CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. JACOBS
van 30 november 1995 ( *1 )
1.
Aan de orde in deze zaak is het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te's-Gravenhagc aan het Hof heeft voorgelegd. Verzoeker in het hoofdgeding is de curator in het faillissement van de Pluimvee- en wildverwerkende industrie De Venhorst BV (hierna: „De Venhorst”), die tot haar faillissement een slachterij exploiteerde en ín pluimvee handelde. De slachterij omvatte een produktielijn, aan het begin waarvan levend aangevoerde kippen werden geslacht om aan het eind geplukt en gereinigd te worden opgeslagen, gesorteerd naar gewicht en verpakt in plastic. Ongeveer 95 % van de in de slachterij van verzoekster geslachte kippen werd niet uitgesneden en uitgebeend, maar als hele kippen opgeslagen. In De Venhorst werden alleen de kippen beneden een bepaald gewicht en van mindere kwaliteit uitgesneden en uitgebeend. Alle handelingen met betrekking tot de slacht en het plukken, reinigen, sorteren, wegen, uitsnijden, verpakken en opslaan van de kippen vonden plaats in dezelfde ruimte. Het uitsnijden gebeurde niet in een aparte ruimte, maar in dezelfde ruimte waar ook de hele, panklare kippen werden verpakt.
2.
De slachterij van De Venhorst werd door de Nederlandse veterinaire dienst, de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: „RW”), volgens een regelmatig patroon gecontroleerd. De RW voerde drie soorten controles uit:
a)
keuringen vóór en na de slacht van het pluimvee;
b)
keuringen bij het uitsnijden;
c)
keuringen bij de opslag.
3.
Voor de verrichte keuringen bracht de RW De Venhorst een retributie in rekening. Deze was bepaald bij vier besluiten die de RW in 1991 en 1992 had vastgesteld op grond van de Regeling keuring en handelsverkeer vers vlees pluimvee (hierna:„Nederlandse regeling”) van 20 juni 1985. ( 1 ) Artikel 22a van deze regeling luidt als volgt:
„1.
Voor de keuring binnen openingstijd in een overeenkomstig artikel 16 erkende uitsnijderij, is de uitsnijderij een heffing verschuldigd ten bedrage van f 6,97 per ton uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de uitsnijderij een heffing ten bedrage van f 3,50 per ton uit te benen vlees met been verschuldigd, indien het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees is verkregen.”
De retributie voor de keuringen in verband met het uitsnijden in De Venhorst werd overeenkomstig artikel 22a, lid 2, van de Nederlandse regeling vastgesteld op 3,50 HFL per ton vlees.
4.
Tegen de vier besluiten diende De Venhorst een bezwaarschrift in bij de Nederlandse staatssecretaris van Landbouw, op grond dat het voor de keuringen bij het uitsnijden in rekening gebrachte bedrag te hoog was en op een onjuiste berekeningsgrondslag berustte. De gedeelten van de retributie in verband met de andere onderdelen van de keuringen waren niet in geding. Naar uit de verwijzingsbeschikking naar voren komt, heeft de RW de component van de retributie voor de keuring bij het uitsnijden berekend aan de hand van het gewicht van alle kippen die aanwezig waren in de ruimte waar de uitsnijhandelingen plaats vonden. De Venhorst achtte die maatstaf onjuist, omdat slechts 5 % van de kippen die aanwezig waren in die ruimte, werd uitgesneden en uitgebeend, terwijl de overige 95 % daar werd verpakt zonder te worden uitgesneden en uitgebeend. Het bezwaarschrift werd door de staatssecretaris afgewezen. De Venhorst stelde tegen deze afwijzing beroep in bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Omdat de Nederlandse voorschriften inzake de keuringsretributies zijn gebaseerd op gemeenschapsrecht, met name beschikking 88/408/EEG ( 2 ) van de Raad, besloot het College van Beroep het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„Dient het bepaalde bij artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408/EEG van de Raad van 15 juni 1988 aldus te worden uitgelegd dat het daar bedoelde gedeelte van de retributie uitsluitend verschuldigd is ter zake van vers vlees dat in de produktiefase, gelegen tussen de slacht van het dier en de opslag van het vlees, daadwerkelijk wordt uitgebeend of uitgesneden of moet dat voorschrift aldus worden uitgelegd dat de retributie verschuldigd is ter zake van al het vlees dat in de uitsnijderij wordt ontvangen, ongeacht de vraag of het aldaar enige bewerking in de zin van uitbenen of uitsnijden ondergaat?
Indien het voorschrift op andere wijze dient te worden uitgelegd, welke is dan de juiste uitleg?”
Het gemeenschapsrecht
5.
Richtlijn 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee ( 3 ) regelt de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake sanitaire voorschriften voor de behandeling van pluimveevlees in slachthuizen en tijdens het vervoer. Ten tijde van de in geding zijnde feiten was die richtlijn gewijzigd bij richtlijn 75/431/EEG van de Raad van 10 juli 1975. ( 4 ) De richtlijn bevat voorschriften ten aanzien van slachterijen en uitsnijderijen en bepaalt aan welke voorwaarden inzake gezondheid en hygiëne moet zijn voldaan, voordat vlees uit die inrichtingen in de handel mag worden gebracht.
6.
Ten aanzien van slachterijen en uitsnijderijen bepaalt de richtlijn dat iedere Lid-Staat er zorg voor draagt, dat tot het handelsverkeer slechts vers vlees van pluimvee wordt toegelaten dat afkomstig is van een door hen erkend en onder hun toezicht staand slachthuis (artikel 3, lid 1, punt A, sub a). Erkenning mag alleen worden verleend, wanneer de slachterij voldoet aan de in artikel 5 en de hoofdstukken I en III van bijlage I bij de richtlijn gestelde voorwaarden. Uitsnijden mag alleen plaatsvinden in een door de Lid-Staten erkende en onder hun toezicht staande uitsnijderij (artikel 3, lid 1, punt B, sub a). Erkenning mag alleen worden verleend wanneer de uitsnijderij voldoet aan de in artikel 5 en de hoofdstukken II en III van bijlage I bij de richtlijn gestelde voorwaarden.
7.
Wat het uit een erkende inrichting afkomstig vlees betreft: artikel 3 schrijft voor, dat dit door een officiële dierenarts moet worden gekeurd en voor het handelsverkeer geschikt verklaard. Geslachte dieren en slachtafvallcn mogen alleen worden verhandeld, wanneer bij de slacht de hygiënische voorschriften van hoofdstuk V van bijlage I in acht zijn genomen en het pluimvee zowel voor als na de slacht door een officiële dierenarts (hoofdstuk IV van bijlage I) is gekeurd en daarbij, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VII van bijlage I, geschikt is bevonden voor menselijke consumptie. Artikel 3, lid 1, punt B, bevat specifieke voorschriften met betrekking tot delen van een geslacht dier of uitgebeend vlees. Het uitsnijden en de uitsnijderij moeten voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk VIII van bijlage I bij de richtlijn en een officiële dierenarts dient overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IX van bijlage I veterinaire controles te verrichten. Die veterinaire controles worden in punt 42 van hoofdstuk IX van bijlage I in algemene termen als volgt geformuleerd:
„De controle van de officiële dierenarts omvat de volgende taken:
a)
controle van het register van het binnengekomen verse vlees en het uitgegane uitgesneden vlees;
b)
controle van het in de uitsnijderij aanwezige verse vlees;
c)
controle van de reinheid van de ruimten, installaties en werktuigen, alsmede van de hygiëne van het personeel;
d)
het nemen van de nodige monsters voor laboratoriumonderzoek, ten einde bijvoorbeeld schadelijke additieven of andere ongeoorloofde chemische stoffen op te sporen. De resultaten van dit onderzoek worden in een register opgenomen;
e)
elke andere controle die hij nuttig acht voor de naleving van de richtlijn.”
8.
Richtlijn 71/118 is sindsdien nogmaals gewijzigd bij richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee. ( 5 ) De termijn waarbinnen die richtlijn in Nederland diende te worden omgezet, liep op 1 januari 1994 af, zodat deze richtlijn in de onderhavige zaak geen rol speelt.
9.
Vroeger brachten de Lid-Staten voor de door hun instanties verrichte keuringen en controles een vergoeding in rekening die zij zelf vaststelden, doch de hoogte daarvan liep zo uiteen, dat de mededinging kon worden vervalst. De Raad stelde daarom richtlijn 85/73/EEG van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee vast. ( 6 ) Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten een retributie innen voor de aan de keuringen en sanitaire controles verbonden kosten. Artikel 1 verbiedt ook een directe of indirecte restitutie van de retributies. In de richtlijn zelf wordt het niveau van de retributies niet vastgesteld; artikel 2 bepaalt evenwel dat de Raad het forfaitair niveau van die retributies zal vaststellen.
10.
Dienovereenkomstig heeft de Raad beschikking 88/408/EEG van 15 juni 1988 betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73/EEG te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees ( 7 ) vastgesteld (hierna: „de beschikking”). Ingevolge de beschikking wordt één retributie geheven die uit meerdere componenten bestaat. Door de instanties van de Lid-Staten wordt een bedrag in rekening gebracht voor de keuringen bij de slacht van pluimvee (artikel 2, lid 3), voor de administratiekosten en het opsporen van residuen (artikel 2, lid 4), voor keuringen bij het uitsnijden (artikel 3) en voor de reële kosten van controle of keuring bij in- en uitslag van opgeslagen vlees (artikel 4). De voor de keuringen in verband met de slacht te heffen bedragen worden in artikel 2, lid 3, in ECU/dier uitgedrukt. De bedragen voor de administratiekosten en het opsporen van residuen worden berekend in ECU/ton.
11.
De beschikking regelt zowel het geval waarin de slachterij en de uitsnijdcrij afzonderlijke inrichtingen zijn, als het geval waarin deze deel uitmaken van een zelfde inrichting. Met betrekking tot eerstgenoemde mogelijkheid vermeldt de vijfde overweging:
„Overwegende dat het niet uitgesloten is dat het slachten, het uitsnijden en de opslag plaatsvinden in afzonderlijke inrichtingen; dat bijgevolg in deze omstandigheden niet alle door de retributies te dekken keuringen en sanitaire controles uit hoofde van [richtlijn 71/118/EEG] in het slachthuis worden verricht; dat voor deze uitzonderingsgevallen overeenkomstig artikel 2, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 85/73/EEG een regeling moet worden getroffen door te voorzien in een pro rata verdeling van de niveaus van de retributies al naar gelang van de verschillende te verrichten keuringen en sanitaire controles.”
Ter regeling van beide gevallen bepaalt artikel 3, voorzover hier relevant:
„1.
Het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in (...) artikel 3, lid 1, punt B, onder b), van richtlijn 71/118/EEG, wordt forfaitair vastgesteld op 3 Ecu/ton nog uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijdcrij.
2.
Het in lid 1 vermelde bedrag wordt opgeteld bij de in artikel 2, lid 1, bedoelde bedragen.
3.
De leden 2 en 5 van artikel 2 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in lid 1 bedoelde bedragen een korting toegepast die tot 50 % kan gaan.”
12.
Toen de RW de retributie voor de keuring in verband met het uitsnijden vaststelde op 3,50 HFL per ton, lijkt zij gebruik te hebben gemaakt van de in artikel 3, lid 4, van de beschikking geboden mogelijkheid om het in rekening gebrachte bedrag tot 50 % te verminderen.
13.
Artikel 6 van de beschikking bepaalt:
„1.
De retributie komt ten laste van de natuurlijke of rechtspersoon voor wie wordt geslacht, uitgesneden of opgeslagen.
2.
Het totaalbedrag van de retributie, inclusief de in de artikelen 2 en 3 bedoelde bedragen, wordt in principe in het slachthuis geheven. Voor het geval evenwel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 4, en van artikel 4, worden de in de artikelen 2 en 3 bedoelde bedragen, al naar gelang van het geval, geheven in het slachthuis, de uitsnijderij of het koelhuis.”
14.
Ten slotte is van belang, dat artikel 2, lid 2, van de beschikking en de bijlage een aantal omstandigheden noemen waaronder de Lid-Staten van de forfaitaire bedragen van de retributies kunnen afwijken en de aan bepaalde inrichtingen in rekening gebrachte bedragen kunnen verhogen of verlagen.
Het geschil
15.
In deze zaak is in geschil, of het door de RW voor de keuring in de uitsnijderij in rekening gebrachte bedrag van 3,50 HFL per ton had moeten worden geheven over de hoeveelheid pluimveevlees die in De Venhorst daadwerkelijk werd uitgesneden en uitgebeend, dat wil zeggen over minder dan 5 % van haar totale produktie, dan wel of de RW terecht een bedrag in rekening heeft gebracht dat was berekend over al het vlees dat aanwezig was in de ruimte waar de uitsnijhandelingen plaatsvonden.
16.
Verzoeker betoogt dat de retributie had moeten worden geheven over de hoeveelheid pluimveevlees die daadwerkelijk is uitgesneden en uitgebeend. Hij noemt daarvoor een aantal redenen. In hoofdzaak voert hij aan dat de beschikking, die in artikel 3, lid 1, spreekt van „het uitsnijden”, niet bepaalt dat de retributie verschuldigd is bij de enkele aanwezigheid van vlees in het lokaal waar het uitsnijden plaats vindt. De woorden „intended for cutting” in de Engelse tekst en „destinées à la découpe” in de Franse tekst [Nederlandse tekst: „bestemd voor de uitsnijderij”] doelen op het uitsnijden van het vlees, opgevat als handeling. De RW gaat volgens verzoeker ten onrechte ervan uit, dat met de Nederlandse term „uitsnijderij” de uitsnijderij-inrichting wordt bedoeld, en niet de handeling van het uitsnijden.
17.
De Nederlandse regering en de Commissie betogen daarentegen, dat de hoogte van de retributie in verband met het uitsnijden dient te worden berekend op basis van al het vlees dat in de uitsnijderij aanwezig is, ongeacht of dit in feite wordt uitgesneden en uitgebeend. Zij stellen beide, dat de met betrekking tot het uitsnijden verrichte keuringen zijn geregeld in bijlage I, hoofdstuk IX, van richtlijn 71/118. De controles die worden verricht, hebben niet alleen betrekking op het uitsnijden en de keuringen richten zich niet in de eerste plaats op elk exemplaar afzonderlijk. De keuring bestrijkt alle aspecten van de uitsnijderij en de daarin plaatsvindende handelingen. Het enige bijzondere controleondcrdeel dat gericht is op ieder afzonderlijk exemplaar, is het onderdeel dat is geregeld in punt 42, sub b, van hoofdstuk IX van bijlage I bij de richtlijn. Op de schriftelijke vraag van het Plof, welke verrichtingen, keuringen en controles in een uitsnijderij plaatsvinden, heeft de Nederlandse regering bevestigd, dat de inspectie op de aldaar verrichte handelingen uit vier onderdelen bestaat. Ten eerste controleert de RW de kwaliteit en de temperatuur van het vlees bij aankomst in de uitsnijderij en oefent zij toezicht uit op het verpakken en het aanbrengen van merken. Tevens controleert zij de reinheid van het transportmiddel waarin het vlees werd vervoerd en de reinheid van de ruimten waar het vlees is opgeslagen. Voorts worden de documenten bij het vlees gecontroleerd. Ten tweede wordt er op toegezien dat de verwerking van het vlees snel en hygiënisch geschiedt en de kratten waarin het vlees wordt vervoerd, schoon zijn. De toestand van de lokalen wordt gecontroleerd. Ten derde houden de inspecteurs toezicht op de omstandigheden waaronder het vlees na bewerking wordt vervoerd en controleren zij de reinheid van de lokalen en transportmiddelen. Ook de hygiëne van het aanwezige personeel en de door het personeel gebruikte sanitaire voorzieningen worden gecontroleerd. Ten vierde worden in verband met bovengenoemde keuringen uiteenlopende administratieve formaliteiten verricht.
18.
De Nederlandse regering legt in het bijzonder de nadruk op de noodzaak om de met de keuringen gemoeide kosten te dekken. Zij wijst erop, dat artikel 2, lid 2, van de beschikking de Lid-Staten toestaat hogere bedragen in rekening te brengen dan in de beschikking zijn vastgesteld, wanneer zulk een verhoging nodig is om de kosten van de keuringen te dekken. Λ1 het in de uitsnijderij aanwezige vlees, zo betoogt zij, maakt deel uit van de kostengrondslag voor de keuringen. Beperking van de berekeningsgrondslag van de retributie tot dat gedeelte van het vlees dat daadwerkelijk wordt uitgesneden en uitgebeend, zou volgens de Nederlandse regering leiden tot een situatie waarin alle kosten niet per se zouden worden gedekt.
19.
De Commissie betoogt bovendien, dat artikel 3, lid 1, van de beschikking niet vereist dat het vlees wordt uitgesneden of uitgebeend voordat het wordt gewogen of het aantal wordt bepaald. Daardoor zal op het moment dat de keuringsretributic verschuldigd is, in de praktijk niet precies bekend zijn hoeveel vlees is uitgesneden en uitgebeend. De enige verplichting die artikel 3, lid 1, de exploitant van de uitsnijderij oplegt, is het vlees dat de uitsnijderij binnenkomt, te wegen. Zou de retributie op enige andere grondslag worden berekend, dan zou een extra verplichting worden opgelegd met betrekking tot het wegen, die niet voorkomt in de tekst van de beschikking.
20.
Ik ben er niet van overtuigd, dat de door de Nederlandse regering en de Commissie voorgestane uitlegging strookt met de opzet van de beschikking of met het doel ervan, zoals dat in de considerans is geformuleerd. De considerans maakt duidelijk, dat in beginsel één enkele retributie alle keuringen en controles dient te dekken, terwijl in de considerans wordt erkend, dat een regeling diende te worden getroffen voor de gevallen waarin het uitsnijden in een afzonderlijke inrichting plaats vindt. Wanneer, zoals in casu, het uitsnijden in de slachterij zelf plaats vindt, ligt het niet voor de hand de retributie over de gehele hoeveelheid in de slachterij aanwezig vlees te berekenen.
21.
Wanneer ik naar het taalgebruik in de beschikking kijk, vind ik om te beginnen de redactie niet zeer gelukkig; de tekst van artikel 3 biedt steun voor zowel de door verzoekster als de door de Nederlandse regering en de Commissie voorgestelde uitlegging. Aan de woorden „vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij” in artikel 3, lid 1, kan men een ruimere betekenis toeschrijven dan bij voorbeeld aan „daadwerkelijk uitgesneden vlees”. Anderzijds zou men uit de verwijzing naar „controles en keuringen in verband met het uitsnijden” kunnen opmaken dat de handeling van het uitsnijden zelf de berekeningsgrondslag is.
22.
Mij dunkt dat wanneer een bepaling waarbij een particulier een last wordt opgelegd, dubbelzinnig is, het voordeel van die dubbelzinnigheid moet worden gegund aan degenen aan wie die last in rekening wordt gebracht. Dat strookt met het steeds door het Hof verdedigde beginsel, dat aan die uitlegging de voorkeur moet worden gegeven, volgens welke de betrokken bepaling in overeenstemming is met het Verdrag en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. ( 8 ) Ten aanzien van bepalingen waaraan financiële consequenties verbonden zijn, heeft het Hof bij herhaling geoordeeld, dat zulke bepalingen duidelijk en ondubbelzinnig moeten zijn geformuleerd. In het arrest Ierland/Commissie ( 9 ) verklaarde het Hof:
„De gemeenschapswetgeving [dient] (...) met zekerheid kenbaar te zijn en de toepassing ervan [moet] voor de justitiabelen voorzienbaar zijn. Die rechtszekerheid is in het bijzonder een dwingend vereiste in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben, ten einde de belanghebbenden in staat te stellen de omvang van hun verplichtingen nauwkeurig te kennen.”
23.
Bij de uitlegging van dubbelzinnige bepalingen die van invloed zijn op de financiële positie van de betrokkene, heeft het Hof gekozen voor die uitlegging die voor de betrokkenen de minste financiële last betekent. ( 10 ) Wegens zijn dubbelzinnige formulering moet aan artikel 3 van de beschikking die betekenis worden toegeschreven die voor de betrokken slachterij het minst bezwaarlijk is.
24.
Het zou trouwens niet logisch zijn en evenmin stroken met het evenredigheidsbeginsel om het gedeelte van de retributie voor de keuring in de uitsnijderij over al het in die uitsnijdcrij aanwezige vlees te berekenen, wanneer die uitsnijdcrij deel uitmaakt van dezelfde inrichting als de slachterij. Λ1 het in de uitsnijdcrij aanwezige pluimvee zal zowel voor als na de slacht overeenkomstig hoofdstuk IV van bijlage I bij richtlijn 71/118 zijn gekeurd en overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage I geschikt voor menselijke consumptie zijn verklaard. Nadat het vlees de uitsnijruimte, waar het pluimvee zal zijn geselecteerd om ofwel te worden uitgesneden ofwel in zijn geheel te worden verpakt, heeft verlaten, wordt het opgeslagen, bij welke gelegenheid verdere keuringen plaatsvinden waarvoor een heffing overeenkomstig artikel 4 van de beschikking in rekening wordt gebracht. Wanneer de uitsnijdcrij deel uitmaakt van hetzelfde complex als de slachterij, vinden alle keuringen in dezelfde inrichting plaats en zal al het geslachte pluimvee als grondslag hebben gediend voor de berekening van de hoogte van de retributie overeenkomstig de artikelen 2, lid 3, en 4 van de beschikking. Zoals ik reeds zei, zou het niet logisch zijn en tegen het evenredigheidsbeginsel indruisen, om de slachterij voor de keuring bij het uitsnijden een bedrag in rekening te brengen dat is berekend over al het vlees dat in de uitsnijdcrij aanwezig is, terwijl slechts een klein deel van dat vlees daadwerkelijk wordt uitgesneden en uitgebeend.
25.
De door de Nederlandse regering en de Commissie voorgestane uitlegging zou bovendien tot ongerijmde resultaten leiden. Indien geen enkele uitsnijhandeling plaats vindt, is er ook geen sprake van handelingen die overeenkomstig hoofdstuk IX van bijlage I bij richtlijn 71/118 moeten worden gecontroleerd en gekeurd. Aangezien er geen keuringen nodig zijn, kan geen heffing worden toegepast op grond van artikel 3 van de beschikking. Wordt daarentegen slechts cen klein gedeelte van het pluimvee uitgesneden en uitgebeend, dan wordt volgens de uitlegging van de Nederlandse regering en de Commissie cen heffing in rekening gebracht op basis van al het geslachte pluimvee dat in cen bepaalde produktiefase in de uitsnijdcrij aanwezig is. Een dergelijk resultaat is ongerijmd, wanneer men het vergelijkt met de situatie die zich voordoet wanneer er geen uitsnijhandelingen plaats vinden. Een heffing op basis van de hoeveelheid vlees die daadwerkelijk wordt uitgesneden en uitgebeend, geeft een logisch bevredigender resultaat,
26.
Ik ben niet overtuigd door het argument van de Nederlandse regering, dat wanneer de heffingen op pro rata basis worden berekend, de Lid-Staat niet in staat is de kosten van de betrokken keuringen te dekken. In de eerste plaats is uit de aard van de in punt 42 van hoofdstuk IX van bijlage I bij richtlijn 71/118 voorgeschreven keuringen niet af te leiden, dat die kosten geen enkel verband houden met de omvang van de activiteiten en dat de enkele aanwezigheid van pluimvee in de uitsnijderij de adequate kostengrondslag is voor de hoogte van de heffing. Daarbij komt dat sommige administratieve formaliteiten een herhaling zullen zijn van reeds elders in de inrichting verrichte formaliteiten, die zouden zijn gedekt door de overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de beschikking toegepaste heffing. Indien de keuringskosten niet worden gedekt, beschikken de Lid-Staten altijd nog over de mogelijkheid om de hoogte van de retributies aan te passen overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de beschikking, dat ook in de context van artikel 3 van toepassing is.
27.
Ten slotte betoogt de Commissie dat de door verzoeker voorgestane uitlegging praktische problemen met zich brengt en er met name toe leidt, dat de slachterij de extra verplichting wordt opgelegd, het uitgesneden en uitgebeende vlees dat de uitsnijderij verlaat, te wegen. Volgens de Commissie bestaat er enkel een verplichting om het vlees dat de uitsnijderij binnenkomt te wegen. Ik acht dit argument niet overtuigend. Er is geen reden om punt 42, sub a, van hoofdstuk IX van bijlage I bij richtlijn 71/118 aldus uit te leggen, dat het vlees dat de uitsnijderij binnenkomt moet worden gewogen, maar niet het vlees dat de uitsnijderij verlaat. De bepaling vereist immers dat beide feiten in het register worden opgenomen. Voor de slachterij moet het doenlijk zijn om precies te registreren welke hoeveelheid vlees in de aan de slachterij verbonden uitsnijderij daadwerkelijk wordt uitgesneden. In het bijzondere geval van De Venhorst werden bovendien alleen de kippen beneden een bepaald gewicht uitgesneden. Dat toont duidelijk aan dat De Venhorst het gewicht van het betrokken pluimvee kon kennen. In ieder geval lijkt mij een wegingsvereiste niet bijzonder bezwaarlijk.
Conclusie
28.
Bijgevolg geef ik in overweging, de door het College van Beroep gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Het bepaalde in artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408/EEG van de Raad van 15 juni 1988 betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73/EEG te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees moet aldus worden uitgelegd, dat het daar bedoelde gedeelte van de retributie moet worden berekend op basis van het gewicht van het vlees dat wordt uitgesneden en uitgebeend.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Nederlandse Staatscourant 1985, 120, zoals gewijzigd bij een regeling van 13 december 1990, Staatscourant 1990, 247.
( 2 ) PB 1988, L 194, blz. 24.
( 3 ) PB 1971, L 55, blz. 23.
( 4 ) PB 1975, L 192, blz. 6.
( 5 ) PB 1992, L 62, biz. 1.
( 6 ) PB 1985, L 32, biz. 14.
( 7 ) Τ a. p. ; zie voetnoot 2.
( 8 ) Zie in het bijzonder arresten van 21 maart 1991 (zaak C-314/89, Rauh, Jurispr. 1991, blz. I-1647, r. o. 17) en 25 november 1986 (gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klcnsch, Jurispr. 1986, blz. 3477, r. o. 21).
( 9 ) Arrest van 15 december 1987 (zaak 325/85, Jurispr. 1987, blz. 5041, r. o. 18).
( 10 ) YAc in hel bijzonder de arresten van 9 juli 1981 (zaak 169/80, Gondrand Frères, Jurispr. 1981, blz. 1931); 22 februari 1984 (zaak 70/83, Kloppenburg, Jurispr. 1984, blz. 1075), en arresten van 15 december 1987 (zaak 325/85, Ierland/Commissie, aangehaald in voetnool 9 en zaak 326/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5091).
Full & Egal Universal Law Academy