Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 De prejudiciële vraag van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Bergen (België) betreft de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag. Zij is gerezen in een geschil dat is ontstaan naar aanleiding van een vordering tot staking van de Groupement national des négociants en pommes de terre de Belgique (afgekort "Belgapom") overeenkomstig artikel 95 van de Belgische wet van 14 juli 1991. Met deze vordering beoogde Belgapom onder meer te doen vaststellen, dat bepaalde gedragingen van de vennootschappen SA ITM Belgium en SA Vocarex in strijd waren met artikel 40 van voormelde wet, dat verkoop met verlies alsook de daarmee gelijk gestelde verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt.
I - Het nationale recht
2 Artikel 40, eerste alinea, van de Belgische wet van 14 juli 1991 "betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument"(1) bepaalt, dat het elke handelaar verboden is een produkt met verlies te koop aan te bieden of te verkopen. De volgende alinea's van dit artikel luiden als volgt: "Als een verkoop met verlies wordt beschouwd, elke verkoop tegen een prijs die niet ten minste gelijk is aan de prijs waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd of waartegen het bij de herbevoorrading gefactureerd zou worden. Met een verkoop met verlies moet worden gelijkgesteld elke verkoop die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, waarbij rekening wordt gehouden met deze prijzen evenals met de algemene kosten. Bij de beoordeling van het gewone of uitzonderlijk beperkte karakter van de winstmarge zal er onder meer rekening worden gehouden met het verkoopvolume en de vernieuwing van de voorraden."
3 Artikel 41, lid 1, van dezelfde wet bevat een aantal uitzonderingen op de verbodsbepalingen van artikel 40 (opruiming, verkoop van produkten waarvan de waarde snel kan verminderen, enz.). Artikel 95, eerste alinea, bepaalt, dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan van inbreuken op de bepalingen van de wet vaststelt en de staking van die inbreuken beveelt, dit op basis van een vordering die ingevolge artikel 98, lid 1, sub 3, ook door een beroepsvereniging met rechtspersoonlijkheid kan worden ingesteld.
II - De feiten en de prejudiciële vraag
4 Eind september 1993 werd de aankoopdienst van SA ITM Belgium (hierna: "ITM"), een te Bergen (België) gevestigde vennootschap die tot de Groupement Intermarché behoort, ervan op de hoogte gesteld, dat de te Limbourg (België) gevestigde SA Géron 200 ton aardappelen van de soort "Bintjes" te koop aanbod tegen 27 BFR per 25 kg (dus tegen 1,08 BFR per kg). Het aanbod gold voor de periode van 30 september tot 8 oktober 1993 en betrof gekalibreerde aardappelen, verpakt in netten van 25 kg, die franco in verschillende winkels zouden worden geleverd. SA Vocarex (hierna: "Vocarex)", een te La Louvière (België) gevestigde onafhankelijke handelsonderneming die door een franchise-overeenkomst met de groep ITM verbonden is, ging op het aanbod in, bestelde een gedeelte van voormelde partij aardappelen en verkocht ze, na daartoe passende reclame te hebben gemaakt, tegen 29 BFR per 25 kg. De bruto winstmarge ten opzichte van de inkoopprijs bedroeg dus 1,31 %.
5 In de verwijzingsbeschikking is vermeld, dat een persoon die zegde namens Groupement national des négociants en pommes de terre de Belgique (hierna: "Belgapom") op te treden, ITM heeft opgebeld om te proberen te beletten dat de aardappelen tegen voormelde prijs werden verkocht. De betrokkene schijnt te hebben gepreciseerd, dat de gehele Belgische distributiesector had aanvaard, diezelfde aardappelen tegen 89 BFR per 25 kg te verkopen.
6 Op 19 oktober 1993 stelde Belgapom bij de rechtbank van koophandel te Bergen de in artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 bedoelde vordering tot staking in, en verzocht de rechtbank: 1) vast te stellen dat het gedrag van ITM en Vocarex in strijd was met artikel 40 van voormelde wet, dat de verkoop met verlies en de daarmee gelijkgestelde verkoop met een uiterst beperkte winstmarge verbiedt, en 2) de stopzetting van die praktijk te gelasten.
7 Als verweer voert Vocarex onder meer aan, dat haars inziens artikel 40 van de wet van 14 juli 1991 in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag; zij verzocht de geadieerde rechter het Hof van Justitie daarover een prejudiciële vraag te stellen.
8 Daarop besliste de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Bergen bij vonnis van 21 januari 1994 de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. In zijn vonnis overweegt de verwijzende rechter met name:
a) dat waar de eerste en de tweede alinea van artikel 40 van de wet van 14 juli 1991 duidelijk zijn, de daaropvolgende alinea's voor de handelaars een bron van "grote rechtsonzekerheid" zijn, welke rechtsonzekerheid nog wordt versterkt door de desbetreffende rechtspraak, waarin marges van 0,5 tot 10 % voor een zelfde categorie produkten als geoorloofd worden beschouwd, naargelang van de gekozen berekeningswijze, de in aanmerking genomen parameters, enzovoort;
b) dat de grote onzekerheid waarin de marktdeelnemers verkeren, wat het al dan niet geoorloofde karakter van hun verkoopmethode en het resultaat van een eventueel tegen hen in te stellen vordering betreft, op zichzelf reeds een element van belemmering van het vrije verkeer van goederen zou kunnen opleveren;
c) dat, zo men kan aanvaarden dat een regeling als de in geding zijnde wordt ingevoerd met het doel een eerlijke concurrentie tussen de handelaars te bevorderen en de verbruiker te beschermen tegen bepaalde verkoopprocédés, in casu de vordering evenwel enkel dient om de corporatistische belangen van de grossiers te beschermen; de consument ondervindt immers geen nadeel van een uitzonderlijke promotionele aanbieding die als zodanig wordt aangekondigd en uitermate kortstondig is;
d) dat door de algemeenheid van de gebruikte bewoordingen en de onnauwkeurigheid van de parameters die in aanmerking moeten woerden genomen om over het al dan niet geoorloofde karakter van een actie te beslissen, het verbod, zoals het in de derde en de vierde alinea van artikel 40 is neergelegd, ook praktijken treft die niets met het nagestreefde doel te maken hebben;
e) dat niet valt uit te sluiten, dat in die omstandigheden voormelde alinea's van artikel 40 een belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer opleveren.
9 Om die redenen heeft de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Bergen het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag: "In hoeverre zijn artikel 40 van de wet van 14 juli 1991 en inzonderheid de derde en de vierde alinea daarvan, in de algemeenheid van hun bewoordingen, verenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag, nu daarin met een verkoop met verlies is gelijkgesteld een verkoop tegen een prijs die hoger is dan die welke bij de bevoorrading werd gefactureerd, doch met een uiterst beperkte marge?"
10 Het is vaste rechtspraak(2), dat het Hof niet bevoegd is uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale wettelijke bepalingen met het gemeenschapsrecht. Het kan de nationale rechter echter wel alle elementen verschaffen die dienstig zijn voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht, teneinde hem in staat te stellen die verenigbaarheid in de bij hem aanhangige zaak te beoordelen.
11 De vraag van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Bergen moet bijgevolg aldus worden begrepen, dat hij wenst te vernemen of een in algemene bewoordingen geformuleerde nationale bepaling die de verkoop tegen een prijs die hoger is dan de die waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd, doch die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, verbiedt door een dergelijke verkoop gelijk te stellen met een verkoop met verlies, zich verdraagt met artikel 30 EEG-Verdrag stricto sensu.
III - Voorafgaande opmerking
12 Het is een beginsel in de rechtspraak waarvan het Hof in zaken betreffende het vrije verkeer van werknemers, het vestigingsrecht en het vrij verrichten van diensten nooit is afgeweken, dat de op die materies betrekking hebbende artikelen van het Verdrag (respectievelijk de artikelen 48, 52 en 59) niet van toepassing zijn op situaties of activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in één enkele Lid-Staat afspelen.(3)
13 In de rechtspraak betreffende het in artikel 30 van het Verdrag aan de Lid-Staten opgelegde verbod om maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in te voeren, komt een soortgelijke beginselverklaring niet voor. Uit de rechtspraak ter zake, in haar geheel bezien, kan evenwel worden afgeleid, dat het volgens het Hof onmogelijk is, de toepassing van artikel 30 uit te sluiten met een beroep op het louter nationaal karakter van een bepaalde situatie of activiteit, tenzij het in het geding voor de nationale rechter om een nationale bepaling gaat die uitsluitend nationale produkten betreft. Voor die stelling denk ik de navolgende argumenten te kunnen aanvoeren.
Het onveranderlijke referentiepunt in de rechtspraak van het Hof ter zake van artikel 30 van het Verdrag(4) blijft de formulering in het arrest Dassonville(5), volgens welke iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen is te beschouwen. Bijgevolg kan een nationale rechter een vraag over de uitlegging van voormelde Verdragsbepaling worden gesteld, ook al gaat het in het voor die rechter aanhangige geding om een situatie of een activiteit die geen rechtstreeks verband houdt met de handel tussen Lid-Staten; het volstaat dat in het kader van dat geding een probleem wordt opgeworpen in verband met de toepassing van een nationale maatregel die niet alleen nationale, doch ook ingevoerde produkten betreft, zodat niet a priori kan worden uitgesloten dat die maatregel, zij het indirect of potentieel, de intracommunautaire handel kan belemmeren.(6)
14 Men kan evenwel stellen dat, voor zover artikel 30 van het Verdrag tot doel heeft "belemmeringen van de invoer van goederen op te heffen, en niet om nationale goederen in alle gevallen dezelfde behandeling te waarborgen als ingevoerde of wederingevoerde goederen"(7), de aanknopingsfactor opdat een bepaalde situatie binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt, moet worden gezocht in de herkomst van de produkten waarvan wordt gesteld, dat zij in dat bijzondere geval door een bepaalde nationale maatregel worden getroffen. Artikel 30 zou dus niet van toepassing zijn, wanneer de situatie die tot het geschil voor de nationale rechter heeft geleid uitsluitend en alleen goederen betreft die zijn geproduceerd of vervaardigd in de Lid-Staat waarin zij in het verkeer zijn gebracht en waar het betrokken geschil is gerezen.
Voor deze stelling is steun te vinden in de rechtspraak. In het arrest Oosthoek(8), gewezen naar aanleiding van een prejudiciële vraag betreffende het probleem of de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag in de weg staan aan een nationale wettelijke bepaling die verbiedt dat in het kader van de verkoopbevordering premies worden gegeven aan de kopers van een encyclopedie, overwoog het Hof (rechtsoverweging 9), dat "de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling op de verkoop in Nederland van aldaar geproduceerde encyclopedieën(9) (...) geen verband houdt met de invoer of uitvoer van de goederen en dus niet onder de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag valt. Ingeval van verkoop in Nederland van in België geproduceerde encyclopedieën en verkoop in andere Lid-Staten van in Nederland geproduceerde encyclopedieën is er echter sprake van intracommunautaire handelstransacties. In zoverre moet, gelet op de vraag van de nationale rechter, worden beoordeeld of bepalingen als die van de Nederlandse wettelijke regeling verenigbaar zijn met artikel 30 zowel als met artikel 34 EEG-Verdrag".(10)
15 Ik wil meteen zeggen, dat die zaak geen oplossing voor de hierboven vermelde vragen biedt, en dit om de volgende, eenvoudige reden.
Het is vaste rechtspraak(11), dat het Hof zich bij de beoordeling van de vraag, of een bepaalde situatie een zuiver nationaal karakter heeft, uitsluitend op de door de nationale rechter vastgestelde feiten dient te baseren. Indien de nationale rechter dus van oordeel is, dat op het voor hem aanhangige geding een bepaling van gemeenschapsrecht van toepassing is, waarover hij een uitleggingsvraag stelt, kan het Hof de situatie waarin het geschil is gerezen slechts als zuiver nationaal beschouwen, indien zulks duidelijk uit de door de verwijzende rechter vermelde feiten blijkt.
In casu valt gelet op de inhoud van de verwijzingsbeschikking serieus te betwijfelen, of de handelspraktijken waartegen de vordering tot staking is gericht uit een andere Lid-Staat afkomstige produkten betreffen.(12) Mijns inziens is het echter niet mogelijk, aan te nemen dat uit de door de verwijzende rechter uiteengezette feiten duidelijk blijkt, dat de betrokken goederen in België zijn geproduceerd.
16 Zelfs met het hierboven in punt 14 vermelde beginsel voor de ogen, kan in casu dus onmogelijk worden aangenomen dat dit beginsel tot gevolg heeft, dat het bij de rechtbank van koophandel te Bergen aanhangige geding buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt, op de enkele grond dat het een louter nationale situatie betreft.
IV - Het arrest Keck en Mithouard
17 Alleen al bij lectuur van de prejudiciële vraag wordt duidelijk, hoe belangrijk de toepassing van de in het arrest Keck en Mithouard(13) ontwikkelde beginselen voor de beantwoording ervan is, dit niet alleen omdat het in die zaak om een vraag over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag ging, maar ook omdat de nationale wetgeving waarvan de verwijzende rechter in casu wil weten, of zij verenigbaar is met genoemd artikel, althans op het eerste gezicht een duidelijke gelijkenis vertoont met de nationale wetgeving (verbod van wederverkoop met verlies) die in het arrest Keck en Mithouard door het Hof aan artikel 30 is getoetst.
18 Vóór het arrest Keck en Mithouard is het Hof vrij vaak om uitlegging van artikel 30 van het Verdrag verzocht in verband met nationale bepalingen die de verkoop tegen een lagere dan de in het kader van een nationale prijzenregeling vastgestelde prijs verboden.
In het arrest van 24 januari 1978 (zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25), het chronologisch eerste arrest ter zake, oordeelde het Hof, vertrekkende (rechtsoverweging 12) van de reeds aangehaalde formule (zie rechtsoverweging 13 hierboven) van het arrest Dassonville, dat "namelijk een belemmering van de import in het bijzonder zou kunnen voortvloeien uit de vaststelling door een nationale overheid van prijzen of winstmarges op zodanig peil dat de geïmporteerde produkten zouden worden benadeeld ten opzichte van gelijke nationale produkten, hetzij omdat zij onder de gestelde voorwaarden niet met winst zouden kunnen worden afgezet, hetzij omdat het uit lagere kostprijzen voortvloeiende concurrentievoordeel zou worden tenietgedaan" (rechtsoverweging 14). Op basis van die overwegingen verklaarde het Hof vervolgens dat: 1) "een nationale bepaling die zonder onderscheid de detailverkoop van nationale en geïmporteerde produkten tegen lagere prijzen dan de door de detaillist betaalde inkoopprijs verbiedt, geen schadelijke gevolgen voor de afzet van alleen de geïmporteerde produkten kan veroorzaken en derhalve geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking kan vormen" (rechtsoverweging 16); 2) "de zonder onderscheid op nationale en geïmporteerde produkten toepasselijke vaststelling van de minimum-winstmarge op een bepaald bedrag en niet op een percentage van de kostprijs, in een geval als het onderhavige waarin het bedrag van de winstmarge een betrekkelijk gering gedeelte van de definitieve detailhandelsprijs uitmaakt, evenmin tot gevolg kan hebben dat de, eventueel goedkopere, geïmporteerde produkten worden benadeeld" (rechtsoverweging 17), en 3) "het daarentegen anders is gesteld met de op een bepaald bedrag vastgestelde minimumprijs, die weliswaar zonder onderscheid van toepassing is op nationale en geïmporteerde produkten, doch de afzet van deze laatste kan benadelen voor zover hij belet dat hun lagere kostprijs wordt weergegeven in de verkoopprijs voor de verbruiker" (rechtsoverweging 18).(14)
19 De nationale wettelijke bepaling die in de gevoegde zaken Keck en Mithouard tot de vraag om uitlegging van artikel 30 aanleiding gaf, betrof evenwel niet een verbod van de verkoop tegen een lagere dan de in het kader van een nationale prijzenregeling vastgestelde prijs, doch het (zowel aan grossiers als aan detailhandelaars opgelegde) verbod een bepaalde verkoopmethode toe te passen, bestaande in de wederverkoop van een produkt tegen een lagere prijs dan de inkoopprijs. Het Hof werd dus verzocht zich uit te spreken over de vraag of, en zo ja in welke mate, in dat geval ook het in het arrest Oosthoek(15) neergelegde beginsel moest worden toegepast, volgens welk (rechtsoverweging 15) een wettelijke regeling die bepaalde vormen van reclame of bepaalde methoden van verkoopbevordering beperkt of verbiedt, ook zonder rechtstreeks voorwaarden voor de invoer te stellen, de omvang hiervan kan beperken, "omdat ook indien een dergelijke regeling zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, het niet uitgesloten is dat het feit dat de betrokken onderneming gedwongen is, in de diverse Lid-Staten verschillende methoden van reclame of verkoopbevordering te hanteren of een door haar bijzonder doeltreffend geachte methode op te geven, een invoerbelemmering oplevert".
20 Het Hof heeft die gelegenheid aangepakt om het probleem van de uitlegging van artikel 30 helemaal opnieuw te bezien, en de gevolgen daarvan zijn uitermate betekenisvol omdat de ommekeer in de desbetreffende rechtspraak volstrekt gewild is (de bewoordingen van het arrest sluiten elke twijfel daaromtrent uit).
21 Nogmaals is de formule van het arrest Dassonville (zie rechtsoverweging 13 hierboven) het vertrekpunt. Het Hof bevestigt (rechtsoverweging 11), dat in de zin van artikel 30 van het Verdrag "als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking (is) te beschouwen, elke maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren". Voorts merkt het op (rechtsoverwegingen 12 en 13), dat "een nationale wettelijke regeling die wederverkoop met verlies in het algemeen verbiedt, (...) niet tot doel (heeft) het goederenverkeer tussen de Lid-Staten te regelen", doch "de omvang van de verkoop en, bijgevolg, die van de verkoop van produkten uit andere Lid-Staten kan beperken, doordat zij de ondernemers een methode van verkoopbevordering ontneemt". Ten slotte vraag het Hof zich in de laatste zin van rechtsoverweging 13 af, of die eventualiteit volstaat om de in geding zijnde regeling aan te merken als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Door te betwijfelen, of een wetgeving die de omvang van de verkoop van produkten uit andere Lid-Staten kan beperken, de invoer kan beïnvloeden, en dus binnen de werkingssfeer van artikel 30 kan vallen, geeft het Hof reeds aan waarop de ommekeer in de rechtspraak betrekking zal hebben.
22 Het Hof begint die ommekeer door een onderscheid te maken tussen, enerzijds, nationale beperkende voorschriften die de voorwaarden (benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling, enz.) betreffen waaraan goederen uit andere Lid-Staten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, moeten voldoen, en, anderzijds, nationale bepalingen die bepaalde verkoopmethoden aan banden leggen of verbieden. Het Hof verwijst uitdrukkelijk naar het arrest Cassis de Dijon(16) en verklaart (rechtsoverweging 15), dat de nationale voorschriften die tot eerstgenoemde categorie behoren, ook indien zij zonder onderscheid op alle produkten van toepassing zijn, als door artikel 30 verboden maatregelen van gelijke werking zijn aan te merken, behalve indien toepassing ervan gerechtvaardigd is door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer. Wat daarentegen de tot de tweede categorie behorende nationale bepalingen betreft, is het Hof van mening (rechtsoverweging 16), dat "in afwijking van de eerdere rechtspraak (...) (moet) worden aangenomen, dat als een maatregel die de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren" niet kan worden beschouwd, de toepassing van dergelijke bepalingen, a) mits zij van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en b) mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten. Immers, concludeert het Hof, "wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft (...) de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is" (rechtsoverweging 17).
23 Het Hof maakt dus een absoluut, "ontologisch" onderscheid: nationale beperkende voorschriften inzake de voorwaarden waaraan goederen uit andere Lid-Staten moeten voldoen, die het eigenlijke voorwerp van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten betreffen, belemmeren naar hun aard dat handelsverkeer. Nationale voorschriften die bepaalde verkoopmethoden verbieden of aan banden leggen daarentegen leveren niet naar hun aard een belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer op, daar zij slechts betrekking hebben op de voorwaarden en de omstandigheden waaronder produkten uit andere Lid-Staten worden verkocht.
Vergelijkt men op dit punt het arrest Keck en Mithouard met de hiervoor (zie rechtsoverweging 19 hierboven) aangehaalde overweging van het arrest Oosthoek, dan ligt redelijkerwijs de conclusie voor de hand, dat het Hof "in afwijking van de eerdere rechtspraak" erkent, dat de eventualiteit dat het verbod of het aan banden leggen van bepaalde verkoopmethoden een zodanige weerslag op het gedrag van de betrokken marktdeelnemers heeft, dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten nadelig wordt beïnvloed, zo zijdelings en hypothetisch is, dat niet eens een indirect of potentieel verband tussen de betrokken nationale bepalingen en de eventuele negatieve weerslag daarvan op de invoer vaststelbaar is.(17)
24 Uit het voorgaande volgt, dat een nationaal voorschrift dat bepaalde verkoopmethoden verbiedt of aan banden legt in beginsel geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is. Om vast te stellen of het betrokken voorschrift het intracommunautaire handelsverkeer onverlet laat, moet echter volledigheidshalve ook worden nagegaan, of het van toepassing is op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en voorts of het zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
25 De toetsing van de subjectieve werkingssfeer van een voorschrift noch de toetsing van de wijze waarop dat voorschrift rechtens de verhandeling van nationale produkten treft in vergelijking met ingevoerde produkten, kan mijns inziens niet tot grote problemen leiden bij de toepassing van de Keck en Mithouard-rechtspraak. Om deze twee problemen doeltreffend en diepgaand te onderzoeken, mag echter niet alleen naar de letter van het voorschrift worden gekeken; ook het doel en de strekking ervan moeten worden bezien, waarbij het betrokken voorschrift in de mate van het mogelijke in zijn ruimer reglementair kader moet worden geplaatst.
26 Bij het onderzoek van de vraag, of een nationaal voorschrift feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van ingevoerde produkten, zijn de moeilijkheden veel groter. Die moeilijkheden betreffen niet de begrenzing van het voorwerp van de controle: in deze fase van het onderzoek moet immers worden nagegaan, of een voorschrift dat enerzijds geen onderscheid maakt tussen nationale marktdeelnemers en marktdeelnemers-onderdanen van andere Lid-Staten, en dat anderzijds rechtens geen andere invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten dan op die van ingevoerde produkten, wanneer het in de praktijk wordt toegepast, gunstigere verhandelingscondities voor de nationale produkten tot gevolg kan hebben.
Welke methode bij bovenbedoelde toetsing moet worden gevolgd, is een open vraag: in het arrest Keck en Mithouard noch in de latere arresten waarin de beginselen van dat arrest zijn toegepast(18), zijn dienaangaande vaste aanwijzingen te vinden.
27 Een doeltreffend onderscheid tussen de toetsing van de praktische gevolgen van een voorschrift en de toetsing van de gevolgen in rechte ervan, kan mijns inziens in ieder geval slechts worden gemaakt aan de hand van bepaalde hypothesen betreffende de feitelijke omstandigheden waarin het onderzochte voorschrift toepassing kan vinden. Alsdan bestaat echter het gevaar, dat het onderzoek uitloopt op een eindeloze studie van situaties, waarbij één kunstmatige of statistisch onbeduidende hypothese volstaat om het juridisch neutrale karakter van het voorschrift in twijfel te trekken.
28 Om die reden ben ik van mening, dat het onderzoek van de gevolgen die een nationale maatregel in de praktijk kan hebben, vanuit de hier onderzochte optiek, moet plaatsvinden rekening houdend met de normale gang van zaken.(19) Bijgevolg moeten de in voorkomend geval aan het Hof hetzij in de verwijzingsbeschikking, hetzij in de ingediende schriftelijke opmerkingen meegedeelde feitelijke gegevens vanuit die invalshoek worden beoordeeld.(20)
V - Het antwoord op de prejudiciële vraag
29 Vaststaat, dat de in de prejudiciële vraag van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Bergen beschreven regeling geen voorwaarden stelt waaraan produkten uit andere Lid-Staten moeten voldoen. Kan van een dergelijke regeling echter worden gezegd, dat zij een bepaalde "verkoopmethode" verbiedt?
30 Mijns inziens moet die vraag bevestigend worden beantwoord. De door de verwijzende rechter beschreven regeling, houdende een algemeen verbod van de verkoop of het te koop aanbieden van goederen tegen een prijs, die weliswaar hoger is dan de prijs waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd, doch die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, heeft immers betrekking op de voorwaarden waaronder de verkoop van de goederen is toegestaan, en verbiedt dus een bepaalde "verkoopmethode" in de zin van het arrest Keck en Mithouard.
31 De vennootschappen ITM en Vocarex stellen (zie blz. 8 e.v. van hun bij het Hof ingediende opmerkingen, inzonderheid blz. 10), dat onder "verkoopmethoden" in de zin van het arrest Keck en Mithouard uitsluitend bijzondere verkoopmethoden moeten worden verstaan. Huns inziens valt de verkoop met een winstmarge daar niet onder, daar juist dat element, namelijk de winstmarge, ook al is die zeer klein, de "essentie zelf van de verkoop" vormt.
Dit argument kan ik niet aanvaarden, niet alleen omdat de in de verwijzingsbeschikking beschreven bepaling vermelde uiterst beperkte winstmarge niet kan worden beschouwd als "essentie zelf van de verkoop", maar vooral omdat de letter noch de geest van het arrest Keck en Mithouard ruimte laat voor een onderscheid tussen verkoopmethoden "sui generis", waarvan het verbod of de beperking buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag zou vallen, en "gewone" verkoopmethoden, waarvan het verbod of de beperking als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking zou worden beschouwd. In de arresten die na het arrest Keck en Mithouard zijn gewezen, beschouwde het Hof overigens nationale bepalingen die helemaal geen ongewone verkoopmethoden of verkoopmethoden sui generis waren, als met "verkoopmethoden" gelijk te stellen voorschriften, die dus buiten de werkingssfeer van artikel 30 vallen.(21)
32 Men kan echter niet definitief concluderen, dat het in de verwijzingsbeschikking beschreven voorschrift buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt, zonder eerst te onderzoeken of het van toepassing is op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en of het zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van ingevoerde produkten.
33 Het betrokken verbod geldt voor elke handelaar die in België activiteiten ontplooit, ongeacht zijn nationaliteit(22), en kennelijk voor grossiers wanneer zij aan detailhandelaars verkopen, en voor detailhandelaars wanneer zij aan de consumenten verkopen: de wet maakt immers geen onderscheid tussen hen.(23)
Uit de bewoordingen van de betrokken bepaling, die spreekt van de verkoop of het te koop aanbieden tegen een prijs die, in vergelijking met de prijs waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd (of waartegen het bij de herbevoorrading gefactureerd zou worden), slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, blijkt duidelijk, dat de verkoop door de producent of de fabrikant van het verkochte produkt niet onder het verbod valt: in dat geval is er immers uiteraard geen sprake van een voorafgaande bevoorrading. Dit gegeven is echter van geen invloed op de toetsing van de betrokken bepaling aan artikel 30 van het Verdrag, daar het verbod hoe dan ook niet voor Belgische producenten of fabrikanten geldt, en evenmin voor onderdanen van andere Lid-Staten die in België goederen verkopen die zij hebben geproduceerd of vervaardigd.(24) Het is overigens duidelijk, dat het Hof niet bevoegd is zich uit te spreken over de (niet alleen buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag, doch ook buiten die van het gemeenschapsrecht in het algemeen vallende) vraag, of het onderscheid tussen grossiers en detailhandelaars enerzijds, en producenten en fabrikanten anderzijds, onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel in het nationale recht.(25)
34 Thans moet worden onderzocht, of de onderzochte regeling zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
Mijns inziens is dat het geval. Uit de regeling zelf noch uit haar context vloeit voort, dat het verbod dat zij oplegt, rechtens de verhandeling van ingevoerde produkten op een andere wijze treft dan de verhandeling van nationale produkten; anderzijds wijst niets erop, dat het litigieuze verbod in de gewone gang van zaken een feitelijke discriminatie tot gevolg heeft in de hierboven beschreven zin.(26)
35 Wat dit laatste betreft, stellen de vennootschappen ITM en Vocarex evenwel, dat de betrokken nationale maatregel de verhandeling van produkten uit andere Lid-Staten meer treft dan de verhandeling van nationale produkten, daar:
a) de verhandeling van ingevoerde produkten grotere kosten meebrengt dan de verhandeling van nationale produkten (transport- en opslagkosten e.d.). Bijgevolg is de winstmarge bij de verkoop van ingevoerde produkten kleiner dan bij de verkoop van nationale produkten; de verkoop van ingevoerde produkten zal dus onvermijdelijk vaker binnen de werkingssfeer van het litigieuze voorschrift vallen;
b) het verbod van een methode van verkoopbevordering, zoals in casu de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge, voornamelijk ingevoerde produkten treft, omdat bij dergelijke produkten de behoefte aan dergelijke methoden groter is dan bij nationale produkten;
c) het betrokken verbod, nu het uitsluitend voor de grossiers en de detailhandelaars geldt, het de nationale producenten mogelijk maakt hun produkten met een uiterst beperkte winstmarge te verkopen. In vergelijking met de nationale producenten worden in een andere Lid-Staat gevestigde producenten dus benadeeld: om hun produkten te verdelen moeten laatstgenoemden in de regel immers een beroep doen op tussenpersonen, die wegens het betrokken verbod de produkten niet met behulp van de gewraakte verkoopmethode aan de man kunnen brengen.
36 Mijns inziens houdt geen enkel van deze argumenten steek. Meer in het bijzonder:
a) wordt in het in de verwijzingsbeschikking beschreven voorschrift met een verkoop met verlies gelijkgesteld, de verkoop die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, waarbij rekening wordt gehouden met de prijs waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd (of waartegen het bij de herbevoorrading zou gefactureerd worden), evenals met de algemene kosten. Met de eventueel hogere kosten die de verhandeling van produkten uit andere Lid-Staten meebrengt wordt dus rekening gehouden bij de beoordeling of de bij de verkoop van die produkten gerealiseerde winstmarge al dan niet uiterst beperkt is. Wat dit betreft, worden produkten uit andere Lid-Staten bijgevolg niet ongunstiger behandeld dan nationale produkten;
b) blijkt duidelijk uit de rechtsoverwegingen 13, 16 en 18 van het arrest Keck en Mithouard, tezamen gelezen, dat van een nationale wettelijke regeling die een bepaalde methode van verkoopbevordering, namelijk de wederverkoop met verlies, verbiedt, niet kan worden gezegd, dat zij de verhandeling van produkten uit andere Lid-Staten zwaarder treft dan die van nationale produkten. In de reeds aangehaalde (voetnoot 18) arresten Huenermund e.a. (rechtsoverwegingen 20-23) en Leclerc-Siplec (rechtsoverwegingen 20-23) redeneerde het Hof op dezelfde wijze met betrekking tot het verbod van bepaalde reclamemethoden. De logische conclusie van die rechtspraak is, dat het Hof de noodzaak om bij ingevoerde produkten methoden van verkoopbevordering toe te passen om de toegang van die produkten tot de markt van een andere Lid-Staat te vergemakkelijken, niet ziet als een element dat de uitwerking van bovenbedoelde verboden op de verhandeling van die produkten versterkt;
c) zo de producenten in de regel een beroep doen op tussenpersonen (grossiers of detailhandelaars) om hun produkten bij consumenten of andere Lid-Staten af te zetten, brengen de omstandigheden in een moderne marktorganisatie in de regel mee, dat ook de nationale producenten voor de distributie van hun produkten in de regel gebruik maken van de diensten van tussenpersonen (grossiers of, op zijn minst, detailhandelaars). Bijgevolg volstaat de eventualiteit dat het betrokken voorschrift de verhandeling van ingevoerde produkten meer treft dan die van nationale produkten die de nationale producent rechtstreeks aan de consument verkoopt niet, om van het litigieuze verbod te kunnen zeggen, dat het in de normale gang van zaken de verhandeling van ingevoerde produkten meer hindert dan die van nationale produkten.
37 Samengevat kan men zeggen, dat een nationale regeling als die welke in de verwijzingsbeschikking is beschreven en die de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge in het algemeen verbiedt, buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt omdat, zoals is gebleken, deze regeling van toepassing is op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
38 Mocht het Hof daarentegen van mening zijn, dat deze regeling een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is, moet worden nagegaan, of zij, het evenredigheidsbeginsel in aanmerking genomen, gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende eisen. Uit de vaste rechtspraak van het Hof na het arrest Cassis de Dijon(27) blijkt immers, dat een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en op ingevoerde produkten en die binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt omdat zij een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is, gerechtvaardigd kan zijn indien: a) zij een rechtmatige doelstelling ten aanzien van het gemeenschapsrecht nastreeft, die voorrang heeft boven de vereisten van het vrije verkeer van goederen, b) zij een passend middel is ter bereiking van het nagestreefde doel en c) zij een noodzakelijk middel is ter bereiking van dat doel, in die zin dat dit doel niet kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren.
39 Volledigheidshalve wil ik in de volgende punten nog in het kort ingaan op de vraag of, zo wordt aangenomen dat de in de verwijzingsbeschikking beschreven bepaling binnen de werkingssfeer van artikel 30 valt, zij gerechtvaardigd is in de zin als hierboven bedoeld.
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt indirect, dat het litigieuze verbod van de verkoop of het te koop aanbieden van produkten tegen een prijs die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, tot doel heeft een eerlijke concurrentie te garanderen en de belangen van de consumenten te beschermen. Het was er de nationale wetgever dus kennelijk om te doen, te voorkomen dat de betrokken verkoopmethode wordt gebruikt om concurrenten uit te schakelen die dezelfde produkten onmogelijk tegen die prijs kunnen verkopen of te koop aanbieden, of als een middel om consumenten aan te trekken waardoor deze laatsten, "aangelokt" door het aanbod, in een bepaald verkooppunt, van een produkt tegen een zodanig lage prijs dat deze de verkoper slechts een uitzonderlijk kleine winst verschaft, ertoe worden gebracht andere te koop aangeboden produkten te kopen, die, om bovenbedoelde lage prijs te compenseren, tegen een hogere dan de normale prijs worden verkocht.(28)
40 Het valt niet te betwijfelen, dat deze twee doelstellingen behoren tot die welke in beginsel een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag kunnen rechtvaardigen.(29) Voorts kan het litigieuze verbod, gezien zijn algemeen karakter, als een doeltreffend middel ter bereiking van die doelstellingen worden beschouwd. Juist dat algemene karakter zelf doet echter de vraag rijzen, of zo een algemeen verbod wel noodzakelijk is ter bereiking van de hierboven vermelde, in beginsel rechtmatige doelstellingen.
Ik denk het niet. Immers: a) wil de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge een middel zijn om de mededinging uit te schakelen, dan moet die verkoopmethode voortdurend en systematisch worden toegepast. Ter voorkoming van vervalsing van de concurrentie is het dus niet noodzakelijk, die verkoopmethode zo algemeen te verbieden, dat dit verbod ook de situaties omvat waarin de omstandigheden waarin zij wordt toegepast (bij voorbeeld een geïsoleerde of in de tijd beperkte toepassing) uitsluiten, dat de concurrentie wordt geschaad; b) de verkoop tegen een prijs die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, kan in ieder geval slechts in de fase van de detailverkoop een methode zijn om de consument te "strikken". De bescherming van de consument alleen vergt dus niet, dat deze verkoopmethode ook in de aan de detailverkoop voorafgaande verhandelingsstadia wordt verboden.
Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"Artikel 30 EEG-Verdrag is niet van toepassing op een nationale, in algemene bewoordingen geformuleerde bepaling, die de verkoop van een produkt tegen een prijs die weliswaar hoger is dan die waartegen dat produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd, doch die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, verbiedt door een dergelijke verkoop gelijk te stellen met een verkoop met verlies, wanneer deze bepaling, zoals in casu het geval is, van toepassing is op alle marktdeelnemers (grossiers en detailhandelaars) die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en wanneer zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten."
(1) - Belgisch Staatsblad van 29 augustus 1991, blz. 18712.
(2) - Zie, bij voorbeeld, de arresten van 14 juli 1994 (zaak C-438/92, Rustica Semences, Jurispr. 1994, blz. I-3519, r.o. 10), 9 juli 1992, (zaak C-131/91, "K" Line Air Service Europe, Jurispr. 1992, blz. I-4513, r.o. 10), en 7 maart 1989 (zaak 215/87, Schumacher, Jurispr. 1989, blz. 617, r.o. 6).
(3) - Zie bij voorbeeld in de recente rechtspraak, de arresten van 16 februari 1995 (gevoegde zaken C-29/94 tot en met 35/94, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 9-11), 5 oktober 1994 (zaak C-23/93, TV 10, Jurispr. 1994, blz. I-4795, r.o. 14) en 14 juli 1994 (zaak 379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. 3453, r.o. 27-29).
(4) - Zie, laatstelijk, het arrest van 9 februari 1995 (zaak C-412/93, Leclerc-Siplec, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 18).
(5) - Arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5).
(6) - Dienaangaande is het arrest van 9 augustus 1994 (gevoegde zaken C-363/93 en C-407//93 tot en met C-411/93, Lancry e.a., Jurispr. 1994, blz. I-3957) interessant. In rechtsoverweging 30 van dat arrest (waarin het Hof een regeling als die van het in de Franse overzeese departementen toegepaste octroi de mer onverenigbaar met de artikelen 9 en volgende van het Verdrag verklaarde, niet alleen op grond dat die belasting goederen treft die vanuit andere Lid-Staten in die departementen worden binnengebracht, maar ook op grond dat zij goederen treft die van uit een andere regio van dezelfde Lid-Staten aldaar worden binnengebracht) staat te lezen, dat de heffing van een belasting met de kenmerken van het octroi de mer slechts als een zuiver nationale situatie zou kunnen worden aangemerkt, wanneer zij uitsluitend over produkten afkomstig uit dezelfde Lid-Staat werd geheven. Volgens advocaat-generaal Tesauro valt de heffing van belastingen als hierboven beschreven, voor zover deze belastingen uit dezelfde Lid-Staat afkomstige produkten treffen, niet binnen de werkingssfeer van de artikelen 9 en volgende van het Verdrag; hij stelt (punt 18, in fine, van zijn conclusie), dat op een dergelijke situatie "het gemeenschapsrecht (...) niet van toepassing (is), evenmin als op enige andere situatie waarin alle elementen tot de interne sfeer van een enkele Lid-Staat beperkt blijven".
(7) - Arrest van 23 oktober 1986 (zaak 355/85, Cognet, Jurispr. 1986, blz. 3231, r.o. 10).
(8) - Arrest van 15 december 1982 (zaak 286/81, Jurispr. 1982, blz. 4575).
(9) - Eigen cursivering.
(10) - Een analyse vanuit dezelfde invalshoek van de rechtspraak van het Hof, met als conclusie dat het feit dat een nationale maatregel als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag wordt gekwalificeerd, niet noodzakelijkerwijs betekent, dat die bepaling niet op nationale produkten mag worden toegepast, is te vinden in de punten 20-25 van de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaken Lancry e.a. onder voormeld (zie voetnoot 6) arrest van 9 augustus 1994.
(11) - Zie arrest TV 10, reeds aangehaald, r.o. 14, alsmede de arresten van 22 september 1992 (zaak C-153/91, Petit, Jurispr. 1992, blz. I-4973, r.o. 8); 23 april 1991 (zaak C-41/90, Hoeffner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r.o. 37), en 18 maart 1980 (zaak 52/79, Debauve e.a., Jurispr. 1980, blz. 833, r.o. 9).
(12) - Deze twijfel wordt nog groter, wanneer men de inhoud beziet van één van de stukken (dat met het nummer 6) die de vennootschappen ITM en Vocarex bij de door hen bij het Hof ingediende opmerkingen hebben gevoegd. Uit dit document, waarop bedoelde vennootschappen zich beroepen tot staving van een argument dat geen verband houdt met het hier onderzochte probleem, blijkt, dat de Belgische produktie van aardappelen ruimschoots de nationale vraag dekt en dat nagenoeg alle in België geproduceerde aardappelen Bintjes zijn (de soort aardappelen die in de winkel van Vocarex is verkocht).
(13) - Arrest van 24 november 1993 (gevoegde zaken 267/91 en 268/91, Jurispr. 1993, blz. I-6097).
(14) - Zie, in die zin, de arresten van 7 juni 1983 (zaak 78/82, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 1955, r.o. 16); 29 januari 1985 (zaak 231/83, Cullet, Jurispr. 1985, blz. 305, r.o. 23 e.v.), en 7 mei 1991 (zaak C-287/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-2233, r.o. 21, 24 en 28), alsmede het arrest van 13 november 1986 (gevoegde zaken 80/85 en 159/85, Edah, Jurispr. 1986, blz. 3359, r.o. 10 e.v.).
(15) - Reeds aangehaald in voetnoot 8. Zie ook de arresten van 16 mei 1989 (zaak 382/87, Buet, Jurispr. 1989, blz. 1235, r.o. 7 en 8); 7 maart 1990 (zaak 362/88, GB-Inno-BM, Jurispr. 1990, blz. I-667, r.o. 7); 30 april 1991 (zaak C-239/90, Boscher, Jurispr. 1991, blz. I-2023, r.o. 14), en 18 mei 1993 (zaak C-126/91, Yves Rocher, Jurispr. 1993, blz. I-2361, r.o. 10).
(16) - Arrest van 20 februari 1979 (zaak 120/78, Rewe-Zentral, Jurispr. 1979, blz. 649).
(17) - Mijns inziens is het niet onbelangrijk, dat het Hof in het na het arrest Keck en Mithouard gewezen arrest van 14 juli 1994 (zaak C-379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. I-3453, r.o. 24), waarin het een antwoord gaf op een prejudiciële vraag over de verenigbaarheid met artikel 30 van het Verdrag van een Italiaanse wet die door het lozen van chemische stoffen in zee te verbieden en de Italiaanse schepen dure installaties op te leggen, de invoer van chemische produkten in Italië dreigde duurder te maken, overwoog, dat "een wettelijke regeling als de onderhavige geen onderscheid maakt naar de herkomst van de vervoerde stoffen, dat zij niet tot doel heeft, het handelsverkeer met de andere Lid-Staten te regelen, en dat de beperkingen die zij voor het vrije verkeer van goederen teweeg zou kunnen brengen, zo onzeker en indirect zijn, dat men van de in de regeling vervatte verplichting niet kan zeggen, dat zij de handel tussen de Lid-Staten belemmert" (arresten van 7 maart 1990, zaak C-69/88, Krantz, Jurispr. 1990, blz. I-583, r.o. 11, en van 13 oktober 1993, zaak C-93/92, CMC Motorradcenter, Jurispr. 1993, blz. I-5009, r.o. 12) - (eigen cursivering).Ik wil daarbij echter wel opmerken, dat de nationale bepaling naar aanleiding waarvan het Hof artikel 30 in het arrest Peralta heeft uitgelegd, onder geen van beide categorieën nationale bepalingen kan worden ingedeeld die, wat hun gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer betreft, in het arrest Keck en Mithouard aan de orde waren.
(18) - Arresten van 15 december 1993 (zaak C-292/92, Huenermund e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6787); 2 juni 1994 (gevoegde zaken C-401/92 en 402/92, Tankstation 't Heukske en Boermans, Jurispr. 1994, blz. I-2199); 2 juni 1994 (gevoegde zaken C-69/93 en 258/93, Punto Casa en PPV, Jurispr. 1994, blz. I-2355), en 9 februari 1995 (Leclerc-Siplec, voormeld in voetnoot 5).
(19) - Zo zou bij voorbeeld niet als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking zijn te beschouwen, een voorschrift dat neutraal is wat betreft zijn subjectieve werkingssfeer en het gevolg dat het in rechte voor de verhandeling van de produkten heeft, doch dat in een volstrekt hypothetisch geval de verhandeling van ingevoerde produkten feitelijk op een andere wijze zou kunnen treffen dan de verhandeling van nationale produkten. Ik denk dat die opvatting aansluit bij voormelde (zie voetnoot 17) rechtsoverweging 24 van het arrest Peralta.
(20) - Voor een andere benaderingswijze van het probleem van de beoordeling van het feitelijk gevolg van een nationale bepaling voor de verhandeling van nationale en ingevoerde produkten, zie de punten 23 en 24 van de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaken Tankstation 't Heukske en Boermans (arrest van 2 juni 1994, reeds aangehaald in voetnoot 18).
(21) - Ik herinner eraan, dat van die (in voetnoot 18 aangehaalde) arresten het arrest Huenermund e.a. een bepaling betrof die apothekers verbiedt buiten hun officina reclame voor parapharmaceutische produkten te maken, het arrest Tankstation 't Heukske en Boermans bepalingen betreffende de openingsuren van tankstations, het arrest Punto Casa en PPV een bepaling die bepaalde commerciële activiteiten op zondag verbiedt, en, ten slotte, het arrest Leclerc-Siplec een verbod op televisiereclame voor een bepaalde methode van verhandeling (distributie) van produkten.
(22) - Wat dit punt betreft, zijn de argumenten van de vennootschappen ITM en Vocarex (zie blz. 12, in fine, van hun opmerkingen), dat de betrokken regeling ITM een methode van verkoopbevordering ontzegt die haar moedermaatschappij in Frankrijk, het land waar deze is gevestigd, wel mag toepassen, van geen invloed op het onderzoek van het litigieuze voorschrift vanuit het oogpunt van artikel 30 van het Verdrag.
(23) - Voor de werkingssfeer van artikel 40 van de Belgische wet van 14 juli 1991 en, meer in het algemeen, voor de problemen van nationaal recht waartoe de toepassing van de Belgische wetgeving betreffende de verkoop met verlies en de verkoop met een uiterst beperkte winstmarge aanleiding geeft, zie, onder meer, De Brouwer, L.: "Les ventes réglementées", in Les pratiques du commerce et la protection et l'information du consommateur depuis la loi du 14 juillet 1991, blz. 71 e.v., inzonderheid blz. 72-75; de Caluwé, A., Delcorde, C., Leurquin, X.: "Les pratiques du commerce", deuxième édition, nrs. 13.1 e.v., en Puttemans, A.: "La réglementation de la vente à perte", Journal des Tribunaux, 1991, blz. 225 e.v.
(24) - Opgemerkt zij, dat in de nationale wetgeving waarover het in de prejudiciële vraag in de zaak Keck en Mithouard ging, eveneens een onderscheid werd gemaakt tussen wederverkopers (die niet met verlies mochten verkopen) en fabrikanten (die aan dat verbod ontsnapten).
(25) - Vergelijk het arrest van 16 juni 1994 (zaak C-132/93, Steen, Jurispr. 1994, blz. I-2715, r.o. 10).
(26) - Ik wil hier wijzen op de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking, waar wordt gezegd, dat het begrip "verkoop die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft", zoals dat in de litigieuze regeling voorkomt, een bron van "grote rechtsonzekerheid" voor de handelaars is, die door de rechtspraak ter zake nog wordt verergerd, en dat die onzekerheid een belemmering van het vrije verkeer van goederen kan opleveren. Mijns inziens volstaat dit element op zich niet, om een nationale regeling als die waarover het in casu gaat, en die een bepaalde "verkoopmethode" verbiedt, binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag te brengen; evenmin lijkt het mij de uitwerking van die regeling op de verhandeling van ingevoerde produkten te versterken.
(27) - Zie, in de recente rechtspraak, het arrest van 2 februari 1994 (zaak C-315/92, Verband Sozialer Wettbewerb, Jurispr. 1994, blz. I-317, r.o. 13-16).
(28) - Met betrekking tot de doelstellingen van de Belgische wetgeving inzake het verbod van de verkoop met verlies en de verkoop tegen een prijs die slechts een uiterst beperkte winstmarge verschaft, zie de Caluwé, A., Delcorde, C., Leurquin, X., op. cit., nr. 13.2; Puttemans, A., op. cit., inzonderheid blz. 225 en 238. Zie ook Balate, E.: "La loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l'information et la protection de consommateur: évaluation au regard du droit européen" in Les pratiques du commerce et la protection et l'information du consommateur depuis la loi du 14 juillet 1991, blz. 175 e.v., inzonderheid blz. 210-212.
(29) - Ik herinner eraan, dat het Hof reeds in het (in voetnoot 16 aangehaalde) arrest Cassis de Dijon (rechtsoverweging 8) "de bescherming van de eerlijkheid der handelstransacties en de bescherming van de consumenten" beschouwde als "dringende behoeften" die het opleggen van een maatregel van gelijke werking kunnen rechtvaardigen.
Full & Egal Universal Law Academy