CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 29 juni 1995 ( *1 )
1.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 februari 1994, heeft Ierland krachtens artikel 173 EG-Verdrag het Hof verzocht om nietigverklaring van beschikking 93/659/EG van de Commissie van 25 november 1993 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1990 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven. ( 1 ) Ierland heeft dit beroep tot nietigverklaring ingesteld, omdat de Commissie in deze beschikking weigerde een bedrag van 6343429 IRL te erkennen, dat was betaald uit hoofde van restituties bij uitvoer van rundvlees.
Alvorens in te gaan op de door Ierland aangevoerde middelen tot staving van de nietigverklaring van beschikking 93/659, moeten de ter zake toepasselijke wettelijke bepalingen en de feiten worden uiteengezet,
Toepasselijke wettelijke bepalingen
2.
Ter wille van de duidelijkheid en de administratieve doelmatigheid werden bij verordening (EEG) nr. 3665/87 ( 2 ) de bestaande bepalingen op het gebied van restituties bij uitvoer gecodificeerd en werd voor de uitvoerrestituties in een groot aantal gemeenschappelijke marktordeningen, waaronder die van rundvlees, een gemeenschappelijke wettelijke regeling vastgesteld.
Deze restituties worden betaald in gevallen van rechtstreekse uitvoer van het produkt of zodra het produkt onder douanecontrole wordt geplaatst voor verwerking of opslag, voordat het het douanegebied van de Gemeenschap verlaat. In beide gevallen kan de restitutie vóór of na de uitvoer worden betaald. De vooruitbetaling van de restituties wordt geregeld in de artikelen 24 tot en met 33 van verordening nr. 3665/87, waarin de bepalingen van verordening (EEG) nr. 565/80 ( 3 ) nader worden uitgewerkt. Volgens de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 565/80 is vooruitbetaling van de restitutie mogelijk, zodra de basisprodukten onder douanecontrole zijn geplaatst, zodat wordt gewaarborgd dat de verwerkte produkten binnen een bepaalde termijn worden uitgevoerd, en ook zodra de exporteur de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones brengt met het oog op uitvoer binnen een bepaalde termijn.
3.
De gemeenschappelijke marktordening in de sector rundvlees voorziet in steun aan de particuliere opslag van rundvlees. Ingevolge artikel 2, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1091/80 ( 4 ), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2629/80 ( 5 ), kunnen dezelfde produkten niet tegelijkertijd in aanmerking komen voor steun aan de particuliere opslag en vooruitbetaling van de uitvoerrestitutie. Bij artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2675/88 ( 6 ) werd echter van dit verbod afgeweken voor het verkoopseizoen 1989, waar het bepaalde dat rundvlees dat onder een contract voor particuliere opslag is ingeslagen, ook onder het stelsel van douaneentrepôts of van vrije zones met vooruitbetaling kon worden gebracht als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 565/80. Een zelfde afwijking gold krachtens verordening (EEG) nr. 2965/89 ( 7 ) voor het verkoopseizoen 1990.
4.
De bij vooruitbetaling van de uitvoerrestituties toepasselijke administratieve procedure wordt uitgewerkt in de artikelen 24 tot en met 33 van verordening nr. 3665/87. Om te beginnen moet de exporteur bij de douaneautoriteiten van een Lid-Staat een verklaring indienen, „betalingsaangifte” genoemd, die alle gegevens moet bevatten die nodig zijn voor de bepaling van de restitutie. Het vooruit te betalen bedrag wordt betaald door de Lid-Staat waarin de betalingsaangifte wordt aanvaard.
5.
De produkten worden onder douanecontrole geplaatst vanaf de datum van aanvaarding van de betalingsaangifte, die dient ter bepaling van de restitutievoet en de eventuele aanpassingen. Vanaf dat tijdstip heeft de exporteur een maximumtermijn van zes maanden om de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap uit te voeren. Voor rundvlees is deze termijn evenwel bij verordening nr. 2675/88 op negen maanden gesteld voor het verkoopseizoen 1989 en bij verordening nr. 2965/89 op zeven maanden voor het verkoopseizoen 1990.
6.
Om de naleving van deze maximumtermijnen te verzekeren, moet ingevolge artikel 30 van verordening nr. 3665/87 vóór het verstrijken van deze termijn een aangifte ten uitvoer worden ingediend. Volgens artikel 3, lid 2, is de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, waarmee elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft wordt gelijkgesteld, definitief bepalend voor de restitutievoet en in voorkomend geval de eventuele aanpassingen. Wat de vorm betreft, de aangifte ten uitvoer wordt op grond van artikel 3, lid 5, van deze verordening opgesteld op een document, „uitvoerverklaring” genoemd, met de vermelding „restitutiecode”, of op een ander document dat in elk geval alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie moet bevatten.
De aanvaarding van de aangifte ten uitvoer betekent, dat de goederen het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones moeten verlaten en onder douanecontrole worden geplaatst met het oog op uitvoer. Volgens artikel 32 van verordening nr. 3665/87 moeten de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnen 60 dagen verlaten.
7.
De restitutie mag slechts definitief worden uitbetaald, als duidelijk het bewijs is geleverd dat de goederen zijn uitgevoerd. Indien dit bewijs niet wordt overgelegd, dient de exporteur de voorgeschoten restitutie terug te betalen, en indien de opslagtermijnen voor het stelsel van entrepots of van vrije zones dan wel de termijn van 60 dagen waarbinnen de uitvoer moet geschieden, worden overschreden, wordt het restitutiebedrag met 15 % verlaagd, waarbij ook nog een vermindering komt evenredig aan de geaccumuleerde termijnoverschrijding.
8.
Ten slotte bepaalt artikel 2 van verordening (EEG) nr. 729/70 ( 8 ), dat de afdeling Garantie van het EOGFL enkel de restituties bij uitvoer naar derde landen financiert, welke volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten worden verleend. A contrario kan daaruit worden opgemaakt, dat de in strijd met de communautaire regeling verleende uitvoerrestituties niet door de afdeling Garantie van het EOGFL worden gefinancierd.
Feiten
9.
In de begrotingsjaren 1989 en 1990 van het EOGFL heeft Ierland uitvoerrestituties vooruitbetaald voor rundvlees, dat onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones was geplaatst overeenkomstig de relevante bepalingen van verordening nr. 565/80, zoals nader uitgewerkt bij verordening nr. 3665/87. Voor dit vlees werd steun voor de particuliere opslag toegekend zowel krachtens verordening nr. 2675/88, die gold voor het verkoopseizoen 1989, als krachtens verordening nr. 2965/89, die van toepassing was voor het verkoopseizoen 1990.
10.
In het kader van de procedure van goedkeuring van de EOGFL-rekeningen in 1989 was de Commissie van de Europese Gemeenschappen van mening, dat de door Ierland gebruikte documenten op grond waarvan het rundvlees het stelsel van douane-entrepots met vooruitbetaling van de uitvoerrestituties mocht verlaten, niet voldeden aan de in verordening nr. 3665/87 gestelde voorwaarden. Daar een uitgebreider onderzoek nodig was om de financiële gevolgen van deze niet-naleving vast te stellen, werd de goedkeuring van deze uitgaven uitgesteld. ( 9 )
In het syntheseverslag voor het begrotingsjaar 1990 ( 10 ) stelde de Commissie vast, dat Ierland in 1989 en 1990 een met verordening nr. 3665/87 strijdige procedure had gevolgd. In de eerste plaats was de maximumopslagtermijn (negen maanden in 1989 en zeven maanden in 1990) voor een grote hoeveelheid rundvlees overschreden. In de tweede plaats waren er gevallen waarin het vlees het douanegebied van de Gemeenschap had verlaten, nadat de termijn van 60 dagen na de aangifte ten uitvoer was verstreken. Ten slotte vormden de door Ierland gebruikte documenten op grond waarvan het rundvlees kon worden uitgeslagen, geen aangifte ten uitvoer of een gelijkwaardig document ad hoc als bedoeld in artikel 30 van verordening nr. 3665/87.
Ten slotte was de Commissie van mening, dat de Ierse autoriteiten van de exporteurs niet de documenten hadden verlangd die nodig zijn voor een adequate controle van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de uitvoerrestituties, waardoor zich onregelmatigheden hadden kunnen voordoen. Daar Ierland het probleem wilde oplossen en het gevaar van fraude voor het EOGFL gering was, besloot de Commissie slecht 2 % van alle bij deze onregelmatigheid in 1989 en 1990 betrokken uitgaven niet te erkennen, hetgeen neerkwam op in totaal 6343429 IRL (3823133 in 1989 en 2520296 in 1990).
11.
Blijkens de door partijen overgelegde documenten volgde Ierland tijdens de begrotingsjaren 1989 en 1990 van het EOGFL een eigen administratieve procedure, die verschilde van die welke in de meeste andere Lid-Staten werd toegepast voor de vooruitbetaling van restituties bij uitvoer van rundvlees. Het opgeslagen rundvlees werd namelijk onder douanecontrole geplaatst bij aanvaarding van de betalingsaangifte, ingevuld op het formulier AP, dat een verzoek om vooruitbetaling van de restitutie vormde. Samen met de betalingsaangifte werd een aanvullend document, formulier C & E 977, genoemd „Register of CAP Goods Placed under Control Prior to the Date of Export”, aan de Ierse douane overgelegd.
12.
De beëindiging van de opslag en de plaatsing van de goederen onder douanecontrole met het oog op uitvoer geschiedde door middel van document C & E 978, „Notice of Loading of CAP Products for Export” genoemd, dat bestond uit twee formulieren: het ene werd gebruikt als schriftelijke mededeling dat de goederen uit het entrepot waren verwijderd, en het andere bij de feitelijke uitvoer van de goederen. Ierland erkende evenwel, dat dit document bij de uitvoer van rundvlees in 1989 en 1990 niet systematisch werd gebruikt, en bevestigde bovendien, dat de formulieren C & E 978 betreffende de entrepots van AIBP voor deze periode bij vergissing in het centrale controlebureau van AIBP te Dundalk waren vernietigd en dat daarvan geen enkel afschrift meer bestond.
13.
Vervolgens verlangde de Ierse douane een aanvullend formulier aangifte en uitvoercontrole („Declaration and Control Form for Goods placed under Customs Control Prior to Exportation”), dat uitputtende gegevens omtrent de uitgevoerde goederen bevatte conform de communautaire regeling.
14.
Op basis van de toepasselijke wettelijke regeling en van hetgeen is voorgevallen, heeft Ierland vier middelen tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring van beschikking 93/659 aangevoerd. Ik zal hierna op elk daarvan afzonderlijk ingaan.
Eerste middel
15.
Ierland is van mening, dat aan de vereisten van artikel 30 van verordening nr. 3665/87 is voldaan, en dat derhalve beschikking 93/659 nietig moet worden verklaard, voor zover daarin de ingevolge de communautaire voorschriften vooruitbetaalde uitvoerrestituties niet ten laste van het EOGFL worden gebracht.
16.
Volgens Ierland bepaalt artikel 3 van verordening nr. 3665/87 enkel de inhoud van de bij artikel 30 vereiste aangifte ten uitvoer, maar laat het de Lid-Staten vrij ten aanzien van de documenten waarop deze aangifte moet worden opgesteld. De Lid-Staten kunnen aldus gebruik maken van de bij de communautaire voorschriften vastgestelde uitvoerformulieren of het gebruik van nationale documenten verplicht stellen. Het door de meeste Lid-Staten gebruikte document was het communautaire standaardformulier voor de aangiften ten uitvoer (COM EX), ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1900/85 ( 11 ), dat alle nodige gegevens voor de berekening van de uitvoerrestituties bevat. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1900/85 staat in een aantal gevallen het gebruik van andere aangifteformulieren toe.
In Ierland werd voor de aangifte ten uitvoer evenwel gebruik gemaakt van de formulieren C & E 977 en C &: E 978 te zamen, die alle nodige gegevens bevatten voor de toekenning van restituties bij uitvoer van rundvlees. Met formulier C & E 977 werd het voornemen te kennen gegeven de goederen uit te voeren, werd verzocht om deze onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones te plaatsen en werd om vooruitbetaling van de restituties gevraagd. Vervolgens werd formulier C & E 978 ingediend met het verzoek, het goed uit het stelsel van douane-entrepots te verwijderen en onder douanecontrole met het oog op uitvoer te plaatsen.
17.
Het Hof heeft naar aanleiding van de bij verordening nr. 3665/87 ingevoerde aangifte ten uitvoer verklaard, dat de aangifte schriftelijk moet geschieden om na te gaan of de gegevens van de exporteur in overeenstemming zijn met de ten uitvoer aangeboden goederen, en dat bovendien de aangifte kan worden ingediend voordat de goederen worden aangeboden, doch nooit nadat zij het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten. ( 12 )
In casu kunnen de Lid-Staten op grond van artikel 3, lid 5, juncto artikel 30, van verordening nr. 3665/87 kiezen tussen het gebruik van de aangifte ten uitvoer of van een of meer gelijkwaardige documenten waarop alle nodige gegevens voor de berekening van de restituties bij uitvoer worden vermeld, met name:
„a)
de omschrijving van de produkten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur;
b)
de nettohoeveelheid van deze produkten of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de meeteenheid die voor de berekening van de restitutie in aanmerking moet worden genomen;
c)
voor zover nodig voor de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken produkten of een verwijzing naar deze samenstelling”.
18.
Tijdens de begrotingsjaren 1989 en 1990 van het EOGFL koos Ierland voor het gebruik van formulieren die verschilden van de bij de communautaire regeling ingevoerde aangifte ten uitvoer, namelijk de formulieren C & E 977 en C & E 978. Het eerste formulier bevat alle nodige gegevens voor de berekening van de uitvoerrestituties, terwijl het tweede, dat aan het eerste gekoppeld is, enkel de datum vermeldt waarop het rundvlees het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones heeft verlaten. Ierland maakt geen inbreuk op artikel 30 van verordening nr. 3665/87 door die twee formulieren te gebruiken, hoewel het een gecompliceerde procedure is en het gebruik van formulier D & C als aangifte ten uitvoer logischer was geweest.
De Commissie heeft echter bij het gebruik van die formulieren een aantal onregelmatigheden ontdekt, die Ierland niet heeft weerlegd. In de eerste plaats werd formulier C & E 978 niet systematisch voor alle exporten van rundvlees gebruikt; in de tweede plaats werden deze formulieren door de douane bij vergissing vernietigd in het geval van de AIBP entrepots.
19.
Vervolgens moet worden opgehelderd, of de formulieren C & E 977 en C & E 978 overeenkomstig de in de artikelen 30 en 32 van verordening nr. 3665/87 gestelde termijnen zijn ingediend. Gelijk de Commissie in haar dupliek heeft opgemerkt, is de indiening van de aangifte ten uitvoer van cruciaal belang, omdat deze het einde bepaalt van de opslagperiode in het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones, waarvan de maximumduur in 1989 negen maanden en in 1990 zeven maanden bedroeg, en het begin aangeeft van de periode van 60 dagen waarbinnen het rundvlees het douanegebied van de Gemeenschap moet verlaten.
Wat dit aangaat, kan met behulp van de gegevens van formulier C & E 977 te zamen met die van C & E 978 de datum van indiening en aanvaarding van de aangifte ten uitvoer niet met nauwkeurigheid worden vastgesteld. Derhalve is het niet mogelijk te weten op welk tijdstip precies het vlees uit het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones werd verwijderd en onder douanecontrole werd geplaatst om binnen maximaal 60 dagen te worden uitgevoerd. Formulier C Sc E 978 vermeldt immers enkel de datum waarop het vlees het entrepot heeft verlaten, doch bevat geen formele aanvaarding door de Ierse douane dat de goederen onder douanecontrole met het oog op uitvoer zijn geplaatst.
Bovendien heeft de Commissie in haar syntheseverslag van 1990 verklaard, dat uit de door haar uitgevoerde controles was gebleken dat voor bepaalde hoeveelheden rundvlees de in de artikelen 30 en 32 van verordening nr. 3665/87 vastgestelde termijnen voor opslag en uitvoer waren overschreden.
20.
Het Hof heeft zich in zijn rechtspraak herhaaldelijk uitgesproken over de beginselen die van toepassing zijn op de procedure van de goedkeuring van EOGFL-rekeningen ( 13 ), waarin wordt vastgesteld dat ingevolge de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70 „de Commissie slechts de bedragen die zijn betaald overeenkomstig de in de verschillende sectoren der landbouwprodukten opgestelde regels, ten laste van het EOGFL mag brengen. Zo de gemeenschapsregeling de betaling van steun slechts toestaat op voorwaarde dat aan bepaalde bewijs- of controleformaliteiten is voldaan, is steun die wordt betaald zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en kan de desbetreffende uitgave dus niet ten laste van het EOGFL worden gebracht.” ( 14 )
21.
Deze strikte uitlegging van de voorwaarden waaronder uitgaven ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht, vloeit bovendien dwingend voort uit de doelstelling van verordening nr. 729/70. Het beheer van een gemeenschappelijk landbouwbeleid waarbij de bedrijven der Lid-Staten gelijk worden behandeld, laat immers niet toe dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat met behulp van een ruime uitlegging van een bepaald voorschrift de bedrijven van deze staat bevoordelen ten koste van de bedrijven van andere Lid-Staten waar een engere uitlegging wordt toegepast. ( 15 )
22.
Aangezien uit de door partijen overgelegde stukken blijkt, dat er in de administratieve procedure die Ierland heeft gevolgd voor de vooruitbetaling van restituties bij uitvoer van rundvlees, onregelmatigheden zijn voorgekomen, die in strijd zijn met de bepalingen van verordening nr. 3665/87, is beschikking 93/659, waarin 2 % van de door Ierland in de EOGFL-begrotingsjaren 1989 en 1990 vooruitbetaalde restituties niet wordt erkend, geldig. Bijgevolg moet het eerste door Ierland aangevoerde middel tot nietigverklaring worden afgewezen.
Tweede middel
23.
In de tweede plaats voert Ierland als middel tot nietigverklaring aan, dat ofschoon het de bepalingen van artikel 30 van verordening nr. 3665/87 in zekere mate niet in acht heeft genomen, de redenen die de Commissie voor de niet-erkenning van de vooruitbetaalde restituties heeft aangevoerd, enkel bijkomstige en geen wezenlijke administratieve formaliteiten betreffen, zodat het geen inbreuk heeft gemaakt op de communautaire regeling.
24.
Volgens de rechtspraak van het Hof ( 16 ) is, ongeacht het belang in het gemeenschapsrecht van het onderscheid tussen wezenlijke en bijkomstige administratieve formaliteiten, dit onderscheid in casu niet van toepassing. De indiening van de aangifte ten uitvoer volgens de bij verordening nr. 3665/87 voorgeschreven voorwaarden en termijnen is namelijk een noodzakelijke administratieve formaliteit om frauduleuze praktijken te voorkomen en de juiste toepassing van het stelsel van vooruitbetaling van restituties bij uitvoer van rundvlees te waarborgen. De douane van elke Lid-Staat moet de strikte handhaving van deze bij de communautaire regeling vastgestelde formaliteiten controleren, teneinde te verzekeren dat de kosten als gevolg van de toepassing ten laste van het EOGFL zullen worden gebracht.
25.
Ik ben derhalve van mening, dat het tweede door Ierland aangevoerde middel tot nietigverklaring moet worden afgewezen.
Derde middel
26.
Gesteld al dat wezenlijke administratieve formaliteiten zijn geschonden, voert Ierland tot nietigverklaring aan, dat het bedrag van de door Ierland betaalde restituties dat in beschikking 93/659 niet ten laste van het EOGFL is gebracht, overtrokken en onevenredig is.
27.
De Commissie heeft in beschikking 93/659 slechts 2 % van alle door Ierland betaalde restituties bij uitvoer van rundvlees van financiering door het EOGFL uitgesloten, terwijl zij de financiering door het EOGFL van alle restituties had kunnen weigeren, op grond dat het onmogelijk was, de financiële gevolgen van de niet-naleving van de bepalingen van verordening nr. 3665/87 nauwkeurig te kwantificeren. Dit kon zij doen volgens de rechtspraak van het Hof, dat bij diverse gelegenheden heeft erkend, dat de financiering van bepaalde verrichtingen in haar totaliteit kon worden geweigerd op de enkele grond dat de onrechtmatigheid van die verrichtingen bewezen was.
In een aantal zaken heeft het Hof de weigering van de Commissie om bepaalde kosten ten laste van het EOGFL te brengen, omdat eenvoudige bewijsformaliteiten niet in acht waren genomen, bekrachtigd zonder na te gaan of deze niet-naleving al dan niet tot ongerechtvaardigde kosten had geleid. ( 17 ) In andere gevallen heeft het Hof uitgesloten, dat het achteraf voldoen aan die bewijsformaliteiten of het gebruik van andere dan de voorziene bewijsmiddelen de weigering van de Commissie om de uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen ongeldig kan maken. ( 18 )
28.
In casu heeft de Commissie de financiële gevolgen van de inbreuk van Ierland gekwantificeerd op 2 % van alle door Ierland in 1989 en 1990 voorgeschoten restituties bij uitvoer van rundvlees. Mijns inziens gaat het hier om een tamelijk lage schatting, aangezien de Commissie er rekening mee heeft gehouden, dat Ierland op haar aanwijzingen was begonnen het communautaire standaarduitvoerformulier te gebruiken.
Voorts heeft de rechtspraak van het Hof ( 19 ) duidelijk vastgesteld, dat wanneer de Lid-Staten het niet eens zijn met de schatting die de Commissie van de financiële effecten van de schending van de communautaire landbouwregeling heeft gemaakt, zij moeten bewijzen dat deze onjuist is. In casu heeft Ierland niet aangetoond, dat de financiële gevolgen van die inbreuk minder bedroegen dan het toegerekende cijfer van 2 %.
29.
Derhalve ben ik van mening, dat het bedrag van de restituties dat niet ten laste van het EOGFL is gebracht, niet onevenredig of overtrokken is. Bijgevolg kan dit middel niet slagen.
Vierde middel
30.
Als laatste middel voert Ierland aan, dat de uitlegging die de Commissie aan verordening nr. 3665/87 heeft gegeven, in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
31.
Dienaangaande is het Hof van oordeel, dat de weigering van de Commissie om kosten die het gevolg zijn van met de gemeenschapsregeling strijdige praktijken, ten laste van het EOGFL te brengen, niet als een strafrechtelijke sanctie kan worden aangemerkt. Door deze weigering houdt de Commissie zich aan de voorschriften betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, krachtens welke uitsluitend volgens de communautaire voorschriften en in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten verrichte betalingen ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht. Derhalve is een dergelijke beschikking van de Commissie niet in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. ( 20 )
Een Lid-Staat kan enkel het gewettigd vertrouwen hebben dat uitgaven ten laste van het EOGFL komen, indien deze uitgaven zijn gedaan op basis van een verkeerde uitlegging van het gemeenschapsrecht die aan een instelling van de Gemeenschap kan worden geweten ( 21 ), maar niet indien de onjuiste toepassing van de communautaire voorschriften aan de nationale autoriteiten is toe te schrijven.
32.
Daar Ierland de communautaire regeling inzake vooruitbetaling van uitvoerrestituties niet heeft nageleefd, kon het niet het gewettigd vertrouwen hebben, dat de uitgaven ten laste van het EOGFL zouden komen. De weigering van de Commissie om deze uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, maakt dus geen inbreuk op het vertrouwensbeginsel. Derhalve ben ik van mening, dat het vierde middel van Ierland moet worden afgewezen.
33.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1)
het beroep te verwerpen;
2)
Ierland te verwijzen in de kosten.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 1 ) PB 1993, L 301, blz. 13.
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1987, L 351, blz. 1).
( 3 ) Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (PD 1980, L 62, blz. 5).
( 4 ) Verordening (EEG) nr. 1091/80 van de Commissie van 2 mei 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag van rundvlees (PB 1980, L 114, blz. 18).
( 5 ) Verordening (EEG) nr. 2629/80 van de Commissie van 14 oktober 1980 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1091/80 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag van rundvlees (PB 1980, L 270, blz. 9).
( 6 ) Verordening (EEG) nr. 2675/88 van de Commissie van 29 augustus 1988 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van volwassen mannelijke runderen (PB 1988, L 239, blz. 20).
( 7 ) Verordening (EEG) nr. 2965/89 van de Commissie van 29 september 1989 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van volwassen mannelijke runderen (PB 1989, L 281, blz. 103).
( 8 ) Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13).
( 9 ) Zie de zevende overweging van beschikking 92/491/EEG van de Commissie van 23 september 1992 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1992, L 298, bb. 23).
( 10 ) Syntbeseverslag betreffende de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, voor het begrotingsjaar 1989, Commissie van de Europese Gemeenschappen, blz. 107.
( 11 ) Verordening (EEG) nr. 1900/85 van de Raad van 8 juli 1985 betreffende de invoering van communautaire formulieren van aangifte ten invoer en ten uitvoer (PB 1985, L 179, blz. 4), waarin uitvoering wordt gegeven aan richtlijn 81/177/EEG van de Raad van 24 februari 1981 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen (PB 1981, L 83, blz. 40), aan verordening (EEG) nr. 678/85 van de Raad van 18 februari 1985 inzake de vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer binnen de Gemeenschap (PB 1985, L 79, biz. 1), en aan verordening (EEG) nr. 679/85 van de Raad van 18 februari 1985 betreffende de invoering van het model van aangifteformulier dat in het goederenverkeer binnen de Gemeenschap dient te worden gebruikt (PB 1985, L 79, blz. 7).
( 12 ) Arrest van 22 juni 1993 (zaak C-54/91, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-3399, r. o. 22).
( 13 ) Zie onder meer arresten van 7 februari 1979 (zaak 11/76, Nederland/Commissiej Jurispr. 1979, blz. 245, en gevoegde zaken 15/76 en 16/76, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 321), 25 februari 1988 (zaak 327/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1065) en 8 januari 1992 (zaak C-197/90, Italië/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-1).
( 14 ) Arrest Italië/Commissie, aangehaald in voetnoot 13, r. o. 38.
( 15 ) Zaak 11/76, Nederland/Commissie, aangehaald in voetnoot 13, r. o. 9.
( 16 ) Zie inzonderheid gevoegde zaken 15/76 en 16/76, aangehaald in voetnoot 13, r. o. 13-15.
( 17 ) Arresten van 15 maart 1983 (zaken 61/82 en 62/82, Italië/Commissie, Jurispr. 1983, blz. 655 en 687) en 27 februari 1985 (zaken 55/83 en 56/83, Italië/Commissie, Jurispr. 1985, blz. 683 en 703).
( 18 ) Arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald in voetnoot 13, en arrest van 7 februari 1979 (zaak 18/76, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 343).
( 19 ) Arrest van 24 maart 1988 (zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1749, r. o. 15).
( 20 ) Zie inzonderheid arrest Verenigd Koninkrijk/Commissie, reeds aangehaald in voetnoot 19, r. o. 57 en 58.
( 21 ) Arresten van 25 november 1980 (zaak 820/79, België/Commissie, Jurispr. 1980, blz. 3537) en 27 januari 1981 (zaak 1251/79, Italië/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 205).
Full & Egal Universal Law Academy