CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 6 juni 1995 ( *1 )
1.
In de onderhavige prejudiciële procedure wordt het Hof opnieuw met het probleem geconfronteerd van de verenigbaarheid van de Franse regeling inzake de goedkeuring van telecommunicatie-eindapparatuur met artikel 6 van richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (hierna: de „richtlijn”). ( 1 )
De prejudiciële vraag is gerezen in een strafprocedure tegen T. Tranchant, die ervan wordt verdacht tussen november 1992 en februari 1993 reclame te hebben gemaakt voor apparaten, waarvoor de door de Franse regeling vereiste goedkeuring niet was verleend. De verdachte is van mening dat hem geen strafbare feiten kunnen worden verweten, en stelt dat deze regeling onverenigbaar is met het in artikel 6 van de richtlijn neergelegde beginsel, dat het orgaan belast met de formele vastlegging van de technische specificaties, de controle van de toepassing ervan alsmede de goedkeuring van de apparatuur, onafhankelijk moet zijn van particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden.
2.
Het antwoord dat de Franse rechter van het Hof verlangt, is bedoeld als aanvulling op de rechtspraak ontwikkeld in het arrest GB-Inno-BM en gepreciseerd in de arresten Lagauche e. a., Decoster en Taillandier, die parallel met de vrijmaking van de markt voor telecommunicatie-eindapparatuur en met de geleidelijke opheffing van nationale monopolies en nationale alleenverkooprechten voor deze produkten tot stand is gekomen. ( 2 )
Een vast element in deze rechtspraak is het beginsel dat de Lid-Staten, die weliswaar maatregelen betreffende de regeling en de controle van de verkoop van eindapparatuur mogen handhaven of invoeren, ten minste vanaf de aanvangsdatum voorzien in artikel 6 van de richtlijn (1 juli 1989) moeten garanderen, dat er een scheiding bestaat tussen de autoriteiten die die regelingen vaststellen en de controles verrichten, en degenen die in de betrokken sector een economische activiteit uitoefenen. ( 3 )
3.
Ofschoon de feiten van de zaak in wezen gelijk zijn aan die in de zaken Decoster en Taillandier, is de Franse goedkeuringsregeling inmiddels ingrijpend gewijzigd. Ik zal daarom eerst de belangrijkste onderdelen ervan bespreken.
De Franse regeling
4.
Overeenkomstig de desbetreffende gemeenschapsregels heeft Frankrijk de verkoop van telecommunicatie-eindapparatuur vrijgemaakt, zij het dat in bepaalde gevallen de afgifte van een goedkeuring vereist is ten bewijze van de conformiteit van de apparaten met bepaalde essentiële criteria. Volgens de Franse regeling is het verboden eindapparatuur die bestemd is voor aansluiting op een openbaar net, te vervaardigen voor de nationale markt, voor gebruik in te voeren uit derde landen, ten verkoop voorhanden te hebben, al dan niet tegen betaling te distribueren, op een openbaar net aan te sluiten of er reclame voor te maken, wanneer de apparatuur niet door het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie is goedgekeurd. ( 4 ) Overtreding van deze verplichting is strafbaar gesteld. ( 5 )
Tot midden 1990 was de keuringsprocedure van de eindapparatuur volledig in handen van het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie.
Verschillende directies van dit ministerie waren belast met, respectievelijk, de formele vastlegging van de technische specificaties, de controle van de toepassing ervan en de afgifte van de goedkeuring. Bovendien voerden andere organen van dit ministerie, in de vorm van een monopolie, het beheer over het openbare telecommunicatienet en hielden zij zich bezig met de verkoop van eindapparatuur.
5.
Deze situatie, die volgens het Hof in de zaken Decoster en Taillandier onwettig was wegens kennelijke onverenigbaarheid met artikel 6 van de richtlijn, is door de Franse wetgever op een aantal punten gewijzigd.
In de eerste plaats is bij wet nr. 90-568 van 2 juli 1990 ( 6 ), althans op het vlak van de administratieve organisatie, een scheiding tot stand gebracht tussen de commerciële activiteit enerzijds en de regulerende bevoegdheid, de controle en het verlenen van de goedkeuring anderzijds. Ingevolge de hervorming zijn het beheer van het openbare telecommunicatienet en de activiteiten van commerciële aard immers opgedragen aan France Télécom, die speciaal voor dit doel is opgericht in de vorm van een publiekrechtelijke organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid. ( 7 )
Bij decreet nr. 90-1121 van 18 december 1990 ( 8 ) is voorts gepreciseerd, dat de vaststelling en aanpassing van het algemene juridische kader waarin de activiteiten plaatsvinden die onder de sectoren post en telecommunicatie vallen, tot de bevoegdheid blijven behoren van de Direction de la réglementation générale van het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie. Dit directoraat is onder meer belast met de opstelling van de specificaties en is bevoegd om goedkeuringen te verlenen.
6.
Bij decreet nr. 92-116 van 4 februari 1992 ( 9 ) zijn de modaliteiten van de keuringsprocedure vastgesteld en de gevallen gepreciseerd waarin een goedkeuring is vereist alsmede de criteria ter beoordeling van de conformiteit van eindapparatuur. Artikel R 20-2 van dit decreet herinnert eraan, dat de goedkeuring ertoe strekt in het algemeen belang de eerbiediging te verzekeren van de in artikel L 32, punt 12, van de telecommunicatiewet omschreven essentiële vereisten, te weten de veiligheid van de gebruikers en van het personeel van de telecommunicatienetten, de bescherming van de netten en, in voorkomend geval, het correcte gebruik van de radiotransmissie alsmede, in met redenen omklede gevallen, de interoperabiliteit van de diensten en de eindapparatuur, en de bescherming van gegevens.
7.
In dit decreet is gepreciseerd welke weg men voor de aanvraag om goedkeuring moet bewandelen. ( 10 ) De aanvrager dient bij de Direction de la réglementation générale een dossier in, dat een aantal gegevens en documenten bevat over het produkt waarvoor een goedkeuring wordt gevraagd. ( 11 ) Dit dossier kan in voorkomend geval de resultaten bevatten van tests, verricht door een laboratorium dat door de bevoegde instantie in Frankrijk of in een andere Lid-Staat daarmee is belast.
Is het produkt echter nog niet getest door een in Frankrijk of in een andere Lid-Staat erkend laboratorium, dan kan de aanvrager worden verzocht een standaardexemplaar van dit produkt te laten toekomen aan „één van de daarmee belaste onderzoekslaboratoria” (artikel R 20-6, punt 3). Het laboratorium moet nagaan, of het produkt voldoet aan hogerbedoelde essentiële vereisten en aan elk ander vereiste, gelet op de relevante geharmoniseerde normen of de gemeenschappelijke technische regelingen of, bij gebreke daarvan, de nationale bepalingen. Het resultaat van deze controle wordt vervolgens aan het ministerie meegedeeld.
Daarop geeft de Direction de la réglementation générale, op basis van alle beschikbare gegevens en ingeval het resultaat van de test positief is, een verklaring van onderzoek af en, wanneer de aanvrager zich formeel ertoe verbindt alleen produkten te vervaardigen of te verhandelen die overeenkomen met het in de verklaring bedoelde produkt, de goedkeuring (artikelen R 20-7 en R 20-10).
8.
Blijkens de verwijzingsbeschikking is thans in Frankrijk slechts één laboratorium, het Laboratoire d'essai et d'agrément (hierna: „LEA”) ( 12 ), bevoegd om tests te verrichten die andere essentiële vereisten betreffen dan die van de veiligheid van eindapparatuur.
Voorts staat vast, dat het LEA deel uitmaakt van een onderzoekscentrum, het Centre national d'études des télécommunications (CNET), dat zelf deel uitmaakt van France Télécom. Gelijk de Franse regering in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof uitdrukkelijk heeft erkend, heeft de „juridische scheiding” van het LEA en France Télécom, althans op korte termijn, geen prioriteit.
9.
Ten slotte zij opgemerkt, dat het LEA door de Franse regering is aangewezen om tests te verrichten met betrekking tot de procedures als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de conformiteit van de apparatuur. ( 13 ) De Commissie is overeenkomstig artikel 10, lid 2, van die richtlijn van de aanwijzing van het LEA op de hoogte gesteld en tot op heden heeft de Commissie noch enige andere Lid-Staat hiertegen bezwaar gemaakt. ( 14 )
De prejudiciële vraag
10.
Aangezien onbetwist was, dat het LEA deel uitmaakt van France Télécom heeft de nationale rechter, die zich afvroeg of deze afhankelijkheid niet in strijd was met artikel 6 van de richtlijn, geoordeeld dat een nieuwe prejudiciële beslissing over de uitlegging van deze bepaling noodzakelijk is.
De verwijzende rechter vraagt zich in het bijzonder af, of artikel 6 zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling op het gebied van eindapparatuur die verplichtingen oplegt als die voorzien in de Franse wettelijke regeling, wanneer „niet is gewaarborgd, dat een onderzoekslaboratorium dat in het kader van de goedkeuringsprocedure is belast met de technische controle van de conformiteit van de apparatuur, onafhankelijk is van alle marktdeelnemers die goederen of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden”.
11.
Vooraf wil ik opmerken, dat de vraag, zoals zij door de rechter is geformuleerd, retorisch kan lijken. De verplichting van onafhankelijkheid is immers in duidelijke bewoordingen opgenomen in artikel 6 en de toepasselijkheid van deze bepaling, met ingang van 1 juli 1989, staat buiten kijf. Duidelijk is dan ook, dat een wettelijke regeling die een dergelijke onafhankelijkheid niet garandeert, niet in overeenstemming met de richtlijn kan worden geacht.
De vraag van de nationale rechter moet daarom aldus worden opgevat, dat hij wenst te vernemen, of de afhankelijkheid van het LEA ten opzichte van France Télécom zodanig is, dat zij van invloed is op de verenigbaarheid van de gehele goedkeuringsprocedure, zoals voorzien in de Franse regeling, met de in artikel 6 van de richtlijn opgenomen verplichtingen.
12.
Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat, gelijk reeds is uiteengezet, artikel 6 van de richtlijn, dat de Lid-Staten verplicht een scheiding aan te brengen tussen degenen die op telecommunicatiegebied de normatieve en regelgevende bevoegdheid hebben, en zij die de economische en commerciële activiteit uitoefenen, eerstgenoemde bevoegdheid in drie fasen opsplitst, te weten de formele vastlegging van de technische specificaties, de controle op de toepassing ervan en de afgifte van de goedkeuring.
Ofschoon het voor artikel 6 niet uitmaakt, of voor deze drie fasen één dan wel verschillende afzonderlijke eenheden instaan, vereist deze bepaling echter wel, dat in elke fase een eenheid optreedt die zelf onafhankelijk is van particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden.
13.
De Franse regeling waar het in deze zaak om gaat, heeft de formele vaststelling van de technische specificaties en de daadwerkelijke afgifte van de goedkeuring opgedragen aan een directoraat van het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie, dat voortaan althans in formele zin gescheiden is van de eenheid die is belast met de exploitatie van het net en de levering van daarmee verband houdende goederen en diensten.
De controle van de technische specificaties wordt formeel weliswaar verricht door dezelfde directie van het ministerie, maar is gebaseerd op de technische controles en tests die zijn verricht door een laboratorium dat deel uitmaakt van France Télécom.
14.
Een dergelijke juridische afhankelijkheid is volgens mij volkomen in tegenspraak met de letter én de geest van artikel 6 van de richtlijn.
De stelling van de Franse regering, dat het LEA zijn activiteit ondanks deze juridische afhankelijkheid volkomen onpartijdig en objectief uitoefent, is geenszins bewezen. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Franse regering namelijk uitdrukkelijk toegegeven, dat het personeel van het LEA voor zijn werkzaamheden verantwoording aflegt aan de directeur, die zelf onder het gezag van France Télécom staat.
15.
Dit komt dus hierop neer, dat het laboratorium, dat een onderdeel is van een overheidsonderneming die is belast met de exploitatie van het net en activiteiten van commerciële aard uitoefent, is belast met het verrichten van tests ter beoordeling van de overeenstemming van apparatuur die door de concurrenten van deze onderneming is vervaardigd.
Deze situatie lijkt mij niet in overeenstemming te zijn met de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Onder deze omstandigheden kunnen immers verdenkingen van partijdigheid rijzen ten aanzien van elk conformiteitsonderzoek dat negatief uitvalt, of zelfs ten aanzien van eventuele vertragingen bij de uitvoering van de tests (waarvoor geen maximumtermijn is vastgesteld).
16.
Anders dan de Franse regering meent, kan hiertegen niet worden ingebracht, dat het verrichten van de tests door het LEA slechts een activiteit van technische aard vormt en dat de resultaten van die tests in elk geval door het bevoegde directoraat van het ministerie worden beoordeeld.
In werkelijkheid mag de door het LEA verrichte test per definitie immers niet afhankelijk zijn van een latere beoordeling door de administratie. Integendeel, het resultaat van de test vormt reeds een technisch advies, dat een positieve of negatieve verklaring geeft over de conformiteit van de apparatuur, die aan bepaalde criteria is getoetst. Dat deze resultaten vervolgens aan de administratie worden meegedeeld betekent natuurlijk niet, dat deze de resultaten ook controleert.
Kortom, de administratie beoordeelt het resultaat van de test niet, doch neemt hiervan slechts kennis. Mitsdien is de test van het LEA niet enkel een onderdeel van de fase van controle van de technische specificaties, maar eigenlijk de afsluiting van de controlefase.
17.
Ook al voldoet de Franse regeling dus, wat de fasen van formele vaststelling van de technische specificaties en de afgifte van de goedkeuring betreft ( 15 ), althans formeel aan de voorwaarde van onafhankelijkheid in artikel 6 van de richtlijn, met betrekking tot de fase van de controle van deze specificaties is aan die voorwaarde niet voldaan.
18.
Hieraan doet niet af, dat de Commissie noch enige andere Lid-Staat bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing, door de Franse regering, van het LEA, dat belast is met de beoordeling van de conformiteit op gemeenschapsniveau, overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van richtlijn 91/263.
Voor de nakoming van de verplichting waarin artikel 6 van de richtlijn voorziet, is deze omstandigheid immers niet van belang.
De niet-toepasselijkheid van de Franse regeling
19.
Concluderend moet worden opgemerkt dat, ingeval het Hof zich aansluit bij de door mij zojuist gegeven uitlegging van artikel 6 van de richtlijn, de verwijzende rechter, overeenkomstig de beginselen van een inmiddels vaste rechtspraak, de gehele regeling van de goedkeuringsprocedure niet-toepasselijk zal moeten verklaren, daaronder begrepen de strafsancties die thans aan de overtreding ervan zijn verbonden.
20.
Ofschoon ik mij, gelijk ik in mijn conclusie bij het arrest Decoster reeds heb gesteld, in beginsel bewust ben van de verwarring die mogelijk zal ontstaan door het (althans tijdelijk) ontbreken van een regeling voor een sector die eveneens de veiligheid van de gebruikers betreft, zie ik niet in, hoe ik tot een andere conclusie kan komen. Het gaat immers om de schending van een bepaling, artikel 6 van de richtlijn, die sinds 1 juli 1989 rechtstreeks toepasselijk is.
Overigens is de Franse Cour de cassation kort na de arresten Decoster en Taillandier, blijkbaar zonder aarzeling, tot dezelfde conclusie gekomen. ( 16 )
21.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van het Tribunal de grande instance de Paris te beantwoorden als volgt:
„Artikel 6 van richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur, moet aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die marktdeelnemers onder strafbedreiging verbiedt eindapparatuur te vervaardigen, in te voeren, ten verkoop in bezit te hebben, te verkopen, te distribueren of daarvoor reclame te maken, zonder door overlegging van een goedkeuring of een ander als gelijkwaardig beschouwd document te kunnen aantonen, dat die apparatuur voldoet aan een aantal essentiële vereisten met name verband houdende met de veiligheid van de gebruikers en de goede werking van het net, wanneer niet is gewaarborgd, dat alle eenheden die betrokken zijn bij de goedkeuringsprocedure, daaronder begrepen de laboratoria die zijn belast met de technische controle van de conformiteit van die apparatuur met de technische specificaties, onafhankelijk zijn van de marktdeelnemers die goederen of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1988, L 131, blz. 73.
( 2 ) Arresten van 13 december 1991, zaakC-18/88, GB-Inno-BM, Jurispr. 1991, blz. I-5941; 27 oktober 1993, gevoegde zaken C-46/90 en C-93/91, Lagauche c. a., Jurispr. 1993, blz. I-5267; 27 oktober 1993, zaak C-69/91, Decoster, Jurispr. 1993, blz. I-5335, en 27 oktober 1993, zaak C-92/91, Taillandier, Jurispr. 1993, blz. I-5383.
( 3 ) Het Hof redeneert consequent wat de uitlegging van het voorschrift in artikel 6 van de richtlijn betreft, waarvan de rechtstreekse werking duidelijk is bevestigd in de reeds aangehaalde arresten Lagauche e. a, Decoster en Taillandier. Wat echter de geldigheid betreft van de nationale regelingen die niet de onafhankelijkheid garandeerden van de regulerende bevoegdheid ten opzichte van de commerciële sector in de periode vóór 1 juli 1989, was de houding van het Hof minder duidelijk: in de arresten Decoster en Lagauche e. a., die op dezelfde dag zijn gewezen, heeft het Hof de verenigbaarheid beoordeeld van de Franse respectievelijk Belgische regeling (die overigens een aantal gemeenschappelijke punten hadden), niet alleen met artikel 6 van de richtlijn, maar eveneens met de artikelen 3, sub f, 86 en 90 van het Verdrag, met betrekking tot feiten die — ratione temporis of ratione materiae — niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vielen. De Franse regeling werd op beide punten onverenigbaar geacht (arrest Decoster), terwijl de Belgische regeling onverenigbaar werd verklaard met artikel 6 van de richtlijn, maar verenigbaar met de artikelen 3, sub f, 86 en 90 van het Verdrag (arrest Lagauche e. a.), waarmee het Hof overigens impliciet in tegenspraak kwam met zijn eerdere uitspraak (arrest van 19 maart 1991, zaak C-202/88, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1223, r. o. 14), dat op artikel 90, lid 3, van het Verdrag gebaseerde richtlijnen (zoals richtlijn 88/301) enkel tot doel hebben de verplichtingen van Lid-Staten te preciseren, die reeds uit het Verdrag voortvloeien.
( 4 ) Deze bepaling is ingevoerd bij decreet nr. 85-336 van 12 maart 1985, en later aangevuld. De thans geldende tekst is opgenomen in artikel L 34-9 van de Code des Postes et Télécommunications, zoals gewijzigd bij wet nr. 90-1170 van 29 december 1990 (JORF 1990, blz. 16439; hierna: „telecommunicatiewet”).
( 5 ) Zie, wat dit onderzoek betreft, artikel L 39-3 van de telecom-municatiewet.
( 6 ) Loi relative à l'organisation du service public dc la poste et des télécommunications (JORF 1990, blz. 8069).
( 7 ) Maar onder toezicht van de minister: zie artikel 1 van de wet.
( 8 ) Décret portant organisation de l'administration centrale du ministère des Postes, des Télécommunications et de l'Espace GORF 1990, blz. 15615).
( 9 ) Décret relatif à l'agrément des équipements terminaux de télécommunications, à leurs conditions de raccordement et à l'admission des installateurs (JORF 1992, blz. 1915). Dit decreet is één van de regelingen tot omzetting in Frans recht van richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991, waarop ik hierna in punt 9 en in voetnoot 13 van deze conclusie zal terugkomen.
( 10 ) De aanvrager heeft in feite de keuze tussen twee alternatieve keuringsprocedures, te weten het „typeonderzoek” en de „certificeringsprocedure”. Van deze beide procedures is in deze zaak echter alleen de eerste van belang, aangezien de tweede niet de tussenkomst van onderzoekslaboratoria vereist, waarvan, zoals wij later zullen zien, de onafhankelijkheid in casu in geding is.
( 11 ) De volledige lijst van documenten die bij de aanvraag orn goedkeuring moeten worden gevoegd, is opgenomen in het arrêté du 11 mars 1992 relatif à la composition du dossier de demande d'agrément, vastgesteld krachtens artikel R 20-5 van de telecommunicatiewet (JORF 1992, blz. 3846).
( 12 ) Daarnaast is een tweede laboratorium, het Laboratoire central des industries électriques (LCIE), bevoegd voor tests inzake elektriciteit.
( 13 ) PB 1991, L 128, biz. 1. Deze richtlijn vormt een vervolgfase in liet proces van volledige wederzijdse erkenning van de goedkeuringen voor eindapparatuur, die in de verschillende Lid-Staten zijn afgegeven. Teneinde de Europese markt voor eindapparatuur bedoeld voor aansluiting op het openbare telecommunicatienet te ontwikkelen en te regelen, stelt de richtlijn minimumeisen vast waaraan de apparatuur moet voldoen om vrij op de markt te kunnen worden gebracht en op het grondgebied van de Lid-Staten in het vrije verkeer te worden gebracht en te worden gebruikt. Met het oog hierop voert de richtlijn twee (alternatieve) procedures in om te beoordelen of de produkten aan die eisen voldoen, na afloop waarvan op de conform verklaarde produkten het CE-merkteken van overeenstemming wordt aangebracht. Volgens artikel 10 meldt elke Lid-Staat bij de Commissie de nationale instanties en bcprocvingslaboratoria aan die hij heeft belast met de beoordeling van de EG-overeenstemming (en met controletaken), en maakt de Commissie, na te hebben gecontroleerd of deze instanties en laboratoria voldoen aan bepaalde minimumcriteria inzake bevoegdheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, een lijst hiervan bekend in het Pttblikatieblad van de Europese Gemeenschappen. In het huidige stadium van harmonisatie van normen op het betrokken gebied verzet richtlijn 91/263/EEG zich natuurlijk niet tegen de toepassing van nationale goedkeuringsprocedures (zoals in het hoofdgeding aan de orde) die betrekking hebben op aspecten waarvoor niet noodzakelijkerwijs geharmoniseerde normen of gemeenschappelijke technische regelingen bestaan.
( 14 ) Indien een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat een aangemeld bcprocvingslaboratorium niet voldoet aan de relevante criteria, kan de zaak op grond van artikel 10, lid 4, van richtlijn 91/263/EEG worden voorgelegd aan het in artikel 13 bedoelde ad hoc comité, dat is opgericht om de Commissie bij te staan in de uitoefening van de haar door de richtlijn toegewezen bevoegdheden.
( 15 ) In casu behoeft geen oordeel te worden gegeven over de daadwerkelijke onafhankelijkheid van France Télécom van het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie. Men kan hierbij inderdaad enige vraagtekens zetten, hoofdzakelijk wegens het statuut van de eenheid die, zoals gezegd, onder toezicht van de minister zelf werkt en wordt geleid door een raad van bestuur (waarvan 14 van de 24 leden bij decreet worden benoemd), die handelt in het kader van door de regering gegeven richtsnoeren. Dit punt vormt echter geen voorwerp van het prejudiciële verzoek waarmee wij ons hier bezighouden, en is bovendien door partijen niet ter discussie gesteld.
( 16 ) Zie in die zin Cass. crim. 21 februari 1994, nr. Β 92-81.421 PF, Ochtman, en Cass. crim. 21 februari 1994, nr. G 91-86.230 PF, procureur-generaal bij de Cour d'appel de Versailles. Voorts zij opgemerkt, dat deze arresten duidelijk een koerswijziging zijn van de Cour de cassation, die slechts enkele maanden vóór de arresten Decoster en Taillandier, de toepasselijkheid had bevestigd van de Franse wettelijke regeling op het gebied van goedkeuringen, en een prejudiciële vraag niet eens nodig vond (Cass, crim. 19 januari 1993, nr. S 90-86.624 PF, Gilles).
Full & Egal Universal Law Academy