CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 16 februari 1995 ( *1 )
A — Inleiding
1.
Op 11 juli 1991 sloot het Griekse Ministerie van Industrie, Energie en Technologie een overeenkomst met zes Griekse producenten van verbandmateriaal. Volgens deze „kaderovereenkomst” moesten de in bijlage A ervan vermelde ziekenhuizen bepaalde soorten verband uitsluitend bij deze producenten aankopen. De zes producenten verplichtten zich tegelijk om deze produkten te vervaardigen en aan deze ziekenhuizen te leveren (artikel 1 van de kaderovereenkomst). Voor het geval in de toekomst nieuwe ziekenhuizen werden opgericht of andere instellingen aan de kaderovereenkomst werden onderworpen, was bepaald, dat ook deze ziekenhuizen en instellingen hun behoeften aan deze produkten uitsluitend bij deze fabrikanten dienden te dekken (artikel 8 van de kaderovereenkomst).
2.
De kaderovereenkomst werd gesloten voor de duur van drie jaar vanaf haar inwerkingtreding. Die inwerkingtreding werd afhankelijk gesteld van de goedkeuring door de Griekse minister van Industrie, Energie en Technologie, die bij ministerieel besluit van 19 juli 1991 werd verleend. De kaderovereenkomst voorzag bovendien in een verlengingsmogelijkheid van de looptijd met een of twee jaar (artikel'14 van de kaderovereenkomst).
3.
Bij brief van 9 september 1991 nodigde de Commissie de Griekse regering uit om opmerkingen te maken over de verenigbaarheid van deze gang van zaken met de bepalingen van richtlijn 77/62/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen. ( 1 )
4.
Daar deze brief niet werd beantwoord, leidde de Commissie de procedure van artikel 169 EG-Verdrag in bij brief van 14 november 1991. Hierin wees zij erop, dat haars inziens richtlijn 77/62 toepasselijk was op de door de Griekse regering gesloten kaderovereenkomst en dat voor deze overeenkomst derhalve een aankondiging had moeten worden bekendgemaakt in het Pitblikatieblad van de Europese Gemeenschappen conform artikel 9 van de richtlijn. Het staat vast, dat dit niet is gebeurd.
5.
De Griekse regering bestreed deze verwijten. De Commissie bracht dan ook op 21 september 1992 een met redenen omkleed advies uit waarin zij haar bezwaren bevestigde en inging op het verweer van de Griekse regering.
6.
De Griekse regering gaf vervolgens bij brief van 10 december 1992 toe, dat het standpunt van de Commissie over de toepasselijkheid van richtlijn 77/62 juist was. Zij betoogde evenwel, dat de litigieuze overeenkomst de mededinging in de Gemeenschap niet ongunstig beïnvloedde en dat een eenzijdige opzegging ervan aanzienlijke moeilijkheden zou opleveren —in het bijzonder dreigden dan schadevorderingen van de betrokken producenten tegen de Griekse Staat. Bovendien hadden de Griekse autoriteiten de aanbevelingen van de Commissie al opgevolgd. Zo was een beding in de kaderovereenkomst, dat bij de vervaardiging van het betrokken verbandmateriaal alleen Griekse produkten mochten worden gebruikt, geschrapt. Voorts werd eraan gedacht geen gebruik te maken van de mogelijkheid om de kaderovereenkomst na afloop de voorziene termijn van drie jaar te verlengen.
7.
Nadat de Commissie had laten weten dat de gelaakte niet-nakoming door deze maatregelen haars inziens niet was opgeheven, zond de Griekse regering haar op 13 februari 1993 een nieuwe brief. Daarin werden de al in de brief van 10 december 1992 geschetste maatregelen die de Griekse regering had genomen of dacht te nemen, nog eens toegelicht. Bovendien werd erop gewezen, dat de Griekse regering aan de partijen bij de kaderovereenkomst had laten weten, dat zij overwoog de kaderovereenkomst voortijdig op te zeggen. De Griekse regering kondigde bovendien aan, vóór het einde van het jaar 1993 een aanbesteding voor de levering van verbandmateriaal uit te schrijven die aan alle gemeenschapsrechtelijke voorwaarden zou voldoen.
8.
Aangezien de Griekse regering hierop geen daden liet volgen, stelde de Commissie ten slotte krachtens artikel 169 EG-Verdrag beroep in bij het Hof van Justitie. Zij verzoekt het Hof:
1)
vast te stellen, dat de Helleense Republiek de krachtens richtlijn 77/62/EEG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door een kaderovereenkomst te sluiten voor de exclusieve levering door zes Griekse textielfabrikanten van verbandmateriaal ten behoeve van ziekenhuizen en het Griekse leger en door geen desbetreffende aankondiging bekend te maken in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen;
2)
de Helleense Republiek in de kosten van de procedure te verwijzen.
9.
De Helleense Republiek acht het beroep van de Commissie niet-ontvankelijk en betwist ook de gegrondheid ervan. Verweerster verzoekt dan ook het beroep af te wijzen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
B — Standpuntbepaling
De ontvankelijkheid
10.
Verweerster acht het beroep in twee opzichten niet-ontvankelijk. Enerzijds heeft zij al in haar antwoord op het met redenen omldeed advies de verweten niet-nakoming van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen toegegeven. Zij heeft in dit antwoord ook verklaard, dat de kaderovereenkomst na het verstrijken van de reguliere looptijd van drie jaar niet zou worden verlengd en dat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen in de toekomst zouden worden nageleefd. Volgens verweerster heeft de Commissie ten onrechte beroep ingesteld en schendt zij de verplichting tot gelijke behandeling van de Lid-Staten. De Helleense Republiek verwijst daarbij naar de handelwijze van de Commissie in een inbreukprocedure tegen Italië. ( 2 ) In die zaak heeft de Commissie genoegen genomen met een schriftelijke toezegging, dat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen in de toekomst zouden worden nageleefd.
Anderzijds acht verweerster het beroep niet-ontvankelijk, omdat de Commissie pas is opgetreden toen de litigieuze overeenkomst reeds werd uitgevoerd. Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken ( 3 ) moet de Commissie, wanneer zij van mening is dat de communautaire voorschriften inzake overheidsopdrachten zijn geschonden, al optreden vóór de sluiting van de betrokken overeenkomst.
11.
Dit laatste argument van de Griekse regering moet zonder meer worden verworpen. Wanneer de Commissie in geval van een schending van gemeenschapsrechtelijke bepalingen op het gebied van overheidsopdrachten niet zo snel optreedt als in de omstandigheden van het geval mag worden verwacht, kan dit van belang zijn voor de beslissing over in het kader van een inbreukprocedure door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen. ( 4 ) Aan de ontvankelijkheid van een beroep wegens niet-nakoming als zodanig verandert dit evenwel niets. Overigens heeft de Commissie terecht beklemtoond, dat zij al op 9 september 1991, dus minder dan twee maanden na de inwerkingtreding van de kaderovereenkomst, haar bedenkingen aan de Griekse regering heeft meegedeeld.
12.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/665 geeft de Commissie de mogelijkheid om nog „voor de sluiting van een overeenkomst” bij de Lid-Staten te interveniëren, wanneer zij van mening is, dat een duidelijke en kennelijke schending van de gemeenschapsvoorschriften inzake overheidsopdrachten heeft plaatsgevonden. Het gaat dus om een preventieve bevoegdheid. Zoals de Commissie terecht aanvoert, kan dit niets wijzigen aan de bevoegdheden van de Commissie krachtens artikel 169 EG-Verdrag. Het door het Hof op 24 januari 1995 in een beroep wegens niet-nakoming van de Commissie tegen Nederland gewezen arrest ( 5 ) bevestigt dit. Het Hof verklaarde: „Deze bijzondere procedure van richtlijn 89/665 vormt echter een preventieve maatregel die niet kan derogeren aan of in de plaats treden van de bevoegdheden die de Commissie uit hoofde van artikel 169 van het Verdrag heeft”. ( 6 )
13.
In casu is dit punt hoe dan ook irrelevant. Indien de Commissie „vóór de sluiting van een overeenkomst” moet optreden, dan veronderstelt dit, dat zij kennis heeft van de overeenkomst vóór de sluiting ervan. Verweerster heeft evenwel niet beweerd (en nog minder bewezen), dat de Commissie al vóór 19 juli 1991 kennis had van de kaderovereenkomst.
14.
Ook het eerste argument waarmee verweerster de ontvankelijkheid van het beroep bestrijdt, is niet overtuigend. De Helleense Republiek betoogt, dat zij de door de Commissie gelaakte niet-nakoming heeft toegegeven en beëindigd. Dit betoog is verrassend, alleen al omdat verweerster in het onderhavige geding ook de gegrondheid van het door de Commissie ingestelde beroep betwist — dus juist een inbreuk bestrijdt. Het betoog van de Griekse regering houdt evenwel ook geen steek wanneer die ongerijmdheid buiten beschouwing wordt gelaten. In essentie berust dit betoog op het feit dat verweerster de Commissie schriftelijk heeft toegezegd om in de toekomst (dus na afloop van de geldigheidsduur van de kaderovereenkomst) de toepasselijke gemeenschapsbepalingen na te leven. Dit betekent met andere woorden, dat de Griekse regering zich op het standpunt stelt, dat zij de haar verweten verdragsschending heeft beëindigd door te beloven het Verdrag niet verder te schenden.
15.
Deze opvatting is stellig af te wijzen. Anders zou de Lid-Staten een even eenvoudig als gemakkelijk middel aan de hand worden gedaan om zich tegen inbreukprocedures krachtens artikel 169 EG-Verdrag in te dekken. De onderhavige zaak illustreert dit bijzonder treffend. Zoals gezegd, werd de litigieuze kaderovereenkomst in juli 1991 gesloten voor de duur van drie jaar. In haar brief van 10 december 1992 — dat wil zeggen toen nog niet eens de helft van de looptijd van de kaderovereenkomst was verstreken — deelde de Griekse regering de Commissie mee, dat zij overwoog om de kaderovereenkomst niet te verlengen. In haar brief van 13 februari 1993 kondigde de Griekse regering aan, de kaderovereenkomst nog vóór de afloop van de geldigheidsduur ervan op te zeggen. Zover is het evenwel niet gekomen, zoals wordt bevestigd in het verweerschrift. De Griekse regering heeft ook niets gesteld waaruit zou kunnen blijken, dat het haar onmogelijk was de kaderovereenkomst voortijdig te beëindigen. De algemene en niet gekwantificeerde stelling van mogelijke schadevorderingen van de betrokken producenten, die in dit geval voor de Griekse Staat dreigden, is hiervoor niet voldoende. De loutere toezegging om de gemeenschapsrechtelijke voorschriften in de toekomst na te leven, kan de inbreuk niet opheffen.
16.
Anders dan de Griekse regering meent, kan de inbreukprocedure tegen Italië, waarover het Hof uitspraak heeft gedaan bij arrest van 10 maart 1987 ( 7 ), niet tot een andere beoordeling leiden. Die zaak betrof de bouw van een recycleerinstallatie voor vast afval door de stad Milaan, waarbij de voorschriften van richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1971, L 185, blz. 5), niet waren nageleefd. In het met redenen omkleed advies in die procedure laakte de Commissie deze inbreuk en verzocht zij Italië de „nodige maatregelen” te treffen. In dit advies werd gepreciseerd, dat onder nodige maatregelen met name was te verstaan een schriftelijke toezegging van de gemeente Milaan om in de toekomst alle bepalingen van richtlijn nr. 71/305 in acht te nemen.
17.
Het beroep van de Helleense Kepubliek op de handelwijze van de Commissie in voormelde zaak gaat evenwel om ten minste twee redenen niet op. Enerzijds heeft de Commissie in die zaak beroep bij het Hof ingesteld hoewei de burgemeester van Milaan een schriftelijke toezegging in de bedoelde zin had gegeven, en heeft het Hof het beroep toegewezen. Ik wijs er nog op, dat het Hof bij de beoordeling van de ontvankelijkheid vaststelde, dat de Italiaanse autoriteiten geen enkele „praktische maatregel” hadden getroffen om deze toezegging te effectueren. ( 8 ) Anderzijds was de uitgangspositie in die zaak heel anders dan in de onderhavige zaak. De Commissie ging in die zaak bij het uitbrengen van haar met redenen omkleed advies ervan uit, dat de betrokken werkzaamheden zo goed als gereed waren en de geplaatste opdrachten derhalve niet meer konden worden geblokkeerd of ingetrokken. ( 9 ) Tegen deze achtergrond is te begrijpen, waarom de Commissie in die zaak geneigd was genoegen te nemen met een voor de toekomst geldende verbintenis. In casu was het de Griekse regering daarentegen heel goed mogelijk geweest, de inbreuk — althans voor de resterende looptijd van de kaderovereenkomst — te beëindigen toen zij het met redenen omkleed advies van de Commissie ontving, aangezien de kaderovereenkomst op dat tijdstip nog lang niet was uitgewerkt.
18.
In het verweerschrift beroept de Griekse regering zich ook op de omstandigheid, dat naar aanleiding van de verwijten van de Commissie een van de bepalingen van de kaderovereenkomst is geschrapt. Zoals ik al heb gezegd, was dit het beding, dat bij de vervaardiging van het betrokken verbandmateriaal alleen Griekse produkten mochten worden gebruikt. De schrapping van dit beding was zeker een stap in de goede richting. Deze wijziging volstond evenwel niet om de door de Commissie gelaakte inbreuk op te heffen; de kern van de kaderovereenkomst — de verplichting voor de betrokken ziekenhuizen en andere instellingen om uitsluitend bij de in de overeenkomst aangewezen zes Griekse producenten in te kopen — bleef intact.
19.
Enkel volledigheidshalve wil ik nog opmerken, dat de omstandigheid dat in het met redenen omkleed advies van de Commissie (evenals in het verzoekschrift zelf) sprake is van de exclusieve aankoopplicht voor „ziekenhuizen en het leger”, in de aanmaningsbrief van 14 november 1991 evenwel nog slechts sprake is van „ziekenhuizen”, zonder belang is voor de ontvankelijkheidsvraag. Zoals de gemachtigde van de Griekse regering ter terechtzitting voor het Hof verklaarde, gold de exclusieve aankoopplicht van meet af aan ook voor de ziekenhuizen van het leger. De door de Commissie in haar aanmaningsbrief gekozen formulering strookt derhalve inhoudelijk met het verzoekschrift. Mijns inziens is dat voldoende. ( 10 ) De Griekse regering heeft in dit opzicht ook geen bezwaar geuit.
De gegrondheid
20.
Richtlijn 77/62 is in de loop der tijd verscheidene malen gewijzigd ( 11 ); bij richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringe ( 12 ) is een herziene versie vastgesteld. Volgens de rechtspraak van het Hof moet het bestaan van een inbreuk worden beoordeeld op basis van de situatie zoals die was aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. ( 13 ) In casu moet dus worden uitgegaan van de feitelijke en juridische situatie die eind 1992 bestond. De toentertijd toepasselijke versie van de hier te onderzoeken bepalingen is die van richtlijn 88/295/EEG van de Raad van 22 maart 1988. ( 14 ) De Commissie heeft in haar verzoekschrift verwezen naar de bepalingen van de oorspronkelijke versie van de richtlijn. Daar de sindsdien aangebrachte wijzigingen voor de onderhavige zaak materieel weinig betekenis hebben, is dat verder zonder belang. Ik zal hierna uitgaan van de eind 1992 geldende bepalingen.
21.
Ingevolge artikel 9, lid 2, van richtlijn 77/62 geven de aanbestedende diensten die een overheidsopdracht willen plaatsen, hun voornemen hiertoe te kennen in een aankondiging. Deze verplichting geldt evenwel ingevolge artikel 5, lid 1, sub a, eerste streepje — afgezien van de in artikel 5, lid 1, sub a, tweede streepje, vermelde opdrachten die in casu geen rol spelen — alleen voor overheidsopdrachten voor leveringen die door aanbestedende diensten in de zin van artikel 1, sub b, van de richtlijn worden gegund en waarvan de geraamde waarde ten minste 200000 ECU bedraagt. Ingevolge artikel 1, sub a, van de richtlijn wordt onder „overheidsopdrachten voor leveringen” verstaan de tussen een onderneming en een in artikel 1, sub b, omschreven aanbestedende dienst gesloten „schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel die betrekking hebben op de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van produkten”.
22.
De Commissie heeft betoogd, dat zowel het Griekse Ministerie van Industrie, Energie en Technologie alsook de onder de litigieuze overeenkomst vallende ziekenhuizen en andere instellingen als „aanbestedende diensten” in de zin van de richtlijn zijn te beschouwen. Dat lijkt mij juist en de Griekse regering heeft dit ook niet tegengesproken. Zij heeft er evenwel op gewezen, dat de kaderovereenkomst niet onder de bepalingen van de richtlijn valt, omdat zij enkel een „structuur” vormt voor de afwikkeling van een groot aantal leveringsopdrachten waarvan de afzonderlijke waarde het bedrag van 200000 ECU niet overschrijdt.
23.
De Griekse regering stelt zich dan ook op het standpunt, dat de door de betrokken ziekenhuizen en andere instellingen geplaatste opdrachten voor leveringen afzonderlijk moeten worden beschouwd. Aangezien geen enkele van deze opdrachten een bedrag van 200000 ECU bereikt, is de richtlijn niet toepasselijk. Mogelijk zit in die opvatting nog een ander argument, namelijk de vraag of de litigieuze kaderovereenkomst wel een „opdracht voor leveringen” in de zin van de richtlijn is. Of de Griekse regering het beroep van de Commissie ook op dit punt bestrijdt, viel niet met zekerheid af te leiden uit de uiteenzetting van haar vertegenwoordiger ter terechtzitting voor het Hof. Voorzichtigheidshalve zal ik ook op die vraag kort ingaan.
24.
Het eerste argument lijkt mij niet steekhoudend. Door de sluiting van de kaderovereenkomst heeft de Griekse regering (respectievelijk het bevoegde ministerie) zelf de individuele opdrachten voor leveringen tot een eenheid gebundeld. Dan is het echter ook consequent, bij de berekening van de waarde van de opdracht uit te gaan van het geheel en niet van de individuele leveringen. Het door de Commissie aangevoerde argument, dat anders de mogelijkheid wordt geschapen om de bepalingen van richtlijn 77/62 te ontduiken, steunt deze analyse. De waarde van alle onder de kaderovereenkomst vallende leveringsopdrachten overschrijdt onbetwist de drempel van 200000 ECU.
25.
Van meer belang is evenwel de vraag, of de kaderovereenkomst wel een „opdracht voor leveringen” in de zin van de richtlijn is. De invulling van het door de kaderovereenkomst geschapen kader vereist immers nog concrete leveringsopdrachten van de betrokken ziekenhuizen en andere instellingen. Een „vergoeding” is daarenboven pas verschuldigd op basis van individuele leveringsopdrachten. Deze overwegingen zijn evenwel veeleer van theoretische aard. Alle belangrijke bestanddelen van de overeenkomst — zoals in het bijzonder de verplichting tot exclusieve afname en de berekening van de te betalen prijs — zijn al in deze kaderovereenkomst geregeld, zodat de individuele leveringsopdracht op nauwelijks meer dan de te leveren hoeveelheid betrekking kan hebben. Legt men de richtlijnbepalingen uit naar hun doel, zoals mijns inziens noodzakelijk is, dan kan moeilijk worden ontkend, dat ook een dergelijke kaderovereenkomst als „opdracht voor leveringen” in de zin van de richtlijn is te beschouwen. ( 15 ) Wil men deze opvatting niet volgen, moet het onderhavige beroep (wegens het ontbreken van een inbreuk op richtlijn 77/62) worden verworpen. De kaderovereenkomst zou dan evenwel zeker als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 moeten worden aangemerkt, aangezien leveranciers uit andere Lid-Staten erdoor worden verhinderd te leveren aan bepaalde kopers in Griekenland.
26.
De Griekse regering heeft bovendien betoogd, dat zij in casu niet is overgegaan tot de in artikel 9 van de richtlijn voorgeschreven bekendmaking omdat tot dusver nog geen leverancier uit andere Lid-Staten belangstelling had getoond voor het uitvoeren van dergelijke leveringsopdrachten. Een bekendmaking ware dan ook een zinloze formaliteit geweest. Dit moet met kracht worden bestreden. Het ligt voor de hand, dat het zeer wel mogelijk is dat de door de Griekse regering geschetste situatie juist te wijten is aan de ontbrekende informatie van de leveranciers uit andere Lid-Staten.
27.
De Griekse regering heeft ten slotte aangevoerd, dat uit hoofde van een afwijkingsregeling in artikel 6 ( 16 ) van de richtlijn in casu geen bekendmaking vereist was. Deze bepaling betreft „leveringen waarbij de fabricage of de levering om technische redenen, artistieke redenen of wegens de bescherming van exclusieve rechten, slechts aan een enkele bepaalde leverancier kan worden toevertrouwd”. De vertegenwoordiger van de Griekse regering kon ter terechtzitting voor het Hof niet verklaren, hoe deze bepaling in deze zaak — die de levering van verbandmateriaal betreft — toepassing zou kunnen vinden. Zoals het Hof onlangs (en juist in verband met deze bepaling van richtlijn 77/62) weer heeft bevestigd, rust de bewijslast op degene die zich op deze afwijking wil beroepen. ( 17 ) Aan de door de Griekse regering ter terechtzitting geuite bewering, dat het betroliken verbandmateriaal toch alleen door de zes Griekse producenten geleverd had kunnen worden, kan —afgezien van de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van de Griekse regering op een desbetreffende vraag van het Hof niet in staat was een bewijs voor te leggen — geen betekenis worden gehecht, aangezien de richtlijn niet in een dergelijke afwijking voorziet.
C — Besluit
28.
Ik concludeer dan ook tot toewijzing van het beroep van de Commissie, met verwijzing van de Helleense Republiek in de kosten van de procedure.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) PD 1977, L 13, blic. 1.
( 2 ) Arrest van 10 maart 1987 (zaak 199/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 1039).
( 3 ) PB 1989, L 395, blz. 33.
( 4 ) Zie bij voorbeeld de beschikking van het Hof van 22 april 1994 (zaak C-87/94 R, Commissie/België, Jurispr. 1994, blz. I-1395, inzonderheid r. 0.42).
( 5 ) Zaak C-359/93, Jurispr. 1995, blz. I-157.
( 6 ) Reeds aangehaald (voetnoot 5), r. o. 13.
( 7 ) Reeds aangehaald (voetnoot 2).
( 8 ) Reeds aangehaald (voetnoot 2), r. o. 8.
( 9 ) Zie in dit verband mijn conclusie in zaak 199/85 (Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 1017, 10(9, punt 8).
( 10 ) Zie ook het arrest van 28 maart 1985 (zaak 274/83, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 1077), volgens hetwelk aan een dergelijke aanmaningsbrief „niet even strenge eisen” kunnen worden gesteld als aan het met redenen omkleed advies.
( 11 ) Laatstelijk bij richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB 1992, L 209, biz. 1).
( 12 ) PB 1993, L 199, biz. 1.
( 13 ) Arrest van 27 november 1990 (zaak C-200/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4299, r. o. 13).
( 14 ) Richtlijn 88/295/EEG van de Raad van 22 maart 1988 tot wijziging van richtlijn 77/62/EEG betreffende de coördinatie van 3e procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leverineen, alsmede tot intrekking van sommige bepalingen van richtlijn 80/767/EEG (PB 1988, L 127, blz. 1). De latere wijzigingen van richtlijn 77/62 bij richtlijn 90/531/EEG van de Raad van 17 september 1990 betreffende de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1990, L 297, blz. 1), zijn in casu zonder belang.
( 15 ) Cf. ook de desbetreffende zienswijze van de Commissie in haar Vademecum overheidsopdrachten in de Gemeenschap (PB 1987, C 358, biz. 1, 16).
( 16 ) De Griekse regering beroept zich daarbij op artikel 6, lid 1, sub b, van de richtlijn. In cíe hier toepassehjke versie van de richtijn staat deze bepaling in artikel 6, lid 4, sub e.
( 17 ) Arrest van 3 mei 1994 (zaak C-328/92, Commissie/Spanje, Jurispr. 1994, blz. I-1569, r. o. 16).
Full & Egal Universal Law Academy