Conclusie van de advocaat generaal
1 In haar krachtens artikel 173 EG-Verdrag ingesteld beroep verzoekt de Franse Republiek het Hof om nietigverklaring van beschikking 93/673/EG van de Commissie van 10 december 1993 tot vaststelling van de forfaitaire verlaging van de voorschotten op de afrekening van de landbouwuitgaven bij nalatigheid ten aanzien van de bepalingen inzake de indiening van de jaarlijkse vragenlijst over de toepassing van de bij verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad ingestelde regeling inzake de extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten(1) (hierna: "beschikking").
De Franse regering stelt in het bijzonder, dat de beschikking in strijd met de bepalingen die daarvan de juridische grondslag vormen, en met bepaalde wezenlijke vormvoorschriften, alsmede in strijd met de bepalingen van de verordening inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is vastgesteld, alsook dat de in de beschikking op niet-naleving van de betrokken bepalingen gestelde sancties in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.
De normatieve context
2 De regeling inzake de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten werd ingevoerd in 1984 teneinde het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod voor melk en zuivelproducten op de gemeenschappelijke markt te verhelpen.
De regeling werd vervolgens verlengd voor zeven jaar, te rekenen vanaf 1 april 1993, bij verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten(2), waarbij, met gebruikmaking van de tijdens de eerste jaren van de regeling opgedane ervaring, enkele wijzigingen zijn ingevoerd ter verbetering en ter vereenvoudiging (hierna: "basisverordening").
3 Overeenkomstig artikel 11 van de basisverordening(3), stelde de Commissie op 9 maart 1993 verordening (EEG) nr. 536/93 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten vast(4) (hierna: "uitvoeringsverordening").
De vijfde overweging van de considerans van de uitvoeringsverordening luidt als volgt:
"Overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat de doeltreffendheid van de regeling wordt geschaad door grote vertragingen bij het doorgeven van de cijfers over leveranties of rechtstreekse verkoop en bij de betaling van de heffing; dat uit deze ervaring derhalve de nodige lessen dienen te worden getrokken en strikte termijnen voor mededeling van gegevens en voor betaling dienen te worden opgelegd, waarbij in sancties dient te worden voorzien."
Artikel 8, vierde streepje van die verordening verplicht de Lid-Staten, de Commissie in kennis te stellen van "de naar behoren ingevulde antwoorden op de in de bijlage opgenomen vragenlijst, zulks vóór 1 september. Bij niet-inachtneming van de termijn past de Commissie op de voorschotten op de afrekening van de landbouwuitgaven een forfaitaire verlaging toe."
De betrokken vragenlijst is bedoeld voor het inwinnen van een reeks inlichtingen en statistische gegevens met betrekking tot de toepassing en het functioneren van het stelsel voor ieder jaar en voor elke Lid-Staat.
4 Vastgesteld op basis van artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening, legt de litigieuze beschikking de percentages vast voor de verlaging van de voorschotten.
In het bijzonder voorziet zij in een verlaging van 1 % van het totale bedrag dat voor het voorafgaande begrotingsjaar aan die Lid-Staat is betaald, wanneer de vragenlijst niet voor 1 september van het lopende jaar is ingezonden (artikel 1), in een verlaging van 0,5 % bij inzending van een vragenlijst die voor meer dan 10 % onjuist blijkt (artikel 2), en in een verlaging van 0,04 % per ontbrekend gegeven in geval van een onvolledige vragenlijst.
5 Artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening is onlangs gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/96 van de Commissie van 22 januari 1996.(5)
Bij artikel 1, lid 1, van deze verordening is de volgende alinea aan de oorspronkelijke tekst toegevoegd: "Bij wijziging van de gegevens, met name naar aanleiding van de controles waarin is voorzien bij artikel 7, wordt de Commissie vóór 1 december, 1 maart en 1 juli van elk jaar een bijwerking toegezonden."(6)
De in het beroep aangevoerde middelen
6 Het beroep van de Franse regering steunt, zoals gezegd, op drie verschillende middelen, namelijk: schending van artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening en artikel 11 van de basisverordening, alsmede van een aantal wezenlijke vormvoorschriften; schending van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(7) en schending van het evenredigheidsbeginsel.
Het eerste middel
7 Met haar eerste middel stelt de Franse regering dat de beschikking, met name de artikelen 2 en 3, niet geldig kon worden gebaseerd op artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening. Die laatste bepaling schrijft de verlaging van de bedoelde voorschotten uitdrukkelijk enkel voor in het geval waarin de vragenlijst te laat wordt ingediend, terwijl het geval (geregeld in de artikelen 2 en 3) van inzending van een onjuiste of onvolledige vragenlijst daarin niet wordt genoemd.
Volgens de Franse regering vinden de artikelen 2 en 3 van de litigieuze beschikking evenmin een passende rechtsgrondslag in artikel 11 van de basisverordening, dat, zoals reeds gezegd, de Commissie bevoegdheid verleent om bepalingen ter uitvoering van de extra heffing vast te stellen. Deze bepaling schrijft namelijk uitdrukkelijk de deelneming van het beheerscomité aan de procedure tot vaststelling van de betrokken uitvoeringsmaatregelen voor(8), terwijl niet blijkt dat dit comité bij de vaststelling van de bestreden beschikking is geraadpleegd.
8 Om de gegrondheid van de argumenten van de Franse regering betreffende het eerste middel te onderzoeken, acht ik het wenselijk om, al was het maar kort, in te gaan op de doeleinden die met het stelsel van extra heffing in de sector melk worden nagestreefd, en vervolgens op de ratio van de betrokken bepaling van artikel 8 van de basisverordening en daarmee dus van de bepalingen van de bestreden beschikking.
Om te beginnen wijs ik erop, dat de betrokken regeling zoals gezegd werd ingevoerd teneinde de onevenwichtigheid op de zuivelmarkt tussen steeds toenemende productie en een daarentegen stagnerende interne consumptie en uitvoer te verminderen. Bij verordening (EEG) nr. 856/84 van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68(9) heeft de Raad voor het eerst het stelsel van de extra heffing ingevoerd, dat wil zeggen een mechanisme van financiële verantwoordelijkheid dat in werking treedt wanneer de in een bepaalde Lid-Staat (niet geproduceerde, maar) verhandelde hoeveelheid melk een tevoren vastgesteld jaarlijks niveau overschrijdt (de zogenoemde "referentiehoeveelheid" of "melkquota"). Het was de bedoeling om daarmee een rem te zetten, zo niet op de productie dan in ieder geval op de verhandeling van melk en zuivelproducten, om de structurele overschotten in deze sector terug te brengen.
9 Deze regeling, die herhaaldelijk werd verlengd en gewijzigd en uiteindelijk in de basisverordening is gecodificeerd, functioneert in grote lijnen als volgt: aan iedere Lid-Staat worden referentiehoeveelheden toegewezen, die binnen die staat in individuele hoeveelheden voor iedere producent worden verdeeld. Deze laatste moet, onder toezicht van de bevoegde nationale instantie, in geval van overschrijding van genoemde hoeveelheid het verschuldigde bedrag ter zake van extra heffing betalen.(10)
De opbrengst van de heffing, thans vastgesteld op 115 % van de richtprijs voor melk, wordt aan de Gemeenschap afgedragen(11) en aangewend ter financiering van de uitgaven voor het stabiliseren en reguleren van de zuivelmarkt.
10 Op de grondslag van artikel 11 van de basisverordening heeft de Commissie de uitvoeringsverordening vastgesteld met het drieledig doel: verkrijging van aanvullende elementen voor de eindafrekening van de heffing, vaststelling van maatregelen die moeten garanderen dat de heffing tijdig wordt betaald, en invoering van controlevoorschriften die verificatie van de regelmatigheid van de inning van de heffing mogelijk maken (zie tweede overweging van de considerans).
Het toezicht op de regelmatigheid van de inning is in de eerste plaats toevertrouwd aan de bevoegde nationale instanties, die gehouden zijn om ter plaatse de nodige verificaties en controles te doen plaatsvinden.(12) De Commissie wordt jaarlijks van de situatie betreffende de inning van de heffing in iedere Lid-Staat op de hoogte gebracht door inzending van de in artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening bedoelde vragenlijst door de nationale instanties.
11 Op basis van de van iedere Lid-Staat verkregen gegevens beoordeelt de Commissie of corrigerende maatregelen wenselijk zijn; in geval van overschrijding van de referentiehoeveelheden door een of meerdere Lid-Staten kan zij bijvoorbeeld, naargelang de omvang van de overschrijding, rechtstreeks in de prijzen ingrijpen, de restituties bij uitvoer verhogen, of de opslag van overschotten voorschrijven. Wanneer zij constateert dat een Lid-Staat in strijd met het gemeenschapsrecht bepaalde aan de Gemeenschap toekomende bedragen niet heeft geïnd, kan zij bovendien tot verlaging van de maandelijkse voorschotten op de landbouwuitgaven overgaan, op basis van de haar door de geldende bepalingen toegekende bevoegdheden, die het Hof in zijn arresten van 17 oktober 1991 heeft bekrachtigd.(13)
Zoals men ziet, is de vragenlijst voor het goede beheer van de regeling op communautair niveau dus een cruciaal instrument, aangezien hij de Commissie aan alle gegevens helpt die zij nodig heeft om op de meest doelmatige wijze op te treden. De beschikking over deze gegevens door middel van deze vragenlijst is, let wel, niet alleen onontbeerlijk met het oog op de controle en de coördinatie van de inning van de heffing, maar uiteindelijk ook om iedere distorsie die zich als gevolg van de onevenwichtigheid tussen aanbod en vraag op de betrokken markt zou kunnen voordoen, zo veel mogelijk weg te nemen of te corrigeren; dit is, zoals wij hebben gezien, het uiteindelijke doel dat met de extra heffing wordt beoogd.
12 Dit gezegd zijnde, is het duidelijk dat de verplichting voor de Lid-Staten om de Commissie alle nodige gegevens te verstrekken om haar in staat te stellen de beheerstaak die het Verdrag haar toevertrouwt, doelmatig uit te oefenen, redelijkerwijze slechts kan worden vervuld door toezending van een volledige en juiste vragenlijst; wordt derhalve artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening aldus uitgelegd, dat deze bepaling alleen een verplichting van chronologische aard behelst, dat wil zeggen de verplichting om een vragenlijst binnen een bepaalde termijn in te zenden (al zou die, absurd genoeg, onvolledig of onjuist zijn ingevuld), dan wordt het volstrekt zinloos.
Daarbij komt dat de letterlijke tekst van deze bepaling, zoals reeds vermeld, de Lid-Staten verplicht om ieder jaar vóór 1 september de "naar behoren ingevulde antwoorden op de in de bijlage opgenomen vragenlijst" in te zenden.(14)
In die omstandigheden acht ik er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk, dat de litigieuze beschikking, ook waar deze nadelige financiële consequenties in het vooruitzicht stelt voor de Lid-Staat die, zij het tijdig, een onvolledige of onjuiste vragenlijst inzendt, volledig binnen de grenzen blijft van de in artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening gestelde vereisten.
13 Ten slotte is het argument van de Franse regering, dat de beschikking in strijd met de in artikel 11 van de basisverordening genoemde vormvoorschriften is vastgesteld, naar mijn mening evenmin gegrond.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, behelst de beschikking geen "bepaling ter uitvoering" in de zin van artikel 11, die als zodanig het advies van het beheerscomité zou vergen; het gaat enkel om een handeling waarbij de verlaging op de voorschotten wordt vastgelegd, in voor alle Lid-Staten gelijke percentages, ten aanzien van de verschillende gevallen van overtreding van artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening.
14 De Commissie zou zulke verlagingen immers even goed bij individuele beschikking aan de respectieve Lid-Staten kunnen opleggen krachtens de bevoegdheid die artikel 8, vierde streepje, van de uitvoeringsverordening haar daartoe rechtstreeks verleent.
Het eerste middel is derhalve niet gegrond.
Het tweede middel
15 Met haar tweede middel stelt de Franse regering schending van de reeds genoemde verordening nr. 729/70(15), zoals in vaste rechtspraak van het Hof uitgelegd.
De Franse regering beroept zich met name op de arresten van 17 oktober 1991, waarin het Hof de bevoegdheid van de Commissie heeft erkend om de maandelijkse voorschotten overeenkomstig de boekhoudkundige situatie van iedere Lid-Staat bij het EOGFL te verminderen wanneer in strijd met het gemeenschapsrecht bepaalde bedragen niet zijn geïnd, waarbij het Hof evenwel preciseerde dat deze vermindering geen definitief karakter heeft, maar veeleer voorlopig is en de uiteindelijke beschikking over de goedkeuring van de jaarrekeningen niet kan prejudiciëren.(16)
Volgens de Franse regering hebben de in de litigieuze beschikking geregelde consequenties, in tegenstelling tot hetgeen het Hof heeft uitgemaakt, een definitief karakter, gelet met name op het feit dat zij automatisch worden toegepast, zonder dat er enig vermoeden van schending van het gemeenschapsrecht door de betrokken Lid-Staat bestaat en zonder dat die Lid-Staat in staat wordt gesteld zijn standpunt ter zake kenbaar te maken.
16 Dit argument lijkt mij zonder meer ongegrond, aangezien er geen reden is te veronderstellen dat de betrokken verlagingen niet, evenals elke andere verlaging op de landbouwuitgaven in het kader van het EOGFL, van tijdelijke en voorlopige aard zouden zijn, omdat zij bij de uiteindelijke beschikking over de goedkeuring van de rekeningen waarbij de financiële situatie van iedere Lid-Staat wordt vastgesteld, moeten worden herzien.
Anderzijds baseert de Franse regering haar bewering op het enkele feit dat noch de uitvoeringsverordening, noch de beschikking uitdrukkelijk regelen dat de betrokken verlagingen bij de uiteindelijke beschikking over de goedkeuring van de rekeningen zullen worden herzien.
17 In dit verband behoeft nauwelijks betoog dat de Commissie zelf meermaals heeft bevestigd, zowel in haar processtukken als ter terechtzitting, dat de betrokken maatregelen een voorlopig karakter hebben en bij de vaststelling van de definitieve beschikking ten aanzien van elke Lid-Staat kunnen worden herzien.
Met name heeft de Commissie eraan herinnerd, dat, zoals juist blijkt uit de bepalingen inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals die door het Hof zijn uitgelegd, verlagingen van de maandelijkse voorschotten die bij de definitieve goedkeuringsbeschikking ten onrechte zouden blijken te zijn toegepast (bijvoorbeeld omdat de bestrafte vertraging aan overmacht was toe te schrijven) adequaat zouden worden gecompenseerd in de uiteindelijke berekening van het aan iedere Lid-Staat toekomende bedrag. In dit stadium beschikt het Hof niet over gegevens die aanleiding geven om te twijfelen aan de op onderhavig gebied geldende praktijk, die overigens in overeenstemming is met de gevestigde rechtspraak.
Het derde middel
18 In haar derde middel stelt de Franse regering, dat de Commissie, door bij de litigieuze beschikking de bewuste verlagingspercentages vast te stellen, het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
In het bijzonder betoogt de Franse regering, dat de desbetreffende bepalingen verder gaan dan "hetgeen passend en noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel" in de zin van het arrest Buitoni(17), aangezien zij werkelijke sancties behelzen tegen de Lid-Staat die zijn verplichting om de vragenlijst in te zenden niet is nagekomen; waar deze sancties bovendien niet worden gesteld op de schending van de (hoofd)verplichting om te zorgen voor inning van de heffing, maar veeleer op de (neven)verplichting om de Commissie op de hoogte te brengen van de bijzonderheden betreffende de inning, zouden zij indruisen tegen de beginselen die het Hof in de arresten Man (Sugar) en Drewes heeft geformuleerd.(18)
19 De Commissie van haar kant bestrijdt dat de bewuste verlagingen sancties zijn en omschrijft deze, gelet op onder meer hun voorlopige en tijdelijke karakter, als "nadelige financiële consequenties" voor de betrokken Lid-Staat; bovendien herinnert zij eraan dat het onderscheid tussen hoofd- en nevenverplichtingen, dat het Hof gebruikt in de context van een specifieke en welomschreven situatie die verschilt van de onderhavige casus, namelijk de verplichting een waarborg te stellen voor aanvragen voor uitvoercertificaten(19), niet zonder meer op de onderhavige procedure overdraagbaar is.
Zij benadrukt opnieuw dat de in de vragenlijst vervatte gegevens essentieel zijn voor een goed beheer van de gehele heffingsregeling en zij acht de betrokken maatregelen daarom evenredig aan het nagestreefde doel.
20 Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Pressler(20) reeds opmerkte, geloof ik niet dat de juridische kwalificatie van de bepalingen die aan niet-naleving van bepaalde voorwaarden een nadelig rechtsgevolg voor de betrokkene verbinden, in beginsel van belang is voor de beoordeling, of zulke bepalingen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Toegespitst op de onderhavige zaak wil dit zeggen, dat het feit of het om sancties in technische zin gaat, zoals de Franse regering beweert, of om nadelige financiële consequenties, zoals de Commissie stelt, hoe dan ook zonder belang is voor de beoordeling, of zij met het evenredigheidsbeginsel in overeenstemming zijn.
In ieder geval moet volgens thans vaste rechtspraak van het Hof worden nagegaan, of de in die bepaling vervatte maatregelen niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel, en meer in het bijzonder of de middelen waarmee de bepaling het gestelde doel tracht te bereiken in verhouding staan tot het belang van dit doel, en of zij noodzakelijk zijn om het te bereiken.(21)
21 Zoals reeds gezegd, heeft de beschikking geen ander doel dan de bewoordingen van een in feite reeds in artikel 8 van de uitvoeringsverordening vervat voorschrift nader te preciseren; zij bepaalt de verlagingspercentages die zullen gelden in geval van de verschillende vormen van verzuim door de Lid-Staten van hun verplichting om de Commissie binnen een bepaalde termijn een naar behoren ingevulde vragenlijst toe te zenden.
Gelet op het belang van de in die vragenlijst vervatte gegevens voor een goed beheer van de extra-heffingsregeling, en op het feit dat de Commissie haar zeer belangrijke rol bij de coördinatie en regulering van de zuivelmarkt alleen goed kan vervullen, wanneer zij tijdig over de gegevens beschikt die zij nodig heeft om op het juiste tijdstip de gewenste interventiemaatregelen te nemen, meen ik niet dat de nadelige consequenties die de beschikking aan de schending van de betrokken verplichting verbindt, onevenredig zijn aan het beoogde doel.
22 Ik voel mij in deze conclusie gesterkt door het feit dat de verlaging van de voorschotten die de Commissie mag toepassen, van voorlopige aard is, en wordt herzien bij de vaststelling van de uiteindelijke beschikking tot goedkeuring van de rekeningen met betrekking tot de respectieve Lid-Staten, hetgeen ik, zoals hierboven onder punt 17 reeds opgemerkt, als een onlosmakelijk element in de regeling beschouw.
Met andere woorden de omstandigheid dat de verlagingen van de maandelijkse voorschotten, toegepast jegens een Lid-Staat die door zijn vertraging of niet-nakoming de werking van het gehele systeem in gevaar heeft gebracht, niet onomkeerbaar en definitief zijn, maar integendeel voor herziening vatbaar zijn, is reeds een argument voor de evenredigheid van zulke maatregelen.
23 Volledigheidshalve wil ik ten slotte nog vermelden, dat de Franse regering ter terechtzitting een beroep heeft gedaan op de recente verordening nr. 82/96, waarbij artikel 8 van de uitvoeringsverordening in dier voege werd gewijzigd, dat voor de Lid-Staten de verplichting wordt ingevoerd om bij eventuele wijzigingen van de gegevens in de vragenlijst naar aanleiding van de in artikel 7 geregelde controles per vier maanden een bijwerking in te zenden. Volgens de Franse regering toont deze wijziging aan, dat de Commissie in werkelijkheid ook in staat is om de regeling te beheren, wanneer de door haar benodigde gegevens op andere en latere tijdstippen worden toegezonden dan 1 september.
Ook dit argument faalt evenwel. De bedoelde viermaandelijkse bijwerkingen zijn immers niets anders dan correcties, waarin de nieuwe verordening voor abnormale gevallen voorziet (zoals inzending aan de Commissie van bij controle onjuist gebleken gegevens), en verandert dus niets aan het wezen van de op de Lid-Staten rustende verplichting om in normale gevallen de vragenlijst binnen de gestelde termijn volledig en juist in te zenden.
24 Concluderend meen ik niet, dat de door de Franse regering naar voren gebrachte argumenten redelijkerwijs twijfel kunnen doen rijzen omtrent de geldigheid van de bestreden beschikking, die integendeel de verdienste heeft de Lid-Staten medeverantwoordelijk te maken, zodat zij binnen het raam van hun bevoegdheid kunnen bijdragen aan de werking van een complex systeem dat de zuivelmarkt beoogt te normaliseren.
Gelet op de zwaarte van deze taak, lijkt het mij veelzeggend dat de "sanctie"-bepalingen naar zeggen van de Commissie tot op heden nooit zijn toegepast, omdat de Lid-Staten tot dusver de bedoelde verplichting punctueel en correct hebben nageleefd.
25 Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
- het beroep te verwerpen;
- de verzoekende Lid-Staat in de kosten te verwijzen.
(1) - PB 1992, L 310, blz. 44.
(2) - PB 1992, L 405, blz. 1.
(3) - Volgens hetwelk de bepalingen ter uitvoering van de verordening door de Commissie worden vastgesteld volgens een procedure waarbij het beheerscomité wordt ingeschakeld.
(4) - PB 1993, L 57, blz. 12.
(5) - PB 1996, L 17, blz. 1.
(6) - Artikel 7 van de basisverordening schrijft de controles voor, die de bevoegde nationale instanties bij de producenten en kopers moeten verrichten ter verzekering van een doelmatige werking van het systeem.
(7) - PB 1970, L 94, blz. 13.
(8) - Bedoeld wordt de procedure van artikel 30 van verordening (EEG) nr. 804/68 van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13).
(9) - PB 1984, L 90, blz. 10.
(10) - Om praktische redenen wordt het bedrag van de heffing betaald aan de bevoegde instantie door de koper, die dat bedrag inhoudt op de prijs die hij betaalt aan de producent, die de uiteindelijke schuldenaar is (zie artikel 2, lid 2, van de basisverordening).
(11) - Nauwkeuriger gezegd aan het EOGFL (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw).
(12) - Zie artikel 7, reeds aangehaald.
(13) - Zaak C-342/89 (Duitsland/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-5031) en zaak C-346/89 (Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-5057).
(14) - Cursivering van mij.
(15) - Zoals gewijzigd bij de verordeningen (EEG) nrs. 3183/87 van de Raad van 19 oktober 1987 (PB 1987, L 304, blz. 1), en 2048/88 van de Raad van 24 juni 1988 (PB 1988, L 185, blz. 1).
(16) - Arresten Duitsland/Commissie en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 16-19.
(17) - Arrest van 20 februari 1979 (zaak 122/78, Jurispr. 1979, blz. 677, r.o. 16).
(18) - Arresten van 24 september 1985 (zaak 181/84, Jurispr. 1985, blz. 2889) respectievelijk 18 april 1989 (zaak 358/87, Jurispr. 1989, blz. 891); het Hof heeft met name in rechtsoverweging 17 van dit laatste arrest, waarin het ging om de premie voor niet in de handel brengen van melk, verklaard: "de niet-nakoming van de (...) verplichting om geen melk en zuivelprodukten in de handel te brengen, kan de verwezenlijking van het doel van het premiestelsel, te weten de vermindering van de melk- en zuiveloverschotten, immers dermate belemmeren, dat terugvordering van alle reeds betaalde premiebedragen gerechtvaardigd is. Niet-inachtneming van een der (...) controlevoorschriften daarentegen kan een dergelijke werking slechts hebben voorzover de betrokken controle daardoor niet meer volledig is gewaarborgd."
(19) - Arrest Man (Sugar), reeds aangehaald.
(20) - Conclusie van 13 december 1991 bij het arrest van 21 januari 1992 (zaak C-319/90, Jurispr. 1992, blz. I-203, punten 3 en 4 van de conclusie).
(21) - Zie onder meer het arrest Pressler (reeds aangehaald, r.o. 12).
Full & Egal Universal Law Academy