CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 26 oktober 1995 ( *1 )
1.
De Commissie verzoekt om nietigverklaring van een besluit van de Raad van 22 november 1993 betreffende een ontwerp van een internationale overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings-en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (hierna: „overeenkomst”). Over de overeenkomst was onderhandeld in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (hierna: „FAO”). Bij het betrokken besluit bevestigde de Raad een eerdere beslissing van het Comité van permanente vertegenwoordigers (hierna: „Core-per”), volgens -welke op de FAO-Conferentie (het belangrijkste orgaan van de FAO) niet door de Gemeenschap, maar door de Lid-Staten over de overeenkomst moest worden gestemd. Thans is de Commissie van oordeel, dat de overeenkomst onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt, en dat het besluit van de Raad dus onwettig is.
2.
Deze zaak illustreert nog maar eens de interinstitutionele meningsverschillen over draagwijdte van de externe bevoegdheid van de Gemeenschap. Men zal zich herinneren, dat de Commissie tijdens de procedure voorafgaand aan advies 1/94 ( 1 ) heeft geklaagd, dat de Gemeenschap en de Lid-Staten in de FAO niet op passende wijze en ontoereikend zijn vertegenwoordigd. Men mag dus aannemen, dat de Commissie de onderhavige zaak als een testcase op het gebied van de vertegenwoordiging van de Gemeenschap in internationale organisaties ziet.
3.
De Raad heeft overeenkomstig artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Zijns inziens is het betrokken besluit niet vatbaar voor rechterlijke toetsing, en heeft de Commissie in ieder geval het beroep niet binnen de bij artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag voorgeschreven termijn ingesteld. Op 14 juni 1994 heeft het Hof besloten, de exceptie van niet-ontvankelijkheid bij het onderzoek ten gronde te voegen. Zoals hierna zal blijken, zijn de problemen inzake de ontvankelijkheid nauw verwant met die welke de grond van de zaak betreffen.
4.
Alvorens in te gaan op de aan de orde gestelde problemen, wil ik beschrijven hoe de Gemeenschap en de Lid-Staten in de FAO vertegenwoordigd zijn; daarna zal ik ingaan op de onderhandelingen over de overeenkomst, alsmede op de vaststelling en de inhoud van deze laatste.
De Gemeenschap en de Lid-Staten in de FAO
5.
De FAO is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die zich, zoals uit haar benaming blijkt, bezighoudt met voedsel- en landbouwproblemen.
6.
Gelet op de belangrijke rol van de Gemeenschap op die gebieden, zijn op het FAO-Secretariaat verkennende gesprekken over een mogelijke toetreding van de Gemeenschap gehouden, die tot officiële, op 1 februari 1991 geopende onderhandelingen hebben geleid. Deze onderhandelingen zijn met succes afgerond, en op 26 november 1991 aanvaardde de FAO-Conferentie de Europese Economische Gemeenschap (zoals zij toen heette) als lid van de FAO.
7.
Daartoe was een wijziging van de FAO-Constitutie noodzakelijk. De relevante bepaling is artikel II, dat in zijn gewijzigde vorm onder meer bepaalt:
„1.
(...)
2.
(...)
3.
De Conferentie kan met twee derde meerderheid der uitgebrachte stemmen en op voorwaarde dat de meerderheid van de Lid-Staten van de Organisatie aanwezig is, beslissen een organisatie voor regionale economische integratie die aan de criteria van lid 4 van dit artikel voldoet, een verzoek tot lidmaatschap heeft ingediend en een formele verklaring heeft afgelegd waarin zij de ten tijde van haar toetreding geldende verplichtingen van de Constitutie aanvaardt, als lid van de Organisatie te aanvaarden. Onverminderd het bepaalde in lid 8 van dit artikel, geldt elke verwijzing naar de Lid-Staten in de onderhavige Constitutie eveneens voor organisaties die lid zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
4.
Om in aanmerking te komen voor lidmaatschap van de Organisatie overeenkomstig lid 3 van dit artikel, moet de organisatie voor regionale economische integratie bestaan uit soevereine Staten waarvan de meerderheid lid van de Organisatie is, en moeten aan die regionale organisatie door haar Lid-Staten bevoegdheden zijn overgedragen ten aanzien van een reeks gebieden waarvoor de Organisatie bevoegd is, daaronder begrepen de bevoegdheid om voor haar Lid-Staten op die gebieden bindende beslissingen te nemen.
5.
Elke organisatie voor regionale economische integratie die om het lidmaatschap verzoekt, dient op het ogenblik van de aanvraag een bevoegdheidsverklaring af te geven, waarin de gebieden zijn vermeld ten aanzien waarvan aan haar door haar Lid-Staten de bevoegdheid is overgedragen.
6.
De Lid-Staten van een organisatie die lid is, worden geacht bevoegd te blijven op alle gebieden ten aanzien waarvan een overdracht van bevoegdheid niet specifiek is vermeld of aan de Organisatie ter kennis gebracht.
7.
Iedere wijziging in de verdeling van de bevoegdheden tussen de organisatie die lid is en haar Lid-Staten moet door de organisatie die lid is of door haar Lid-Staten ter kennis van de directeurgeneraal worden gebracht, die deze informatie meedeelt aan alle andere Lid-Staten van de Organisatie.
8.
Een organisatie die lid is, zal de aan het lidmaatschap verbonden rechten alternatief uitoefenen met haar Lid-Staten die lid van de Organisatie zijn en dit op de gebieden van hun respectieve bevoegdheden en overeenkomstig de door de Conferentie vastgestelde regels.
9.
Tenzij in dit artikel anders is bepaald, heeft een organisatie die lid is het recht om op de gebieden ten aanzien waarvan zij bevoegd is, deel te nemen aan alle vergaderingen van de Organisatie waaraan haar Lid-Staten mogen deelnemen, daaronder begrepen alle vergaderingen van de Raad of enig ander orgaan, afgezien van de hierna vermelde organen met beperkt aantal leden. Een organisatie die lid is, komt niet in aanmerking voor verkiezing of aanwijzing in een dergelijk orgaan, en evenmin voor verkiezing of aanwijzing in organen die tezamen met andere organisaties tot stand worden gebracht. Een organisatie die lid is heeft niet het recht deel te nemen aan organen met beperkt aantal leden zoals gespecificeerd in de door de Conferentie vastgestelde regels.
10.
Tenzij anders is bepaald in deze Constitutie of in de door de Conferentie vastgestelde regels, en niettegenstaande lid 4 van artikel III, beschikt een organisatie die lid is op de gebieden ten aanzien waarvan zij bevoegd is in elke vergadering waaraan zij mag deelnemen over een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van haar Lid-Staten die in die vergadering stemrecht hebben. Wanneer een organisatie die lid is van haar stemrecht gebruik maakt, kunnen haar Lid-Staten geen gebruik maken van hun stemrecht, en omgekeerd.
11.
(...)”
8.
Het Verenigd Koninkrijk, dat ter ondersteuning van de Raad heeft geïntervenieerd, merkt op, dat deze aan de FAO-Constitutie aangebrachte wijzigingen een belangrijk precedent en een grote verwezenlijking vormen, en dat zij er niet zonder moeite zijn gekomen. Volgens de Raad en het Verenigd Koninkrijk vreesden sommige andere leden van de FAO, dat de werkzaamheden van de organisatie zouden worden belemmerd door twisten tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en haar instellingen over de verdeling van de bevoegdheden. Deze vrees verklaart het in artikel II, lid 5, opgenomen vereiste van een bevoegdheidsverklaring. ( 2 )
9.
Bij haar toetreding tot de FAO heeft de Gemeenschap een dergelijke bevoegdheidsverklaring afgelegd. Kort samengevat heeft de Gemeenschap volgens die verklaring een exclusieve bevoegdheid ter zake van het commercieel beleid, overeenkomstig artikel 113 van het Verdrag, en ter zake van de visserij, wat de instandhoudingsmaatregelen betreft, overeenkomstig artikel 102 van de Toetredingsakte van 1972; de Commissie heeft een niet-exclusieve bevoegdheid ter zake van ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en technologische ontwikkeling, milieubescherming, landbouw, harmonisatie van de wetgevingen, en een reeks andere gebieden waarop de Gemeenschap actief is (vervoer, economisch en sociaal beleid).
10.
Bovendien is het algemeen reglement van de FAO gewijzigd, teneinde rekening te houden met de vertegenwoordiging van de organisaties die lid zijn en hun Lid-Staten. In afdeling D van dat reglement, met de titel „Organisaties die lid zijn” zijn de volgende bepalingen als artikel XLI ingevoegd:
„Bevoegdheid
1.
Iedere Lid-Staat van de Organisatie mag een organisatie die lid is of haar Lid-Staten om informatie verzoeken over de vraag, of de organisatie die lid is dan wel haar Lid-Staten op een bepaald gebied bevoegd is. De organisatie die lid is of haar Lid-Staten dienen de gevraagde informatie te verstrekken.
2.
Vóór elke vergadering van de Organisatie vermelden de organisatie die lid is of haar Lid-Staten, wie van hen bevoegd is (...) en wie van hen het stemrecht zal uitoefenen met betrekking tot dit specifiek agendapunt.
3.
Wanneer een agendapunt zowel betrekking heeft op vraagstukken die zijn overgedragen naar de bevoegdheidssfeer van de organisatie die lid is, als op vraagstukken waarvoor haar Lid-Staten bevoegd zijn, mogen zowel de organisatie die lid is als haar leden aan de debatten deelnemen. In dergelijke gevallen houdt de vergadering bij de besluitvorming enkel rekening met de verklaringen van de partij die stemgerechtigd is.”
11.
Binnen de Gemeenschap hebben de Raad en de Commissie op 19 december 1991 een regeling gesloten waarin regels en procedures met het oog op een goede coördinatie van de activiteiten van de Gemeenschap en haar Lid-Staten in de FAO (hierna: „regeling”) zijn neergelegd. De regeling voorziet in coördinatievergaderingen op verschillende niveaus, mechanismen voor een goede informatiebedeling, regels voor het afleggen van verklaringen en uitbrengen van stemmen in FAO-vergaderingen, en regels voor deelneming aan redactiecomités. Sommige van die bepalingen zijn van groot belang voor de onderhavige zaak.
12.
Punt 1.11 van de regeling bepaalt, dat de Commissie de Lid-Staten ter voorbereiding van de coördinatievergaderingen haar voorstellen zendt ter zake van a) de uitoefening van de verantwoordelijkheid ten aanzien van een bepaald onderwerp en b) het afleggen van verklaringen over een bepaald onderwerp. Punt 1.12 bepaalt, dat wanneer de Commissie en de Lid-Staten geen overeenstemming bereiken, overeenkomstig de procedure van het Verdrag en de gangbare praktijk een besluit wordt genomen. Wanneer op die basis geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de zaak voorgelegd aan het Coreper. In punt 1.13 is bepaald, dat de in punt 1.12 bedoelde besluiten de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en de Lid-Staten onverlet laten.
13.
De regels voor verklaringen en stemmingen zijn neergelegd in punt 2. Punt 2.1 bepaalt, dat wanneer een agendapunt betrekking heeft op vraagstukken die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen, de Commissie het woord voert en stemt. In punt 2.2 is bepaald, dat wanneer een agendapunt betrekking heeft op vraagstukken die onder de bevoegdheden van de Lid-Staten vallen, de Lid-Staten het woord voeren en stemmen. Punt 2.3 regelt de gemengde bevoegdheid:
„Wanneer een agendapunt betrekking heeft op vraagstukken die zowel onder de bevoegdheden van de Lid-Staten als onder die van de Gemeenschap vallen, wordt ernaar gestreefd via consensus tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Indien een gemeenschappelijk standpunt kan worden bereikt:
—
verwoordt het Voorzitterschap het gemeenschappelijk standpunt wanneer het hoofdzakelijk een vraagstuk betreft dat niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. De Lid-Staten en de Commissie kunnen ter ondersteuning en/of ter aanvulling van de verklaring van het Voorzitterschap het woord voeren. De Lid-Staten brengen hun stem uit in overeenstemming met het gemeenschappelijk standpunt;
—
verwoordt de Commissie het gemeenschappelijk standpunt wanneer het hoofdzakelijk een vraagstuk betreft dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. De Lid-Staten kunnen ter ondersteuning en/of ter aanvulling van de verklaring van de Commissie het woord voeren. De Commissie brengt haar stem uit in overeenstemming met het gemeenschappelijk standpunt.”
Indien geen gemeenschappelijk standpunt kan worden bereikt, zijn de Lid-Staten vrij ter zake van verklaringen en stemmingen (punt 2.4).
14.
In haar verzoekschrift beklemtoont de Commissie, dat het nut van de toetreding van de Gemeenschap tot de FAO staat of valt met de correcte toepassing van die procedures; anders dreigt de Gemeenschap terug te vallen in het statuut van waarnemer met spreekrecht, dat zij reeds vóór haar toetreding had. Voorts wijst zij op de noodzaak om de algemene bevoegdheidsverklaring aan de FAO na te leven. ( 3 )
De onderhandelingen over de overeenkomst
15.
Het probleem van het behoud van de visbestanden is niet nieuw. De Gemeenschap is partij bij verschillende overeenkomsten of regionale akkoorden in verband met dat probleem, en heeft ter zake een reeks verordeningen vastgesteld. Instandhoudingsmaatregelen blijken evenwel moeilijk afdwingbaar te zijn. Een van de praktijken die de afdwingbaarheid bemoeilijkt, is de omvlagging van vissersvaartuigen als middel om de instandhoudingsmaatregelen te omzeilen. Wat de visserij op de volle zee betreft, kan alleen de vlaggestaat de naleving van de instandhoudingsmaatregelen afdwingen, en wanneer de vaartuigen de vlag voeren van een staat die geen dergelijke maatregelen heeft vastgesteld, komt van de afdwingbaarheid vaak niets in huis. ( 4 )
16.
In tal van internationale conferenties is de noodzaak van maatregelen om dergelijke praktijken tegen te gaan, ter sprake gebracht en tijdens zijn 102de zitting heeft de FAO-Raad het FAO-Secretariaat verzocht de onderhandeling te organiseren van een internationale overeenkomst om dit probleem aan te pakken. Een informele groep van deskundigen heeft in februari 1993 een eerste ontwerp van een „Overeenkomst inzake de toekenning van een vlag aan vaartuigen die in de volle zee vissen teneinde de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen te bevorderen” voorbereid. Een deskundige van de Commissie heeft aan de werkzaamheden van die groep deelgenomen. Het ontwerp is vervolgens tijdens een aantal formele vergaderingen op diverse FAO-niveaus gerevideerd. ( 5 )
17.
Het ontwerp is eerst onderzocht door het Committee on Fisheries van de FAO, tijdens de vergadering van 15 tot 19 maart 1993. In haar verzoekschrift stelt de Commissie, dat zij zelfs toen reeds van oordeel was, dat de ontwerpovereenkomst onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap viel. Niettemin heeft zij voorgesteld, de FAO vóór de vergadering mee te delen, dat de overeenkomst onder de gemengde bevoegdheid viel, doch dat de Gemeenschap het stemrecht zou uitoefenen. De Commissie heeft voor de gemengde bevoegdheid geopteerd, omdat zij wist dat de kwestie van de bevoegdheden gevoelig lag, in het bijzonder daar in de ontwerpovereenkomst bepalingen voorkwamen betreffende de registratie van vissersvaartuigen en het toekennen van een vlag, materies die algemeen worden beschouwd als behorend tot de bevoegdheid van de Lid-Staten. Het Coreper handhaafde de optie gemengde bevoegdheid, doch besliste het stemrecht aan de Lid-Staten toe te kennen. De Commissie nam die beslissing op als een zware schending van de bepalingen van het Verdrag en de overeenkomst, en weigerde de bevoegdheidsverklaring aan de FAO te zenden. De bevoegdheidsverklaring is via het secretariaatgeneraal van de Raad en het Deense Voorzitterschap aan de FAO gezonden.
18.
Op de 103de zitting van de FAO, van 15 tot 25 juni 1993, is de ontwerpovereenkomst opnieuw onderzocht. Andermaal stelde de Commissie voor, de FAO een verklaring te zenden met de vermelding „gemengde bevoegdheid — stemming Lid-Staten”, doch het Coreper besliste opnieuw het stemrecht aan de Lid-Staten toe te kennen. De bevoegdheidsverklaring werd door het secretariaatgeneraal van de Raad naar de FAO gezonden. In haar verzoekschrift stelt de Commissie, dat er in dat stadium van de onderhandelingen reeds aanwijzingen waren, dat de bepalingen inzake het toekennen van een vlag niet in de overeenkomst zouden worden opgenomen. Voorts vermeldt de Commissie, dat zij voornemens was het bevoegdheidsgeschil voor de Raad te brengen; op de vergadering van de Raad „Visserij” van 24 juni 1993 heeft zij het evenwel bij een verklaring over de omvang van de bevoegdheid van de Gemeenschap inzake visserij gelaten.
19.
De onderhandelingen werden informeel voortgezet op de UN Conference on Straddling Fish Stocks and Highly Migratory Fish Stocks te New York in juli 1993. Op die conferentie werd een algemene consensus over de tekst van de overeenkomst bereikt. Daarop is de tekst gerevideerd door het FAO Committee on Constitutional and Legal Matters (oktober 1993) en door de FAO-Raad (104de zitting, van 2 tot 5 november 1993), teneinde hem formeel te laten aannemen tijdens de 27ste zitting van de FAO-Conferentie (6 tot 25 november 1993). Ingevolge artikel XIV van de FAO-Constitutie kan de FAO-Conferentie verdragen en overeenkomsten bij twee derde meerderheid aannemen.
20.
De versies van de ontwerpovereenkomst die aan de FAO-Raad en de FAO-Conferentie zijn voorgelegd, bevatten geen bepalingen ter zake van het toekennen van een vlag. Ofschoon de Commissie stelt, dat zij om die reden van oordeel was, dat de ontwerpovereenkomst onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap viel, stelde zij andermaal voor de FAO-Raad en de FAO-Conferentie een bevoegdheidsverklaring te zenden met de vermelding „gemengde bevoegdheid — stemming Lid-Staten”, omdat de kwestie van het toekennen van een vlag mogelijkerwijs in de laatste fase van de onderhandelingen weer ter sprake kon worden gebracht. Op 21 oktober 1993 wijzigde het Coreper evenwel opnieuw het voorstel van de Commissie en kende het stemrecht aan de Lid-Staten toe. Daarop deelde de Commissie mee, dat zij dit punt op de agenda van de vergadering van de Raad van 22 november 1993 zou plaatsen, doch deelde de FAO de bevoegdheidsverklaring mee zoals die door het Coreper was beslist vóór de vergadering van de FAO-Raad (die op 2 november begon) en vóór de vergadering van de FAO-Conferentie (die op 6 november begon). Op 12 november onderzocht het Coreper de kwestie opnieuw, doch bleef bij zijn beslissing.
21.
Op de vergadering van de Raad van 22 november verzocht de Commissie de Raad een verklaring goed te keuren, dat de ontwerpovereenkomst in hoofdzaak, zo niet volledig, onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap viel en dat zij bij wege van een stemming door de Gemeenschap moest worden aangenomen. In die verklaring was voorts bepaald, dat dergelijke dossiers voortaan, al naar het geval, overeenkomstig punt 2.1 of punt 2.3 van de regeling zouden worden behandeld. ( 6 ) De Raad weigerde die verklaring goed te keuren en bevestigde de beslissing van het Coreper van 21 oktober. Daarop verklaarde de Commissie, dat de toekenning van het stemrecht aan de Lid-Staten de overige FAO-leden in verwarring kon brengen omtrent de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten, en dat die toekenning in strijd met de regeling was. Zij voegde daaraan toe, dat zij overwoog het geschil voor het Hof van Justitie te brengen. De Raad nam akte van die verklaringen, stelde vast dat voor de inhoudelijke vragen betreffende de verdeling van de bevoegdheden en de uitoefening van het stemrecht ter zake van de ontwerpovereenkomst geen oplossing was gekomen en verzocht het Coreper die problemen opnieuw te onderzoeken.
22.
Op 24 november 1993 is de tekst van de ontwerpovereenkomst door de FAO-Conferentie met eenparigheid van stemmen aangenomen, waaronder dus de 12 stemmen van de Lid-Staten. Op 20 januari 1994 heeft de Commissie bij het Hof een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van 22 november 1993 ingesteld.
De overeenkomst
23.
Intussen heeft de Commissie de Gemeenschap voorgesteld toe te treden tot de „Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen”. ( 7 ) Volgens haar preambule is deze overeenkomst gebaseerd op de erkenning van het recht om op de volle zee te vissen, en op de verplichting voor alle staten om de maatregelen te treffen die nodig zijn voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee. De preambule herinnert voorts aan een reeks internationale verbintenissen en overeenkomsten, en roept de staten die geen partijen zijn bij visserijorganisaties of -overeenkomsten op om zich daar alsnog bij aan te sluiten of tot overeenstemming met dergelijke organisaties of partijen bij dergelijke organisaties of overeenkomsten te komen met het oog op naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen. In de preambule erkennen de partijen bovendien, dat zij zich bewust zijn van de plichten van iedere staat om effectieve jurisdictie en controle uit te oefenen ten aanzien van de vaartuigen die zijn vlag voeren. Zij verklaren, dat
„het onderbrengen van vissersvaartuigen onder een bepaalde vlag of het omvlaggen van vissersvaartuigen als middel om te ontkomen aan de naleving van de internationale maatregelen voor instandhouding en beheer van de levende rijkdommen van de zee en het tekortschieten van de vlaggestaten in hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de vissersvaartuigen die hun vlag voeren, enkele van de factoren zijn die de efficiency van genoemde maatregelen ernstig aantasten”,
en dat
„het doel van deze Overeenkomst kan worden bereikt door precisering van de verantwoordelijkheid van de vlaggestaat voor de vissersvaartuigen die actief zijn op de volle zee en zijn vlag mogen voeren, alsmede voor zijn toestemming voor dergelijke visserijactiviteit, door versterking van de internationale samenwerking en door grotere duidelijkheid via het uitwisselen van gegevens over de visserij op de volle zee”.
24.
Artikel I van de overeenkomst geeft een aantal definities. Artikel II bepaalt in wezen, dat de overeenkomst van toepassing is op alle vissersvaartuigen die worden gebruikt of bedoeld zijn om te worden gebruikt voor de visserij op de volle zee, en vermeldt de mogelijke uitzonderingen op die regel.
25.
Artikel III betreft de verantwoordelijkheid van de vlaggestaat, een van de belangrijkste elementen van de overeenkomst. ( 8 ) Iedere partij dient de maatregelen te nemen die nodig zijn om te waarborgen dat vissersvaartuigen die haar vlag mogen voeren, geen activiteiten verrichten die de efficiency van de internationale maatregelen voor instandhouding en beheer van de visbestanden aantasten (artikelIII, lidi, suba). Partijen mogen niet dulden, dat vaartuigen die hun vlag voeren voor de visserij op de volle zee worden gebruikt, tenzij zij daarvoor toestemming hebben gekregen van de bevoegde autoriteit of autoriteiten, en een vissersvaartuig dat die toestemming heeft verkregen, dient de visserij uit te oefenen overeenkomstig de daarvoor geldende voorwaarden (artikel III, lid 2). De partijen dienen ervan overtuigd te zijn dat zij, gezien de banden met het betrokken vissersvaartuig, in staat zijn om hun verantwoordelijkheden na te komen (artikel III, lid 3). Als een vissersvaartuig niet langer de vlag van een partij mag voeren, wordt de door die partij afgegeven vergunning voor visserij op de volle zee geacht te zijn ingetrokken (artikel III, lid 4). Artike-1III, lid 5, bepaalt in wezen, dat de partijen, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan, aan vissersvaartuigen die tevoren geregistreerd waren op het grondgebied van een andere partij en die de efficiency van internationale maatregelen voor instandhouding en beheer hebben aangetast, geen vergunning voor visserij op de volle zee mogen verlenen. Artikel III, lid 6, betreft de kentekens van vissersvaartuigen. Artikel III, lid 7, verlangt, dat iedere partij ervoor zorgt, dat ieder vissersvaartuig dat haar vlag mag voeren haar de informatie verstrekt die de betrokken partij nodig heeft om aan haar verplichtingen op grond van de overeenkomst te voldoen. Ten slotte luidt artikel III, lid 8, waaraan de Raad in zijn verweerschrift bijzondere aandacht besteedt, als volgt:
„Iedere Partij neemt rechthandhavingsmaatregelen ten aanzien van de vissersvaartuigen die haar vlag mogen voeren en die de bepalingen van deze Overeenkomst overtreden en stelt, zo nodig, vast dat overtreding van genoemde bepalingen een overtreding is van de nationale wetgeving. De sancties ten aanzien van dergelijke overtredingen dienen voldoende zwaar te zijn om ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze Overeenkomst worden nageleefd en dat de overtreders geen voordeel behalen uit hun onwettige activiteiten. De sancties voor ernstige overtredingen dienen weigering, schorsing of intrekking van de vergunning voor uitoefening van de visserij op de volle zee te omvatten.”
26.
Het tweede hoofddoel van de overeenkomst is het waarborgen van internationale samenwerking en adequate uitwisseling van informatie over de visserijactiviteiten op de volle zee. ( 9 ) Iedere partij dient een register bij te houden van vissersvaartuigen die haar vlag voeren en die een vergunning hebben voor de visserij op de volle zee (artikel IV). De partijen verlenen elkaar de nodige medewerking en verstrekken elkaar met name gegevens over de activiteiten van vissersvaartuigen teneinde de vlaggestaat bij te staan bij het identificeren van die vissersvaartuigen die haar vlag mogen voeren en waarover wordt gemeld dat zij door hun activiteiten de efficiency van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen hebben aangetast (artikel V, lidi). De partijen dienen ook samen te werken op het vlak van onderzoeksmaatregelen, wanneer een vissersvaartuig vrijwillig in de haven is van een andere partij dan de vlaggestaat (artikel V, lid 2). De partijen sluiten met het oog op de realisatie van de doelstellingen van de overeenkomst samenwerkingsovereenkomsten of regelingen voor onderlinge bijstand op mondiaal, regionaal, subregionaal of bilateraal niveau (artikel V, lid 3). Voorts bevat artikel VI een opsomming van gedetailleerde vereisten met betrekking tot de informatie die de FAO ter beschikking moet worden gesteld.
27.
Artikel VII betreft de samenwerking met ontwikkelingslanden. De partijen dienen bijstand te verlenen aan partijen die ontwikkelingslanden zijn, teneinde deze te helpen bij het nakomen van hun verplichtingen op grond van de overeenkomst. Artikel VIII regelt de relaties met staten die geen partij zijn, en artikel IX betreft de regeling van geschillen.
28.
Van de slotbepalingen is artikel X, dat de aanvaarding betreft, de belangrijkste bepaling voor de onderhavige zaak. De overeenkomst staat open voor aanvaarding door ieder lid of geassocieerd lid van de FAO, en voor iedere staat die geen lid is, maar die lid is van de Verenigde Naties (artikel X, lidi). Met betrekking tot aanvaarding door organisaties voor regionale economische integratie bepaalt dit artikel:
„4.
Wanneer een organisatie voor regionale economische integratie Partij wordt bij deze Overeenkomst dient een dergelijke organisatie, overeenkomstig het bepaalde in artikel II, lid 7, van de Statuten van de FAO, die wijzigingen of verduidelijkingen in de op grond van artikel II, lid 5, van de Statuten van de FAO ingediende verklaring van bevoegdheden mee te delen die nodig zijn in verband met de toetreding tot deze Overeenkomst. Iedere Partij bij deze Overeenkomst mag te allen tijde een organisatie voor regionale economische integratie die Partij is bij deze Overeenkomst verzoeken mee te delen of de organisatie voor regionale economische integratie, dan wel de Staten die lid zijn van die organisatie verantwoordelijk zijn voor de toepassing van een specifiek punt waarop deze Overeenkomst betrekking heeft. De organisatie voor regionale economische integratie dient deze gegevens binnen redelijke tijd te verstrekken.”
29.
De overeenkomst treedt in werking met ingang van de datum waarop de 25ste akte van aanvaarding bij de directeurgeneraal is neergelegd (artikel XI, lid 1).
30.
Het is nuttig, hier te wijzen op een aantal verschillen tussen de uiteindelijke overeenkomst en de eerdere ontwerpen.
31.
Het eerste door een groep van deskundigen geredigeerde en in maart 1993 door het FAO Committee on Fisheries besproken ontwerp droeg de titel „Overeenkomst inzake de toekenning van een vlag aan vaartuigen die in de volle zee vissen teneinde de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen te bevorderen”. Artikel III van dat ontwerp betrof de registratie van vissersvaartuigen en bepaalde, dat iedere partij een register van vissersvaartuigen diende bij te houden en geen vaartuigen uit dat register mocht schrappen of erin opnemen, wanneer er redenen waren om aan te nemen dat de betrokken vaartuigen zijn of zouden worden gebruikt om de efficiency van internationale instandhoudings- of beheersmaatregelen aan te tasten. Artikel IV van het ontwerp betrof de toekenning van een vlag. In wezen bepaalde het, dat een partij een vissersvaartuig slechts het recht mocht verlenen om haar vlag te voeren, nadat zij zich ervan had vergewist, a) dat er een werkelijke band tussen het vaartuig en de partij bestond, en b) dat het vaartuig niet het recht had de vlag van een andere partij te voeren.
32.
In het in november 1993 aan de FAO-Raad en de FAO-Conferentie voorgelegde ontwerp waren geen bepalingen betreffende de registratie en het toekennen van een vlag opgenomen. Van bij het begin van de onderhandelingen was het duidelijk, dat het bereiken van een consensus over een overeenkomst die dergelijke bepalingen bevatte, onmogelijk zou zijn geweest. ( 10 ) Dat was ook de onderhandelingspositie van de Gemeenschap en haar Lid-Staten. Partijen in de onderhavige zaak zijn het er niettemin over eens, dat het risico bestond dat de kwestie van de toekenning van een vlag weer aan de orde zou worden gesteld in de laatste fase van de onderhandelingen in november 1993, en de delegatie van Peru blijkt inderdaad, zij het zonder succes, te hebben gepoogd een bepaling betreffende het toekennen van een vlag in de tekst te doen opnemen. Het verdient te worden aangestipt, dat in de officiële agenda van de vergaderingen van de FAO-Raad en de FAO-Conferentie van november 1993 de ontwerpovereenkomst nog steeds was vermeld als een overeenkomst inzake de toekenning van een vlag aan vaartuigen die in de volle zee vissen, ofschoon in het daadwerkelijk voorgelegde ontwerp de titel reeds was vervangen door de definitieve titel van de overeenkomst. Voorts verdient opmerking, dat het op die vergaderingen voorgelegde voorstel, zoals in laatste instantie in oktober 1993 gerevideerd door het FAO Committee on Constitutional and Legal Matters, nagenoeg letterlijk identiek aan de uiteindelijke tekst van de overeenkomst is, wat aantoont dat er op de vergaderingen van de FAO-Raad en de FAO-Conferentie van november 1993 zo goed als geen laatsteminuutwijzigingen zijn aangebracht.
De middelen ter zake van de ontvankelijkheid
33.
De Raad acht het beroep vän de Commissie niet-ontvankehjk. Zijns inziens is het bestreden besluit van de Raad geen handeling met rechtsgevolgen, zodat het niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 173 van het Verdrag.
34.
De Raad is van oordeel, dat het rechtskarakter van de besluiten van het Coreper en de Raad op basis van de regeling moet worden beoordeeld. Deze regeling is zuiver intern. Zij strekt er niet toe, de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en haar Lid-Staten te wijzigen, en zou dat ook niet kunnen. Een dergelijke in wezen pragmatische regeling is onontbeerlijk, omdat de Verdragsbepalingen inzake de onderhandelingen over internationale overeenkomsten als zodanig niet van toepassing zijn op de werkzaamheden van de FAO. De Raad verwijst naar het advies 2/91, waarin het Hof stelde, dat wanneer een overeenkomst onder de gemengde bevoegdheid van de Gemeenschap en haar Lid-Staten valt, een gezamenlijk optreden vereist is. ( 11 ) De regeling beantwoordt aan dat vereiste.
35.
Tegen die achtergrond voert de Raad drie argumenten tegen de ontvankelijkheid van het beroep aan.
36.
In de eerste plaats hebben de Raad, de Commissie en de Lid-Staten in overeenstemming met de regeling gehandeld. Zij hebben de onderhandelingen over de overeenkomst op basis van een gemeenschappelijk standpunt gevoerd en alleen over de kwestie van de stemming heeft — omdat geen consensus kon worden bereikt — het Coreper moeten beslissen, overeenkomstig de regels van de regeling. De beslissing van het Coreper van 21 oktober 1993 was definitief, en bevestiging van die beslissing door de Raad was noodzakelijk noch mogelijk. De regeling voorziet niet in een beroep bij de Raad, omdat zij pragmatisch is en de beslissingen van procedurele, ja zelfs ceremoniële aard zijn, en wegens vereisten verband houdend met de kalender.
37.
In de tweede plaats tastte de beslissing van het Coreper geen eventuele rechten van de Commissie aan. Evenmin wijzigde zij de verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en haar Lid-Staten. De regeling plaatst alle problemen betreffende de deelname aan de werkzaamheden van de FAO in een pragmatisch kader. De Commissie heeft dat kader aanvaard. De beslissing van het Coreper is geen beslissing in plaats of in naam van de Raad en heeft niet het minste gevolg voor de positie van de Commissie in het institutionele evenwicht zoals dat in het Verdrag is neergelegd. Was de Commissie van oordeel geweest, dat de overeenkomst onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap viel, dan had zij de Raad om toestemming kunnen vragen om de onderhandelingen te mogen voeren op grond van artikel 228 van het Verdrag. Iedereen was het er echter over eens, dat de overeenkomst onder de gemengde bevoegdheid viel. De onderhandelingen zijn op basis van een gemeenschappelijk standpunt gevoerd dat, in de slotfase, is uitgelopen op een positieve stemming van de Gemeenschap en haar Lid-Staten. De vraag of de Gemeenschap dan wel de vertegenwoordigers van de Lid-Staten dienden te stemmen, was een procedurele, ja zelfs protocollaire aangelegenheid, die geen rechtsgevolgen voor de positie van de Gemeenschap of de Commissie in de FAO had. Het probleem van de bevoegdheid zal slechts rijzen, wanneer het erop aankomt te beslissen of de Gemeenschap de overeenkomst zal aanvaarden.
38.
In de derde plaats was het debat van de Raad van 22 november 1993 zuiver politiek. De verklaring die de Commissie de Raad ter goedkeuring heeft voorgelegd, was niet op een wettelijke handeling gebaseerd en kon dus geen juridische draagwijdte hebben. ( 12 ) Voor het geval dat het Hof evenwel van oordeel mocht zijn dat de stemming in de Raad een „beraadslaging” was, stelt de Raad, dat deze slechts een bevestiging van de beslissing van het Coreper was. Volgens vaste rechtspraak wijzigt een handeling die slechts een bevestiging van een eerdere handeling is, het karakter van deze laatste niet. De Commissie had dus binnen de in artikel 173 van het Verdrag voorgeschreven termijn van twee maanden een beroep tot nietigverklaring van de beslissing van het Coreper van 21 oktober 1993 moeten instellen. ( 13 ) Bovendien was de stemming in de Raad voor een deel een stemming door de vertegenwoordigers van de Lid-Staten, daar zij een materie betrof die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap viel. Ten slotte heeft de Raad op 22 november 1993 geoordeeld, dat het probleem van de bevoegdheid door het Coreper opnieuw moest worden onderzocht.
39.
Het Verenigd Koninkrijk ondersteunt de Raad in zijn argumenten tegen de ontvankelijkheid van het beroep. Het betoogt, dat het besluit van de Raad geen rechtsgevolgen voor de relaties tussen de Gemeenschap en de FAO had, en evenmin voor de relatie tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Lid-Staten.
40.
Meer in het bijzonder met betrekking tot het ontbreken van rechtsgevolgen voor de relaties tussen de Gemeenschap en de FAO, stelt de Britse regering in wezen, dat de stemming van de Raad van 22 november 1993 de stemprocedures die tijdens de vergaderingen van november 1993 binnen de FAO-Raad en de FAO-Conferentie zijn toegepast, niet heeft gewijzigd, en dat ook niet kon. Het algemeen reglement van de FAO verlangt van de Gemeenschap, dat zij vóór elke vergadering de vereiste bevoegdheidsverklaring indient. In dat reglement wordt niet gezegd, dat die verklaring na het begin van de vergadering kan worden gewijzigd. Voor de FAO was de door de Gemeenschap en haar Lid-Staten tijdens de vergaderingen van de FAO-Raad en de FAO-Conferentie van november 1993 te volgen stemprocedure dus vastgelegd in de bevoegdheidsverklaring die de Commissie vóór die vergaderingen had ingediend. De stemming van de Raad op 22 november 1993 kon de rechtsgevolgen van de eerdere kennisgeving van de Commissie niet wijzigen.
41.
De Commissie repliceert, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet te ontkennen vallen. De overeenkomst is op 24 november 1993 door de FAO-Conferentie vastgesteld, waar de Raad op 22 november had besloten, dat de Gemeenschap niet over de aanneming zou stemmen. De Gemeenschap was dus definitief beroofd van haar recht om over de aanneming van een binnen haar bevoegdheid vallende overeenkomst te stemmen. Het Coreper had inderdaad reeds op 21 oktober besloten dat de Lid-Staten zouden stemmen, en dit besluit was de FAO vóór de vergaderingen van november meegedeeld. Het Coreper is echter een hulporgaan van de Raad en zijn beslissing is op 22 november door de Raad bevestigd. Dit laatste besluit kon nog steeds bepalend zijn voor de stemprocedure van 24 november. De stemming door de twaalf Lid-Staten, na een besluit van de Raad die voorbij ging aan de bij de FAO ingediende bevoegdheidsverklaring, heeft derde staten in verwarring gebracht omtrent de omvang van de bevoegdheden van de Gemeenschap.
42.
Voorts stelt de Commissie, dat zij niet anders kon dan de bevoegdheidskwestie voor de Raad te brengen. Haars inziens sluit de regeling die handelwijze niet uit. Bovendien achtte de Raad zich niet onbevoegd om een beslissing te nemen. Ingevolge artikel 151, lid 1, heeft het Coreper „tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden (...)”, wat aantoont dat een beslissing van het Coreper slechts definitief wordt vanaf het ogenblik waarop zij door de Raad wordt bekrachtigd. Om een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 173 van het Verdrag te kunnen instellen, was een definitief besluit van de Raad onontbeerlijk. De termijn van twee maanden voor het instellen van een beroep ging dus slechts in vanaf het ogenblik waarop de Raad dit besluit nam.
Onderzoek van de ontvankelijkheid
43.
Het staat vast, dat alle maatregelen die rechtsgevolgen sorteren, vatbaar zijn voor een beroep op grond van artikel 173 van het Verdrag. In het arrest Commissie/Raad (de zaak „AETR”) oordeelde het Hof ( 14 ),
„dat in artikel 173, dat alleen ‚aanbevelingen of adviezen’ — die blijkens artikel 189, laatste alinea, niet verbindend zijn — uitsluit van het voor de Lid-Staten en de instellingen beroep tot nietigverklaring, als voor beroep vatbare handelingen worden beschouwd alle door de instellingen getroffen die beogen rechtsgevolg teweeg te brengen”.
44.
De zaak AETR is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de onderhavige. Zij betrof de beraadslagingen van de Raad over, enerzijds, het onderhandelingsdoel ter zake van de AETR (Europese overeenkomst betreffende de arbeidsvoorwaarden voor de bemanning van motorrijtuigen voor het internationale vervoer over de weg), en, anderzijds over de daarbij te volgen onderhandelingsprocedure. ( 15 ) De onderhandelingspositie van de Raad was zijn beslissing, dat de onderhandelingen door de Lid-Staten, en niet door de Gemeenschap, zouden worden gevoerd en afgerond. Het Hof stelde eerst vast, dat de Gemeenschap bevoegd is om internationale overeenkomsten te sluiten, en oordeelde vervolgens, dat de onderhandelingen over en het sluiten van de betrokken overeenkomst onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vielen. Het onderzocht de aard van de beraadslaging van de Raad, en stelde vast a) dat wat het onderhandelingsdoel betrof, de beraadslaging ten doel had voor de instellingen evenals voor de Lid-Staten een bindende gedragslijn vast te stellen en b) dat de Raad in het deel van zijn conclusies betreffende de onderhandelingsprocedure bepalingen had vastgesteld, die eventueel een afwijking konden inhouden van de in het Verdrag aangegeven procedures voor de onderhandelingen met derde staten over overeenkomsten en het sluiten daarvan. ( 16 ) Het Hof concludeerde, dat de procedure „welbepaalde rechtsgevolgen heeft meegebracht, zowel in de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten als in de interinstitutionele verhoudingen”. ( 17 )
45.
Uit de zaak AETR blijkt, dat de ontvankelijkheid ruim moet worden opgevat. Het begrip maatregelen met rechtsgevolgen moet aldus worden uitgelegd, dat het elke definitie door de Raad van diens positie omvat, die de externe bevoegdheid van de Gemeenschap kan raken. ( 18 ) Die uitlegging is noodzakelijk om de naleving van het recht te waarborgen, een fundamentele eis waarop het Hof in zijn rechtspraak vaak heeft gewezen.
46.
De stelling van de Raad, dat het definitieve besluit in deze zaak door het Coreper is genomen, valt bijgevolg mijns inziens bezwaarlijk aan te nemen, daar zij erop neerkomt, dat rechterlijke toetsing op grond van artikel 173 van het Verdrag, dat in de controle op de handelingen van de Raad en niet op die van het Coreper voorziet, onmogelijk zou zijn. Doch het valt hoe dan ook te betwijfelen, of het Coreper bevoegd is beslissingen te nemen die rechtsgevolgen teweegbrengen, daar de taak van dit orgaan er volgens artikel 151 van het Verdrag toe beperkt is „de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden” en de „door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren”.
47.
Het Coreper speelt ongetwijfeld een centrale rol in de besluitvorming binnen de Gemeenschap. ( 19 ) Aangezien echter zijn taken beperkt zijn zoals hierboven beschreven, lijkt het duidelijk dat het geen formele eigen beslissingsbevoegdheid heeft, ook al is het in de praktijk zo, dat het Coreper de tekst van een maatregel vaststelt, waarna de Raad hem alleen maar bekrachtigt. Het Verdrag verleent de Raad ook niet de bevoegdheid om zijn eigen bevoegdheden aan het Coreper te delegeren. In dat opzicht verschilt het Coreper van de comités van de vertegenwoordigers van ministers, zoals die in sommige organisaties, bij voorbeeld de Raad van Europa, bestaan, welke comités op dezelfde gebieden als de ministers zelf bevoegd zijn en wier beslissingen dezelfde rechtskracht als die van de ministers zelf hebben. ( 20 )
48.
Gesteld echter, dat het Coreper beslissingen met rechtsgevolgen zou kunnen nemen, dan moeten dergelijke beslissingen mijns inziens vatbaar zijn voor een beroep op grond van artikel 173 van het Verdrag. Zulks vloeit noodzakelijkerwijs voort uit de noodzaak, de naleving van het recht te waarborgen. ( 21 ) Ik wil daaraan toevoegen, dat een dergelijk beroep kans op slagen zou hebben wat de grond van de zaak betreft, precies omdat zal worden geoordeeld dat het Coreper niet bevoegd was om de betrokken maatregel vast te stellen. Maar zelfs indien tegen de beslissing van het Coreper kon worden opgekomen, komt het mij voor dat zulks ook zou kunnen tegen een besluit van de Raad waarbij een beslissing van het Coreper wordt bevestigd. Ingevolge het Verdrag is het het besluit van de Raad, niet dat van het Coreper, die rechtsgevolgen teweegbrengt. Bijgevolg kan een beroep tegen een besluit van de Raad niet niet-ontvankelijk worden geacht op grond dat zij slechts een bevestiging van een eerdere beslissing van het Coreper is of op grond dat het beroep te laat is ingesteld omdat de termijn om tegen de eerdere beslissing beroep in te stellen, verstreken is.
49.
Evenmin kan ik het argument aanvaarden dat het thans te laat zou zijn om de situatie recht te trekken, daar de stemming heeft plaatsgehad en de overeenkomst goedgekeurd is. Rechterlijke toetsing kan niet worden uitgesloten op grond dat de bestreden handeling niet ongedaan kan worden gemaakt — in de onderhavige zaak omdat, aldus de gemachtigde van het Verenigd Koninkrijk ter terechtzitting, „de vergadering voorbij is”. Indien de betrokken handeling onwettig was, moet zij aan de toetsing door het Hof onderworpen kunnen worden. Een voldongen feit alleen volstaat niet om de rechterlijke toetsing uit te sluiten.
50.
Ik ben dan ook van mening, dat het beroep niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van een van de tot hiertoe onderzochte gronden. Bovendien zou ik zonder meer aarzelen het beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien een -werkelijk geschil ten gronde tussen partijen was gerezen. In dat geval dient het Hof zich daarover uit te spreken en mag dat niet worden belet op grond van buitensporig technische of formalistische bezwaren. Het echte probleem in de onderhavige zaak is mijns inziens echter, dat er geen werkelijk geschil ten gronde tussen partijen is en dat hun meningsverschil van louter formele aard is.
51.
Of de bestreden maatregel rechtsgevolgen kon teweegbrengen, behoeft volgens mij niet te worden onderzocht. De zaak AETR lijkt te suggereren, dat de maatregel waarover het ging rechtsgevolgen kon hebben; in de onderhavige zaak echter is elk rechtsgevolg volstrekt hypothetisch. Terloops wil ik signaleren, dat het in de zaak AETR in wezen ging om de bevoegdheid om de overeenkomst te sluiten. (Toentertijd was het immers zo, dat de betwisting door de Commissie van een beraadslaging van de Raad op grond van artikel 173 van het Verdrag de enige methode was om het probleem aan de orde te stellen, daar nog niet vaststond dat bevoegdheidsproblemen op grond van artikel 228 van het Verdrag voor het Hof konden worden gebracht. ( 22 )) In casu echter heeft het betrokken besluit van de Raad geen invloed op de bevoegdheid om de overeenkomst te sluiten (dat wil zeggen, om partij bij de overeenkomst te worden), zoals zowel uit de beslissing zelf ( 23 ) als uit de bewoordingen van de regeling ( 24 ) blijkt. Dat probleem zal pas geregeld zijn, wanneer is beslist, of de overeenkomst door de Gemeenschap dan wel door de Lid-Staten, of door beide, moet worden gesloten.
52.
Voorts is van belang, dat in de zaak AETR het resultaat van de onderhandelingen mogelijkerwijs anders was geweest, indien de Raad de Commissie met de onderhandelingen had belast. In de onderhavige zaak staat vast, dat het resultaat hetzelfde zou zijn geweest indien het Coreper (of de Raad) een andere beslissing over de stemming had genomen. De Lid-Staten hebben op de FAO-Conferentie overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt gestemd, net zoals de Gemeenschap zou hebben gedaan. Niet is gesuggereerd, dat een van de Lid-Staten ten detrimente van het belang van de Gemeenschap heeft gehandeld. Had de Raad op 22 november 1993 de door de Commissie voorgestelde verklaring goedgekeurd, dan zou de stemming over de overeenkomst niet anders zijn uitgevallen. Ook de tekst van de overeenkomst zou exact dezelfde zijn geweest als de huidige. Zelfs al had de Raad besloten (wat de Commissie niet heeft voorgesteld) dat de Commissie voor de Gemeenschap diende te stemmen, en zelfs al had de FAO met een wijziging van de bevoegdheidsverklaring ingestemd, ziet het ernaar uit dat het resultaat van de stemming niet anders zou zijn uitgevallen en dat de tekst van de overeenkomst identiek dezelfde zou zijn geweest. De nietigverklaring van het besluit van de Raad door het Hof zou geen praktische gevolgen hebben. Zo een arrest zou uiteraard wel relevant kunnen zijn voor de toekomst, zij het dat zelfs dat onzeker is, daar de oplossing steeds van de bijzondere omstandigheden van ieder afzonderlijk geval afhangt. Wat er ook van zij, de eventuele relevantie voor de toekomst volstaat in mijn ogen niet opdat het beroep ontvankelijk is.
53.
Het is duidelijk dat de Commissie, wil haar beroep ontvankelijk zijn, een werkelijk en rechtstreeks belang moet hebben bij het resultaat van de onderhavige zaak, en niet alleen maar een beslissing van het Hof mag verlangen die in andere, toekomstige gevallen relevant kan zijn. Weliswaar wordt vaak gezegd, dat de gemeenschapsinstellingen (en de Lid-Staten), wanneer zij een beroep bij het Hof instellen, met het oog op de ontvankelijkheid van hun beroep niet behoeven aan te tonen dat zij een „belang”, soms „rechtmatig” belang genoemd, hebben bij het resultaat van de zaak. Dat kan echter niet betekenen, dat een beroep mogelijk is bij gebreke van een werkelijk geschil. ( 25 ) In de regel spreken de gerechten zich in een dergelijk geval niet uit. Zelfs in procedures op grond van artikel 177 van het Verdrag, waar in beginsel de nationale rechter die om een prejudiciële beslissing verzoekt, beslist of een uitspraak van het Hof van Justitie noodzakelijk is, heeft het Hof geoordeeld, dat het niet zijn taak is zich over louter hypothetische vragen uit te spreken, en heeft het zich in voorkomend geval op die grond onbevoegd verklaard. ( 26 ) In rechtstreekse beroepen, die een contentieuze procedure tussen de partijen impliceren, rijst inderdaad de vraag, of de verzoeker, zelfs al is dat een gemeenschapsinstelling, een procesbelang heeft. Hetzelfde geldt voor door de Commissie op grond van artikel 169 van het Verdrag tegen een Lid-Staat ingestelde nietnakomingsprocedures. In het arrest in de zaak Commissie/Frankrijk ( 27 ) oordeelde het Hof weliswaar, dat de Commissie „haar belang bij een beroep niet behoeft aan te tonen”, doch dat betekent enkel dat zij geen specifiek eigen belang bij een uitspraak over een bepaalde niet-nakoming behoeft aan te tonen. ( 28 ) In dergelijke procedures is het voorhanden zijn van een belang echter vaak aan de orde. Wanneer bij voorbeeld een Lid-Staat zich vóór het begin van de procedure voor het Hof naar het met redenen omkleed advies van de Commissie voegt, mag de Commissie niettemin voortgaan met het beroep, juist omdat zij daar een belang bij heeft ( 29 ): namelijk de vaststelling dat het gemeenschapsrecht correct is toegepast ( 30 ), of de vaststelling van de grondslag voor de eventuele aansprakelijkheid van een Lid-Staat jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren. ( 31 )
54.
Soortgelijke overwegingen gelden mijns inziens voor door de Commissie op grond van artikel 173 van het Verdrag ingestelde beroepen. De Commissie kan tegen elk onwettig handelen van de Raad opkomen, zonder dat zij behoeft aan te tonen, dat zij zelf een belang heeft bij de afloop van de zaak. In die zin behoeft zij geen belang aan te tonen. ( 32 ) Zij moet daarentegen wel een echte onwettigheid met concrete gevolgen kunnen aantonen. Het Hof mag op grond van artikel 173 niet worden verzocht om advies met het oog op de oplossing van eventuele moeilijkheden in toekomstige zaken. ( 33 )„De verzoeker [dient] zijn procesbelang aan te tonen, dat de eerste en noodzakelijke voorwaarde voor elk beroep in rechte is.” ( 34 )
55.
Dat er in casu geen sprake van een werkelijk geschil is, bewijst het gedrag van de Commissie zelf. De Commissie heeft de Raad op de vergadering van 22 november 1993 niet voorgesteld de bevoegdheidsverklaring te wijzigen. Dat blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de door de Commissie voorgestelde verklaring, namelijk:
„De Raad stelt vast dat de aan de Conferentie ter goedkeuring voorgelegde ontwerpovereenkomst betrekking heeft op de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee door middel van een vergunningenstelsel, en niet meer, zoals oorspronkelijk overwogen, door middel van regelgeving inzake de toekenning of de wisseling van een vlag.
Derhalve valt deze ontwerpovereenkomst, die ook enige bepalingen inzake hulp aan ontwikkelingslanden bevat, in hoofdzaak, zo niet volledig, onder de bevoegdheid van de Gemeenschap, en zou de Commissie bij de goedkeuring daarvan namens de Gemeenschap aan de stemming moeten deelnemen.
Dossiers als het onderhavige dienen voortaan, al naar het geval, overeenkomstig punt 2.1 of punt 2.3, tweede streepje, van de FAO-regeling te worden behandeld (...)”
In wezen stelde de Commissie dus voor, dat de Raad zou verklaren dat de overeenkomst door de Gemeenschap had moeten zijn aangenomen, niet dat de Raad zou beslissen dat de Gemeenschap de overeenkomst moest aannemen; voorts stelde zij voor, dat in de toekomst over soortgelijke zaken overeenkomstig de bepalingen van de regeling betreffende het afleggen van verklaringen en uitbrengen van stemmen door de Gemeenschap zou worden beslist. Dat het voorstel van de Commissie voor de toekomst was bedoeld, en niet om het betrokken besluit te wijzigen, blijkt duidelijk uit de tijd van het werkwoord in de voorgestelde verklaring: „had (...) moeten deelnemen”.
56.
Voorts mag evenmin uit het oog worden verloren, dat de Commissie tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst instemde met de verklaring van gemengde bevoegdheid. Nooit heeft zij gesuggereerd, dat de onderhandelingen moesten worden gevoerd overeenkomstig punt 2.1 van de regeling, dat betrekking heeft op de materies die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen. Zelfs op de vergadering van de Raad van 22 november verklaarde zij enkel, dat de overeenkomst althans in hoofdzaak onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap viel. De Raad en het Verenigd Koninkrijk beklemtonen derhalve terecht, dat er over de grond van de zaak geen onenigheid bestond.
57.
Dat betekent niet, dat rechterlijke toetsing door het Hof uitgesloten is in alle zaken betreffende de deelname van de Gemeenschap aan de werkzaamheden van de FAO of van andere internationale organisaties waarvan zij lid is. Zo de Raad bij voorbeeld zou besluiten, dat de Lid-Staten dienen te stemmen over een materie die tot de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap behoort, zou dit besluit vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing. De Commissie heeft evenwel nooit gesteld, dat de overeenkomst volledig onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt, en kan daar nu niet mee afkomen. Zelfs in geval van gemengde bevoegdheid zou een besluit over de stemming niettemin vatbaar voor beroep zijn, indien bij voorbeeld werd aangevoerd, dat de stemming door de Lid-Staten de belangen van de Gemeenschap op het betrokken gebied nadelig zou beïnvloeden. In casu behoeft dit probleem evenwel niet te worden opgelost, daar de Commissie zich niet op eventuele gevolgen voor het resultaat van het onderhandelingsproces beroept.
58.
De Commissie gaat er in hoofdzaak van uit, dat de andere leden van de FAO zouden worden misleid. Men mag evenwel aannemen, dat andere, voldoende geïnteresseerde leden weten, dat het onmogelijk is (om redenen die ik hierna zal uiteenzetten) de bevoegdheidsverklaring in de loop van de onderhandelingen te wijzigen. Ook mag worden aangenomen, dat zij er zich van bewust zijn, dat de regeling en de toepassing ervan geen invloed hebben op de vraag wie partij bij de overeenkomst zal worden, en dus evenmin op de vraag van de bevoegdheid. Zij beseffen ongetwijfeld, dat een stemming door de Lid-Staten de Gemeenschap niet belette partij bij de overeenkomst te worden: de overeenkomst bepaalt immers dat de Gemeenschap partij kan worden, ook al zijn het de Lid-Staten, en niet de Gemeenschap, die over de overeenkomst gestemd hebben. ( 35 )
59.
Concluderend kan men dus zeggen, dat het standpunt tijdens de gehele onderhandelingen was, dat iedereen het erover eens was, dat punt 2.3 van de regeling van toepassing was. Bovendien bestond er geen onenigheid ten gronde over de ontwerpovereenkomst. Er was een gemeenschappelijk standpunt, dat zowel door de Lid-Staten als door de Gemeenschap zou worden gevolgd, ongeacht wie van hen het stemrecht uitoefende. Zowel de Gemeenschap als de Lid-Staten waren verplicht het gemeenschappelijk standpunt te volgen. De Commissie heeft nooit gepoogd een wijziging aan de bevoegdheidsverklaring te brengen. Zij beoogde alleen van de Raad een beginselverklaring los te krijgen die relevant kon zijn voor toekomstige dossiers. Bovendien stelde de overeenkomt, zoals zij is aangenomen, de mogelijkheid veilig voor de Gemeenschap om een exclusieve bevoegdheid uit te oefenen door partij bij de overeenkomst te worden. Dat betekent, dat de Commissie in feite destijds het betrokken besluit niet heeft betwist, en voorts dat dit besluit, die slechts een bijzondere stemming in de loop van de onderhandelingen betrof, niet op een fundamentele onenigheid tussen de partijen sloeg. Het lijkt dus duidelijk, dat er in casu geen echt geschil tussen partijen is.
60.
Niettemin kan het van belang zijn, in het kort in te gaan op de vragen ten gronde, te meer daar het onderzoek ten gronde mijns inziens mijn conclusie over de ontvankelijkheid bevestigt.
Ten gronde
61.
De Commissie betoogt, dat de Raad het recht om over de aanneming van de overeenkomst te stemmen, niet aan de Lid-Staten kon overdragen. Die stelling roept de navolgende vraag op: moet dit besluit van de Raad, houdende bevestiging van een eerdere beslissing van het Coreper, worden getoetst op basis van een volledig onderzoek van de bevoegdheid van de Gemeenschap om de overeenkomst in haar definitieve vorm goed te keuren? Ik denk het niet. De gemeenschapsinstellingen zijn kennelijk niet in staat om een dergelijk onderzoek te verrichten in elk stadium van een onderhandelingsproces als het in casu aan de orde zijnde. Voorts is het duidelijk, dat de organisatie van de vertegenwoordiging van de Gemeenschap en de Lid-Staten in de FAO praktische regelingen over procedurekwesties vergt. Wegens de dwangmatigheden van de deelname van de Gemeenschap en haar leden aan de FAO moet de regeling pragmatisch zijn. Gezien die dwangmatigheden, zou de doelstelling die de leden van de FAO nastreefden toen zij bepalingen vaststelden die het lidmaatschap van de Gemeenschap mogelijk maakten, niet worden bereikt indien frequente wijzigingen van een bepaalde bevoegdheidsverklaring werden geduld. Het is duidelijk, dat zo alle aan de FAO gezonden bevoegdheidsverklaringen vatbaar waren voor wijzigingen, het risico zou bestaan dat de deelname van de Gemeenschap aan de werkzaamheden van de FAO praktisch onmogelijk zou worden. Er moet dus een zekere voorlopige toekenning van bevoegdheid zijn die niet vooruitloopt op de uiteindelijke toekenning van de bevoegdheid of op de beslissing over de vraag wie de overeenkomst sluit. Dit laatste punt is uitdrukkelijk in de regeling opgenomen en is door de Raad op 22 november 1993 bevestigd.
62.
Bijgevolg rijst in casu het volgende probleem ten gronde: wie had ten tijde van het betreden besluit, en gelet op de toenmalige omstandigheden, moeten stemmen, rekening houdend met de termen van de regeling, het feit dat binnen de FAO een voortdurend onderhandelingsproces aan de gang was, de tekst van de overeenkomst in die fase van de onderhandelingen, en de mogelijkheid dat in die tekst nog wijzigingen werden aangebracht?
63.
Ik wil beginnen met een kort onderzoek van de rechtspraak van het Hof over de bevoegdheid van de Gemeenschap op de onder de overeenkomst en de desbetreffende onderhandelingen vallende gebieden. Daarna zal ik onderzoeken, of de voorlopige toekenning van bevoegdheid waartoe de Raad en het Coreper hebben beslist, gerechtvaardigd was.
64.
Volgens vaste rechtspraak heeft de Gemeenschap een exclusieve bevoegdheid ter zake van de vaststelling van maatregelen met het oog op de instandhouding van de rijkdommen van de zee. In het arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk oordeelde het Hof ( 36 ):
„sedert het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 102 toetredingsakte op 1 januari 1979, [komt] de bevoegdheid om in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen tot instandhouding van de visbestanden te treffen, volledig en onherroepelijk aan de Gemeenschap toe.
De Lid-Staten zijn derhalve niet meer gerechtigd in de wateren onder hun jurisdictie een eigen bevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot instandhoudingsmaatregelen. Het invoeren van dergelijke maatregelen, met de beperkingen die zij meebrengen voor de vangstactiviteiten, is sedert die datum een zaak van het gemeenschapsrecht. Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, dienen de visbestanden waartoe de vissers van de Lid-Staten gelijke toegang hebben, thans te vallen onder de regels van het gemeenschapsrecht.”
65.
In het arrest Kramer had het Hof reeds geoordeeld, dat ter zake van instandhoudingsmaatregelen voor de volle zee de Gemeenschap bevoegd was. Het overwoog, dat de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee slechts op zowel doeltreffende als billijke wijze kan worden verzekerd door middel van een regeling waaraan alle belanghebbende staten, met inbegrip van de derde landen, deelnemen. ( 37 ) In het arrest Mondiet herinnerde het Hof aan zijn vaste rechtspraak volgens welke de Gemeenschap, wat de visserij op de volle zee betreft, dezelfde regelgevende bevoegdheid heeft als die welke het internationale recht toekent aan de vlaggestaat of de staat waar het schip is geregistreerd. ( 38 ) In het arrest Commissie/Spanje ( 39 ) oordeelde het Hof, dat
„de Gemeenschap bevoegd [is] maatregelen tot instandhouding vast te stellen, en zulks zowel autonoom als bij wege van verdragen met derde landen of in het kader van internationale organisaties”.
66.
Wat de registratie van vissersvaartuigen en het toekennen van een vlag betreft, is de situatie evenwel verschillend. In het arrest Pesca Valentia ging het om de Ierse registratiewetgeving. Het Hof verklaarde voor recht, dat ( 40 )
„een nationale wettelijke regeling die verlangt dat de bemanning van de vissersvaartuigen van de betrokken Lid-Staat voor ten minste een bepaald gedeelte uit EEGonderdanen bestaat, (...) noch naar haar inhoud, noch naar haar doel een maatregel tot instandhouding van de visbestanden [is], daar de toepassing ervan, op zichzelf beschouwd, geen gevolgen kan hebben voor die visbestanden. Derhalve kan uit artikel 102 van de Toetredingsakte niet worden afgeleid, dat het de Lid-Staten verboden is, een maatregel vast te stellen als die welke in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Ierse wettelijke regeling is vervat.”
67.
In het arrest Factortame bevestigde het Hof dat beginsel en vervolgde ( 41 )
„dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht aan de Lid-Staten staat, overeenkomstig de algemene regels van het volkenrecht de voorwaarden vast te stellen waaraan moet zijn voldaan voordat een vaartuig in hun register kan worden ingeschreven en aan dit vaartuig het recht kan worden verleend om hun vlag te voeren, doch dat de Lid-Staten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de voorschriften van het gemeenschapsrecht moeten eerbiedigen”.
68.
Anders gezegd, de onderhandelingen over de overeenkomst bestreken dus zowel gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen (de instandhouding van de rijkdommen van de zee), als onder de nationale bevoegdheid vallende gebieden (registratie van vaartuigen, het recht om de vlag van een Lid-Staat te voeren). De verklaring van gemengde bevoegdheid, die ook de Commissie aanvaardde, was dus op haar plaats.
69.
Het is inderdaad zo, dat de uiteindelijke tekst van de overeenkomst weinig bepalingen over de registratie en het toekennen van een vlag bevat, doch de Commissie en de Raad zijn het erover eens, dat zelfs in de laatste ronde van de onderhandelingen het probleem van het toekennen van een vlag nog had kunnen opduiken. Ten tijde van het besluit over de bevoegdheidsverklaring is dus terecht rekening gehouden met de mogelijkheid dat dit probleem tijdens de onderhandelingen ter sprake werd gebracht.
70.
Met betrekking tot onder de gemengde bevoegdheid vallende gebieden bepaalt de regeling, dat ernaar wordt gestreefd via consensus tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Bij de betrokken overeenkomst was een gemeenschappelijk standpunt bereikt. Voorts bepaalt de regeling, dat het gemeenschappelijk standpunt door het Voorzitterschap van de Raad of door de Commissie wordt verwoord, naar gelang het „vraagstuk hoofdzakelijk” onder de nationale bevoegdheid dan wel onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. In het onderhavige geval was voor de eerste mogelijkheid gekozen, en hebben de Lid-Staten over de overeenkomst gestemd.
71.
Indien de Gemeenschap en de Lid-Staten de gemengde bevoegdheid uitoefenen, zijn zij verplicht samen te werken. Dit is een van de uit artikel 5 van het Verdrag voortvloeiende verplichtingen. In het advies 1/94 over de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie herinnerde het Hof eraan, dat ( 42 ):
„wanneer het onderwerp van een akkoord of verdrag deels tot de bevoegdheid van de Gemeenschap en deels tot die van de Lid-Staten blijkt te behoren, een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de gemeenschapsinstellingen vereist is, zowel in de fase van de onderhandeling en sluiting als bij de uitvoering van de aangegane verbintenissen. Deze verplichting vloeit voort uit het vereiste van eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Gemeenschap (...)”
72.
In de onderhavige zaak is evenwel geenszins aangevoerd, dat een gemeenschapsinstelling of een Lid-Staat de samenwerkingsplicht heeft geschonden. De bepalingen van de regeling, die kennelijk ten doel hebben een structuur voor die samenwerking te creëren, zijn nageleefd. De Commissie was het eens met de verklaring van de gemengde bevoegdheid; alleen wat de kwestie van de stemming betrof, hield zij er een andere mening op na. Er is een gemeenschappelijk standpunt bereikt, en de Lid-Staten hebben dienovereenkomstig gehandeld.
73.
Wat het probleem van de stemming ter zake van de onder de gemengde bevoegdheid vallende gebieden betreft, verschaft de regeling mogelijkerwijs niet voor alle gevallen een definitief antwoord. Of de Gemeenschap dient te stemmen, hangt ervan af, of het „vraagstuk hoofdzakelijk” onder de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Is dat niet het geval, dan dienen de Lid-Staten te stemmen. In gevallen als het onderhavige kan het evenwel moeilijk zijn, aan de hand van dit criterium te bepalen wie bevoegd is.
74.
Ofschoon de Commissie daar niet op heeft gewezen, en daarover dus geen discussie tussen partijen heeft plaatsgevonden, is er misschien ruimte voor de stelling, dat zelfs wanneer het gebied waarover moet worden gestemd slechts voor een deel onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt, het stemrecht aan de Gemeenschap moet worden toegekend. Het valt te betwijfelen, of de Raad in een geval van gedeeltelijke exclusieve bevoegdheid op discretionaire wijze het stemrecht aan de Gemeenschap, dan wel aan de Lid-Staten kan toekennen. De exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap, die uitzonderlijk is, kan in de regel alleen door de Gemeenschap worden uitgeoefend, behalve wanneer dat materialiter onmogelijk is, bij voorbeeld in het kader van een internationale organisatie waarvan de Gemeenschap geen lid is. Binnen de FAO beschikt de Gemeenschap thans over de nodige middelen om die bevoegdheid uit te oefenen. Indien andere aspecten van de voorgestelde overeenkomst echter onder de nationale bevoegdheid vallen, zou de Gemeenschap haar stemrecht uiteraard niet mogen uitoefenen dan nadat een gemeenschappelijk standpunt met alle Lid-Staten is bereikt. Dit toont nogmaals aan, dat de stemming vaak niet meer is dan een procedurele kwestie, en dat de cruciale vraag is, of er al dan niet een gemeenschappelijk standpunt kan worden bereikt.
75.
Gezien de feiten van de onderhavige zaak is mijns inziens niet komen vast te staan, dat het besluit van de Raad moet worden metigverklaard. De overweging hierboven bevestigt evenwel mijn standpunt, dat het beroep niet ten gronde behoeft te worden onderzocht, doch niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
76.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging
1)
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
2)
de Commissie in de kosten van de Raad te verwijzen;
3)
het Verenigd Koninkrijk, dat in de zaak heeft geïntervenieerd, in zijn eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Advies 1/94 van 15 november 1994 over de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, Jurispr. 1994, blz. I-5267.
( 2 ) Zie ook A. Tavares de Pinho: „L'admission de la Communauté économique européenne comme membre de l'Organisation ács Nations unies pour l'alimentation et l'agriculture (FAO)”, RMCUE (1993), blz. 656-673; R. Frid: „The European Community — A Member of a Specialized Agency of the United Nations, EJIL (1993), blz. 239-255.
( 3 ) Zie punt 9 hierboven.
( 4 ) Zie bij voorbeeld de feiten in de zaak Poulsen en Diva Navigation (arrest van 24 november 1992, zaak C-286/90, Jurispr. 1992, blz. I-6019).
( 5 ) Voor de achtergrond van de overeenkomst, de onderhandelingen erover en de inhoud ervan, zie G. Moore: „Un nouvel accord de la FAO pour contrôler la pêche en haute mer”, Espaces et ressources maritimes (1993), nr. 7, blz. 62-68.
( 6 ) Zie punt 13 hierboven.
( 7 ) Voorstel voor een besluit van de Raad inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen [COM (94) 331 def.] (PB 1994, C 229, biz. 10).
( 8 ) Zie Moore, op. cit., reeds aangehaald in voetnoot 5, biz. 65.
( 9 ) Ibidem, voetnoot 8.
( 10 ) Zie Moore, op. cit., reeds aangehaald in voetnoot 5, blz. 64.
( 11 ) Advies van 19 maart 1993 over Verdrag nr. 170 van de IAO (Jurispr 1993, blz. 1061, punt 12).
( 12 ) Arrest van 26 februari 1991 (zaak C-292/89, Antonissen, Jurispr. 1991, blz. I-745, r. o. 17 en 18).
( 13 ) Verwezen wordt naar het arrest van 15 december 1988 (gevoegde zaken 166/86 en 220/86, Irish Cement, Jurispr. 1988, blz. 6473).
( 14 ) Arrest van 31 maart 1971 (zaak 22/70, Jurispr. 1971, blz. 263, r. o. 39).
( 15 ) Ibidem, r. o. 45-48.
( 16 ) Ibidem, r. o. 53 en 54.
( 17 ) Ibidem, r. o. 55.
( 18 ) Zie arrest van 9 augustus 1994 (zaak C-327/91, Frankrijk/ Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-3641, r. o. 16).
( 19 ) Zie A. Rigaux: „Comité des Représentants Permanents”, in Répertoire de droit communautaire, Dalioz, 1992, en de aldaar aangehaalde bibliografie.
( 20 ) Zie E. Decaux: Jurisclasseur Europe, fase. 6100, punt 55 (1989).
( 21 ) Zie arrest van 30 juni 1993 (gevoegde zaken C-181/91 en C-248/91, Parlement/Raad en Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-3685, r. o. II-14).
( 22 ) Dat staat pas vast sedert het advies 1/75 over de regeling inzake een norm voor de plaatselijke uitgaven (Jurispr. 1975, blz. 1355, in het bijzonder blz. 1360).
( 23 ) Zie de laatste zin van punt 21 hierboven.
( 24 ) Zie punt 1.13 van de regeling, hierboven in punt 12 aangehaald.
( 25 ) Zie Lasok: The European Court of Justice: Practice and Procedure (2de uitgave, 1994). biz. 196 e. v., in het bijzonder biz. 200 en 201).
( 26 ) Zie, bi¡ voorbeeld, het arrest van 16 juli 1992 (zaak C-83/91, Meilicke, Jurispr. 1992, blz. I-4871).
( 27 ) Arrest van 4 april 1974 (zaak 167/73, Jurispr. 1974, blz. 359, r. o. 15).
( 28 ) Zie Lasok, op. cit., blz. 201.
( 29 ) Arrest van 11 april 1978 (zaak 95/77, Commissie/ Nederland, Jurispr. 1978, blz. 863, in het bijzonder de conclusie van advocaatgeneraal Reischl, blz. 874).
( 30 ) Arrest van 9 juli 1970 (zaak 26/69, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1970, blz. 565.
( 31 ) Arresten van 7 februari 1973 (zaak 39/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1973, blz. 101) en 24 maart 1988 (zaak 240/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1835, r. o. 14).
( 32 ) Arrest van 26 maart 1987 (zaak 45/86, Commissie/Raad, Jurispr. 1987, blz. 1493, r. o. 3).
( 33 ) Zie conclusie van advocaatgeneraal Lenz in zaak 45/86, Commissie/Raad, reeds aangehaald in voetnoot 32, punten 24-42.
( 34 ) Beschikking van 31 juli 1989 (zaak 206/89 R, S., Jurispr. 1989, blz. 2841, r. o. 8).
( 35 ) Artikel X, lid 4, van de overeenkomst, hierboven in punt 28 aangehaald.
( 36 ) Arrest van 5 mei 1981 (zaak 804/79, Jurispr. 1981, blz. 1045, r. o. 17 en 18).
( 37 ) Arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3/76, 4/76 en 6/76, Jurispr. 1976, blz. 1279, r. o. 30-33).
( 38 ) Arrest van 24 november 1993 (zaak C-405/92, Jurispr. 1993, blz. I-6133, r. o. 12).
( 39 ) Arrest van 25 juli 1991 (zaak C-258/89, Jurispr. 1991, blz. I-3977, r. o. 9).
( 40 ) Arrest van 19 januari 1988 (zaak 223/86, Jurispr. 1988, blz. 83, r. o. 11).
( 41 ) Arrest van 25 juli 1991 (zaak C-221/89, Jurispr. 1991, blz. I-3905, r. o. 17).
( 42 ) Reeds aangehaald in voetnoot 1, punt 108. Zie ook uitspraak 1/78 van 14 november 1978 (Jurispr. 1978, blz. 2151, punten 34-36) en advies 2/91 (reeds aangehaald ín voetnoot 11, punt 36).
Full & Egal Universal Law Academy