CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 10 mei 1995 ( *1 )
I — De feiten
1.
In de onderhavige zaak heeft het Sø- og Handelsret i København krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (hierna: „richtlijn”). ( 1 )
2.
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen verzoeker in het hoofdgeding, Rygaard, en zijn werkgever, de vennootschap Strø Mølle Akustik A/S (hierna: „Strø Mølle”), verweerster in het hoofdgeding.
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat Rygaard werknemer was van de Tømrerfirma Svend Pedersen A/S (hierna: „Pedersen”). Pedersen had een opdracht aanvaard om voor rekening van SAS Service Partner A/S (hierna: „SAS”) timmerwerk uit te voeren.
Bij brief van 27 januari 1992 deelde Pedersen de opdrachtgever, SAS, mee, dat zij een deel van de opdracht, namelijk de zoldering en het fijne timmerwerk, wilde laten afwerken door Strø Mølle.
Op 29 januari 1992 diende Strø Mølle op verzoek van SAS een offerte voor de uitvoering van het werk in. Op 30 januari 1992 sloten Pedersen en Strø Mølle een overeenkomst over de voorwaarden waaronder Strø Mølle het betrokken werk overnam.
Volgens de overeenkomst betaalde Strø Mølle aan Pedersen de door deze betreffende het overgedragen werk gedane uitgaven, daaronder begrepen de salarissen, terug. Voorts nam Strø Mølle twee leerlingen over voor de periode van 1 februari tot 1 mei 1992.
3.
Op 31 januari 1992, een dag na de ondertekening van de overeenkomst tussen Pedersen en Strø Mølle, zegde Pedersen verzoekers arbeidsovereenkomst op, op grond dat was besloten de vennootschap in vereffening te stellen en een gedeelte van het te Kastrup in uitvoering zijnde timmerwerk aan Strø Mølle over te dragen. In de ontslagbrief was vermeld, dat verzoeker per 30 april 1992 ontslagen werd en dat hij tot die datum voor Strø Mølle zou werken.
Op 10 februari 1992 aanvaardde SAS de offerte van Strø Mølle, die dus de afwerking van de zolderingen en het fijne timmerwerk overnam. Verzoeker bleef daadwerkelijk voor Strø Mølle werken, en op 26 mei 1992 ontving hij een nieuwe ontslagbrief, waarbij hij per 30 juni 1992 werd ontslagen. Daarop stelde Rygaard een beroep in tegen Strø Mølle; teneinde de zaak te kunnen beslechten, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk, het Hof twee prejudiciële vragen te stellen.
II — De prejudiciële vragen
4.
Het Sø- og Handelsret i København vraagt het Hof bij beschikking van 2 februari 1994 ( 2 ), of de richtlijn van toepassing is, wanneer aannemer B op grond van een overeenkomst met aannemer A een deel van een door deze laatste begonnen opdracht voorzet, en
1)
tussen aannemer A en aannemer B is overeengekomen dat een aantal werknemers van aannemer A verder zullen werken voor aannemer B en dat aannemer B het op de bouwplaats aanwezige materiaal overneemt om de opdracht te voltooien, en
2)
aannemer A en aannemer B na de overname een tijdlang samen op de bouwplaats werken.
Voorts vraagt de verwijzende rechter, of het enig verschil uitmaakt, dat de overeenkomst over de afwerking is gesloten tussen de opdrachtgever en aannemer B met goedkeuring van aannemer A.
5.
Eens te meer gaat het in deze vragen in wezen om de werkingssfeer van de richtlijn, zoals die in artikel 1, lid 1, ervan is omschreven.
Meer in het bijzonder betreft de onderhavige zaak de vraag, of de overdracht aan aannemer B van slechts een gedeelte van de afwerking van een door aannemer A begonnen opdracht, terwijl laatstgenoemde zelfs na die overdracht samen met aannemer B op dezelfde bouwplaats blijft werken, als een overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan in de zin van voormelde bepaling is aan te merken.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter voorts te vernemen, of de richtlijn van toepassing is, wanneer de overdracht van het betrokken gedeelte van de opdracht voortvloeit uit een met goedkeuring van aannemer A gesloten overeenkomst tussen aannemer B en de opdrachtgever.
III — Het toepasselijke gemeenschapsrecht en de rechtspraak
6.
Artikel 1, lid 1, van de richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht of krachtens overeenkomst, of een fusie.”
De werkingssfeer van de richtlijn, zoals die in voormelde bepaling is omschreven, heeft aanleiding gegeven tot een omvangrijke communautaire rechtspraak.
7.
Volgens die rechtspraak valt de overgang van ondernemingen die aan de volgende voorwaarden voldoet, binnen de werkingssfeer van de richtlijn:
—
Wil de richtlijn toepassing vinden, moet er in de eerste plaats een wijziging plaatsvinden in de persoon die de onderneming exploiteert. Volgens het Hof „is de richtlijn van toepassing in alle gevallen waarin in het kader van de contractuele betrekkingen een wijziging plaatsvindt in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming exploiteert, en die uit dien hoofde verplichtingen heeft tegenover de werknemers die in die onderneming zijn aangesteld, waarbij niet van belang is of de eigendom van de onderneming wordt overgedragen”. ( 3 )
—
In de tweede plaats moet de overgedragen economische eenheid blijven bestaan en moet haar identiteit bewaard blijven. ( 4 ) Het Hof is van oordeel, dat de onderneming haar identiteit bewaart, wanneer de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke activiteiten. ( 5 )
—
In de derde plaats vindt de richtlijn slechts toepassing, indien de wijziging in de persoon die de onderneming exploiteert, een contractuele oorzaak heeft, dat wil zeggen het gevolg is van een overdracht krachtens overeenkomst of fusie. Overgangen die voortvloeien uit de wet of uit eenzijdige rechtshandelingen, zijn dus uitgesloten.
—
In de vierde plaats moet de overgang betrekking hebben op een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan. Men kan dus niet reeds spreken van een overgang in de zin van de richtlijn, wanneer enkel de activa van een onderneming zijn vervreemd. ( 6 )
8.
Om na te gaan, of aan die voorwaarden voldaan is, moet volgens het Hof „rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van de materiële activa zoals gebouwen en roerende goederen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen, en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten”, met dien verstande, dat „al deze factoren (...) evenwel slechts deelaspecten van het te verrichten globale onderzoek [zijn] en (..) daarom niet elk afzonderlijk [mogen] worden beoordeeld”. ( 7 )
IV — Het antwoord op de prejudiciële vragen
9.
Vooraf zij erop gewezen, dat de beoordeling van de feiten, die noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er al dan niet sprake is van een overgang van een onderneming in bovenbedoelde zin, tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort, die daarbij rekening behoeft te houden met de uitleggingsgegevens die uit de desbetreffende rechtspraak van het Hof volgen en die ik hierboven heb besproken. ( 8 )
Het definitieve antwoord op de vraag, of er in casu gelet op de hierboven uiteengezette feiten sprake is van een overgang van een onderneming, behoort dus tot de bevoegdheid van de nationale rechter, die in staat is om met inachtneming van voormelde gegevens de feiten van de zaak te beoordelen.
Met het oog op de beantwoording van de voorgelegde vragen lijkt het evenwel nuttig, de feiten te bezien.
10.
Met betrekking tot de vraag, of aan de hierboven beschreven voorwaarden voldaan is, kan men uit de feiten de volgende gegevens afleiden:
—
In casu heeft er daadwerkelijk een wijziging plaatsgevonden in de persoon die de onderneming exploiteert, en dus in de werkgever, daar de voltooiing van de betrokken werken aan een nieuwe ondernemer is opgedragen.
—
Voorts is de activiteit van de nieuwe ondernemer dezelfde als die van zijn voorganger, daar hij de werken voortzet die de oorspronkelijke ondernemer in het kader van dezelfde opdracht was begonnen.
—
Zoals ik hierna zal uiteenzetten, gaat het om een overdracht krachtens overeenkomst: zij vloeit voort uit een overeenkomst tussen de nieuwe ondernemer en, enerzijds, zijn voorganger, en, anderzijds, de opdrachtgever.
—
Daarentegen kan men zich afvragen, of de overgang daadwerkelijk betrekking heeft op „een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan” in de zin van artikel 1, lid 1, van de richtlijn.
11.
Vaststaat, dat het in casu niet om de overdracht van een onderneming of een onderdeel daarvan gaat, en zelfs niet om de overdracht van een concrete, duurzame bedrijfsactiviteit. Zowel verweerster in de procedure in het hoofdgeding als de Commissie hebben er in hun opmerkingen op gewezen, dat de in het onderhavige geval overgedragen activiteit bestaat in de voltooiing van specifieke, in de tijd beperkte werken, dit in het kader van de uitvoering van een welbepaalde opdracht. Bijgevolg rijst de vraag, of men van een dergelijk situatie kan zeggen, dat zij onder het in de richtlijn bedoelde begrip „onderneming, vestiging of onderdeel daarvan” valt.
12.
De letter van de richtlijn staat niet in de weg aan een ruime uitlegging van dit begrip. Integendeel, uit de rechtspraak van het Hof, dat artikel 1, lid 1, van de richtlijn vrij soepel uitlegt, blijkt dat aan dit begrip een zeer ruime betekenis moet worden gegeven.
Meer in het bijzonder blijkt uit de rechtspraak, dat het Hof in het kader van die ruime uitlegging overwoog, dat de begrippen „onderneming, vestiging of onderdeel daarvan” zijn gebaseerd op het begrip „economische eenheid”, dat moet worden verstaan als een vanuit bedrijfsorganisatorisch oogpunt gezien autonoom geheel van personen en goederen dat voor een concrete economische activiteit wordt ingezet; deze activiteit kan zowel door een onderneming als slechts door een onderdeel daarvan worden uitgeoefend. Naar deze opvatting wordt duidelijk verwezen in het arrest Spijkers, waarin het Hof overwoog, dat de richtlijn ten doel heeft, de continuïteit van de „in het kader van een bedrijf bestaande” arbeidsverhoudingen te waarborgen, en dat men niet reeds van overgang van een onderneming of een onderdeel daarvan kan spreken, wanneer enkel de activa ervan zijn vervreemd, maar dat moet worden onderzocht, of het gaat om „de vervreemding van een lopend bedrijf”. ( 9 ) In haar recentelijk bij de Raad ingediend voorstel voor een richtlijn tot wijziging van richtlijn 77/187 heeft de Commissie die rechtspraak overigens gevolgd. ( 10 )
13.
Op basis van die redenering is in de rechtspraak erkend, dat activiteiten van bijzondere aard die onafhankelijke werkzaamheden zijn, met vestigingen of onderdelen daarvan in de zin van de richtlijn kunnen worden gelijkgesteld.
Zo oordeelde het Hof, dat de richtlijn toepassing kan vinden wanneer een onderneming slechts een gedeelte van haar activiteiten overdraagt, meer bepaald alleen haar bijkomstige activiteiten. ( 11 )
Zelfs bijkomstige activiteiten die geen verband houden met het doel van de onderneming kunnen binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. In het arrest Watson Rask en Christensen oordeelde het Hof, dat „wanneer een ondernemer (...) bij overeenkomst de exploitatie van een dienst van zijn onderneming, bij voorbeeld een bedrijfsrestaurant, overdraagt aan een andere ondernemer, die daardoor de werkgeversverplichtingen jegens de daarin tewerkgestelde werknemers op zich neemt, (...) de daaruit voortvloeiende transactie onder de werkingssfeer van de richtlijn, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, [kan] komen te vallen. De omstandigheid dat in een dergelijk geval de overgedragen activiteit voor de overdragende onderneming slechts een bijkomstige activiteit is, die niet noodzakelijk verband houdt met het doel van de onderneming, kan niet tot gevolg hebben, dat die transactie van de werkingssfeer van de richtlijn wordt uitgesloten.” ( 12 )
Recentelijk bevestigde het Hof deze rechtspraak, waar het oordeelde, dat „wanneer (...) een ondernemer de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van een dienst van zijn onderneming, zoals het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden, bij overeenkomst overdraagt aan een andere ondernemer, die daardoor de verplichtingen van werkgever jegens de daar tewerkgestelde werknemers overneemt, (...) die overdracht onder de werkingssfeer van de richtlijn [kan] vallen”. ( 13 )
14.
Deze zeer ruime uitlegging is gerechtvaardigd uit hoofde van, en gebaseerd op de sociale doelstellingen van de richtlijn.
Ik wil er hier aan herinneren, dat de richtlijn deel uitmaakt van het sociaal actieprogramma van de Gemeenschap. ( 14 )
Volgens de tweede overweging van haar considerans heeft zij ten doel „de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen”; zij strekt er dan ook toe, de onderlinge aanpassing van de desbetreffende wetgevingen te bevorderen op de weg van de vooruitgang in de zin van artikel 117 EG-Verdrag, dat de verbetering van de levensstandaard en van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers beoogt (vijfde overweging van de considerans).
15.
Het gaat dus om bepalingen met een zeer uitgesproken sociaal doel, wat het Hof overigens heeft beklemtoond. Het Hof oordeelde namelijk, dat „de richtlijn beoogt te verzekeren, dat de werknemers bij verandering van ondernemer hun rechten zoveel mogelijk behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven”. ( 15 )
De richtlijn beoogt dus in het belang van de werknemers de bestaande arbeidsverhoudingen te vrijwaren, wanneer er ingevolge een overeenkomst een wijziging plaatsvindt in de persoon die de onderneming exploiteert en die jegens de werknemers van die onderneming werkgeversverplichtingen heeft.
Zij moeten dus in overeenstemming met het doel van de richtlijn worden uitgelegd; in voormeld arrest Redmond Stichting (r. o. 11) heeft het Hof dit uitleggingsbeginsel overigens uitdrukkelijk bevestigd.
16.
Deze uitleggingsregel als criterium nemend en gezien de eerdere rechtspraak van het Hof, ben ik van mening, dat om te bepalen welke situaties onder het begrip „onderneming, vestiging of onderdelen daarvan” vallen en, meer in het algemeen, om te bepalen of de richtlijn van toepassing is, in de eerste plaats moet worden nagegaan, of er sprake is van een overgang van een bedrijfstak waarin de verhouding tussen de werknemers en de overdragende onderneming organisatorisch een concrete vorm heeft aangenomen. Zoals het Hof in de zaak Botzen e. a. ( 16 ) heeft geoordeeld, wordt de arbeidsverhouding in hoofdzaak gekenmerkt door de band tussen de werknemer en het onderdeel van de onderneming, waar hij voor de uitoefening van zijn taak tewerk is gesteld.
Voor het antwoord op die vraag is van belang, dat de bedrijfstak organisatorisch een zekere autonomie heeft, in die zin dat een of meer werknemers en in voorkomend geval materialen moeten zijn ingezet, uiteraard met dien verstande dat laatstgenoemde factor in deze geen beslissend criterium is. ( 17 ) In een dergelijk geval gaat de overgang van die tak gepaard met de overgang van de daarin tewerkgestelde werknemers, of heeft alleszins gevolgen voor dezen.
Wordt dit criterium toegepast, dan moet worden aangenomen dat de overgang, zelfs van een concreet en in de tijd beperkt werk, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, en dus dat de werknemers wier arbeidsverhouding organisatorisch gezien aan de uitvoering van dat werk verbonden is, de door de richtlijn geboden bescherming genieten. Het Hof heeft geoordeeld, dat die bescherming alle werknemers betreft en dus ook moet worden verzekerd wanneer slechts één werknemer door de overdracht wordt getroffen. ( 18 )
Wordt dit criterium daarentegen niet toegepast, gaat het om een overgang van een tak zonder organisatorische autonomie in bovenbedoelde zin, zodat alsdan de richtlijn niet van toepassing is.
Uit het feit dat in casu niet alleen het betrokken werk, maar ook materialen en twee leerlingen aan de nieuwe ondernemer zijn overgedragen, en uit de omstandigheid dat de werkgever de opzegging van de arbeidsovereenkomst van verzoeker in het hoofdgeding rechtstreeks heeft verbonden aan de overdracht van het betrokken werk, zou op het eerste gezicht kunnen worden afgeleid, dat organisatorisch gezien de arbeidsverhouding van de betrokken werknemers in het kader van het overgedragen werk een concrete vorm had aangenomen, dit alles uiteraard onder het hierboven gemaakte voorbehoud, dat de nationale rechter bevoegd is voor de beoordeling van de feiten en het eindvonnis.
17.
In de prejudiciële vraag wordt voorts nog gewag gemaakt van het feit, dat aannemer A en aannemer B (verweerder in het hoofdgeding) na de overdracht nog een tijdlang samen op dezelfde bouwplaats hebben gewerkt.
Ik denk niet, dat dit een belemmering voor de toepassing van de richtlijn vormt, daar de overdrager van het betrokken werk zich naderhand niet meer met dat werk heeft beziggehouden. Hij heeft immers andere, eventueel parallelle, doch niet identieke werken op de bouwplaats uitgevoerd. De nieuwe ondernemer werkt autonoom en zelfstandig ten opzichte van zijn voorganger en draagt zelf de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werken.
18.
Voorts vraagt de verwijzende rechter, of de richtlijn van toepassing is, wanneer de overeenkomst over de voltooiing van het overgedragen werk is gesloten tussen de opdrachtgever en de nieuwe aannemer met goedkeuring van diens voorganger.
Deze vraag vormt voor mij een aanleiding om in te gaan op de betekenis van de uitdrukking „overdracht krachtens overeenkomst” in artikel 1, lid 1, van de richtlijn.
Teneinde te kunnen vaststellen of het in een concreet geval om een „overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie” gaat, onderzoekt het Hof steeds welk einddoel met de concrete contractuele transactie wordt beoogd. Uit de rechtspraak blijkt, dat het Hof ook hier vorenbedoelde teleologische uitleggingsmethode toepast.
19.
Deze methode toepassend, heeft het Hof de uitdrukking „overdracht krachtens overeenkomst” steeds ruim uitgelegd. Zo verlangt het Hof niet, dat er een overeenkomst tot overdracht tussen de overdrager en de laatste rechthebbende bestaat; het volstaat dat de overgang in het kader van een contractuele transactie plaatsvindt.
In het arrest Berg en Busschers ( 19 ) oordeelde het Hof, dat er sprake is van overdracht krachtens overeenkomst, wanneer een onderneming die in het kader van een huurkoopovereenkomst was overgedragen, na de ontbinding van die overeenkomst wordt teruggegeven aan haar vroegere hoofd, waarbij„niet van belang [is], of die ontbinding het gevolg is van een overeenkomst tussen de contractpartijen, van een eenzijdige verklaring van een hunner, dan wel van een rechterlijke beslissing. In al deze gevallen vindt de overgang van de onderneming immers plaats in het kader van contractuele betrekkingen.”
In dezelfde lijn oordeelde het Hof in het arrest Bork International e. a., dat „wanneer de huurderondernemer na afloop van de huurovereenkomst zijn hoedanigheid van ondernemer verliest en een derde deze op grond van een met de eigenaar gesloten verkoopovereenkomst verkrijgt, deze transactie binnen de werkingssfeer van de richtlijn kan vallen, als omschreven in artikel 1, lid 1, daarvan. Dat in een dergelijk geval de overgang in twee fasen geschiedt in die zin, dat de onderneming eerst door de huurder weer aan de eigenaar wordt overgedragen, die ze op zijn beurt aan de nieuwe eigenaar overdraagt, sluit de toepasselijkheid van de richtlijn niet uit, voor zover de betrokken onderneming haar identiteit behoudt (...)” ( 20 )
Voorts oordeelde het Hof, dat de situatie waarin de eigenaar de exploitatie van een verpachte onderneming na opzegging van de pachtovereenkomst weer in eigen hand neemt ( 21 ), en die waarin na de opzegging van een overeenkomst waarbij de exploitatie van een restaurant is overgedragen, de exploitatie van dat restaurant bij een nieuwe overeenkomst aan een nieuwe ondernemer wordt overgedragen ( 22 ), binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
20.
Gezien deze rechtspraak valt mijns inziens de in de tweede prejudiciële vraag beschreven situatie, waarin bepaalde, voor de voltooiing van het werk noodzakelijke werkzaamheden door de opdrachtgever met instemming van de oorspronkelijke ondernemer aan een nieuwe ondernemer worden overgedragen, onder het begrip „overdracht krachtens overeenkomst”, en dus binnen de werkingssfeer van de richtlijn.
V — Conclusie
21.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
„1)
De aan de verwijzende rechter voorgelegde situatie, namelijk die waarin de opdrachtgever voor de uitvoering van het werk noodzakelijke concrete, specifieke en in de tijd beperkte werkzaamheden die door de oorspronkelijke aannemer zijn begonnen, met instemming van laatstgenoemde aan een nieuwe ondernemer overdraagt, kan binnen de werkingssfeer van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan vallen. De omstandigheid dat de oorspronkelijke ondernemer samen met de nieuwe ondernemer op de bouwplaats blijft werken teneinde andere voor de uitvoering van het werk noodzakelijke taken af te werken, sluit toepassing van die richtlijn niet uit. Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde uitleggingscriteria, te beoordelen of de richtlijn op het voor hem aanhangige geval van toepassing is. De nationale rechter dient onder meer na te gaan, of de in het concrete geval overgedragen tak organisatorisch gezien autonoom is, in die zin dat zij het inzetten van werknemers en in voorkomend geval van materialen vergt.
2)
Het staat aan de nationale rechter om uit te maken, of het bij de overgang van een eenheid of een tak om een overdracht krachtens overeenkomst gaat. Een overdracht krachtens overeenkomst in de zin van de richtlijn vergt niet noodzakelijkerwijs een overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer. Het volstaat, dat de overdracht in het kader van contractuele relaties plaatsvindt, zoals in casu het geval is, nu met instemming van de oorspronkelijke ondernemer een overeenkomst betreffende de overdracht van concrete werkzaamheden is gesloten tussen de opdrachtgever en een nieuwe ondernemer.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) PD 1977, L 61, blz.26.
( 2 ) PB 1994, C 90, blz. 9.
( 3 ) Zie arrest van 14 april 1994 (zaak C-392/92, Schmidt, Jurispr. 1994, blz. I-1311, r. o. 12). Zie ook arresten van 12 november 1992 (zaak C-209/91, Watson Rask en Christensen, Jurispr. 1992, blz. I-5755, r. o. 15) en 17 december 1987 (zaak 287/86, Ny Molle Kro, Jurispr. 1987, blz. 5465).
( 4 ) Zie arresten van 18 maart 1986 (zaak 24/85, Spijkers, Jurispr. 1986, blz. 1119) en 19 mei 1992 (zaak C-29/91, Redmond Stichting, Jurispr. 1992, blz. I-3189), alsmede de reeds aangehaalde arresten Ny Molle Kro en Schmidt.
( 5 ) Zie de reeds aangehaalde arresten Spijkers (r. o. 11), Redmond Stichting (r. o. 23) en Schmidt (r. o. 17).
( 6 ) Zie het arrest Spijkers, reeds aangehaald (r. o. 12).
( 7 ) Zie de reeds aangehaalde arresten Spijkers (r. o. 13) en Redmond Stichting (r. o. 24),
( 8 ) Zie het arrest Spijkers, reeds aangehaald (r. o. 14).
( 9 ) Zie voormeld arrest Spijkers (r. o. 11 en 12).
( 10 ) PB 1994, C 274, blz. 10. Opgemerkt zij, dat artikel 1, lid 1, tweede alinea, van dit voorstel luidt als volgt: „Wordt als overgang in de zin van deze richtlijn beschouwd de overgang van een functie die gepaard gaat met de overgang van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. De enkele overgang van een functie van een onderneming, vestiging of onderdeel ervan, al dan niet rechtstreeks uitgeoefend, vormt op zich geen overgang in de zin van de richtlijn.”
( 11 ) Zie het arrest Redmond Stichting, reeds aangehaald (r. o. 30 en 31).
( 12 ) Arrest Watson Rask en Christensen, reeds aangehaald (r. o. 17).
( 13 ) Arrest Schmidt, reeds aangehaald (r. o. 14).
( 14 ) De richtlijn werd aangekondigd in de resolutie van de Raad van 21 januari 1974 betreffende een sociaal actieprogramma (PB 1974, C 13, biz. 1).
( 15 ) Zie voormeld arrest Ny Molle Kro (r. o. 12). Zie ook arresten van 10 februari 1988 (zaak 324/86, Daddy's Dance Hall, Jurispr. 1988, biz. 739, r. o. 9), 5 mci 1988 (gevoegde zaken 144/87 en 145/87, Berg en Busseners, Jurispr. 1988, biz. 2559, r. o. 12), 15 juni 1988 (zaak 101/87, Bork International c. a., Jurispr. 1988, blz. 3057, r. o. 13) en 25 juli 1991 (zaak C-362/89, D'Urso c. a., Jurispr. 1991, blz. I-4105, r. o. 9), alsmede het reeds aangehaalde arrest Schmidt (r. o. 15).
( 16 ) Arrest van 7 februari 1985 (zaak 186/83, Jurispr. 1985, blz. 519, r. o. 15). Zie ook het reeds aangehaalde arrest Schmidt (r. o. 13).
( 17 ) Opgemerkt zij dat, gelijk het Hof in voormeld arrest Schmidt (r. o. 16) heeft beklemtoond, dat „de omstandigheid dat de overdracht van activa in de rechtspraak van het Hof wordt genoemd als één van de criteria waarmee de nationale recnter, in het kader van het globale onderzoek van een ingewikkelde operatie, rekening moet houden om te beoordelen of een onderneming daadwerkelijk is overgedragen, (...) niet tot de conclusie [mag] leiden, dat er zonder overdracht van activa geen overdracht is. Het doel van de richtlijn — dit blijkt reeds uit haar intitulé — is het behoud van de rechten van de werknemers en dit kan niet afhankelijk zijn van het in aanmerking nemen van één enkele factor, die het Hof overigens op zich niet doorslaggevend heeft geacht (zie arrest van 18 maart 1986, zaak 24/85, Spijkers, Jurispr. 1986, blz. 1119, r. o. 12).”
( 18 ) Zie het arrest Schmidt, reeds aangehaald (r. o. 15).
( 19 ) Reeds aangehaald (r. o. 19).
( 20 ) Reeds aangehaald (r. o. 14).
( 21 ) Arrest Ny Mølle Kro, reeds aangehaald.
( 22 ) Arrest Daddy's Dance Hall, reeds aangehaald.
Full & Egal Universal Law Academy