nog steeds in een compensatie voor de schorsing, door middel van rechtstreekse betaling van een degressieve vergoeding ten bedrage van 8 ECU per 100 kg voor 1989/1990, 7 ECU per 100 kg voor 1990/1991 en 6 ECU per 100 kg voor 1991/1992.
10 Verordening (EEG) nr. 3879/89(12) voorzag zonder enige vergoeding, in een nieuwe verlaging van 1 % van de gegarandeerde totale hoeveelheden, waarmee een verhoging van de communautaire reserve werd beoogd. Tegelijkertijd werd bij verordening (EEG) nr. 3882/89(13) het percentage van de tijdelijk geschorste totale hoeveelheden verlaagd van 5,5 % tot 4,5 %, teneinde het niveau van de niet-geschorste referentiehoeveelheden ongewijzigd te laten. Bij verordening nr. 3882/89 werd ook de bij verordening nr. 1111/88 vastgestelde vergoeding verhoogd tot 10 ECU per 100 kg voor 1989/1990, 8,5 ECU per 100 kg voor 1990/1991 en 7 ECU per 100 kg voor 1991/1992, teneinde de betaling aan de producenten van het bedrag, dat uit het schorsingspercentage van 5,5 % voortvloeit, te handhaven.
11 In 1991 stelden de gemeenschapsinstellingen verordening (EEG) nr. 1630/91(14) vast, waarbij de gegarandeerde totale hoeveelheden opnieuw met 2 % werden verlaagd. Daarbij werd de verlaging gecompenseerd door een bij verordening (EEG) nr. 1637/91(15) vastgestelde vergoeding.
12 Daarna stelde de Raad de hier betwiste verordening nr. 816/92 vast, waarbij het stelsel van extra heffing in afwachting van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met 1 jaar (vanaf 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993) werd verlengd. Teneinde de beheersing van de melkproductie gedurende die periode te continueren, voorzag verordening nr. 816/92 in de mogelijkheid dat de Commissie de gegarandeerde totale hoeveelheid tegen een vergoeding kon verlagen met de bedoeling om de reeds begonnen sanering voort te zetten. Bovendien werden in die verordening de gegarandeerde totale hoeveelheden vastgesteld zonder rekening te houden met de 4,5 % van de bij verordening nr. 775/87 tijdelijk geschorste referentiehoeveelheden, waarover definitief door de Raad moest worden beslist in het kader van de hervorming van het landbouwbeleid. Bijgevolg werd bij artikel 1 van verordening nr. 816/92 artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 gewijzigd en werd het volgende punt ingevoegd:
"g) bedraagt de gegarandeerde totale hoeveelheid voor het tijdvak van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993, onverminderd een verlaging, in de loop van het tijdvak, rekening houdend met de voorstellen van de Commissie in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met 1 %, berekend op de in de tweede alinea van dit lid bedoelde hoeveelheden:
(1 000 ton)
(...) Ierland 4 725,600 (...)
De in verordening (EEG) nr. 775/87 bedoelde hoeveelheden die niet in de eerste alinea zijn opgenomen, luiden als volgt:
(1 000 ton)
(...) Ierland 237,600 (...)
De Raad zal in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid definitief besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren."
13 De overgangsperiode van 1992 eindigde met de vaststelling van verordening nr. 3950/92, waarbij het stelsel van extra heffing voor een nieuwe periode van 7 jaar werd verlengd en de bestaande bepalingen ter vereenvoudiging en ter verduidelijking werden gecodificeerd. Bij artikel 4 van die verordening werd vastgesteld, dat de individuele referentiehoeveelheid gelijk is aan de op 31 maart 1993 beschikbare hoeveelheid, zonder rekening te houden met nationale aanpassingen binnen de grenzen van de totale aan elke Lid-Staat toegekende hoeveelheid. Het mag duidelijk zijn, dat het probleem van de 4,5 % van de tijdelijk geschorste individuele referentiehoeveelheden niet bij verordening nr. 3950/92 werd opgelost. De totale aan de Lid-Staten voor de periode 1993/1994 toegekende hoeveelheden werden, met de mogelijkheid van latere aanpassing, vastgesteld bij verordening nr. 748/93, waarin werd gekozen voor handhaving van de op 31 maart 1993 geldende hoeveelheden, vermeerderd met de op die datum bestaande hoeveelheden uit de communautaire reserve. Bij verordening nr. 748/93 werden de tijdelijk geschorste en bij verordening nr. 816/92 niet voor de periode 1992/1993 gehandhaafde referentiehoeveelheden derhalve uitgesloten van de voor de periode 1993/1994 gegarandeerde totale hoeveelheden.
14 De vaststelling van de totale hoeveelheden van elke Lid-Staat voor het seizoen 1993/1994 vond plaats bij verordening nr. 1560/93, waarvan de geldigheid in de onderhavige zaak eveneens wordt betwist. Bij artikel 1 van deze verordening werd artikel 3 van verordening nr. 3950/92 gewijzigd en werden de totale hoeveelheden voor elke Lid-Staat vastgesteld, in het geval van Ierland op 5 230 554 ton (leveringen) en 15 210 ton (rechtstreekse verkoop). Die totale aan Ierland toegekende hoeveelheid hield een verhoging in van 0,6 % met het oog op toekenning van extra hoeveelheden aan bepaalde categorieën producenten. In de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1560/93 werd ten slotte bepaald, dat de tijdelijke schorsing in 1987 van 4,5 % van de individuele referentiehoeveelheden wordt omgezet in een definitieve verlaging, waarvoor geen enkele vergoeding wordt gegeven.
De prejudiciële vragen
15 De twee vragen van de High Court of Ireland betreffen de geldigheid van de bepalingen in de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93, waarbij de 4,5 % van de tijdelijk bij verordening nr. 775/87 geschorste individuele referentiehoeveelheden niet meer in de totale hoeveelheden van de Lid-Staten zijn begrepen. In de praktijk hield dat definitieve verlaging van de quota van de producenten in, zonder dat daarvoor een vergoeding werd betaald.
16 De mogelijke gronden tot nietigverklaring van beide verordeningen, die in de verwijzingsbeschikking en in de opmerkingen van partijen zijn vermeld, betreffen schending van het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening, inbreuk op het vertrouwens-, evenredigheids- en non-discriminatiebeginsel, schending van artikel 190 EG-Verdrag en misbruik van bevoegdheid. Ik zal elk van deze gronden nu verder onderzoeken.
Schending van het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening
17 Volgens vaste rechtspraak van het Hof maken het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening deel uit van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Die rechten hebben echter geen absolute gelding, maar moeten in relatie tot hun sociale functie worden beschouwd. Bijgevolg kunnen het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan beperkingen worden onderworpen, voor zover zulke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.(16)
18 In de onderhavige zaak moet worden nagegaan, of de definitieve schorsing van 4,5 % van de melkquota, zonder enige vergoeding, een schending van het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening oplevert. In dit verband verklaarde het Hof dat "het in de communautaire rechtsorde gewaarborgde recht van eigendom niet het recht omvat een voordeel als de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheden te verhandelen, welk voordeel noch uit het eigendom noch uit de beroepsactiviteit van de betrokkene voortvloeit".(17) Dat betekent natuurlijk niet, dat de referentiehoeveelheid die als een vermogensbestanddeel aan het landbouwbedrijf is gekoppeld, geen belangrijke economische waarde zou bezitten. Met andere woorden, het feit dat het quotum aan het bedrijf is gekoppeld, ook wanneer dat wordt overgedragen (een regel met enkele uitzonderingen waarin de gemeenschapsregeling voorziet), onderstelt niet, dat de referentiehoeveelheid op zich geen economische waarde heeft.(18) Die hoeveelheid maakt deel uit van het eigendomsrecht van de eigenaar van het landbouwbedrijf, en de waarde ervan vermeerdert of vermindert naargelang de omvang van het hem toegewezen quotum. Om die reden ga ik ervan uit, dat een definitieve schorsing van de referentiehoeveelheid van een producent zijn eigendomsrecht en zijn vrijheid van beroepsuitoefening aantast.
19 Niettemin beschouw ik de bij de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93 vastgestelde definitieve schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden, zonder vergoeding, als een gerechtvaardigde beperking van het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening van melkproducenten, en wel om de volgende redenen.
20 In de eerste plaats beantwoordt de definitieve schorsing van die referentiehoeveelheden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelprodukten nastreeft, in het bijzonder marktstabilisering en vermindering van structurele overschotten.
21 In de tweede plaats vormt de omzetting van een tijdelijke schorsing in een definitieve verlaging, zonder vergoeding, geen onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening in hun kern worden aangetast wanneer, zoals in casu, die ingreep beperkt blijft tot een klein percentage van de melkquota (4,5 %) en de levensvatbaarheid van de bedrijven niet in gevaar brengt. Ook de verwijzende rechter merkt op, dat de Ierse producenten door de definitieve verlaging van 4,5 % van hun quota geen inkomensverlies hebben geleden of zullen lijden, aangezien de melkprijzen daardoor zijn gestegen. Hij wijst er ook op, dat hun financiële positie noch de waarde van het resterende quotum na de definitieve verlaging waarschijnlijk niet minder zal worden. Indien het vermogen van de producenten als gevolg van die verlaging niet in waarde daalt, kan er mijns inziens geen sprake zijn van een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de kern van het eigendomsrecht wordt aangetast.
22 In de derde plaats moet worden beklemtoond, dat de melkproducenten ter compensatie van de tijdelijke schorsing van 4,5 % van hun referentiehoeveelheden tussen 1987 en 1995, een degressieve vergoeding hebben ontvangen. Die compensatie, die voor de Ierse producenten 45,5 ECU per 100 kg bedroeg (de som van de jaarlijks vanaf 1987 tot en met 1992 ontvangen vergoedingen), is vergelijkbaar met die welke producenten kregen die onder de communautaire programma's tot definitieve beëindiging van de melkproductie vielen en kan, zodra de tijdelijke schorsing definitief wordt, niet nogmaals tot een vergoeding leiden.
23 Bijgevolg ben ik van mening, dat de definitieve verlaging van 4,5 % van de melkquota, zonder vergoeding, geen schending van het eigendomsrecht of van de vrijheid van beroepsuitoefening oplevert.
Schending van het vertrouwensbeginsel
24 Het is vaste rechtspraak dat "ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd (...). Dit is met name het geval op een gebied van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (...)"(19) In hetzelfde verband "mag aan het vertrouwensbeginsel niet een dusdanig ruime draagwijdte worden gegeven, dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan (...)".(20)
25 In het licht van die rechtspraak moet worden nagegaan, of de door de tijdelijke schorsing van 4,5 % van hun quota getroffen producenten mochten verwachten, dat die referentiehoeveelheden na afloop van de aanvankelijk vastgestelde tijdelijke schorsing (van 1 april 1987 tot en met 31 maart 1992) zouden worden teruggegeven, dan wel of zij in geval van de omzetting van de tijdelijke schorsing in een definitieve verlaging op een vergoeding mochten rekenen.
26 Met betrekking tot het gewettigd vertrouwen in teruggave van de tijdelijk geschorste hoeveelheden, dient te worden bedacht, dat volgens de geciteerde rechtspraak van het Hof de vaststelling van de gegarandeerde totale hoeveelheden in het kader van het bij verordening nr. 856/84 ingevoerde stelsel van extra heffing, valt onder de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad om de gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelprodukten aan te passen aan wijzigingen in de economische toestand. Dus kan geen enkele marktdeelnemer er in beginsel op vertrouwen, dat de Raad in het kader van zijn beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de gegarandeerde totale hoeveelheden handhaaft en dat de individuele referentiehoeveelheden dus ongewijzigd blijven. Wanneer het vertrouwensbeginsel de Raad niet belet de individuele quota te verminderen, is een tijdelijke schorsing die met een degressieve vergoeding wordt gecompenseerd en daarna in een definitieve verlaging wordt omgezet, zeker niet in strijd met dat beginsel.
27 In verband met de vergoeding zijn, zoals reeds gezegd, in het bedoelde stelsel van extra heffing diverse maatregelen genomen ter stabilisering van de markt, waarbij de producenten in enkele gevallen ter compensatie van de quotaverlaging een vergoeding ontvingen, terwijl zij in andere gevallen zonder vergoeding met een geringer quotum genoegen moesten nemen. Bij zo'n regeling mogen melkproducenten dus niet verwachten, dat elke tijdelijke of definitieve verlaging of schorsing van hun individuele referentiehoeveelheden met een vergoeding gepaard zal gaan.(21)
28 Ten slotte moet worden onderzocht, of zich ingeval van de bij de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93 vastgestelde definitieve verlaging van 4,5 % van de referentiehoeveelheden andere elementen voordoen waardoor bij de producenten een gewettigd vertrouwen met betrekking tot de teruggave van die referentiehoeveelheden en de toekenning van een vergoeding kon ontstaan. Dienaangaande moet worden herinnerd aan 's Hofs rechtspraak volgens welke een voorzichtig en bezonnen marktdeelnemer, wanneer hij de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige communautaire maatregel kan voorzien, zich niet op schending van het gewettigd vertrouwen kan beroepen, wanneer die maatregel wordt vastgesteld.(22)
29 In deze zaak konden de verlaging van de referentiehoeveelheden zonder vergoeding voor de periode 1992/1993 en de bij verordening nr. 1560/93 vastgestelde definitieve verlaging mijns inziens door een voorzichtig en bezonnen marktdeelnemer worden voorzien. Na afloop van de voor de tijdelijke schorsing bij verordening nr. 775/87 vastgestelde periode van vijf jaar, volgde de Raad het voorstel van de Commissie en stelde verordening nr. 816/92 vast, waarin de degressieve vergoeding niet werd verlengd. De geschorste referentiehoeveelheden werden van de gegarandeerde totale hoeveelheden afgetrokken, hetgeen tot vermindering van de individuele hoeveelheden leidde. De Raad behield zich het recht voor om de zaak in het licht van de marktontwikkeling te heroverwegen. Aan de producenten werd dus enkel beloofd, dat in de toekomst zou worden heroverwogen wat met de 4,5 % van de referentiehoeveelheden diende te gebeuren, hetgeen geschiedde bij de vaststelling van verordening nr. 1560/93, waarin voor een definitieve verlaging zonder vergoeding werd gekozen.
30 Ik ben van mening, dat een voorzichtig en bezonnen melkproducent met voldoende visie kon voorzien, dat de referentiehoeveelheden zonder vergoeding zouden worden verlaagd(23), gelet op de samenloop van de volgende factoren:
- gedurende de vijf voorgaande jaren waren gelijkwaardige referentiehoeveelheden geschorst;
- de producenten hadden een degressieve vergoeding ontvangen voor een totaalbedrag van 45,5 ECU per 100 kg;
- de productieoverschotten in de Gemeenschap duurden voort;
- het voorstel van de Commissie, vervat in document COM(91) 409 def. van 31 oktober 1991(24), hield de door de Raad vastgestelde oplossing in.
31 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93 geen inbreuk maken op het vertrouwensbeginsel, op grond van het feit dat de tijdelijke schorsing van 4,5 % van de individuele referentiehoeveelheden zonder vergoeding in een definitieve verlaging is omgezet.
Het evenredigheidsbeginsel
32 Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoort het evenredigheidsbeginsel tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Ingevolge dat beginsel "zijn maatregelen waarbij de deelnemers aan het economisch verkeer financiële lasten worden opgelegd, slechts wettig indien zij geschikt en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Daarbij geldt, dat wanneer een keuze tussen meerdere geschikte maatregelen mogelijk is, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich meebrengt, terwijl voorts de op te leggen lasten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel."(25)
33 De omzetting van de tijdelijke schorsing van 4,5 % van de individuele referentiehoeveelheden in een definitieve verlaging, zonder vergoeding, vormt een maatregel in het kader van het stelsel van extra heffing dat in de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten van toepassing is teneinde vraag en aanbod in evenwicht te brengen en de structurele overschotten te verminderen. Tezamen met andere maatregelen in het kader van het stelsel van extra heffing is die maatregel bedoeld ter beperking van de melkproductie, in overeenstemming met het doel van marktstabilisering dat uitdrukkelijk in artikel 39, lid 1, sub c, EG-Verdrag wordt genoemd. Gelijk het Hof in het arrest Erpelding(26) verklaarde, past een dergelijke maatregel bovendien in het kader van de rationele ontwikkeling van de melkproductie, als bedoeld in artikel 39, lid 1, sub a, en draagt zij tevens bij aan het behoud van een redelijke levensstandaard van de betrokken landbouwbevolking, als bedoeld in artikel 39, lid 1, sub b, omdat hun inkomen daardoor is verzekerd.
34 Ook al zouden door de permanente verlaging van de referentiehoeveelheden economische verliezen voor de melkproducenten zijn ontstaan - hetgeen overigens niet uit de stukken blijkt - doordat hen geen vergoeding werd toegekend, dan nog gaat het om een krachtens het Verdrag gerechtvaardigde maatregel. Immers, in het kader van de door de Raad vastgestelde productiebeperkende maatregelen moet bij een marktsituatie die langere tijd door structurele overschotten was gekenmerkt, een inkomensverlies worden geaccepteerd dat voor de melkproducenten een tijdelijke daling van hun levensstandaard meebrengt.(27) Bovendien moeten de instellingen volgens 's Hofs rechtspraak "bij het toewerken naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voortdurend ervoor zorgen, mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen, en moeten zij, in voorkomend geval, aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang verlenen overeenkomstig de eis van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen (...). De rechtspraak erkent ook, dat de gemeenschapswetgeving op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionele bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 EEG-Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid (...)"(28)
35 De permanente schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden zonder vergoeding vormt mijns inziens uiteindelijk het minst restrictieve middel ter stabilisering van de communautaire melkproductie, omdat het alternatief een verlaging van de interventieprijzen voor melk en zuivelprodukten zou zijn geweest, die voor het inkomen van de producenten nog veel nadeliger zou zijn uitgevallen.(29) Bovendien brengt die definitieve schorsing voor de producenten geen onevenredige lasten mee, omdat zij vanaf 1987 tot en met 1992 voor de betrokken referentiehoeveelheden een degressieve vergoeding ontvingen en omdat de quotaverlaging heeft geleid tot een prijsstijging die hun eventuele verliezen compenseert, zoals ook de verwijzende rechter opmerkt.
36 Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom, dat de definitieve schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden niet een kennelijk ongeschikt middel is om stabilisering van de melkproductie te bereiken en dus niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel is.
Schending van het non-discriminatiebeginsel
37 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap slechts een bijzondere bepaling van het gelijkheidsbeginsel in het gemeenschapsrecht dat inhoudt "dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. De maatregelen die de gemeenschappelijke marktordening meebrengt, en met name de interventieregeling, mogen derhalve slechts streeksgewijs of op basis van andere productie- of verbruikscondities worden gedifferentieerd, wanneer ter verzekering van een evenredige verdeling van voor- en nadelen tussen de betrokkenen, volgens objectieve maatstaven wordt tewerk gegaan en tussen de Lid-Staten niet in territoriale zin wordt onderscheiden."(30)
38 De bij de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93 vastgestelde definitieve schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden, zonder vergoeding, zou om twee redenen inbreuk op het non-discriminatiebeginsel kunnen maken, namelijk door de Ierse producenten, gelet op hun bijzondere situatie, niet gunstiger te behandelen en door een uniforme toepassing van de schorsing zonder onderscheid tussen kleine en grote producenten te maken.
39 Op grond van 's Hofs rechtspraak zouden Ierse producenten met betrekking tot de permanente schorsing van hun quota enkel gunstiger kunnen worden behandeld, wanneer dat objectief gerechtvaardigd zou zijn. De melkproductie draagt in Ierland meer bij aan het bruto nationaal product dan in andere Lid-Staten en daarbij komt, dat andere landbouwactiviteiten dan melkproductie in dat land moeilijk van de grond komen. Bij de invoering van het stelsel van extra heffing hebben de gemeenschapsinstellingen bij de toekenning van de referentiehoeveelheden rekening met de bijzondere positie van Ierland gehouden, zodat de berekeningsgrondslag van de quota gunstiger was. Daardoor hebben Ierse producenten minder nadeel van de maatregelen ter stabilisering van de melkproductie ondervonden dan de producenten van de andere Lid-Staten. De Commissie wijst er terecht op, dat reeds naar behoren rekening met de bijzondere positie van de Ierse producenten is gehouden, en dat het niet aanvaardbaar is om hen vanwege hun huidige positie vrij te stellen van maatregelen ter beheersing van de melkproductie, zoals de hier in het geding zijnde definitieve schorsing van referentiehoeveelheden.
40 De niet-toepassing van het stelsel van extra heffing in sommige Lid-Staten, in het bijzonder in Italië, houdt niet in, dat het non-discriminatiebeginsel is geschonden, want de niet-nakoming van een gemeenschapsregeling door een Lid-Staat kan inbreukmakende gedragingen van andere Lid-Staten niet rechtvaardigen.
41 Door bij de toepassing van de definitieve schorsing van de referentiehoeveelheden geen onderscheid tussen kleine en grote producenten te maken, wordt het non-discriminatie beginsel mijns inziens niet geschonden. Volgens het Hof kan "de omstandigheid dat een in het kader van een gemeenschappelijke marktordening genomen maatregel verschillende gevolgen kan hebben voor bepaalde producenten, al naar gelang hun individuele productie, niet als een discriminatie worden beschouwd, wanneer die maatregel is gebaseerd op objectieve criteria, die zijn aangepast aan wat voor de algemene werking van de gemeenschappelijke marktordening vereist is".(31) De toepassing van de definitieve schorsing op alle rechthebbenden op referentiehoeveelheden is voldoende gerechtvaardigd, omdat allen van de voordelen van het stelsel van extra heffing profiteren en daarom is het logisch, dat zij op dezelfde voet ook akkoord gaan met de beheersmaatregelen voor de melkproductie, die noodzakelijk zijn ter vermindering van de door hen allen veroorzaakte overschotten. Bovendien is de definitieve schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden een volledig evenredige maatregel die de producenten treft naar gelang de omvang van hun quota.
42 Op grond van deze opmerkingen kom ik tot de slotsom, dat de hier in het geding zijnde definitieve schorsing van de referentiehoeveelheden niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel is.
Schending van artikel 190 EG-Verdrag
43 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet "de door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen (...). Het is evenwel niet noodzakelijk, dat alle verschillende gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn, in de motivering worden vermeld. Het is immers vaste rechtspraak, dat bij de vraag of de motivering van een beschikking aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (...)"(32)
44 De twee communautaire verordeningen waarvan de geldigheid hier wordt betwist, verschillen qua motivering aanzienlijk. Verordening nr. 1560/93 bevat zonder twijfel genoeg motivering voor de omzetting van de tijdelijke schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden in een definitieve verlaging. De tweede overweging van die verordening verklaart de omstandigheden en de oorsprong van de schorsing en noemt voor de omzetting in een definitieve verlaging als redenen de voortdurende melkoverschotten en de toekenning van een afnemende vergoeding aan de producenten gedurende vijf jaar.(33) Daarmee is de definitieve verlaging van de quota en de niet-toekenning van een vergoeding naar behoren gemotiveerd.
45 Zoals reeds gezegd, werden in verordening nr. 816/92 de in 1987 geschorste referentiehoeveelheden wegens de aanhoudende overschotsituatie niet bij de berekening van de gegarandeerde totale hoeveelheden in aanmerking genomen en werd bepaald, dat in het kader van de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zou worden besloten wat met deze hoeveelheden moest gebeuren. De motivering van dit uitstel, in de eerste overweging van de verordening, is echter tamelijk beknopt en rechtvaardigt bovendien de afschaffing van de vergoeding niet.
Niettemin vormt de beknopte motivering mijns inziens geen schending van artikel 190 EG-Verdrag, want het geheel van de in het kader van het stelsel van extra heffing vastgestelde maatregelen bevat voldoende aanwijzingen voor de redenen van dat uitstel en de intrekking van de vergoeding. Bovendien wisten de betrokkenen al dat de bij verordening nr. 775/87 vastgestelde en bij de verordeningen nrs. 1111/88 en 3882/89 gewijzigde degressieve vergoeding op 31 maart 1992 zou eindigen en dat geen enkele regeling in de verlenging ervan voorzag. Anderzijds viel uit de in het kader van het stelsel van extra heffing vastgestelde maatregelen en uit de degressieve vergoeding aan de producenten af te leiden, dat de bedoelde hoeveelheden voor de periode 1992/1993 zonder vergoeding zouden worden verlaagd. Hieruit volgt, dat het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering voor de niet-toekenning van een vergoeding voor de periode 1992/1993 verzoekers niet de daadwerkelijke mogelijkheid kan ontnemen om hun rechten te verdedigen, noch het Hof kan beletten zijn toezicht uit te oefenen.
46 De verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93 bevatten met betrekking tot de omzetting van de tijdelijke schorsing van 4,5 % van de quota in een definitieve verlaging, een voldoende motivering en maken dus geen inbreuk op artikel 190 EG-Verdrag.
Misbruik van bevoegdheden
47 Het begrip misbruik van bevoegdheid, als reden voor de aantasting van een gemeenschapshandeling, is in 's Hofs rechtspraak een duidelijk afgebakend begrip. Daarmee worden gevallen bedoeld waarin de administratieve overheid haar bevoegdheden gebruikt ter verwezenlijking van een ander doel dan waartoe die bevoegdheden haar werden verleend.(34) Bovendien kan "ter zake van een handeling slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld, dan wel ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag heeft voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden".(35)
48 Mijns inziens heeft de Raad door vaststelling van de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93, waarbij de tijdelijke schorsing van 4,5 % van de quota in een definitieve verlaging werd omgezet, zijn bevoegdheid niet misbruikt. Bij de vaststelling van die verordeningen heeft de Raad gebruik gemaakt van de hem in artikel 40, lid 3, EG-Verdrag verleende wetgevende bevoegdheid op landbouwgebied tot het nemen van maatregelen die zijn bestemd ter verwezenlijking van de uitdrukkelijk in artikel 39, lid 1, sub c, EG-Verdrag genoemde doelstelling van marktstabilisering. Zoals reeds gezegd, was het Hof in het arrest Hierl van oordeel, dat de tijdelijke schorsing van de referentiehoeveelheden een passend middel was om dat doel te bereiken en het lijdt geen twijfel, dat dit ook geldt voor de definitieve schorsing van de referentiehoeveelheden.
49 De niet-toekenning van een vergoeding voor die definitieve schorsing zou inkomensverlies voor de producenten kunnen meebrengen, wat indruist tegen het in artikel 39, lid 1, sub b, EG-Verdrag genoemde doel, maar dat is dankzij de stijging van de melkprijzen en de waardevermeerdering van de door de producenten behouden referentiehoeveelheden in casu niet het geval. Ook wanneer dat verlies wel was geleden, zou er geen sprake van misbruik van bevoegdheid zijn, omdat de gemeenschapsinstellingen tijdelijk aan een van de in artikel 39, lid 1, genoemde doelstellingen voorrang kunnen verlenen ten koste van andere.
50 Bijgevolg heeft de Raad zich niet schuldig gemaakt aan misbruik van bevoegdheid die de geldigheid van de verordeningen nrs. 816/92 en 1560/93 kunnen aantasten.
Conclusie
51 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de High Court of Ireland te beantwoorden als volgt:
"1) In deze procedure is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 5 quater, lid 3, sub g, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, ingevoegd bij artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 816/92 van de Raad van 31 maart 1992, ondanks het feit dat in die bepaling in de voor de periode 1992/1993 toegekende referentiehoeveelheden niet de eerder krachtens de gewijzigde versie van verordening (EEG) nr. 775/87 van de Raad van 16 maart 1987 tijdelijk geschorste 4,5 % van de referentiehoeveelheden zijn begrepen, en niet is voorzien in een vergoeding voor de producenten.
2) In deze procedure is evenmin gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals ingevoegd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad van 14 juni 1993, ondanks het feit dat in die bepaling in de overeenkomstig dit artikel toegekende referentiehoeveelheden niet de eerder krachtens de gewijzigde versie van verordening nr. 775/87 tijdelijk geschorste 4,5 % van de referentiehoeveelheden zijn begrepen, en niet is voorzien in een vergoeding voor de producenten."
(1) - Verordening (EEG) nr. 816/92 van de Raad van 31 maart 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 86, blz. 83).
(2) - Verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad van 14 juni 1993 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3950/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1993, L 154, blz. 30).
(3) - Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 405, blz. 1).
(4) - Verordening (EEG) nr. 748/93 van de Raad van 17 maart 1993 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3950/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1993, L 77, blz. 16).
(5) - Verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10).
(6) - Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
(7) - Deze maatregel werd ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1336/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie (PB 1986, L 119, blz. 21).
(8) - Verordening (EEG) nr. 1335/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1986, L 119, blz. 19), en verordening (EEG) nr. 1343/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1986, L 119, blz. 34).
(9) - Verordening (EEG) nr. 775/87 van de Raad van 16 maart 1987 betreffende de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1987, L 78, blz. 5).
(10) - Deze verlenging werd vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1109/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1988, L 110, blz. 27).
(11) - Verordening (EEG) nr. 1111/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 775/87 betreffende de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1988, L 110, blz. 30).
(12) - Verordening (EEG) nr. 3879/89 van de Raad van 11 december 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1989, L 378, blz. 1).
(13) - Verordening (EEG) nr. 3882/89 van de Raad van 11 december 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 775/87 betreffende de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1989, L 378, blz. 6).
(14) - Verordening (EEG) nr. 1630/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1991, L 150, blz. 19).
(15) - Verordening (EEG) nr. 1637/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van een vergoeding met betrekking tot de verlaging van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheden en van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie (PB 1991, L 150, blz. 30).
(16) - Arresten van 11 juli 1989 (zaak 265/87, Schräder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r.o. 15); 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 18); 10 januari 1992 (zaak C-177/90, Kühn, Jurispr. 1992, blz. I-35, r.o. 16 en 17), en 5 oktober 1994 (zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 78).
(17) - Arresten van 22 oktober 1991 (zaak C-44/89, von Deetzen, Jurispr. 1991, blz. I-5119, r.o. 27) en 24 maart 1994 (zaak C-2/92, Bostock, Jurispr. 1994, blz. I-955, r.o. 19).
(18) - In dat verband deel ik de mening van advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Wachauf (reeds aangehaald, punten 24 en 25), volgens welke het melkquotum een immaterieel vermogensbestanddeel met een afzonderlijke economische waarde is, en dus kan worden onteigend.
(19) - Arrest van 14 februari 1990 (zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395, r.o. 33).
(20) - Arrest van 20 september 1988 (zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563, r.o. 19).
(21) - Arrest Gerecht van eerste aanleg van 13 juli 1995 (gevoegde zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 en T-477/93, O'Dwyer e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2071, r.o. 50).
(22) - Arrest van 11 maart 1987 (zaak 265/85, Van den Bergh en Jurgens, Jurispr. 1987, blz. 1155, r.o. 44) en arrest Delacre, reeds aangehaald, r.o. 37.
(23) - Tot dezelfde conclusie kwam het Gerecht van eerste aanleg in het arrest O'Dwyer, reeds aangehaald, r.o. 54.
(24) - PB 1991, C 337, blz. 35.
(25) - Arrest van 26 juni 1990 (zaak C-8/89, Zardi, Jurispr. 1990, blz. I-2515, r.o. 10) en arrest Schräder, reeds aangehaald, r.o. 21.
(26) - Arrest van 17 mei 1988 (zaak 84/87, Jurispr. 1988, blz. 2647, r.o. 26).
(27) - Arrest van 19 maart 1992 (zaak C-311/90, Hierl, Jurispr. 1992, blz. I-2061, r.o. 14).
(28) - Zie de arresten Hierl, reeds aangehaald, r.o. 13, en Duitsland/Raad, reeds aangehaald, r.o. 47.
(29) - Tot dit oordeel kwam het Hof in het arrest Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 14.
(30) - Arrest Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 25.
(31) - Arrest Hierl, reeds aangehaald, r.o. 19.
(32) - Arrest Delacre, reeds aangehaald, r.o. 15 en 16.
(33) - Letterlijk luidt de tweede overweging van verordening nr. 1560/93 als volgt: "Overwegende dat de tijdelijke schorsing van een gedeelte van de referentiehoeveelheden met ingang van de vierde periode van twaalf maanden, op grond van verordening (EEG) nr. 775/87, noodzakelijk is geworden door de marktsituatie; dat voor de aldus geschorste hoeveelheden aan de producenten gedurende vijf jaar een afnemende vergoeding is toegekend; dat in verordening (EEG) nr. 816/92, waarbij het stelsel van de extra heffing, ingesteld bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68, in afwachting van een beslissing in het kader van de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, bij de gegarandeerde totale hoeveelheden voor de negende periode geen rekening is gehouden met de hoeveelheden, die vooraf waren geschorst gezien het aanhouden van de overschotsituatie die vereiste dat de schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden leveringen werd geconsolideerd in de vorm van een definitieve verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden (...)"
(34) - Arrest Hof van 4 februari 1982 (zaak 817/79, Buyl e.a., Jurispr. 1982, blz. 245, r.o. 28) en arrest Gerecht van 23 oktober 1990 (zaak T-46/89, Pitrone, Jurispr. 1990, blz. II-577, r.o. 70).
(35) - Arrest van 13 november 1990 (zaak C-331/88, Fedesa e.a., Jurispr. 1990, blz. I-4023, r.o. 24).
Full & Egal Universal Law Academy