CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 28 maart 1995 ( *1 )
1.
In deze niet-nakomingsprocedure wenst de Commissie te zien vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken ( 1 ), doordat het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno in 1990 een contract heeft afgesloten voor de aanleg van een autowegtracé zonder een openbare aanbesteding uit te schrijven en daarvan aankondiging te doen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
De feiten
2.
Het betrokken tracé maakte deel uit van de snelweg „Ascoli-Mare”, die de stad Ascoli Piceno moet verbinden met de Adriatische kust, alsmede met de snelweg A 14 en de autoweg nr. 16, die langs de kust lopen, en met de kustplaats San Benedetto del Tronto.
De eerste stukken van deze snelweg, de kavels IIII en het eerste gedeelte van kavel IV, waarvoor een beperkte aanbesteding was uitgeschreven, werden voltooid in het begin van de jaren zeventig. Het werk voor kavel IV, een stuk weg van 4,3 km, werd gegund aan de onderneming Rozzi Costantino. Kavel IV, die onder meer de verbinding met autosnelweg A 14 en autoweg nr. 16 betrof, werd in de daaropvolgende jaren gewijzigd en uitgebreid met 12 zogeheten „aanvullende studies”, die onder meer voorzagen in een verlenging van de oorspronkelijke autoweg, zodat kavel IV uitkwam op een lengte van 31,8 km.
De uitvoering van de in de eerste tien aanvullende studies geplande werken voor kavel IV werd gegund aan dezelfde onderneming die ook de oorspronkelijke kavel IV had uitgevoerd, dus de reeds genoemde onderneming Rozzi Costantino.
In deze zaak gaat het om de zogenoemde aanvullende studies 11 en 12, die tot één project zijn samengevoegd. Het project had tot doel de fysieke belemmeringen, veroorzaakt door de autoweg nr. 16 en de spoorlijn Bologna-Lecce, weg te nemen, om een vlotte verbinding tot stand te brengen tussen de haven van San Benedetto del Tronto enerzijds en de grote verkeersaders en het industriegebied van Ascoli Piceno anderzijds. Het geheel omvatte de bouw van een viaduct over de spoorlijn Bologna-Lecce en een stuk weg van enkele kilometers om de in liet tiende aanvullende project geplande autoweg te verbinden met een weg die terzelfder tijd door de gemeente Ascoli Piceno richting San Benedetto werd aangelegd.
Nadat de projecten op 28 maart 1990 waren goedgekeurd door de „Agenzia per la promozione dello sviluppo del Mezzogiorno”, werd de verantwoordelijkheid voor de realisatie van het elfde en twaalfde aanvullende project overgedragen aan het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno. Deze gunde op 21 mei 1990 de opdracht voor de uitvoering van de projecten — ter waarde van ongeveer 36 miljard LIT — bij onderhandse aanbesteding aan de onderneming Rozzi Costantino, zonder een aankondiging te publiceren in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
3.
De Commissie, opmerkzaam gemaakt op de gang van zaken rond de aanleg van kavel IV van de snelweg Ascoli-Mare, besloot tegen Italië een niet-nakomingsprocedure ex artikel 169 EG-Verdrag in te leiden ter zake van de wijze van aanbesteding van de elfde en twaalfde aanvullende studie.
Op 17 januari 1991 deed de Commissie de Italiaanse regering een aanmaningsbrief toekomen en toen daarop binnen de daartoe gestelde termijn geen antwoord kwam, bracht zij op 1 augustus 1991 een met redenen omkleed advies uit waarin zij concludeerde, dat „waar het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno de bouw van een gedeelte van de autosnelweg ‚Ascoli-Mare’ (kavel IV) ondershands heeft aanbesteed en geen bericht van openbare aanbesteding in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen heeft gepubliceerd, de Italiaanse Republiek de krachtens richtlijn 71/305/EEG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen”.
Nadien deed de Italiaanse regering de Commissie enige toelichtingen over het project toekomen, waarbij zij verklaarde dat de opdracht op wettige wijze aan de onderneming Rozzi Costantino was gegund, overeenkomstig de uitzonderingsbepaling van artikel 9, sub b, van richtlijn 71/305.
De eerdere zaak voor het Hof
4.
De Commissie achtte deze uitleg onvoldoende en bovendien tardief en stelde daarom op 6 juli 1992 krachtens artikel 169 van het Verdrag bij het Hof beroep in tegen Italië.
In haar verzoekschrift verzocht de Commissie het Hof „vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 (...), doordat zij, zonder in te grijpen ten einde de met het gemeenschapsrecht strijdige rechtsgevolgen daarvan onmiddellijk te voorkomen, heeft geaccepteerd dat het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno de elfde en twaalfde aanvullende studie voor de voltooiing van het tracé van de autosnelweg ‚Ascoli-Mare’ (...) ondershands aanbesteedde en geen bericht van openbare aanbesteding publiceerde in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen”.
5.
Bij arrest van 12 januari 1994 ( 2 ), Commissie/Italië, verwierp het Hof het beroep van de Commissie, op grond dat een beroep niet op andere gronden kan worden gebaseerd dan die welke in het met redenen omkleed advies zijn geformuleerd. Dat was volgens het Hof in casu nochtans geschied, aangezien de Commissie in haar met redenen omkleed advies had gesteld, dat de Italiaanse Republiek de krachtens richtlijn 71/305 op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen doordat het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno de in geding zijnde werken ondershands had aanbesteed en geen bericht van aanbesteding had geplaatst in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, terwijl zij in haar verzoekschrift de niet-nakoming baseerde op het feit, dat de Italiaanse Republiek had geaccepteerd dat het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno aldus te werk ging, zonder in te grijpen om aanvaring met het gemeenschapsrecht te vermijden.
De standpunten van partijen in het onderhavige geding
6.
De Commissie heeft vervolgens bij op 9 februari 1994 ingediend verzoekschrift de onderhavige zaak tegen de Italiaanse Republiek aanhangig gemaakt, waarin zij haar vordering als volgt formuleerde:
„(..) waar het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno de uitvoering van de elfde en twaalfde aanvullende studie voor de bouw van een gedeelte van de autosnelweg ‚Ascoli-Mare’ (van Ascoli naar de zee, kavel IV — project 5134) ondershands heeft aanbesteed en geen bericht van openbare aanbesteding in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen heeft gepubliceerd,
7.
de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken”.
De relevante wetgeving ter zake van openbare aanbestedingen
8.
Artikel 2 van richtlijn 71/305 van de Raad van 26 juli 1971 luidt als volgt:
„Voor het plaatsen van de overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken passen de aanbestedende diensten hun nationale procedures toe, aangepast aan de bepalingen van deze richtlijn.”
Artikel 9 van de richtlijn bepaalt:
„De aanbestedende diensten kunnen hun opdrachten voor de uitvoering van werken plaatsen zonder de bepalingen van deze richtlijn toe te passen, met uitzondering van die van artikel 10, in de volgende gevallen:
(...)
b)
voor de werken waarvan de uitvoering om technische redenen, artistieke redenen of wegens de bescherming van exclusieve rechten slechts aan een bepaalde ondernemer kan worden toevertrouwd;
(...)
d)
in strikt noodzakelijke gevallen waarin de bij de uitvoering van een werk te betrachten dringende spoed, voortvloeiende uit voor de aanbestedende diensten onvoorziene gebeurtenissen, onverenigbaar is met de inachtneming van de termijnen behorende bij andere procedures;
(...)”
Artikel 12 van de richtlijn ten slotte bepaalt:
„De aanbestedende diensten die een overheidsopdracht voor de uitvoering van een werk openbaar of niet-openbaar willen aanbesteden, geven hun voornemen hiertoe te kennen in een aankondiging.
Deze aankondiging wordt toegezonden aan het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen en in extenso bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen in de officiële talen van de Gemeenschappen, waarbij uitsluitend de tekst in de oorspronkelijke taal authentiek is.”
De formele aspecten
9.
Ter motivering van haar conclusie tot verwerping van het beroep voert de Italiaanse regering aan, dat het arrest van 12 januari 1994 was gebaseerd op de functionele samenhang tussen de in het met redenen omkleed advies en de in het verzoekschrift aangevoerde gronden. Om die reden is de Italiaanse regering van mening, dat de Commissie de administratieve procedure van artikel 169 geheel opnieuw had moeten beginnen of althans het met redenen omkleed advies met een aanvullend advies had moeten completeren, alvorens het onderhavige beroep aanhangig te maken. Nu een en ander achterwege is gebleven, dient het Hof het beroep te verwerpen.
Voorts voert de Italiaanse Republiek aan, dat de Commissie er in haar aanmaningsbrief en in het met redenen omkleed advies op had gewezen, dat de situatie volgens haar niet werd gedekt door artikel 9, sub d, van richtlijn 71/305, maar in haar verzoekschrift van 4 februari 1994 stelde, dat die situatie niet onder artikel 9, sub b, kon vallen.
10.
Volgens de Commissie komt uit het arrest van 12 januari 1994 duidelijk naar voren, dat het eerdere beroep (C-296/92) enkel is afgewezen omdat de aangevoerde gronden in het met redenen omkleed advies verschilden van die in het verzoekschrift. De Commissie meent voor herstel van de vormgebreken in de eerdere zaak te kunnen volstaan met het indienen van een verzoekschrift waarvan de gronden zodanig gewijzigd zijn, dat zij thans overeenstemmen met die van het met redenen omkleed advies.
Aangezien bij het arrest van 12 januari 1994 niet meer dan bepaalde vormgebreken in het oorspronkelijke verzoekschrift van 6 juli 1992 werden gegispt, zonder dat enige aanmerking werd gemaakt op de administratieve procedure, waarin de Italiaanse Republiek van dezelfde als de thans door de Commissie naar voren gebrachte grieven kennis had kunnen nemen en daarover van opmerkingen had kunnen dienen, gaat de eerbiediging van het aan de Italiaanse Republiek toekomende recht van verweer niet zo ver, dat de Commissie de procedure ex artikel 169 van het Verdrag weer van voren af aan zou moeten beginnen.
11.
Het Hof heeft bij herhaling verklaard (zie onder meer arrest van 11 juli 1984 ( 3 )), dat de schriftelijke ingebrekestelling tot doel heeft het onderwerp van het geschil te bepalen en de Lid-Staat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden. De aan de betrokken staat geboden mogelijkheid om opmerkingen in te dienen en zijn verweer voor te bereiden, vormt een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, waarvan de inachtneming een voorwaarde is voor de regelmatigheid van de procedure tot vaststelling dat een Lid-Staat de op hem rustende verplichtingen niet nakomt.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie de rechtspraak genoemd in het arrest van 1 december 1993 ( 4 )) wordt het onderwerp van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag afgebakend door de in dit artikel bedoelde precontentieuze fase. Het met redenen omkleed advies van de Commissie en het inleidend verzoekschrift moeten dus op dezelfde middelen en argumenten berusten.
12.
Blijkens het dossier stelde de Commissie zich in haar aanmaningsbrief aan de Italiaanse regering van 17 januari 1991 op het standpunt, dat waar het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno de uitvoering van de elfde en twaalfde aanvullende studie ondershands had aanbesteed zonder een bericht van openbare aanbesteding in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen te publiceren, de Italiaanse Republiek haar verplichtingen uit hoofde van richtlijn 71/305 niet was nagekomen, en verzocht zij de Italiaanse regering om binnen de in die brief genoemde termijn haar opmerkingen ter zake kenbaar te maken. Aangezien de Italiaanse regering de aanmaningsbrief niet binnen de gestelde termijn beantwoordde, bracht de Commissie haar standpunt opnieuw naar voren in een met redenen omkleed advies. In beide missiven gaf de Commissie als haar mening te kennen, dat de wijze van aanbesteding niet kon worden geacht te zijn gerechtvaardigd wegens dringende spoed in de zin van artikel 9, sub d.
In een brief waarin zij zowel reageerde op de aanmaningsbrief als op het met redenen omkleed advies van de Commissie, verklaarde de Italiaanse regering het met de Commissie eens te zijn dat artikel 9, sub d, in casu geen toepassing kon vinden. In plaats daarvan stelde zij, dat het project werd gedekt door artikel 9, sub b.
Dat de Commissie in de precontentieuze fase anticipeerde op een mogelijk beroep op artikel 9, sub d, als rechtvaardiging voor het afwijken van de in richtlijn 71/305 voorgeschreven aanbestedingsprocedure, is te verklaren doordat de Italiaanse regering niet tijdig op de aanmaningsbrief had gereageerd en de Commissie eerst na het antwoord van de Italiaanse regering op het met redenen omkleed advies ervoer, dat genoemde regering zich op artikel 9, sub b, wenste te beroepen en niet, zoals zij had gedacht, op artikel 9, sub d. Voor de Commissie was het dus eerst na het antwoord op het met redenen omkleed advies duidelijk, op welke bepaling van de richtlijn de Italiaanse regering zich precies beriep, en zij kon haar argumenten dus eerst vanaf dat moment toespitsen op de kwestie van de toepassing van artikel 9, sub b.
Dat de Italiaanse regering de aanmaningsbrief van de Commissie onbeantwoord heeft gelaten en dus niet van meet af aan duidelijk heeft gemaakt, op welke bepaling zij zich beriep, mag haar geen voordeliger positie verschaffen dan wanneer zij wel tijdig zou hebben gereageerd. In zoverre kan het formele verweer van de Italiaanse regering niet slagen.
13.
De Commissie heeft naar mijn mening zowel in haar aanmaningsbrief als in haar met redenen omkleed advies duidelijk en nauwkeurig geformuleerd, waarin de schending van het Verdrag volgens haar bestond, en dit moet ook worden geacht duidelijk te zijn geweest voor de Italiaanse regering, die de gelegenheid heeft gehad haar opmerkingen omtrent de door de Commissie gesignaleerde inbreuk te maken voordat het beroep aanhangig werd gemaakt. De thans door de Commissie ingestelde vordering beantwoordt bovendien exact aan hetgeen zij desbetreffend in de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies had geformuleerd.
14.
In deze zaak gaat het bovendien om een mogelijke verdragsschending als gevolg van voldongen feiten, want de aanbesteding heeft al plaatsgehad en het project is, naar ons is medegedeeld, sinds lang voltooid. In dit geval kan men dus niet een herhaling van de administratieve procedure bepleiten met het argument, dat Italië dan de gelegenheid zou krijgen om een en ander recht te zetten en aldus een na voortzetting van de procedure te verwachten veroordeling te ontlopen, zoals overigens vaak gebeurt in nietnakomingsprocedures.
15.
Maar ook indien men zich bij de zienswijze van de Italiaanse regering aansloot, zou niets de Commissie beletten weer van voren af aan te beginnen, met een volledig gelijkluidende aanmaningsbrief, een identiek met redenen omkleed advies enzovoort. Er is dus geen enkele grond om aan te nemen, dat een nieuwe administratieve procedure nieuw licht op de zaak zou werpen. Het zou daarom van overdreven formalisme getuigen wanneer men van de Commissie verlangt, dat zij de administratieve procedure overdoet alvorens het beroep aanhangig te maken. Het enige waartoe dat in feite zou kunnen leiden, is dat een eventuele verklaring dat de Italiaanse Republiek het Verdrag heeft geschonden, nog langer op zich laat wachten.
16.
Gelet op een en ander meen ik, dat de argumenten waarmee de Italiaanse regering zich tegen een behandeling van de zaak ten gronde te weer stelt, alle moeten worden afgewezen.
Ten gronde
17.
Niet in geschil is, dat het hier aan de orde zijnde project valt onder de richtlijn betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken. Ook zijn partijen het erover eens, dat de hier gekozen wijze van aanbesteding een schending van de richtlijn inhoudt, tenzij de bijzondere afwijkingsgrond van artikel 9, sub b, van de richtlijn van toepassing is, dus wanneer het project werken omvat waarvan de uitvoering om technische redenen slechts aan een bepaalde ondernemer kan worden opgedragen.
De vraag is dus, of de aanleg van het bewuste tracé, mét het viaduct over de spoorlijn, om technische redenen enkel kon worden gegund aan dezelfde ondernemer als die welke belast was met de aanleg van de weg die ingevolge het litigieuze project moest worden verlengd (de tiende aanvullende studie), dan wel of ook andere ondernemers dit werk konden uitvoeren.
18.
De Italiaanse regering heeft aangevoerd, dat er in casu „technische redenen” in de zin van artikel 9, sub b, bestonden, aangezien het onmogelijk was
—
de in de tiende aanvullende studie geplande werken te voltooien voordat een deel van het hier in geding zijnde project was gerealiseerd;
—
het werk op twee plaatsen tegelijk te beginnen, gezien de zeer moeilijke situatie ter plaatse;
—
de in uitvoering zijnde werken en de hier in geding zijnde werken los van elkaar te realiseren, wegens de nauwe samenhang van de funderingsstructuren.
19.
De Commissie heeft hiertegen ingebracht, dat die omstandigheden op zich geen zodanige technische redenen opleverden, dat de opdracht enkel kon worden gegund aan de onderneming die belast was met de uitvoering van het in de tiende aanvullende studie geplande tracé.
Daarvoor verwijst de Commissie naar een expertise van 2 april 1993, op haar verzoek verricht door een ter zake kundig ingenieur, C. Mathurin, na bestudering van het dossier. In dat rapport wordt gezegd (punt 6):
„Samengevat: in alle drie argumenten komt een en dezelfde technische noodzaak tot uiting, namelijk de controle, de coördinatie en de directie van de werkzaamheden.
De onontbeerlijke controle moet in tijd en ruimte plaatsvinden, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op de veiligheid van de werknemers overeenkomstig de nieuwe communautaire normen. Deze controle blijft noodzakelijk, ook wanneer een onderneming aan beide gedeelten werkt.”
In punt 7 staat het volgende te lezen:
„Men kan dus niet stellen, dat de projecten 11 en 12 om ‚technische redenen’ slechts aan één ondernemer konden worden opgedragen, en wel aan de ondernemer die project 10 onder handen had. De coördinatie tussen de projecten 10 en 11-12 blijft in elk geval noodzakelijk en mogelijk en in de ogen van een onpartijdig en onafhankelijk technisch deskundige is er geen enkele reden die de keuze van de Italiaanse aanbestedende dienst rechtvaardigt.”
Ik wijs erop, dat in dit rapport, dat de Commissie overigens ook in zaak C-269/92 had overgelegd, alle omstandigheden die in die eerdere zaak door de Italiaanse regering zijn aangevoerd, in aanmerking zijn genomen.
20.
Met betrekking tot de vraag, in welke omstandigheden kan worden afgeweken van artikel 9, sub b, van richtlijn 71/305, verklaarde het Hof in zijn arrest van 10 maart 1987 (zaak 199/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 1039, r. o. 14):
„Deze bepalingen, krachtens welke mag worden afgeweken van de regels die de doeltreffendheid van de door het Verdrag op het gebied van de overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken erkende rechten beogen te verzekeren, moeten strikt worden uitgelegd, en het staat aan degene die zich erop wil beroepen, te bewijzen dat de uitzonderlijke omstandigheden die de afwijking rechtvaardigen, daadwerkelijk bestaan.”
21.
In de eerste plaats moet worden nagegaan, of de term „technische redenen” in artikel 9, sub b, moet worden geacht concrete omstandigheden te omvatten zoals die welke de Italiaanse regering aanvoert. In de tweede plaats moet worden vastgesteld, of de Italiaanse regering heeft voldaan aan haar bewijsplicht inzake het bestaan van die omstandigheden.
22.
Artikel 9, sub b, van richtlijn 71/305 bevat een uitdrukkelijke ontheffing van de verplichting om een openbare aanbesteding uit te schrijven, in gevallen waarin met de uitvoering van de werken de „bescherming van exclusieve rechten” is gemoeid.
Buiten die gevallen moet de aanbesteder nagaan, of de ondernemingen de technische capaciteit hebben voor de uitvoering van een bepaald project, en vervolgens de onderneming kiezen aan wie de opdracht zal worden gegund, middels een openbare aanbesteding zoals voorgeschreven door richtlijn 71/305: in het bestek van de opdracht wordt de aard van het werk vermeld en wordt van de gegadigde ondernemingen overeenkomstig artikel 26 van de richtlijn verlangd, dat zij hun technische bekwaamheid voor de verwezenlijking van het betrokken werk aantonen.
Om die reden moet worden aangenomen, dat in geval van objectieve omstandigheden die in een concrete situatie een zodanige invloed hebben op de uitvoering van een werk, dat dit —juist wegens die objectieve omstandigheden— enkel aan een bepaalde onderneming kan worden opgedragen, men van doen heeft, zoals de Italiaanse regering stelt, met „werken waarvan de uitvoering om technische redenen slechts aan een bepaalde ondernemer kan worden toevertrouwd”.
23.
Vervolgens rijst echter de vraag, of de Italiaanse regering is geslaagd in het bewijs van de door haar gestelde moeilijkheden en daarmee van de noodzaak de uitvoering van het werk aan de onderneming Rozzi Costantino te gunnen.
De Italiaanse regering heeft in deze zaak enkel een algemeen betoog gehouden over de mogelijkheden om artikel 9, sub b, toe te passen, daarbij enkele werktekeningen met betrekking tot het litigieuze project alsmede een aantal foto's overgelegd, en onder verwijzing naar een technische toelichting van de hoofdingenieur van het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno gesteld, dat men voor de eerdergenoemde ernstige problemen was komen te staan wanneer de aanleg van het omstreden traject aan een andere ondernemer dan Rozzi Costantino was opgedragen.
Voorts heeft zij op diverse punten aanmerkingen gemaakt op de conclusies van het door de Commissie overgelegde deskundigenrapport en betoogd, dat de betrokken deskundige, te oordelen naar de bewoordingen van het rapport, niet als onpartijdig was te beschouwen.
De Italiaanse regering heeft echter geen onpartijdige contra-expertise overgelegd, die de door haar aangevoerde omstandigheden die het gunnen van de opdracht aan een andere onderneming dan Rozzi Costantino zouden bemoeilijken, aannemelijk kon maken, noch heeft zij het Hof op grond van artikel 49 van het Reglement van de procesvoering verzocht om aanwijzing van een deskundige teneinde een onafhankelijke expertise te verkrijgen die haar verklaringen aannemelijk zou maken.
24.
Zoals reeds gezegd, staat het aan de Italiaanse Republiek om aan te tonen, dat het in de zin van de afwijkingsbepaling van artikel 9, sub b, noodzakelijk was de omstreden opdracht aan een bepaalde onderneming te gunnen. Nu de Italiaanse Republiek alleen algemene opmerkingen heeft gemaakt en zelfs niet heeft geprobeerd haar beweringen met enig concreet gegeven te onderbouwen, heeft zij naar mijn mening niet aan haar bewijsplicht voldaan.
25.
Op zich zou ik met deze constatering kunnen volstaan, zonder in te gaan op de andere bezwaren van de Italiaanse regering tegen het deskundigenrapport dat de Commissie heeft gepresenteerd, maar enkele korte kanttekeningen bij de bezwaren van de Italiaanse regering tegen dat rapport lijken mij toch op hun plaats.
Ik ben het natuurlijk met de Italiaanse regering eens, dat de door de Commissie overgelegde expertise betreffende de problemen die ontstaan zouden zijn indien de aanleg van het omstreden traject aan een andere ondernemer dan Rozzi Costantino was gegund, van één partij afkomstig en in zoverre eenzijdig is. Dit kan evenwel zonodig bij de bewijswaardering worden meegewogen.
Ik wil er echter op wijzen, dat het rapport op zeer overtuigende wijze op alle door de Italiaanse regering genoemde ernstige problemen ingaat en het bestaan ervan weinig aannemelijk doet voorkomen. Het lijkt bijvoorbeeld logisch dat, zoals in het rapport wordt gesteld, coördinatie van de werkzaamheden in het kader van project 10 en die van project 11-12 hoe dan ook noodzakelijk zou zijn geweest, onverschillig of de werken door dezelfde ondernemer of door twee verschillende ondernemers werden uitgevoerd.
Ik ben het er niet mee eens, dat uit de bewoordingen van het rapport een partijdige opstelling op te maken zou zijn. De passage waarop de Italiaanse regering in dit verband wijst — „de argumenten die de Italiaanse regering aanvoert in een poging om (...) te rechtvaardigen” (cursivering van mij) —, lijken mij volkomen ter zake en precies. De bewoordingen zijn niet minder welgekozen wanneer men de conclusie van het rapport leest, waarin de argumenten van de Italiaanse regering onhoudbaar worden genoemd. Daarbij komt, dat het rapport is opgesteld door een technicus, aan wie een grotere vrijheid van formulering kan worden gelaten dan aan bij voorbeeld een ambtenaar of diplomaat, zonder dat men zijn integriteit uit dien hoofde serieus in het geding kan brengen. De Italiaanse regering heeft de deskundigheid van de rapporteur overigens niet in twijfel getrokken.
26.
Aangezien de Italiaanse regering niet is geslaagd in het bewijs, dat zij om technische redenen gedwongen was de litigieuze opdracht te gunnen aan de onderneming Rozzi Costantino, moet worden geconcludeerd, dat het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno richtlijn 71/305 heeft geschonden door de uitvoering van de elfde en twaalfde aanvullende studie ondershands aan de onderneming Rozzi Costantino te gunnen. Het beroep van de Commissie moet derhalve worden toegewezen.
Kosten
27.
De Commissie heeft gevorderd, dat de Italiaanse Republiek in de kosten wordt verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd.
Conclusie
28.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging uitspraak te doen als volgt:
„—
Waar het provinciaal bestuur van Ascoli Piceno de aanleg van een gedeelte van de autosnelweg ‚Ascoli-Mare’ (kavel IV, elfde en twaalfde aanvullende studie) ondershands heeft aanbesteed en geen bericht van openbare aanbesteding in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen heeft gepubliceerd, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken.
—
De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1971, L 185, blz. 5, met rectificatie in PD 1973, L 185, blz. 40.
( 2 ) Zaak C-296/92, Jurispr. 1994, blz. I-1. 7. De Italiaanse Republiek concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring of, subsidiair, tot verwerping van het beroep.
( 3 ) Zaak 51/83, Commissie/Italië, Jurispr. 1984, blz. 2793, r. o. 3, 4 en 5.
( 4 ) Zaak C-234/91, Commissie/Denemarken, Juiispr. 1993, blz. I-6273.
Full & Egal Universal Law Academy