Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 In de onderhavige zaak vordert het Koninkrijk der Nederlanden een uitvoerrestitutie voor granen van meer dan 3 miljoen HFL, die de Commissie heeft geweigerd op grond dat de goederen het douanegebied reeds voor de aangifte hadden verlaten, zodat geen controle kon worden uitgevoerd. Bovendien gaat het in casu om de vraag, of verzoeker het noodzakelijke bewijs voor zijn correcte handelwijze binnen de gestelde termijn heeft geleverd.
B - De feiten en de argumenten van partijen
2 De gevorderde uitvoerrestitutie betreft gerst die door Nederland aan Rusland is geleverd. De gerst werd per schip, het ms. Stankov, uitgevoerd. Dit schip verliet op zaterdag 25 november 1989 het grondgebied van de Gemeenschap.
3 In het syntheseverslag van oktober 1993 heeft de Commissie als reden voor de geweigerde financiering aangevoerd, dat de douanedocumenten pas op 27 november 1989 door de Nederlandse douane in Terneuzen waren aanvaard, terwijl het schip het douanegebied van de Gemeenschap reeds op 25 november had verlaten. Volgens dit verslag hadden de Nederlandse autoriteiten meegedeeld, dat de uitvoerdocumenten in het weekeinde zijn ingediend. Aangezien de bevoegde douanedienst gedurende het weekeinde gesloten was, heeft een andere dienst(1) zich met de zaak beziggehouden en tevens monsters genomen voor een latere analyse, die echter niet is verricht. Het bevoegde kantoor zou de documenten vervolgens op maandag 27 november 1989 hebben aanvaard. Uit het Lloyds register van scheepsbewegingen zou echter blijken, dat het schip niet langs Terneuzen is gevaren, maar het grondgebied van de Gemeenschap rechtstreeks vanuit Gent heeft verlaten. Aangezien de uitvoeraangifte na de uitvoer van de goederen was aanvaard en er geen concreet bewijs bestond dat de goederen bij het bevoegde douanekantoor voor een eventuele (fysieke) controle waren aangeboden, kon de uitvoerrestitutie niet worden gefinancierd.
4 De aan het syntheseverslag ten grondslag liggende controle werd door de Commissie in 1991 uitgevoerd. Zij betrof met name het voor de betalingen bevoegde Nederlandse orgaan, het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten (hierna: "HPA"). De resultaten van deze controle waren reeds in een rapport van 14 januari 1992 vastgelegd. Ook in dit verslag werden verschillende data voor uitvoer en aangifte genoemd. Volgens het verslag ontstond hierdoor onzekerheid over het feit, of de waren tijdig, dat wil zeggen vóór vertrek, ten uitvoer waren aangegeven en of de douane dus in staat was geweest deze producten te controleren. De Commissie (EOGFL(2)) verzocht verzoeker daarom om aanvullende informatie, op grond waarvan deze onzekerheid kon worden weggenomen.
5 Dit verzoek om aanvullende informatie respectievelijk bewijs herhaalde de Commissie nadien nog een paar maal. Als gevolg hiervan kwam een briefwisseling(3) tussen de Commissie en de Nederlandse autoriteiten op gang. De Commissie stelde de uiterste datum voor het indienen van de aanvullende informatie en bewijzen ten slotte op 15 december 1992.
6 Op 14 december 1992 verklaarden de Nederlandse autoriteiten in een schrijven, dat bepaalde documenten later zouden worden nagezonden. Op 19 respectievelijk 20 juli 1993 kwamen stukken bij de Commissie binnen, waaronder een douaneformulier waarop de bevoegde douanebeambte had geschreven, dat de goederen op 25 november 1989 waren aangegeven en uitgeklaard en de procedure op 27 november 1989 was afgewerkt. Deze aantekeningen werden naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het HPA door de betrokken ambtenaar in december 1989 gemaakt.
7 Volgens verzoeker hebben de bevoegde autoriteiten alles gedaan om de gemeenschapsrechtelijke bepalingen in acht te nemen. Aangezien het bevoegde douanekantoor gewoonlijk tijdens het weekeinde gesloten is, heeft een ander douanekantoor in Terneuzen de goederen op 25 november aanvaard en monsters genomen. De documenten zijn daarna aan het bevoegde douanekantoor ter beschikking gesteld, die de zaak op de eerstvolgende werkdag, maandag 27 november, heeft afgesloten en daarbij abusievelijk als aanvaardingsdatum 27 november in plaats van de eigenlijke aanvaardingsdatum, 25 november, heeft aangegeven.
8 Voorts zet verzoeker uitvoerig uiteen, dat het schip op 25 november daadwerkelijk in Terneuzen was.
9 Volgens de Commissie is dit laatste punt niet zo belangrijk. Zij betwist ook niet, dat het schip op 25 november is uitgevaren. Voor haar gaat het vooral om de vraag, of de uitvoeraangifte vóór het verlaten van het douanegebied werd aanvaard en of de mogelijkheid bestond om controles te verrichten. Volgens de Commissie heeft verzoeker het hiervoor noodzakelijke bewijs niet tijdig geleverd.
10 Daar verzoeker een andere mening is toegedaan, heeft hij beroep ingesteld en geconcludeerd dat het het Hof behage:
- nietig te verklaren, beschikking C(93) 3364 def. van de Commissie van 25 november 1993 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1990 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB L 301, blz. 13), voor zover het de niet-goedkeuring van de uitvoerrestituties van granen tot een bedrag van 3 317 344,26 HFL betreft, en
- de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.
De Commissie heeft geconcludeerd dat het het Hof behage:
- het beroep als ongegrond te verwerpen;
- verzoeker te verwijzen in de kosten van het geding.
11 Verzoeker verzet zich tegen de toepassing van artikel 8, lid 2, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(4), door de Commissie. Verzoeker kan niet de minste onregelmatigheid of nalatigheid worden verweten. De Nederlandse autoriteiten hebben hoe dan ook aan hun verplichtingen ex artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 voldaan. Zij zouden er in casu voor hebben gezorgd, dat de uitvoerrestitutie is verleend met inachtneming van alle uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende voorwaarden, en met name die welke voortvloeien uit de artikelen 3, 4 en 47 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten.(5)
12 Voor de Commissie is dit echter niet de vraag waar het om gaat. Haars inziens gaat het erom, of het voor de bewering van verzoeker noodzakelijke bewijs tijdig is geleverd. "Tijdig" betekent in dit geval binnen de door de Commissie gestelde termijn die op 15 december 1992 verstreek.
C - De relevante wettelijke bepalingen
13 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 729/70 luidt:
"Op grond van artikel 1, lid 2, sub a), worden gefinancierd de restituties bij uitvoer naar derde landen, welke volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten worden verleend." Het hier genoemde artikel 1, lid 2, sub a), luidt: "De afdeling Garantie financiert:
a) de restituties bij uitvoer naar derde landen;
(...)"
14 Voorts zijn van belang de artikelen 3, 4 en 47 van verordening nr. 3665/87. Artikel 3, lid 1, bepaalt: "Onder de dag van uitvoer wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd." Artikel 3, lid 2, luidt: "De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de restitutievoet, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld,
(...)"
Artikel 3, lid 4, luidt: "De dag van uitvoer is bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product."
15 Volgens artikel 4, lid 1,
"mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na(6) die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten".
16 Artikel 47 bevat regels over de procedure voor de restitutiebetaling.
17 Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 luidt:
"De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
- zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;
- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
- de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
(...)"
18 Artikel 8, lid 2, eerste alinea, bepaalt:
"Indien algehele terugvordering uitblijft, draagt de Gemeenschap de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden, behalve die welke voortvloeien uit onregelmatigheden of nalatigheden die aan de overheidsdiensten of organen van de lidstaten te wijten zijn."
D - Juridische beoordeling
19 Om te beginnen moet worden nagegaan, of niet vóór het verstrijken van de termijn op 15 december 1992 afdoende bewezen was, dat de uitvoeraangifte reeds voor de afvaart van het schip door de douanedienst was aanvaard. Verzoeker verwijst in dit verband naar de stukken van het HPA. Ten tijde van de controle door de Commissie in 1991 bevond zich in die stukken reeds het formulier van de douanedienst met daarop de eigenhandig geschreven aantekeningen van de bevoegde douanebeambte (dit formulier is als bijlage 15 bij het verzoekschrift opgenomen). Uit die aantekeningen blijkt, dat de uitvoeraangifte op 25 november 1989 was aanvaard en de goederen op diezelfde dag waren in- en uitgeklaard, doch dat de documenten op 27 november 1989 waren afgewerkt. Er kon daarom geen twijfel over bestaan, dat de goederen nog voor de afvaart van het schip bij de douanedienst waren aangegeven.
20 De Commissie wijst er in dit verband echter op, dat het formulier dat in de stukken van het HPA is gevonden en in bijlage 13 bij het verzoekschrift is opgenomen(7), geen aantekeningen bevat. Bovendien draagt alleen het formulier zonder de aantekeningen van de douanebeambte de stempel van het HPA (bijlage 13 bij het verzoekschrift). De Commissie concludeert hieruit, dat het besluit tot restitutieverlening door het HPA is genomen op grond van het document opgenomen in bijlage 13, dat wil zeggen zonder dat het op de hoogte was van de latere aantekeningen van de bevoegde douanebeamte.
21 Deze conclusie kan echter niet zonder meer worden getrokken. Zoals door verzoeker aangevoerd, werden de aantekeningen op verzoek van het HPA geplaatst, zodat laatstgenoemde op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud ervan.
22 In casu is dit echter niet van belang. Waar het om gaat is, of de Commissie tijdig kon beschikken over het formulier met daarop de geschreven aantekeningen van de douanebeambte. De Commissie ontkent dat dit het geval is geweest. Zij zou het betrokken formulier (bijlage 15 bij het verzoekschrift) pas op 19 juli 1993 per fax hebben ontvangen.
23 Aangezien het formulier met de aantekeningen van de douanebeambte niet is voorzien van de stempel van het HPA - in tegenstelling tot het formulier dat geen aantekeningen bevat - moet de Commissie in elk geval in zoverre gelijk worden gegeven, dat dit formulier door het HPA niet officieel is geregistreerd. Men mag er daarom van uitgaan, dat het niet aanwezig was toen de Commissie het HPA-dossier controleerde.
24 Om die reden kunnen uit een andere opmerking op dit formulier evenmin conclusies worden getrokken. In de rubriek "controle door het kantoor van vertrek" is met de hand "conform" ingevuld en is een stempel van de douanedienst Terneuzen geplaatst, die als datum 27 november 1989 aangeeft. Uit deze rubriek blijkt niet, dat de uitvoeraangifte reeds op 25 november was aanvaard. Men kan daarom niet concluderen, dat reeds op 25 november een controle was uitgevoerd, die tot het resultaat "conform" had geleid.
25 Verzoeker verwijst bovendien naar zijn brieven van 25 juni en 17 juli 1992 om aan te tonen, dat hij het noodzakelijke bewijs tijdig heeft geleverd (deze brieven zijn opgenomen in bijlage 2 en 3 van het verzoekschrift). Zij bevatten echter alleen aanvullende verklaringen van de bevoegde autoriteiten.
26 In deze brieven wordt onder meer meegedeeld, dat de douanepost Terneuzen gedurende het weekeinde van 25 en 26 november 1989 gesloten was, doch dat de uitvoeraangifte door een andere douanepost is afgehandeld. Het ms. Stankov zou op 25 november 1989 in Terneuzen zijn afgemeerd. Daar zijn door de douaneambtenaren monsters genomen, die achteraf door deskundige ambtenaren zijn beoordeeld. De aangifte is vervolgens op de eerstvolgende werkdag, te weten 27 november, afgewerkt.
27 Volgens verzoeker gaat het hier om officiële, onder eed afgelegde verklaringen, doch dit kan uit de tekst van de brieven niet worden opgemaakt. Zij kunnen daarom niet als afdoend bewijs worden aangemerkt. In dit verband moet worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof over de goedkeuring van EOGFL-rekeningen. Volgens die rechtspraak moet een lidstaat bewijzen, dat voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een door de Commissie geweigerde financiering, wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, op grond dat deze het gevolg waren van aan een lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften.(8) Voor de beantwoording van de vraag, of een lidstaat de noodzakelijke controles heeft uitgevoerd volstaat het niet, dat de staat stelt dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, zonder hiervoor het bewijs te leveren.(9)
28 In casu heeft de Commissie de financiering geweigerd, omdat de douaneformaliteiten volgens de stukken in het HPA-dossier pas na de afvaart van het schip waren vervuld. De lidstaat zou nu moeten bewijzen, dat de uitvoeraangifte tijdig is geschied en dat dus aan de voorwaarden voor financiering is voldaan. De bevoegde Nederlandse autoriteiten hebben vóór het verstrijken van de op 15 december 1992 gestelde termijn echter geen bewijzen tot staving van de beweringen in de brieven van juni en juli 1992 overgelegd.
29 Het is mogelijk, dat het betrokken schip, ondanks ten dele tegenstrijdige en onvolledige uittreksels uit het register van de sluis- en havendienst Terneuzen alsmede uit het register van de zeevaart en niettegenstaande het feit, dat de Commissie van het tegendeel uitgaat, op 25 november 1989 daadwerkelijk Terneuzen heeft aangedaan. (Verzoeker heeft aangevoerd, dat het voor grote schepen als het ms. Stankov praktisch onmogelijk is rechtstreeks vanuit Gent naar zee te varen; zij moeten de sluizen van Terneuzen passeren.) Daarmee is echter nog niet aangetoond, dat op die dag ook de relevante douaneformaliteiten werden vervuld.
30 In de door verzoeker overgelegde brief wordt bovendien vermeld, dat zogenoemde zichtmonsters zijn genomen, welke later zijn onderzocht. De Commissie voert terecht aan, dat zij geen verslag van dit onderzoek heeft ontvangen. Ook de beide brieven van 25 juni en 17 juli 1992 vormen daarom geen afdoende bewijs.
31 Ten bewijze van het feit dat zichtmonsters zijn genomen en dat het resultaat hiervan overeenkwam met de inhoud van de aangifte, verwijst verzoeker voorts naar een mededeling van de douanedienst (deze mededeling is opgenomen in bijlage 14 bij het verzoekschrift). Deze mededeling bevat echter alleen algemene aanwijzingen waaruit niet kan worden geconcludeerd, dat op 25 november uit het ms. Stankov daadwerkelijk zichtmonsters zijn genomen.
32 Verzoeker voert in dit verband bovendien aan, dat er voor de uitvoer van gerst waarvoor restitutie wordt verleend, geen wettelijke verplichting tot het nemen van monsters bestaat. De Commissie bestrijdt dit niet, doch wijst erop dat hier gaat om de vraag, of de autoriteiten überhaupt in staat zijn geweest die monsters te nemen. Het gaat niet om de - niet bestaande - verplichting tot controle, maar om de mogelijkheid ervan.
33 De vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 3665/87 zou een aanwijzing kunnen zijn, dat de betrokken waren gecontroleerd moeten worden. In die overweging wordt gesteld, dat "de bevoegde autoriteiten zich ervan dienen te vergewissen dat de producten die de Gemeenschap verlaten (...), dezelfde producten zijn als die waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld". Over het nemen van monsters wordt hier niet gesproken. Verzoeker wordt echter niet verweten, dat hij geen monsters heeft genomen, maar dat de waren zich ten tijde van de aanvaarding van de uitvoeraangifte niet meer op het grondgebied van de Gemeenschap bevonden. Het zou daarom niet meer mogelijk zijn geweest na te gaan, of in dit geval een uitvoerrestitutie mocht worden betaald.
34 Anders dan verzoeker stelt, gaat het daarbij niet om de vraag, of het restitutietarief tussen 25 en 27 november is gewijzigd, hetgeen hier niet wordt bestreden. Schade kan ook hierin bestaan, dat de uitvoerrestitutie ten onrechte is toegekend.
35 Ook op de vraag, of met verzoekers brief van 14 december 1992 eventueel de termijn van 15 december 1992 in acht was genomen moet worden geantwoord, dat deze brief geen aanvullend bewijs bevat, maar dat daarin alleen wordt aangekondigd, dat bepaalde stukken later zullen worden nagezonden.
36 Men kan er daarom niet van uitgaan, dat met deze brief de door de Commissie gestelde termijn in acht werd genomen. De bewijslevering kan niet zoveel tijd hebben gekost, dat de termijn onmogelijk kon worden aangehouden. Voorts beroepen de autoriteiten zich niet op bijzondere omstandigheden. Aangezien het noodzakelijke bewijs evenmin rechtstreeks na deze brief is geleverd, maar, gelijk de Commissie terecht aanvoert, pas zeven maanden later en zonder enige verklaring voor deze vertraging, heeft verzoeker met zijn brief van 14 december niet de gestelde termijn in acht genomen.
37 Het Koninkrijk der Nederlanden heeft daarom niet, althans niet binnen de door de Commissie gestelde termijn, het bewijs geleverd, dat de uitvoerrestituties terecht werden betaald.
38 Deze termijnstelling is volgens artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1723/72(10) mogelijk. Deze bepaling luidt: "Aanvullende inlichtingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden tot een uiterste datum die door deze laatste zal worden vastgesteld en waarbij onder meer rekening zal worden gehouden met de omvang van het werk dat nodig is om de betrokken inlichtingen te verstrekken. Wanneer de genoemde inlichtingen niet binnen de vastgestelde termijn worden toegezonden zal de Commissie haar beslissing nemen op grond van de gegevens waarover zij beschikt op de vastgestelde, uiterste datum, behoudens indien de te late toezending van de inlichtingen door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd." Op grond van deze bepaling zou de Commissie de financiering van uitvoerrestituties kunnen weigeren, indien de verzoeker weliswaar het nodige bewijs overlegt, doch dit niet doet binnen de door haar gestelde termijn.
39 Dit is door het Hof ook bevestigd in zijn arrest Duitsland/Commissie, waarnaar de Commissie verwijst.(11) Met betrekking tot de bevoegdheid van de Commissie om een termijn te stellen, verwijst het Hof naar de eerste overweging van verordening nr. 422/86(12), waarin wordt gesteld, dat "de Commissie voor een snelle afhandeling van de rekeningen van de lidstaten een uiterste datum moet kunnen vaststellen voor de toezending van nieuwe inlichtingen door de lidstaten, met inachtneming van de stand van zaken bij de werkzaamheden tot goedkeuring van de rekeningen".
40 Volgens artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72 beslist de Commissie dus op grond van de gegevens waarover zij beschikt op de vastgestelde, uiterste datum. Uit artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 kan indirect worden afgeleid, dat de uitvoeraangifte moet zijn aanvaard, voordat de waren het douanegebied verlaten. Het hiervoor vereiste en ook in artikel 4, lid 1, genoemde bewijs is niet geleverd, aangezien bij het verstrijken van de termijn niet was aangetoond, dat de douaneverklaring op 25 november 1989 was aanvaard.
41 Aangezien verzoeker niet heeft voldaan aan de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3665/87 genoemde voorwaarde voor betaling van de restitutie, moet de financiering van de uitvoerrestitutie volgens de Commissie krachtens artikel 2 van verordening nr. 729/70 worden geweigerd. Volgens artikel 2, lid 1, worden immers alleen restituties gefinancierd, "welke volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten worden verleend".
42 Verzoeker is echter van mening, dat de beslissing van de Commissie op artikel 8, lid 2, van deze verordening is gebaseerd. In de considerans van de beschikking van de Commissie zou zowel naar artikel 2 als naar artikel 8 worden verwezen en in de beschikking zelf zou de rechtsgrond voor de onderhavige weigering om de restitutie te financieren niet uitdrukkelijk worden genoemd. Men zou er daarom niet zonder meer van kunnen uitgaan, dat de Commissie zich bij haar beslissing op artikel 2 heeft gebaseerd.
43 De Commissie verwijst in dit verband terecht naar de vijfde overweging van de considerans van haar beschikking, waarin voor de restitutie bij uitvoer naar derde landen uitdrukkelijk wordt verwezen naar de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70.
44 Voorts wijst de Commissie er eveneens terecht op, dat evenmin aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, is voldaan, aangezien de Nederlandse autoriteiten, doordat zij de stukken pas achttien maanden later respectievelijk zeven maanden na het verstrijken van de laatstgenoemde termijn aan de Commissie ter beschikking hebben gesteld, een nalatigheid hebben getoond, die een overneming van de financiering niet rechtvaardigt.
45 Aangezien dus vaststaat, dat het Koninkrijk der Nederlanden het noodzakelijke bewijs althans niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd, bestaat er geen grond voor een (gedeeltelijke) nietigverklaring van de beschikking van de Commissie.
46 Volgens verzoeker moet de beschikking ook nietig worden verklaard wegens schending van artikel 190 EG-Verdrag, op grond waarvan beschikkingen met redenen moeten worden omkleed. Zijns inziens werd de beschikking van de Commissie in de eerste plaats op grond van onjuiste feiten gegeven. Maar zelfs indien dit zo was - in casu werd echter het tegendeel bewezen - dan zou dit geen schending van artikel 190 opleveren, aangezien dit artikel slechts verlangt, dat beschikkingen met redenen worden omkleed. Of deze motivering juist of onjuist is, moet niet aan de hand van artikel 190 worden onderzocht.
47 Volgens verzoeker is artikel 190 tevens geschonden, omdat de Commissie in haar beschikking niet duidelijk heeft aangegeven, waarom zij het volgens hem overtuigende bewijs niet heeft aanvaard. De Commissie bestrijdt dit echter.
48 Volgens de rechtspraak van het Hof is de omvang van de in artikel 190 neergelegde motiveringsplicht afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld. Bovendien is hierbij ook de bijzondere context van de voorbereiding van de beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL van belang.(13)
49 In casu bestond er een omvangrijke briefwisseling tussen de Commissie (EOGFL) en de bevoegde autoriteiten. Men moet er daarom van uitgaan, dat de autoriteiten op de hoogte zijn geweest van de redenen voor de latere beschikking van de Commissie. Bovendien blijkt reeds uit het rapport van 14 januari 1992, dat eraan werd getwijfeld, of de waren tijdig ten uitvoer waren aangegeven en of de douane in staat was geweest het product te controleren. Om die reden werd ook om aanvullende informatie verzocht. In het syntheseverslag van oktober 1993 wordt als reden voor de geweigerde financiering aangegeven, dat de uitvoeraangifte was aanvaard nadat het schip het douanegebied had verlaten en er geen concrete bewijzen aanwezig waren, dat de waren bij de douane zijn aangegeven, teneinde een eventuele controle mogelijk te maken. Bovendien heeft de Commissie in een telexbericht van - volgens haar zeggen - 12 november 1992 om nader bewijs verzocht, dat de aangifte daadwerkelijk al op 25 november 1989 had plaatsgevonden en dat monsters waren genomen.
50 Het moet voor verzoeker dus duidelijk zijn geweest waarom de financiering zou worden geweigerd respectievelijk uiteindelijk werd geweigerd en welke bewijsstukken van hem werden verlangd. Bovendien had hij in het kader van de omvangrijke briefwisseling de mogelijkheid, de Commissie om nadere aanwijzingen betreffende het van hem verlangde bewijs te verzoeken.
51 Er is derhalve geen sprake van schending van artikel 190 EG-Verdrag.
Kosten
52 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.
E - Conclusie
53 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, te oordelen als volgt:
1. Het beroep wordt verworpen.
2. Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten van de procedure.
(1) - Volgens verzoeker eveneens een douanekantoor in Terneuzen.
(2) - Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw.
(3) - Zie onder meer bijlagen 2 en 3 bij het verzoekschrift.
(4) - PB L 94, blz. 13.
(5) - PB L 351, blz. 1.
(6) - Cursivering van mij.
(7) - Bijlage 13 bevat evenals bijlage 15 het formulier van de douanedienst over de in- en uitklaring van de betrokken goederen. Alleen het formulier dat als bijlage 15 is opgenomen bevat echter de aantekeningen van de bevoegde douanebeambte.
(8) - Arresten van 10 november 1993, Nederland/Commissie (C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punt 16), en 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie (347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 14).
(9) - Arrest van 12 juni 1990, Duitsland/Commissie (C-8/88, Jurispr. blz. I-2321, punt 25 e.v.).
(10) - Verordening van de Commissie van 26 juli 1972 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (PB L 186, blz. 1), in de versie van verordening (EEG) nr. 422/86 van de Commissie van 25 februari 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1723/72 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (PB L 48, blz. 31).
(11) - Arrest van 22 juni 1993, Duitsland/Commissie (C-54/91, Jurispr. blz. I-3399).
(12) - Arrest Duitsland/Commissie (aangehaald in voetnoot 11, punt 13).
(13) - Arrest van 25 februari 1988, Nederland/Commissie (327/85, Jurispr. blz. 1065, punt 13), en arrest Duitsland/Commissie (aangehaald in voetnoot 11, punten 10 en 12).
Full & Egal Universal Law Academy