CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 14 december 1995 ( *1 )
1.
In de onderhavige zaak verzoekt het Tribunal dc commerce de Paris het Hof om cen prejudiciële beslissing over een aantal vragen betreffende met name de bevoegdheden van nationale rechters in procedures die worden ingesteld door concurrenten van een onderneming waaraan niet-aangemelde staatssteun zou zijn toegekend. Deze vragen zijn gerezen in een door het Syndicat français de l'Express international (hierna: „SFEI”) en een aantal snelpostonderncmingen tegen de Franse posterijen (hierna: „La Poste”) en anderen ingesteld geding.
De feiten
2.
Naast de wettelijke opdrachten waarvoor zij een monopolie bezit, houdt La Poste, een publiekrechtelijk orgaan, zich bezig met bepaalde activiteiten die openstaan voor handelsondernemingen. In 1985 richtte Sofipost (de vennootschap via welke La Poste haar verschillende dochtermaatschappijen controleert) in samenwerking met Société de transport aérien transrégional (hierna: „TAT”), de Société française de messagerie internationale (hierna: „SFMI”) op, om een snclpostdienst aan te bieden. SFMI was voor 66 % in handen van Sofipost en voor 34 % van TAT, en verrichtte haar activiteiten onder de benaming „Chronopost”.
3.
In 1992 werd de structuur van de activiteiten gewijzigd. Sofipost en TAT richtten een nieuwe vennootschap op, Chronopost SA, waarvan zij opnieuw 66 %, respectievelijk 34 % bezaten. Chronopost SA nam de binnenlandse activiteiten van SFMI over. De activiteit van SFMI werd omgevormd tot een gemeenschappelijke internationale snelpostonderneming van de Franse, Duitse, Nederlandse, Canadese en Zweedse posterijen in samenwerking met een Australische onderneming, TNT. SFMI werd voor 100 % een dochteronderneming van GD Express Worldwide France, zelf voor 100 % een dochteronderneming.van GD Express Worldwide NV. Deze laatste is telkens voor de helft in handen van TNT en GD Net BV, een onderneming die eigendom is van de verschillende nationale posterijen. Sofipost bezit 25 % van de aandelen van GD Net BV. Via Sofipost bezit La Poste dus thans 66 % van de door Chronopost SA geëxploiteerde binnenlandse snelpostdienstcn, en indirect 12,5 % (25 % x50 % x 100 % x 100 %) van de door SFMI geëxploiteerde internationale koerierdienst.
4.
In het kader van de nieuwe structuur verricht Chronopost SA diensten voor en treedt zij op als agent van SFMI, door via het GD Express Worldwide netwerk verzonden pakketten op te halen en in Frankrijk te bezorgen. Krachtens overeenkomsten die werden gesloten ten tijde van de oprichting van GD Express Worldwide, mocht Chronopost SFMI niet beconcurreren en was zij haar exclusieve agent tot 1 januari 1995; bovendien verleende La Poste aan SFMI (en dus eigenlijk aan Chronopost SA) tot die datum de exclusieve toegang tot het postnetwerk.
5.
Op 21 december 1990 diende SFEI, een vereniging waarvan een aantal snelpostondernemingen lid waren, krachtens artikel 92 van het Verdrag bij de Commissie een klacht in tegen de Franse Staat. Op een latere vergadering van de vertegenwoordigers van SFEI en de Commissie werd eveneens de vraag aan de orde gesteld, of La Poste als onderneming eventueel artikel 86 had geschonden. Bij twee brieven van 10 maart 1992 aan SFEI liet de Commissie weten dat zij voornemens was het onderzoek inzake de staatssteun en dat betreffende artikel 86 te beëindigen.
6.
Bij verzoekschrift van 16 mei 1992 verzochten SFEI en drie snelpostondernemingen om nietigverklaring door het Gerecht van eerste aanleg van de brief betreffende het onderzoek krachtens artikel 86. Het verzoek werd bij beschikking van 30 november 1992 door het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard, onder meer op grond dat de brief van de Commissie geen rechtsgevolgen had. Verzoekers hebben hogere voorziening ingesteld bij het Hof van Justitie, dat bij arrest van 16 juni 1994 ( 1 ) de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg vernietigde en de zaak terug naar het Gerecht verwees. Daarop trok de Commissie de brief in en besliste het Gerecht bij beschikking van 3 oktober 1994 dat het geding dientengevolge zonder voorwerp was geraakt. De Commissie stelde een nieuwe beschikking vast waarbij het onderzoek krachtens artikel 86 op 30 december 1994 werd beëindigd. Tegen deze beschikking is het beroep in de thans voor het Gerecht aanhangige zaak T-77/95 gericht.
7.
Bij een op 16 mei 1992 bij het Hof ingediend verzoekschrift verzochten SFEI en dezelfde drie ondernemingen om nietigverklaring van de beschikking waarbij het onderzoek naar de staatssteun was afgesloten. Ten gevolge van de intrekking van die brief door de Commissie in juli 1992, verklaarde het Hof bij beschikking van 18 november 1992 in zaak C-222/92, dat het geding zonder voorwerp was geraakt en verwees het de Commissie in de kosten. De Commissie moet nog steeds haar standpunt ter zake bepalen.
8.
De onderhavige prejudiciële verwijzing is het gevolg van een op 16 juni 1993 bij het Tribunal de commerce de Paris door SFEI en anderen tegen La Poste, Sofipost, SFMI, TAT, TAT Express en Chronopost aanhangig gemaakt geding. In die zaak is de nationale rechter verzocht:
—
te verklaren, dat de door La Poste zonder behoorlijke tegenprestatie aan SFMI en Chronopost verleende logistieke en commerciële steun staatssteun is in de zin van artikel 92 van het Verdrag;
—
te verklaren, dat deze steun niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie is aangemeld, en dus onregelmatig is;
—
te verklaren, dat verweersters zich schuldig hebben gemaakt aan oneerlijke mededinging;
—
te verklaren, dat La Poste, Sofipost, SFMI en Chronopost misbruik van hun machtspositie hebben gemaakt in de zin van artikel 86 van het Verdrag;
—
te verklaren, dat verweersters het beginsel van gelijke mededinging hebben geschonden;
—
La Poste te gelasten de onrechtmatige staatssteun aan SFMI en Chronopost onverwijld te staken (op straf van veroordeling tot een dwangsom van 250000 FF per dag);
—
de terugbetaling door SFMI aan La Poste te gelasten van alle sinds haar oprichting ontvangen onrechtmatige staatssteun, ten belope van 2139000000 FF voor de periode 1986-1991, en
—
verweersters te veroordelen om aan verzoekers een schadevergoeding van 216000000 FF te betalen.
9.
Verweersters betoogden onder meer, dat de nationale rechter zich onbevoegd moest verklaren ten voordele van de Commissie, subsidiair ten voordele van de Franse administratieve rechtbanken.
10.
In de verwijzingsbeschikking is niet gepreciseerd op welke feiten de zienswijze van SFEI is gebaseerd, dat La Poste aan SFMI en Chronopost ongeoorloofde steun heeft verleend. In zijn schriftelijke opmerkingen resumeert SFEI de gestelde logistieke steun als volgt:
„SFMI kan tegen een abnormaal lage tegenprestatie gebruik maken van het postnetwerk met 300000 personeelsleden, 73000 dagelijkse rondes, 16835 gebouwen, 50000 voertuigen, 300 treinwagons en 22 vliegtuigen;
SFMI geniet een bevoorrechte inklaringsprocedure;
SFMI geniet buitengewoon gunstige betalingsvoorwaarden bij La Poste.”
De commerciële steun bestaat hierin dat:
„SFMI toegang heeft tot de klanten van La Poste en haar goodwill benut; en
SFMI profiteert van de promotie- en reclamecampagnes van La Poste.”
11.
Bij brief van 13 juli 1995 verzocht het Hof de Commissie uit te leggen waarom zij sedert de intrekking van haar beschikking in juli 1992 geen standpunt heeft kunnen bepalen over de vraag of de logistieke en commerciële steun van La Poste aan SFMI en Chronopost als staatssteun was aan te merken. Bij brief van 29 augustus 1995 antwoordde de Commissie, dat klagers zich hoofdzakelijk hadden gebaseerd op een namens hen door een consultancybureau verricht onderzoek. De Commissie betwistte sommige uitgangspunten bij de vaststelling en berekening van de omvang van de vermeende steun in de vorm van logistieke bijstand; voorts hebben de Franse autoriteiten bepaalde feitelijke beweringen weerlegd, met name die betreffende de bevoorrechte inklaringsprocedure. De Commissie had ook ernstige twijfels omtrent de gestelde steun in de vorm van commerciële bijstand.
De vragen van de nationale rechter
12.
Alvorens uitspraak te doen over zijn eigen bevoegdheid of de feiten te onderzoeken, besliste de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1)
Moeten maatregelen van een Lid-Staat, die onder meer bestaan in financiële steun van het Ministerie van Economische zaken en Financiën en van het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie, in de vorm van commerciële en logistieke steun zonder de normale financiële tegenprestatie voor hun technische, commerciële of financiële dienstverlening, aan een vennootschap die expressebestellingen verricht, worden beschouwd als staatssteun die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en die het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloedt in de zin van artikel 92 van het Verdrag?
2)
Zo ja, vormt de terugvordering van de in strijd met het verbod van artikel 93, lid 3, laatste volzin, reeds verleende financiële steun, naast de onmiddellijke stopzetting van de betrokken steun, niet het enige middel om de doeltreffendheid van een dergelijk verbod te garanderen?
3)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is een onderneming die dergelijke steun ontvangt, op grond van het gemeenschapsrecht, en met name op grond van het beginsel van de voorrang daarvan, verplicht zorgvuldigheid te betrachten, door voordat zij de betrokken steun ontvangt onder meer na te gaan of de procedure inzake de toekenning van steun ten opzichte van artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag regelmatig is verlopen?
4)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet de schade van de met de steunontvangende onderneming concurrerende ondernemingen, die is ontstaan doordat eerstbedoelde onderneming niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, ter compensatie van de schending van genoemde gemeenschapsrechtelijke bepalingen eveneens worden vergoed volgens de geldende nationale regels?
5)
Moet volgens het geldende gemeenschapsrecht een nationale rechter, die is verzocht overeenkomstig zijn nationale recht de civielrechtelijke consequenties te verbinden aan een steunmaatregel van een staat die is ingesteld zonder inachtneming van de voorafgaande toetsingsprocedure van artikel 93, lid 3, laatste volzin, van het Verdrag, zich onbevoegd verklaren, indien bij de Commissie een klacht is ingediend om de onverenigbaarheid van bedoelde maatregel met de gemeenschappelijke markt te doen vaststellen, en dit zelfs indien de Commissie nog geen eindbeslissing heeft gegeven en zich er zelfs niet over heeft uitgesproken of de betrokken maatregelen al dan niet als staatssteun zijn te beschouwen?
6)
Of is de nationale rechter die zich in die situatie bevoegd heeft verklaard, verplicht de behandeling van de zaak te schorsen totdat de Commissie heeft beslist of de betrokken maatregelen al dan niet steunmaatregelen van de staat zijn?
7)
Wordt de in de vragen 5 en 6 bedoelde situatie beïnvloed door het feit dat de Commissie zich nog steeds niet heeft uitgesproken, hoewel zij meer dan twee jaar geleden op de hoogte is gebracht en de verzoekende partij voor de nationale rechter heeft aangetoond, dat de voor haar nadelige gevolgen van de schending van artikel 93, lid 3, laatste volzin, dringend moeten worden beëindigd?
8)
Of kan integendeel in omstandigheden als uiteengezet in de vragen 5 tot en met 7 hierboven, uit het arrest van het Hof van 21 november 1991 (zaak C-354/90, in het bijzonder r. o. 14) worden afgeleid dat de nationale rechter, die zich bevoegd verklaart en gevolg geeft aan het verzoek uitspraak te doen op grond van artikel 93, lid 3, laatste volzin, niets anders doet dan in afwachting van de eindbeslissing van de Commissie de rechten van de justitiabelen beschermen tegenover een miskenning door de nationale autoriteiten van het verbod van artikel 93, lid 3, laatste volzin, van het Verdrag?”
13.
De verwijzingsbeschikking is in hoger beroep bevestigd bij beschikking van 24 maart 1994 van de eerste voorzitter van de Cour d'appel de Paris.
De verdragsregels inzake staatssteun en de opdracht van de nationale rechter
14.
Alvorens de vragen van de nationale rechter te bespreken, zal ik de verdragsbepalingen inzake staatssteun en de respectieve opdrachten van de Commissie en van de nationale rechter ter verzekering van de naleving van deze voorschriften samenvatten.
15.
Artikel 92, lid 1, van het Verdrag bepaalt:
„Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt.”
16.
In artikel 92, leden 2 en 3, zijn verschillende categorieën steunmaatregelen vermeld die met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn of als verenigbaar daarmee kunnen worden beschouwd.
17.
Krachtens artikel 93 staat het hoofdzakelijk aan de Commissie de naleving van artikel 92 te verzekeren. Zij is bij uitsluiting bevoegd om onder het toezicht van het Hof te bepalen of steunmaatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. ( 2 ) Artikel 93, leden 1 en 2, betreffen bestaande steunregelingen. Krachtens artikel 93, lid 1, onderwerpt de Commissie de in de Lid-Staten „bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek”. Krachtens artikel 93, lid 2, kan de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, indien zij vaststelt dat een steunmaatregel niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, bepalen dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn. Indien deze staat dat besluit van de Commissie niet nakomt, kan de Commissie zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.
18.
Artikel 93, lid 3, betreft voornemens tot invoering van nieuwe of wijziging van bestaande steunmaatregelen:
„De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 92 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken Lid-Staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”
19.
Het verbod op de tenuitvoerlegging van de steunmaatregelen geldt dus gedurende de gehele periode van het vooronderzoek van de steunmaatregel door de Commissie, en indien zij beslist de procedure van artikel 93, lid 2, in te leiden, zolang er geen eindbeslissing is. Het Hof heeft verklaard, dat het vooronderzoek naar analogie met de artikelen 173 en 175 van het Verdrag moet worden verricht binnen een periode van twee maanden. Indien de Commissie binnen deze termijn geen standpunt bepaalt, kan de betrokken Lid-Staat de voorgenomen steunmaatregel tot uitvoering brengen na de Commissie daarvan in kennis te hebben gesteld. De steun wordt dan behandeld als een bestaande steunmaatregel waarop wordt toegezien overeenkomstig artikel 93, leden 1 en 2. ( 3 )
20.
Krachtens artikel 94 kan de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen alle verordeningen vaststellen, dienstig voor de toepassing van de artikelen 92 en 93, en met name de voorwaarden voor de toepassing van artikel 93, lid 3, bepalen alsmede de van die procedure vrijgestelde soorten van steunmaatregelen.
21.
De basisregel van artikel 92, lid 1, inhoudende dat bepaalde steunmaatregelen onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, heeft niet automatisch rechtstreekse werking in het interne recht. In de zaak Capolongo ( 4 ) heeft het Hof verklaard,
„dat de bepalingen van artikel 92, lid 1, (...) bedoeld zijn om in de rechtsorde der Lid-Staten effect te sorteren — zodat daarop voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan—, wanneer zij zijn uitgewerkt in handelingen van algemene strekking als bedoeld in artikel 94 of, in bepaalde casusposities, in besluiten als bedoeld in artikel 93, lid 2”.
22.
Dat de nationale rechter inzake staatssteun de belangrijkste rol heeft, spruit daarentegen voort uit de rechtstreekse werking van het in artikel 93, lid 3, laatste volzin, neergelegd verbod op de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen voordat de Commissie een eindbeslissing heeft genomen. In de zaak FNCE ( 5 ) verklaarde het Hof:
„(...) de geldigheid van handelingen tot uitvoering van steunmaatregelen wordt aangetast door de miskenning, door de nationale autoriteiten, van artikel 93, lid 3, laatste volzin, EEG-Verdrag. De nationale rechterlijke instanties dienen de justitiabelen die zich op een dergelijke miskenning kunnen beroepen, te waarborgen dat daaruit, overeenkomstig hun nationale recht, alle consequenties zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met deze bepaling of eventuele voorlopige maatregelen verleende financiële steun.”
23.
In hetzelfde arrest ( 6 ) vatte het Hof de respectieve taken van de Commissie en de nationale rechter samen als volgt:
„(...) de centrale en exclusieve rol die de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag aan de Commissie voorbehouden bij de vaststelling van de eventuele onverenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt, [verschilt] fundamenteel van de rol die de nationale rechterlijke instanties vervullen bij de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het in artikel 93, lid 3, laatste volzin, neergelegde verbod ontlenen. Terwijl de Commissie gehouden is te onderzoeken of de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, zelfs wanneer de Lid-Staat het verbod tot tenuitvoerlegging van de steunmaatregelen miskent, dienen de nationale rechterlijke instanties slechts, hangende de eindbeslissing van de Commissie, de rechten van de justitiabelen te beschermen tegenover een eventuele miskenning, door de nationale autoriteiten, van het in artikel 93, lid 3, laatste volzin, EEG-Verdrag neergelegde verbod. Wanneer deze rechterlijke instanties ter zake een beslissing nemen, spreken zij zich daarmee niet uit over de verenigbaarheid van de steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt, omdat deze eindbeoordeling tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie behoort, onder toezicht van het Hof van Justitie.”
De ontvankelijkheid
24.
In haar schriftelijke opmerkingen stelt TAT, dat het verzoek van de nationale rechter om een prejudiciële beslissing metontvankelijk is om vier redenen: onbevoegdheid van de verwijzende rechter, ontbreken van toelichting omtrent de feitelijke en juridische context van het verzoek, schending van het beginsel van de contradictoire behandeling, en misbruik van procedure. Het betoog van TAT werd ter terechtzitting nader ontwikkeld door de raadsman van SFMI. Hun argumenten kunnen worden samengevat als volgt.
25.
Om te beginnen zijn in Frankrijk niet de rechtbanken van koophandel maar de administratieve rechtbanken bevoegd om de wettigheid te toetsen van bestuurshandelingen waarbij steun wordt verleend. Bovendien zijn de rechtbanken van koophandel niet bevoegd om terugbetaling van steun te gelasten of de staat tot schadevergoeding te veroordelen. Aangezien het Tribunal de commerce kennelijk onbevoegd is, zijn de verwezen vragen niet noodzakelijk ter beslechting van het geding.
26.
In de tweede plaats preciseert de verwijzende rechter niet de aard van de door La Poste aan SFMI verleende logistieke en commerciële steun. Bovendien is het argument dat de tegenprestatie voor die bijstand abnormaal laag is, niet meer dan een bewering. Er konden derhalve geen relevante opmerkingen worden ingediend. Onder verwijzing naar het arrest Telemarsicabruzzo ( 7 ) betogen zij, dat in de schriftelijke opmerkingen aan het Hof verstrekte informatie niet het verzuim van de nationale rechter kan verhelpen in de verwijzingsbeschikking het feitelijke en juridische kader van zijn vragen uiteen te zetten.
27.
In de derde plaats zijn voor de nationale rechter alleen vragen inzake bevoegdheid besproken, en heeft hij bepaalde feitelijke kwesties als vaststaand beschouwd. Een uitspraak van het Hof op het verzoek zou zijn gebaseerd op onjuiste beweringen, en in strijd zijn met het beginsel van de contradictoire behandeling.
28.
In de vierde plaats wordt de prejudiciële procedure misbruikt om geen tijd te verliezen met wachten op een beslissing van de Commissie. Met de eerste vraag wordt eigenlijk niet alleen gevraagd, of de betrokken maatregelen steunmaatregelen zijn, maar ook of zij onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, een vraag die binnen de uitsluitende bevoegdheidssfeer van de Commissie valt. Verzoekers hadden tegen de Commissie beroep wegens nalaten moeten instellen of beroep tot nietigverklaring van een weigering om de overlegprocedure krachtens artikel 93, lid 2, in te leiden.
29.
De Franse regering betwist alleen de ontvankelijkheid van de eerste vraag van het Tribunal de commerce. De verwijzende rechter geeft niet de feitelijke en juridische overwegingen op grond waarvan hij tot de slotsom kwam, dat de door SFMI en Chronopost voor de verkregen voordelen verschuldigde tegenprestatie abnormaal laag was. De feitenkwesties die in deze zaak aan de orde zijn, zijn zo ingewikkeld dat volgens de Franse regering de niet-ontvankelijkheid voor de hand ligt.
30.
Mijns inziens zijn de vragen van de nationale rechter ontvankelijk. Allereerst, wat het betoog van TAT en SFMI betreft, dat het Tribunal de commerce niet het juiste forum is voor een procedure betreffende administratieve steunmaatregelen en dat wegens de onbevoegdheid van het Tribunal de verwijzing geen nut heeft, staat het niet aan het Hof na te gaan of een verwijzende rechter naar nationaal recht bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in het kader waarvan om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, en de vordering toe te wijzen. In het arrest Balocchi ( 8 ), waarin de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag werd betwist op grond dat de verwijzende rechter niet bevoegd was in belastingzaken, heeft het Hof verklaard
„dat het het Hof niet vrijstaat om na te gaan of de beschikking waarbij het is aangezocht, is gegeven met inachtneming van de regels van het nationale recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang.
Het Hof dient zich derhalve te houden aan de door een rechterlijke instantie van een Lid-Staat gegeven verwijzingsbeschikking, zolang deze niet in het kader van de eventueel in het nationale recht bestaande rechtsmiddelen is ingetrokken.”
31.
Of de verwijzende rechter naar nationaal recht bevoegd is, is dus een zaak voor de nationale rechtsorde. Opgemerkt zij, dat in casu het hoger beroep van La Poste en Sofipost tegen de verwijzingsbeschikking verworpen is.
32.
Blijkens de verwijzingsbeschikking was het voornaamste argument van La Poste en Sofipost in ieder geval, dat het Tribunal de commerce zich onbevoegd moest verklaren ten voordele van de Commissie. De nationale rechter was mijns inziens dan ook terecht van oordeel, dat een prejudiciële beslissing noodzakelijk was om die vraag op te lossen.
33.
Wat het tweede argument van TAT en SFMI betreft, geeft de verwijzingsbeschikking inderdaad weinig bijzonderheden omtrent het feitelijke kader van de zaak. Met name is daarin niets gepreciseerd over de structuur van de groep waartoe SFMI behoort of de aard van de door La Poste beweerdelijk verleende logistieke en commerciële steun.
34.
Het verdient zeker aanbeveling dat de nationale rechter in zijn verwijzingsbeschikking het kader waarin zijn vragen zijn gerezen kort beschrijft, doch in de praktijk geeft het Hof ook wanneer een dergelijke beschrijving ontbreekt, antwoord op de vragen wanneer zulks mogelijk is op basis van de informatie uit het dossier van de zaak en de bij het Hof ingediende opmerkingen. ( 9 ) Toch heeft het Hof in een aantal recente zaken, namelijk Telemarsicabruzzo ( 10 ), Banchero ( 11 ), Monin Automobiles ( 12 ), La Pyramide ( 13 ) en Saddik ( 14 ), geweigerd vragen te beantwoorden wanneer de punten van gemeenschapsrecht waarvan om uitlegging was verzocht, niet voldoende nauwkeurig omschreven waren om de nationale rechter een nuttig antwoord te kunnen geven. In deze gevallen beklemtoonde het Hof, dat vooral in zaken waarin ingewikkelde feitelijke en juridische vragen rijzen, zoals in mededingingszaken, de nationale rechter het feitelijk en rechtskader moet beschrijven waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten moet uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Het Hof heeft ook beklemtoond, dat het erop dient toe te zien, dat zij die schriftelijke opmerkingen kunnen indienen, en daarvoor uitsluitend beschikken over de informatie die is vervat in de verwijzingsbeschikking, in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze kenbaar te maken over de aan het Hof gestelde vragen. ( 15 )
35.
In casu zijn in de verwijzingsbeschikking in bijzonderheden de argumenten van partijen in het hoofdgeding uiteengezet, inzonderheid over verzoekers' vorderingen en over het betoog van de verwerende partijen betreffende de bevoegdheid van de nationale rechter. Deze bijzonderheden volstonden mijns inziens om degenen die opmerkingen indienden, in staat te stellen een standpunt te bepalen over de vragen 2 tot en met 9, en om het Hof in staat te stellen de nationale rechter een bruikbaar antwoord te geven. De twijfels van de Franse regering omtrent de ontvankelijkheid betreffen volgens mij dus terecht de eerste vraag.
36.
Wat de eerste vraag betreft, dient mijns inziens het doel van deze vraag voor ogen te worden gehouden. In dit stadium van de procedure wenst de nationale rechter vooral te vernemen of hij de zaak, ondanks de voorlegging ervan aan de Commissie, in behandeling moet nemen, en nader te worden ingelicht over geschikte maatregelen indien de conclusie luidt dat de steun onrechtmatig is toegekend. Met zijn eerste vraag verzoekt de nationale rechter, alvorens de feiten te onderzoeken, alleen om een beslissing over de fundamentele vraag, of het verlenen van commerciële en logistieke steun door de staat onder de omschreven omstandigheden als een steunmaatregel is te beschouwen. Hij vraagt geen informatie omtrent de nadere rechtsvragen die bij zijn onderzoek van de feiten kunnen rijzen. Zoals ik hierna zal uitleggen, kan de nationale rechter mijns inziens de informatie worden gegeven die hij in dit stadium nodig heeft, zonder in te gaan op punten waarover partijen in de onderhavige zaak geen opmerkingen hebben kunnen maken.
37.
Het derde argument van TAT en SFMI is eveneens ongegrond. Naar gelang van de omstandigheden kan het weliswaar nuttig zijn, dat de feiten van de zaak vaststaan en de vragen van nationaal recht zijn beantwoord voordat om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, doch uiteindelijk staat het aan de nationale rechter om, gelet op overwegingen inzake organisatie van de procesgang en doeltreffendheid, te beslissen in welk stadium van het geding om een prejudiciële beslissing moet worden verzocht. ( 16 ) Zoals reeds opgemerkt, lijkt de nationale rechter in het licht van het betoog van verweersters waarbij zij zijn bevoegdheid betwisten, in ieder geval terecht om een prejudiciële beslissing te hebben verzocht.
38.
Dat een nationale rechter zijn vragen baseert op bepaalde feiten die nog niet bewezen zijn, is anders dan TAT en SFMI stellen, niet in strijd met het recht van verweer van partijen. Een nationale rechter kan reeds in een vroeg stadium van de procedure om een prejudiciële beslissing verzoeken om te kunnen bepalen welke feitelijke kwesties relevant zijn.
39.
Ook het vierde argument betreffende de ontvankelijkheid is ongegrond. De nationale rechter verzoekt het Hof niet zich in de plaats van de Commissie te stellen en zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de betrokken maatregelen met de gemeenschappelijke markt. Hij wenst alleen informatie over de vraag of de maatregelen steunmaatregelen kunnen zijn in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, die krachtens artikel 93, lid 3, bij de Commissie hadden moeten worden aangemeld. Zoals ik verder zal uitleggen, moet de nationale rechter, die moet toezien op de naleving van het verbod op de tenuitvoerlegging van niet toegestane steunmaatregelen, zich kunnen uitspreken over de vraag of er sprake is van aan te melden steunmaatregelen. Dat eventueel beroep openstaat tegen de beslissing van de Commissie, belet niet dat men zich op basis van artikel 93, lid 3, laatste volzin, tot de nationale rechter kan wenden. Een dergelijke opvatting zou niet stroken met de rechtstreekse werking van die bepaling. Bovendien is het mogelijk dat de voor een nationale rechter beschikbare rechtsmiddelen verder reiken en doeltreffender zijn dan die tegen de Commissie.
Ten gronde
40.
Aangezien de vragen 5 tot en met 8 betrekking hebben op de bevoegdheid van de nationale rechter en op de vraag of hij kennis kan nemen van de zaak ondanks het onderzoek van de Commissie, kunnen zij wellicht het best worden behandeld vóór de vragen 1 tot en met 4, betreffende het begrip steun en de bij schending van artikel 93, lid 3, laatste volzin, te gelasten maatregelen.
De vragen 5 tot en met 8
41.
Met deze vragen wenst de nationale rechter te vernemen, of een nationale rechter die kennis neemt van een verzoek op basis van artikel 93, lid 3, zich onbevoegd moet verklaren, wanneer bij de Commissie een klacht is ingediend (vijfde vraag), dan wel of hij de behandeling van de zaak moet schorsen totdat de Commissie heeft beslist of de betrokken maatregelen als staatssteun zijn aan te merken (zesde vraag). Het Tribunal de commerce vraagt verder, of het ertoe doet, dat het onderzoek van de klacht door de Commissie reeds langer dan een jaar aansleept, en verzoeker de spoedeisendheid van de zaak heeft aangetoond (zevende vraag). Ten slotte vraagt de nationale rechter of hij, wanneer hij zich bevoegd verklaart en het verzoek toewijst, niet gewoon de hem door het Hof in de zaak FNCE opgedragen taak vervult om in afwachting van de eindbeslissing van de Commissie de rechten van particulieren te beschermen tegen de niet-naleving van artikel 93, lid 3, door de staat (achtste vraag). Ik zal deze vragen samen bespreken.
42.
Volgens SFEI, de Franse en de Spaanse regering en de Commissie is de nationale rechter bevoegd om kennis te nemen van en uitspraak te doen over een verzoek wegens schending van artikel 93, lid 3, ook wanneer de zaak naar de Commissie is verwezen.
43.
Volgens TAT moet de nationale rechter zich in geval van een onderzoek door de Commissie onbevoegd verklaren totdat zij heeft beslist of de betrokken maatregelen staatssteun zijn, aangezien zijn beslissing anders in strijd kan zijn met die van de Commissie. Indien de Commissie vervolgens beslist, dat de maatregelen geen staatssteun zijn, heeft de nationale procedure om de steun krachtens artikel 93, lid 3, terug te vorderen geen rechtsgrondslag meer. Subsidiair betoogt TAT, dat de nationale rechter de behandeling van de zaak dient te schorsen in afwachting van de beslissing van de Commissie over de vraag of het om steunmaatregelen gaat. Gaat het inderdaad om steunmaatregelen, dan moeten zij wegens de abnormaal lange tijd die de Commissie nodig had om tot een beslissing te komen, als een bestaande steunregeling worden beschouwd.
44.
Zoals ik reeds heb uitgelegd, hebben de nationale rechters bij in strijd met artikel 93, lid 3, laatste volzin, verleende steun tot taak de rechten van particulieren te beschermen in afwachting van de eindbeslissing van de Commissie. Om die taak te vervullen moeten zij zich uiteraard kunnen uitspreken over de vraag of er sprake is van in strijd met die bepaling verleende steun, en zo ja, de geschikte maatregelen kunnen treffen. Het Hof heeft aldus verklaard, dat de bevoegdheid van de Commissie inzake staatssteun niet belet dat een nationale rechter van de zaak kennis kan nemen en het begrip steun in artikel 92 kan uitleggen en toepassen om uit te maken of bepaalde maatregelen bij de Commissie moesten worden aangemeld. ( 17 ) Bovendien is de inleiding door de Commissie van een vooronderzoek krachtens artikel 93, lid 3, of van de bij artikel 93, lid 2, voorziene procedure, van geen invloed op de rechtstreekse toepasselijkheid van het verbod op de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel. ( 18 )
45.
Waar de nationale rechter en de Commissie de bevoegdheid delen het begrip steun uit te leggen en toe te passen, zijn tegenstrijdige beslissingen volgens TAT niet denkbeeldig. Met name is er het risico, dat een nationale rechter een verzoek op basis van artikel 93, lid 3, laatste volzin, toewijst met betrekking tot maatregelen die de Commissie achteraf niet als steun aanmerkt.
46.
Zoals de Franse regering opmerkt, rijst een soortgelijk probleem in de context van artikel 85 van het Verdrag. Krachtens artikel 85, lid 1, zijn bepaalde overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Krachtens artikel 85, lid 2, zijn deze overeenkomsten van rechtswege nietig. Volgens artikel 85, lid 3, kunnen de bepalingen van artikel 85, lid 1, buiten toepassing worden verklaard voor bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen. De Commissie is bij uitsluiting bevoegd om beschikkingen ter uitvoering van artikel 85, lid 3, te geven ( 19 ), en doet zulks in sommige gevallen door voor bepaalde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen groepsvrijstellingen te verlenen. De bevoegdheid om artikel 85, leden 1 en 2, toe te passen, deelt zij evenwel met de nationale rechter. ( 20 )
47.
In de zaak Delimitis ( 21 ) werd het Hof gevraagd of een nationale rechter artikel 85 kon toepassen op een overeenkomst die niet onder een vrijstellingsverordening viel. Het Hof oordeelde, dat de nationale rechter zich over de betrokken overeenkomst kon uitspreken wanneer kennelijk niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, of andersom, wanneer de onverenigbaarheid van de overeenkomst met artikel 85, lid 1, niet aan twijfel onderhevig was en de overeenkomst, gelet op de vrijstellingsverordeningen en eerdere beschikkingen van de Commissie, in geen geval in aanmerking kon komen voor een vrijstelling op grond van artikel 85, lid 3.
48.
Het Hof merkte op, dat een overeenkomst krachtens artikel 85, lid 3, slechts voor een vrijstellingsbeschikking in aanmerking komt, indien zij is aangemeld of niet behoeft te worden aangemeld. Indien is voldaan aan die voorwaarden en de overeenkomst volgens de nationale rechter op grond van de verordenings- en beschikkingspraktijk van de Commissie eventueel in aanmerking kan komen voor een vrijstellingsbeschikking, kan hij besluiten de behandeling van de zaak te schorsen of voorlopige maatregelen te treffen. Hetzelfde gold wanneer er in het kader van de toepassing van de artikelen 85, lid 1, en 86 gevaar bestond voor tegenstrijdige beslissingen. Het Hof voegde hieraan toe, dat de nationale rechter, voor zover het toepasselijke nationale procesrecht zulks toestaat en onverminderd artikel 214 van het Verdrag, altijd bij de Commissie inlichtingen kan inwinnen over de stand van een bij deze instelling aanhangige procedure en over de waarschijnlijkheid dat zij zich krachtens verordening nr. 17 officieel uitspreekt over de litigieuze overeenkomst. ( 22 ) Onder dezelfde voorwaarden kan de nationale rechter, wanneer de concrete toepassing van de artikelen 85, lid 1, of 86, bijzondere moeilijkheden oplevert, met de Commissie contact opnemen om de economische en juridische inlichtingen in te winnen die zij hem kan verschaffen. Ingevolge artikel 5 van het Verdrag rust op de Commissie immers een verplichting tot loyale samenwerking met de rechterlijke autoriteiten van de Lid-Staten.
49.
De analogie is niet volledig, aangezien een nationale rechter zich in het kader van staatssteun niet over de wettigheid van de steun, doch alleen over de wettigheid van de tenuitvoerlegging daarvan kan uitspreken. Binnen deze grenzen moeten evenwel tegenstrijdige juridische beslissingen en het daaruit voortvloeiende gevaar van rechtsonzekerheid worden voorkomen. Daarom kan het arrest Delimitis mijns inziens houvast bieden wat de maatregelen betreft die de nationale rechter mag nemen wanneer hij om een uitspraak wordt verzocht over het bestaan van steun waarvoor de aanmeldingsplicht geldt.
50.
Zoals door het Hof in de zaak Delimitis in de context van artikel 85, lid 1, is gesuggereerd, dient de nationale rechter zich uit te spreken wanneer hij tot de conclusie komt dat de betrokken maatregelen kennelijk steunmaatregelen zijn in de zin van artikel 92, lid 1. Hetzelfde geldt wanneer het zijns inziens kennelijk niet om steunmaatregelen gaat.
51.
Indien er bij de nationale rechter ter zake twijfel rijst, kan hij mijns inziens overeenkomstig het toepasselijke nationale procesrecht en onverminderd artikel 214 van het Verdrag, bij de Commissie inlichtingen inwinnen over de stand van de procedure die deze instelling in voorkomend geval heeft ingeleid. ( 23 ) Onder dezelfde voorwaarden kan de nationale rechter met de Commissie contact opnemen om de economische en juridische inlichtingen in te winnen die zij hem kan verschaffen. Er zij op gewezen dat de Commissie in haar bekendmaking ( 24 ) van 23 november 1995 de nationale rechter uitdrukkelijk wees op de mogelijkheid haar te raadplegen indien de toepassing van artikel 93, lid 3, moeilijkheden doet rijzen, en preciseerde welke hulp zij kan bieden. Uiteraard kan de nationale rechter het Hof ook verzoeken om een prejudiciële beslissing over de rechtsvragen die hij moet oplossen om uitspraak te doen over het bestaan van steun.
52.
Wanneer het enige tijd kan vergen alvorens einduitspraak kan worden gedaan, dient de nationale rechter zich af te vragen of het aangewezen is overeenkomstig het toepasselijke nationale procesrecht voorlopige maatregelen, zoals de opschorting van de betaling van de steun, te gelasten ter vrijwaring van de belangen van partijen in afwachting van de einduitspraak.
53.
Het risico op tegenstrijdige beslissingen is niet volledig uit te sluiten, ondanks de maatregelen die de nationale rechter kan nemen om het te beperken. Dergelijke moeilijkheden rijzen enkel wanneer de Commissie zou beslissen dat het niet om een steunmaatregel gaat terwijl de nationale rechter tot de conclusie was gekomen dat dit wel het geval was en de terugbetaling ervan had gelast. De mogelijkheid van een dergelijk conflict mag mijns inziens voor de nationale rechter geen beletsel zijn om zijn essentiële taak te vervullen en de naleving van het Verdrag te verzekeren.
54.
Ten slotte ben ik het niet eens met TAT, dat wanneer de Commissie haar vooronderzoek met vertraging voltooit, een onrechtmatig toegekende steunregeling als een bestaande steunregeling kan worden beschouwd, die alleen voor de toekomst kan worden ingetrokken. Zoals gezegd, verklaarde het Hof in het arrest Lorenz ( 25 ), dat de Commissie, wanneer een Lid-Staat voorgenomen maatregelen aanmeldt, binnen een periode van twee maanden moet beslissen of zij de procedure van artikel 93, lid 2, zal inleiden. Indien zij niet binnen die termijn een standpunt bepaalt, is de Lid-Staat gerechtigd de steun tot uitvoering te brengen na daarvan kennis te hebben gegeven. Bij zijn uitspraak ging het Hof ervan uit, dat de betrokken Lid-Staat er belang bij heeft snel te worden geïnformeerd over zijn rechtstoestand. Mijns inziens kan een Lid-Staat die onzeker is of voorgenomen maatregelen als steun in de zin van artikel 92, lid 1, zijn aan te merken, evenwel zijn belangen vrijwaren door zijn voornemen aan te melden bij de Commissie, die dan verplicht is binnen een termijn van twee maanden haar standpunt te bepalen.
55.
Vervolgens bespreek ik de vragen 1 tot en met 4.
De eerste vraag
56.
Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen of de toekenning door de staat via een publiekrechtelijk orgaan van subsidies aan een snelpostonderneming in de vorm van logistieke en commerciële steun zonder een normale betaling voor zijn diensten te vragen, een steunmaatregel vormt die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt in de zin van artikel 92 van het Verdrag.
57.
Dat het verlenen van logistieke en commerciële steun onder dergelijke omstandigheden een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, kan vormen, lijkt nauwelijks bctwijfelbaar. Artikel 92, lid 1, betreft steunmaatregelen van de staten of „in welke vorm ook” met staatsmiddelen bekostigd. Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen, dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed door de toekenning van voordelen door de overheid, die in verschillende vormen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. ( 26 ) In de context van het EGKSVerdrag verklaarde het Hof in het arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg ( 27 )
„dat het begrip hulp van algemener strekking is dan het begrip subsidie, daar het niet alleen positieve prestaties omvat zoals de subsidie zelf, doch eveneens maatregelen v/elke, in verschillende vormen, verlichting brengen in de lasten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor — zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn — van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden”.
58.
Dezelfde ruime uitlegging is door het Plof ook in de context van artikel 92 EG-Verdrag gevolgd. ( 28 ) Zo verklaarde het Hof bij voorbeeld in het arrest Van der Kooy e. a. ( 29 ), dat in verband met energievoorziening de vaststelling van een preferentieel tarief voor een bepaalde groep ondernemingen een steunmaatregel kon zijn. Zulks is het geval wanneer:
„(...) de staat of de door hem beïnvloede instelling het tarief niet als een gewone ondernemer toefpast], maar [het gebruikt] om een geldelijk voordeel te verschaffen aan de energieverbruikers — op dezelfde wijze als hij steun verleent aan bepaalde ondernemingen — door af te zien van winst die hij normalerwijze zou kunnen maken”. ( 30 )
59.
Het Hof voegde hieraan toe, dat een preferentieel tarief geen steun is
„(...) indien bleek, dat dit (...) tarief in de context van de betrokken markt objectief gerechtvaardigd is op economische gronden, zoals de noodzaak om de concurrentie van andere energiebronnen op die markt tegen te gaan, waarvan de prijs concurrerend is met die van de hierbedoelde energiebron”. ( 31 )
60.
Centraal staat de vraag of de betrokken onderneming een voordeel behaalt dat zij onder normale omstandigheden niet zou hebben gekregen. ( 32 ) Dat beginsel is misschien het duidelijkst geïllustreerd in de rechtspraak van het Hof betreffende staatssteun aan ondernemingen in de vorm van deelneming in het kapitaal. In het arrest België/Commissie ( 33 ) stemde het Hof in met het ter zake door de Commissie gehanteerde criterium, namelijk of de onderneming de bedragen op de particuliere kapitaalmarkt had kunnen verkrijgen. Opdat overheidsinvesteringen niet als steun zouden worden aangemerkt, moet de overheid zich op zijn minst gedragen als een particuliere holding met een algemene of sectoriële structuurpolitiek, gebaseerd op vooruitzichten inzake rendement op langere termijn. ( 34 )
61.
Wanneer ik deze beginselen toepas op de onderhavige zaak, kom ik tot de conclusie dat de toekenning door een publiekrechtelijk orgaan van logistieke en commerciële steun aan een onderneming waarin zij direct of indirect deelneemt, tegen gunstiger financiële voorwaarden dan die onderneming had kunnen krijgen bij een vergelijkbaar commercieel investeerder, een steunmaatregel is in de zin van artikel 92, lid 1. Indien daarvoor goede commerciële gronden bestaan, is het door de onderneming ontvangen voordeel eigenlijk een met overheidsmiddelen gefinancierde subsidie, ongeacht of deze middelen uit andere activiteiten van het overheidsorgaan zelf dan wel uit andere o verheidsfonds en komen. Of er sprake is van subsidie, hangt mijns inziens af van de vraag of een commercieel investeerder genoegen zou nemen met het niveau van de voor de steun ontvangen tegenprestatie, waarbij moet worden gelet op factoren zoals de kostprijs van de verleende steun, de omvang van zijn investering in de onderneming en zijn winst, het belang van de activiteit van de onderneming voor de investerende groep in zijn geheel, de voorwaarden op de betrokken markt en de periode waarvoor de steun wordt verleend. Om te bepalen of er in casu sprake is van een steunmaatregel, moet derhalve, zoals de Franse regering opmerkt, worden uitgegaan van uiterst ingewikkelde analyses van economische en financiële aard.
62.
Indien in casu de maatregelen als steun worden aangemerkt, lijkt het in de gegeven omstandigheden duidelijk, dat zij de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 92, lidi. In dat geval hebben zij ook een ongunstige invloed op het handelsverkeer tussen Lid-Staten. Zoals het Hof in het arrest Philip Morris ( 35 ) verklaarde:
„Wanneer financiële steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer worden geacht door de steun te worden beïnvloed.”
63.
In casu zou de vermeende steun de positie van SFMI op de internationale snelpostmarkt versterken ten nadele van haar concurrenten.
De tweede vraag
64.
Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de terugvordering van de in strijd met artikel 93, lid 3, laatste volzin, reeds betaalde steun, naast de onmiddellijke opschorting van verdere betalingen, niet het enige middel is om de doeltreffendheid van een dergelijk verbod te verzekeren.
65.
Daarover lopen de opvattingen uiteen. Verwijzend naar het arrest in de zaak FNCE ( 36 ) stelt SFEI, dat de nationale rechter, behalve in uitzonderlijke gevallen zoals bij volstrekte onmogelijkheid, de mcdedingingssituatie moet herstellen door de terugbetaling te gelasten van de steun, vermeerderd met rente. Enkel de opschorting van de betaling gelasten werkt alleen voor de toekomst en volstaat niet om de Lid-Staten ervan te weerhouden niet-aangemeldc steun tot uitvoering te brengen.
66.
Volgens TAT beschouwde het Hof in zijn arrest in de zaak FNCE de terugbetaling van de steun slechts als één van de middelen om de doeltreffendheid van het in artikel 93, lid 3, laatste volzin, neergelegde verbod te verzekeren. Terugbetaling van de financiële steun die de Commissie achteraf niet als steun beschouwt, is haars inziens in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voegt hieraan toe, dat de nationale rechter, indien de steunmaatregelen hem onrechtmatig lijken, ter vrijwaring van de rechten van de concurrenten ermee kan volstaan voorlopige maatregelen te gelasten in afwachting van een beslissing van de Commissie. Ter bescherming van hun rechten kunnen de concurrenten bovendien van de staat schadevergoeding vorderen. Verwijzend naar het arrest in de zaak Frankrijk/Commissie ( 37 ), merkt TAT op, dat de Commissie niet verplicht is de terugbetaling van steun te gelasten en daartoe slechts bevoegd is na haar eindbeslissing over het bestaan en de rechtmatigheid van de steun. Het ware onlogisch de rechten van de Lid-Staten tegenover de Commissie te beschermen, terwijl tegelijkertijd de nationale rechter de gemeenschapsrechtelijke procedurele garanties kan negeren,
67.
Volgens de Franse regering hangen de gevolgen van de schending van artikel 93, lid 3, laatste volzin, af van de aard van de procedure en de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt. In een procedure wegens misbruik van bevoegdheid kan een Franse administratieve rechtbank wel de bestreden maatregel nietig verklaren, doch niet de terugbetaling van de steun gelasten, ook al zal de steun bij nietigverklaring van de maatregel in beginsel moeten worden terugbetaald. De burgerlijke of handelsrechter kan verschillende maatregelen gelasten, met inbegrip van de opschorting van de betaling en de volledige of gedeeltelijke terugvordering van de steun. Volgens de Franse regering moet de nationale rechter de naar omstandigheden meest geschikte maatregel nemen. De nationale rechter dient slechts terugbetaling te gelasten wanneer zulks de enige maatregel is waarmee de mededingingssituatie kan worden hersteld. Bovendien is de Commissie zelf niet verplicht de terugbetaling te gelasten van steun die zij onverenigbaar acht met de gemeenschappelijke markt.
68.
Volgens de Spaanse regering kan de schending van de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, aanleiding geven tot voorlopige maatregelen waarvan de strengste de opschorting van de betaling van de steun is; de terugbetaling van de steun kan slechts worden gelast indien vaststaat dat een maatregel een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel is. Terugbetaling van de steun eisen voordat hij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, zou erop neerkomen dat artikel 93, lid 2, wordt toegepast voordat is voldaan aan de bij dit artikel gestelde voorwaarden. Aangezien bovendien de terugvordering van de steun geen noodzakelijk gevolg is van een vaststelling dat deze onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, kan zij a fortiori niet voortvloeien uit een procedurele onregelmatigheid voordat het onderzoek ten gronde plaats heeft gehad. De onder dergelijke omstandigheden door de nationale rechter vastgestelde maatregelen mogen niet vooruitlopen op de uitkomst van het onderzoek ten gronde, wat het geval zou zijn indien de terugbetaling werd gelast. De Duitse regering deelt het standpunt van de Spaanse regering.
69.
Tot staving van haar stelling dat de nationale rechter de terugbetaling van in strijd met artikel 93, lid 3, verleende steun kan gelasten, verwijst de Commissie naar het arrest FNCE. Verwijzend naar het arrest Factortame I ( 38 ) betoogt de Commissie, dat de nationale rechter bevoegd is ook bij wege van voorlopige maatregel de opschorting van de betaling van de steun te gelasten.
70.
Mijns inziens blijkt duidelijk uit het arrest FNCE, dat de vaststelling dat steun in strijd met artikel 93, lid 3, laatste volzin, is verleend, in beginsel de terugbetaling overeenkomstig de procedureregels van het nationale recht tot gevolg moet hebben. In dat arrest was het Hof van oordeel, dat de nationale rechter de justitiabelen die zich op schending van deze bepaling beroepen, moet garanderen dat „overeenkomstig hun nationale recht, alle consequenties zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met deze bepaling of eventuele voorlopige maatregelen verleende financiële steun”. ( 39 ) Het Hof voegde daaraan toe, dat zijn uitspraak in de arresten Frankrijk/Commissie ( 40 ) en België/Commissie ( 41 ), dat de Commissie steunmaatregelen niet onwettig kon verklaren op de enkele grond dat de verplichting tot aanmelding niet is nageleefd en zonder te onderzoeken of de steunmaatregel al dan niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, niet van invloed was op de op de nationale rechterlijke instanties rustende verplichtingen, voortvloeiend uit de rechtstreekse werking die is toegekend aan het in artikel 93, lid 3, laatste volzin, neergelegde verbod. ( 42 ) Bovendien was het Hof van oordeel, dat een latere beschikking van de Commissie waarbij de steunmaatregelen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn verklaard, geen regulárisadé achteraf impliceert van nict-aangcmclde en dus ongeldige uitvoeringshandelingen. Volgens de redenering van het Hof zou iedere andere uitlegging de nietnalcving door de betrokken Lid-Staat van het verbod van artikel 93, lid 3, in de hand werken en deze bepaling van haar nuttig effect beroven. ( 43 )
71.
De zienswijze van de Spaanse en de Duitse regering, dat de nationale rechter in procedures op basis van artikel 93, lid 3, laatste volzin, niet verder mag gaan dan de opschorting van de betaling van de steun te gelasten, strookt duidelijk niet met dat arrest. Maatregelen van tenuitvoerlegging van de steun vóór de eindbeslissing van de Commissie zijn en blijven onrechtmatig wat die periode betreft, ook al komt de Commissie tot de conclusie dat de steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Bij een dergelijke beslissing wordt de tenuitvoerlegging van de steun slechts voor de toekomst toegestaan en kunnen tevens voorwaarden worden gesteld die de gevolgen van de steun wijzigen. Anders dan de Spaanse regering meent, gaat de taak van de nationale rechter in een procedure op basis van artikel 93, lid 3, laatste volzin, verder dan die van een rechter die kennis neemt van een verzoek om voorlopige maatregelen; bij zijn einduitspraak in die procedure moet hij een permanente bescherming tegen de gevolgen van de onrechtmatige tenuitvoerlegging verzekeren. Aldus loopt hij geenszins vooruit op de eindbeslissing van de Commissie over de rechtmatigheid van de steun.
72.
De stelling dat de vaststelling van de onrechtmatigheid normaal gesproken aanleiding moet geven tot terugbetaling, strookt met de praktijk van de Commissie die terugbetaling eist wanneer zij tot de conclusie komt dat de steun onrechtmatig is. De rol van de nationale rechter die de terugbetaling gelast, is complementair ten opzichte van die van de Commissie, doordat hij de rechten van de concurrenten vrijwaart in afwachting van de beslissing van de Commissie. Wanneer een concurrent zich onverwijld tot de nationale rechter wendt, kan de steun misschien nog worden teruggevorderd, terwijl dat misschien niet meer mogelijk is wanneer de Commissie haar beschikking geeft.
73.
Toch was het Hof van oordeel, dat er zich uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het niet aangewezen is de terugbetaling van de steun te gelasten. In de zaak RSV ( 44 ) kwam de ontvanger van niet-aangemelde steun in een procedure krachtens artikel 173 van het Verdrag met succes op tegen de beschikking van de Commissie waarbij de terugvordering van de steun was gelast. Het Hof was van oordeel, dat een ongerechtvaardigde vertraging van 26 maanden bij het vaststellen van de beschikking van de Commissie betreffende de rechtmatigheid van de steun bij de ontvanger ervan een gewettigd vertrouwen kon wekken, zodat de Commissie de Nederlandse overheid niet kon gelasten de steun terug te vorderen.
74.
In het arrest Commissie/Duitsland ( 45 ) wees het Hof erop, dat het in sommige gevallen aan de nationale rechter kan staan te beoordelen of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die de terugvordering van de steun beletten. In dat arrest merkte het Hof op, dat de ondernemingen die steun genieten, in beginsel geen gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben, behoudens wanneer de steun met inachtneming van de procedure van artikel 93, lid 3, is toegekend; een zorgvuldig marktdeelnemer moet er zich normaal gesproken van kunnen vergewissen, of de procedure van artikel 93, lid 3, is nageleefd. Bijgevolg kan een Lid-Staat zich niet beroepen op het gewettigd vertrouwen van de steunontvangers om zich te onttrekken aan de plicht de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van een beschikking van de Commissie waarbij hem wordt gelast de steun terug te vorderen. Het Hof voegde hier evenwel aan toe, dat
„de ontvanger van onwettig toegekende steun zich kan beroepen op uitzonderlijke omstandigheden die zijn vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun konden wettigen, en zich bijgevolg tegen de terugbetaling ervan kan verzetten. In een dergelijk geval staat het aan de nationale rechter, zo die wordt aangezocht, de omstandigheden van het geval te beoordelen, eventueel na het Hof van Justitie prejudiciële uitleggingsvragen te hebben gesteld.” ( 46 )
75.
De nationale rechter heeft mijns inziens een soortgelijke rol in procedures op basis van artikel 93, lid 3, laatste volzin. Hij moet beoordelen of een zorgvuldig marktdeelnemer zich er rekenschap van had moeten geven, dat de betrokken maatregelen steunmaatregelen zijn die alleen overeenkomstig de procedure van artikel 93, lid 3, konden worden toegekend.
76.
In casu kan worden betwijfeld of dat het geval is. Allereerst spreekt het niet vanzelf dat het om steunmaatregelen gaat; of dat het geval is, hangt ervan af of La Poste een passende tegenprestatie voor haar diensten heeft ontvangen, wat voor SFMI moeilijk zo niet onmogelijk uit te maken was. In de tweede plaats besliste de Commissie na het vooronderzoek niet met de zaak verder te gaan; bovendien was zij drie jaar na de heropening van haar onderzoek nog steeds niet tot een beslissing gekomen. Onder dergelijke omstandigheden kan de nationale rechter, indien hij van oordeel is dat het om steunmaatregelen gaat, mijns inziens beslissen dat het niet aangewezen is de terugbetaling te gelasten.
77.
Ten slotte zij opgemerkt, dat de terugbetaling van reeds verleende steun niet steeds een afdoend antwoord is op een schending van het verbod van artikel 93, lid 3, laatste volzin, met name wanneer de steunmaatregelen voor de concurrenten tot winstderving en verlies van marktaandelen hebben geleid. De terugbetaling van de steun is evenwel niet — zoals de nationale rechter het in zijn tweede vraag formuleert — het enige middel om de doeltreffendheid van dat verbod te verzekeren. Zoals de Commissie suggereert, kan van de staat — en los van enige verplichting tot terugvordering van de steun — door concurrenten die schade of verlies hebben geleden ten gevolge van de onrechtmatige tenuitvoerlegging van steunmaatregelen, ook voor de nationale rechter krachtens het gemeenschapsrecht schadevergoeding worden gevorderd. Deze vraag is hier evenwel niet gerezen.
De derde en de vierde vraag
78.
Met deze vragen wenst de nationale rechter te vernemen, of de steunontvanger ingevolge een zorgvuldigheidsplicht moet nagaan of voor het verlenen van de steun de juiste procedure is gevolgd (derde vraag), en of hij, wanneer hij zulks nalaat, aansprakelijk is voor de schade van zijn concurrenten (vierde vraag).
79.
Alleen SFEI beantwoordt deze twee vragen bevestigend, en voert argumenten aan ontleend aan de rechtstreekse werking en voorrang van het gemeenschapsrecht, de doeltreffendheid van artikel 93, lid 3, de rechtspraak over het gewettigd vertrouwen en de praktische consequenties van zijn zienswijze. TAT, de Franse, de Duitse en de Spaanse regering en de Commissie, verwerpen de gedachte, dat krachtens het gemeenschapsrecht de steunontvanger een zorgvuldigheidsplicht heeft op basis waarvan hij aansprakelijk kan worden gesteld voor schade. Het vermoeden dat de ontvanger weet heeft van de onrechtmatigheid van de steun, kan volgens de Commissie evenwel tot gevolg hebben, dat hij ingevolge het beginsel van gelijke behandeling van vorderingen op basis van het gemeenschapsrecht, volgens de nationale aansprakelijkheidsregels aansprakelijk wordt gesteld. Ook kan volgens de Spaanse regering, zodra de onverenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt en de verplichting tot terugbetaling van de steun vaststaan, krachtens de nationale aansprakelijkheidsregels tegen de steunontvanger een vordering worden ingesteld.
80.
Anders dan SFEI meent, kent de rechtspraak van het Hof niet de verplichting voor de steunontvangers om het verlies of de schade van concurrenten ten gevolge van onrechtmatige tenuitvoerlegging te herstellen. Zoals opgemerkt, stelt de rechtspraak alleen, dat de steunontvanger zich niet met een beroep op het gewettigd vertrouwen tegen de terugvordering van de steun kan verzetten. ( 47 )
81.
Tot staving van zijn betoog wijst SFEI op punt 19 van de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Commissie/Duitsland. ( 48 ) De advocaat-generaal herhaalt daarin wat hij in een eerdere conclusie ( 49 ) reeds schreef, namelijk dat „uit de geest van de rechtspraak van het Hof inzake het gewettigd vertrouwen [kan worden afgeleid] dat ondernemingen die staatssteun ontvangen, verplicht zijn na te gaan of de steunmaatregel vooraf bij de Commissie was aangemeld”. Mijns inziens moet die opmerking evenwel worden geplaatst in de context waarin zij is gemaakt, namelijk in antwoord op het betoog van Duitsland, dat de betrokken steun uit hoofde van het naar nationaal recht erk'ènd gewettigd vertrouwen van de ontvanger niet kon worden teruggevorderd.
82.
Evenmin behoeft het Hof mijns inziens zijn rechtspraak aldus uit te breiden, dat concurrenten een schadevordering tegen steunontvangers kunnen instellen. Zoals de Franse regering opmerkt, betreft artikel 93 een procedure die geldt voor de Commissie en de Lid-Staten. Op deze laatsten rust de plicht de steun bij de Commissie aan te melden. Ook kan ik mij niet aansluiten bij de zienswijze van SFEI, dat een dergelijke actie noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het verbod van artikel 93, lid 3, te verzekeren. De verschillende hierboven omschreven maatregelen, eventueel met inbegrip van de terugvordering van de steun en schadevergoeding door de Lid-Staat, kunnen een doeltreffende reactie zijn op een schending van dat verbod.
83.
De noodzaak de doeltreffendheid van het verbod te verzekeren verklaart integendeel de bestaande rechtspraak. De artikelen 92 en 93 zouden elk nuttig effect verliezen indien een Lid-Staat met een beroep op het gewettigd vertrouwen van de steunontvanger kon afzien van terugvordering van de steun. Zoals het Hof in het arrest Commissie/Duitsland ( 50 ) opmerkte, „zouden de artikelen 92 en 93 elk nuttig effect verliezen, aangezien de nationale instanties zich dan op hun eigen onwettig gedrag zouden kunnen beroepen om door de Commissie op grond van deze verdragsartikelen gegeven beschikkingen elke werking te ontnemen”. Diezelfde redenering kan niet worden aangevoerd tot staving van een schadevordering tegen de steunontvanger.
84.
Wat ten slotte een van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie betreft, dat de nationale rechter het beginsel van gelijke behandeling van vorderingen op basis van het gemeenschapsrecht in acht moet nemen, lijkt dat beginsel mijns inziens alleen van toepassing voor zover de loutere ontvangst van een onrechtmatige betaling naar nationaal recht aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid tegenover derden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof mogen nationale regels niet discrimineren tussen vorderingen op basis van nationaal recht en overeenkomstige vorderingen op basis van het gemeenschapsrecht.
Conclusie
85.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van het Tribunal de commerce de Paris te beantwoorden als volgt:
„1)
Het verlenen door een Lid-Staat via een publiekrechtelijk orgaan van logistieke en commerciële steun aan een internationale snelpostonderneming waarin het publiekrechtelijk orgaan een directe of indirecte participatie heeft tegen financiële voorwaarden die gunstiger zijn dan die welke de onderneming van vergelijkbare commerciële investeerders zou kunnen verkrijgen, is in de omstandigheden van het hoofdgeding een steunmaatregel die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.
2)
De nationale rechter is bevoegd om kennis te nemen van een geding op basis van artikel 93, lid 3, laatste volzin, ook al is de zaak aan de Commissie voorgelegd. In deze omstandigheden kan hij bij de Commissie inlichtingen inwinnen over de stand van de procedure voor de Commissie, en de andere feitelijke en juridische inlichtingen inwinnen die de Commissie hem kan verschaffen. Tevens dient hij na te gaan, of voorlopige maatregelen overeenkomstig de toepasselijke nationale procedureregels aangewezen kunnen zijn om de rechten van partijen te vrijwaren in afwachting van de einduitspraak.
3)
Wanneer de bevoegde nationale rechter vaststelt, dat door een Lid-Staat in strijd met het verbod van artikel 93, lid 3, laatste volzin, steun is verleend, moet hij de terugbetaling van de steun gelasten overeenkomstig de toepasselijke nationale procedureregels. Hij dient evenwel na te gaan, of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die bij de ontvanger een gewettigd vertrouwen hebben gewekt dat een beletsel vormt voor terugvordering van de steun.
4)
Waar het gemeenschapsrecht grond kan opleveren om een Lid-Staat of een publiekrechtelijk orgaan wegens onrechtmatige toekenning van steun aansprakelijk te stellen voor schade, brengt het voor de steunontvanger niet de verplichting mee om door een concurrent als gevolg van de onrechtmatig verleende steun geleden verlies of schade te vergoeden, tenzij het ontvangen van een onrechtmatige betaling in overeenkomstige omstandigheden naar nationaal recht aansprakelijkheid meebrengt voor schade aan derden.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Zaak C-39/93 P, SFEI c. a., Jurispr. 1994, blz. I-2681.
( 2 ) Arresten van 22 maart 1977, zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595, r. o. 9, en 21 november 1991, zaak C-354/90, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires en Syndicat national des négociants et transformateurs de saumon („FNCE”), Jurispr. 1991, blz. I-5505, r. o. 14.
( 3 ) Arrest van 11 december 1973, zaak 120/73, Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1471, r. o. 4 en 5.
( 4 ) Arrest van 19 juni 1973, zaak 77/72, Jurispr. 1973, blz. 611, r. o. 6.
( 5 ) Reeds aangehaald in voetnoot, r. o. 12.
( 6 ) Reeds aangehaald in voetnoot 2, r, o. 14.
( 7 ) Arrest van 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Jurispr. 1993, blz. I-393.
( 8 ) Arrest van 20 oktober 1993, zaak C-10/92, Jurispr. 1993, blz. I-5105, r. o. 16 en 17. Zie ook arrest van 14 januari 1982, zaak 65/81, Reina, Jurispr. 1982, blz. 33, r. o. 7 en 8.
( 9 ) Zie bij voorbeeld arrest van 3 maart 1994, zaak C-316/93, Vaneetveld, Jurispr. 1994, blz. I-763, inzonderheid r. o. 14.
( 10 ) Reeds aangehaald in voetnoot 7.
( 11 ) Beschikking van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Jurispr. 1993, blz. I-1085.
( 12 ) Beschikking van 26 april 1993, zaak C-386/92, Jurispr. 1993, blz. I-2049.
( 13 ) Beschikking van 9 augustus 1994, zaak C-378/93, Jurispr. 1994, blz. I-3999.
( 14 ) Beschikking van 23 maart 1995, zaak C-458/93, Jurispr. 1995, blz. I-511.
( 15 ) Beschikking Saddik, reeds aangehaald in voetnoot, r. o. 12 en 13.
( 16 ) Zie arrest van 10 maart 1981, gevoegde zaken 36/80 en 71/80, Irish Creamery Milk Suppliers Association, Jurispr. 1981, blz. 735, r. o. 6-8.
( 17 ) Zie arrest Steinike & Weinlig, reeds aangehaald in voetnoot, r. o. 14. Zie ook arrest van 30 november 1993, zaak C-189/91, Kirsammcr-Hack, Jurispr. 1993, blz. I-6185, r. o. 14.
( 18 ) Zie arrest Lorenz, reeds aangehaald in voetnoot 3, r. o. 8. Zie ook arrest FNCE, reeds aangehaald in voetnoot 2, inzonderheid r. o. 10 en 11.
( 19 ) Zie artikel 9, lid 1, van verordening nr, 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204).
( 20 ) Arrest van 30 januari 1974, zaak 127/73, BRT, Jurispr. 1974, blz. 51.
( 21 ) Arrest van 28 februari 1991, zaak C-234/89, Jurispr. 1991, blz. I-935, r. o. 43-55.
( 22 ) Reeds aangehaald ín voetnoot 19.
( 23 ) Zìe ook de conclusie van advocaat-generaal Lenz bij het arrest van 9 augustus 1994, zaak C-44/93, Namur-Les Assurances du crédit, Jurispr. 1994, blz. I-3829, punten 103 en 104.
( 24 ) Bekendmaking (95/C 312/07) van de Commissie betreffende samenwerking tussen nationale rechterlijke instanties en de Commissie op het gebied van steunmaatregelen van de staten (PB 1995, C 312, blz. 8).
( 25 ) Reeds aangehaald in voetnoot 3.
( 26 ) Arrest van 2 ¡uit 1974, zaak 173/73, Italic/Commissic, Jurispr. 1974, blz. 709, r. o. 26.
( 27 ) Arrest van 23 februari 1961, zaak 30/59, Jurispr. 1961, blz. 1, op blz. 40.
( 28 ) Zie bij voorbeeld arrest van 15 maart 1994, zaak C-387/92, Banco Exterior tic España, Jurispr. 1994, blz. I-877, r. o. 13.
( 29 ) Arrest van 2 februari 1988, gevoegde zaken 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. 1988, blz. 219.
( 30 ) Zie r. o. 28 van hel arrest.
( 31 ) Zie r. o. 30 van het arrest.
( 32 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn bij het arrest van 20 maart 1984, zaak 84/82, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 1451, op blz. 1501, de conclusie van advocaat-generaal Lenz bij het arrest van 10 juli 1986, zaak 234/84, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2263, op blz. 2269, en mijn conclusie bij het arrest van 14 september 1994, gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje/Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-4103, punt 28.
( 33 ) Reeds aangehaald in voetnoot 32.
( 34 ) Arrest van 21 maart 1991, zaak C-305/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1603, r. o. 20.
( 35 ) Arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Jurispr. 1980, blz. 2671, r.o.11.
( 36 ) Reeds aangehaald ín voetnoot 2.
( 37 ) Arrest van 14 februari 1990, zaak C-301/87, Jurispr. 1990, blz. I-307, r. o. 22.
( 38 ) Arrest van 19 juni 1990, zaak C-213/89, Factortame e. a., Jurispr. 1990, blz. I-2433.
( 39 ) Reeds aangehaald in vocmoot2, r. o. 12.
( 40 ) Reeds aangehaald in voetnoot 37.
( 41 ) Arrest van 21 maan 1990, zaak C-142/87, Jurispr. 1990, biz. I-959.
( 42 ) Arrest FNCE, reeds aangehaald in voetnoot 2, r. o. 13.
( 43 ) Ibidem, r. o. 16.
( 44 ) Arrest van 24 november 1987, zaak 223/85, Jurispr. 1987, blz. 4617.
( 45 ) Arrest van 20 september 1990, zaak C-5/89, Jurispr. 1990, blz. I-3437, r. o. 14.
( 46 ) Ibidem, r. o. 16.
( 47 ) Zie arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald in voetnoot 45.
( 48 ) Reeds aangehaald in voetnoot 45,
( 49 ) Arrest van 2 februari 1989, zaak 94/87, Commissie/ Duitsland, Jurispr. 1989, blz. 175, punten 14-18 van de conclusie.
( 50 ) Reeds aangehaald in voetnoot 45, r. o, 17.
Full & Egal Universal Law Academy