Conclusie van de advocaat generaal
++++
A - Inleiding
1 De Arbeidsrechtbank te Antwerpen heeft een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71(1) in verband met een geschil over de berekening van het rustpensioen van verzoekster in het hoofdgeding door de Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: verweerder).
2 De feiten zijn de volgende:
Verzoekster is op 4 november 1921 geboren in Duitsland, waar zij van eind 1937 tot begin 1948(2) werkzaam was. Door haar huwelijk op 31 januari 1948 met een Belg verwierf zij de Belgische nationaliteit. Tijdens haar huwelijk werkte zij halftijds tussen 1973 en 1979. Sedert maart 1981 wonen de echtgenoten gescheiden. Hun echtscheiding werd op 12 februari 1991 met de inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke stand definitief.
3 De pensioensituatie van verzoekster is als volgt:
Vanaf 1 december 1981, dat wil zeggen vanaf haar 60ste jaar, ontvangt zij een Belgisch rustpensioen als alleenstaande op grond van haar tewerkstelling in België gedurende zeven jaar. Vanaf haar 65ste jaar ontvangt zij, met ingang van 1 december 1986, een Duits rustpensioen op grond van haar tewerkstelling in Duitsland (ongeveer 11 jaar).
Toen haar echtgenoot op zijn 65ste verjaardag pensioengerechtigd werd, wijzigde haar pensioensituatie met ingang van 1 juli 1988: zij bleef haar Duitse pensioen ontvangen en ontving daarnaast een Belgisch pensioen als feitelijk gescheiden echtgenote. Op 15 april 1988 was haar persoonlijk Belgisch pensioen uitgesteld in afwachting van het definitief worden van de echtscheiding. Dit gebeurde op 12 februari 1991, de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis, waarna verzoeksters pensioensituatie opnieuw wijzigde. Bij beslissing van 10 juli 1991 werd haar met ingang van 1 maart 1991 een rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot toegekend op grond van een erkende verzekeringsloopbaan van 33 jaar (1948 tot 1980), waarvan echter vier jaren werden afgetrokken omdat de volle pensioeneenheid overschreden was.
4 Verweerder maakte de navolgende berekening:
Voor het rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot komt een periode van 33 jaar in aanmerking (1948 tot 1980, ofwel vanaf de huwelijkssluiting tot de feitelijke scheiding), voor het persoonlijke rustpensioen een periode van 11 jaar (1936 plus 1938 tot 1947(3) - arbeid in Duitsland vóór het huwelijk) en een periode van 7 jaar (1973 tot 1979 - arbeid in België tijdens het huwelijk), te zamen 18 jaar. In totaal zijn dus 51 (33 + 18) jaren aan te rekenen, waarvan 7 dubbele jaren (1973 tot 1979). Dit betekent dat de pensioeneenheid (40/40) met 4 jaar overschreden wordt (51 - 7 = 44). Ingevolge de wet(4) worden alleen die 40 jaren in aanmerking genomen die recht geven op het voordeligste pensioen. De minst voordelige jaren (1948 tot 1951) dienen derhalve buiten beschouwing te blijven.
5 Bovenstaande berekening berust op de artikelen 75 e.v. van het koninklijk besluit van 21 december 1967.(5) Volgens deze bepalingen ontvangt de gescheiden echtgenote een rustpensioen onder dezelfde voorwaarden alsof zij tijdens haar huwelijk met de gewezen echtgenoot zelf een activiteit als werknemer zou hebben uitgeoefend.(6) De rechten van de rechthebbende worden ambtshalve onderzocht.(7) Verweerder past de anti-cumulatiebepaling toe van artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 50(8), dat luidt als volgt:
"Wanneer de werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens dit besluit en op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens één of meer andere regelingen en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de beroepsloopbaan die voor de berekening van het rustpensioen als werknemer in aanmerking wordt genomen verminderd met zoveel jaren als nodig om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden."(9)
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "andere regeling" verstaan, iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen, uitgezonderd die voor de zelfstandigen en iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.(10)
6 Verzoekster gaat met de weglating van de huwelijksjaren 1948 tot en met 1951 niet akkoord: zij heeft aanspraak op een rustpensioen naar Duits recht en op een rustpensioen naar Belgisch recht; beide pensioenen vormen uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 46 van verordening nr. 1408/71; het Belgische rustpensioen mag derhalve niet worden gekort.
7 De Arbeidsrechtbank overweegt in het verwijzingsvonnis het volgende:
De samenloop van pensioenen uit verschillende Lid-Staten van de Europese Gemeenschap wordt geregeld door verordening nr. 1408/71, meer in het bijzonder door de artikelen 12, lid 2, en 46, zoals uitgelegd door het Hof. Volgens artikel 12, lid 2, van deze verordening zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking van uitkeringen waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet in geval van samenloop van uitkeringen, slechts van toepassing ingeval uitkeringen samenlopen met andere uitkeringen van sociale zekerheid. Het Europese verbod op de toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen geldt enkel in geval van samenloop van "uitkeringen van dezelfde aard" die door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50, 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld. Voor de omschrijving van "gelijksoortige uitkeringen" verwijst de Arbeidsrechtbank naar artikel 46bis van verordening nr. 1408/71.(11) De beantwoording van de in dezen beslissende vraag, of de anti-cumulatiebepaling van artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 50 van toepassing is, hangt af van het antwoord op de vraag, of het rustpensioen van de uit de echt gescheiden echtgenote en het persoonlijke rustpensioen uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
8 De nationale rechter legt het Hof de volgende vraag over:
"Zijn een Duits rustpensioen verworven op basis van de verzekeringstijdvakken die de betrokkene persoonlijk in Duitsland heeft volbracht op grond van het Angestelltenversicherungsgesetz en het Belgisch rustpensioen als uit de echtgescheiden echtgenote zoals het ingevolge de Belgische pensioenwetgeving nl. de artikelen 75 en 76 van het K.B. van 21 december 1967(12) wordt toegekend in functie van de verzekeringstijdvakken vervuld door de gewezen echtgenoot en verworven onder dezelfde voorwaarden alsof de gescheiden echtgenoot zelf een activiteit zou hebben uitgeoefend tijdens de duur van het huwelijk met de gewezen echtgenoot, gelijksoortige uitkeringen, in de zin van artikel 12.2 van verordening nr. 1408/71 met de eventuele consequenties hiervan voor de toepassing van de artikelen 46 en 46 bis van verordening nr. 1408/71 en artikel 7 van verordening nr. 574/72."
B - Standpuntbepaling
Het standpunt van partijen
9 Verzoekster betoogt, dat bij de berekening van haar pensioen van uit de echt gescheiden echtgenote ten onrechte de anti-cumulatiebepaling van artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 50 is toegepast. De samenloop van pensioenen uit verschillende Lid-Staten wordt geregeld door de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening nr. 1408/71, zoals uitgelegd door het Hof. Volgens deze bepalingen kan een nationale anti-cumulatieregel slechts worden toegepast, voor zover deze resulteert in een hoger pensioen dan het op grond van artikel 46 van de verordening berekende pensioen. Daarom vordert verzoekster berekening van haar pensioen op grond van artikel 46 van de verordening, zodat haar pensioen berekend volgens de nationale bepalingen (artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 50 daaronder begrepen) kan worden vergeleken met dat volgens artikel 46 van de verordening. Verzoekster gaat er hierbij van uit, dat het persoonlijk rustpensioen en haar rustpensioen als de uit de echt gescheiden echtgenote uitkeringen van dezelfde aard zijn. Zij steunt deze opvatting op artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967, op de Belgische doctrine alsmede op het arrest van het Hof van 24 september 1987 in de zaak Coenen.(13)
10 Verweerder daarentegen meent, dat verzoeksters rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenote uitsluitend naar Belgisch recht moet worden vastgesteld. Dit pensioen wordt namelijk niet toegekend op grond van de zelf vervulde verzekeringstijdvakken, doch op grond van de door de gewezen echtgenoot vervulde verzekeringstijdvakken. Derhalve doet artikel 46 van de verordening niet ter zake voor de berekening van het in geding zijnde pensioen, want deze bepaling is alleen van toepassing wanneer een persoon uitkeringen van dezelfde aard uit verschillende Lid-Staten ontvangt. En ook al zou verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn, dan nog zou artikel 12, lid 2, de toepassing van de anti-cumulatiebepaling van artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 50 niet uitsluiten, daar in casu van uitkeringen van dezelfde aard geen sprake kan zijn.
11 Bovendien, zo vervolgt verweerder, is artikel 10bis van het koninklijk besluit geen anti-cumulatiebepaling in eigenlijke zin, maar een beperkingsregel. Voor de vaststelling van de pensioenuitkeringen van verzoekster moeten twee van elkaar te onderscheiden berekeningen worden gemaakt: eerst de berekening van het persoonlijke pensioen ter zake van de in Duitsland en België verrichte arbeid (11 resp. 7 jaar) op grond van verordening nr. 1408/71, en daarna van het pensioen als gescheiden echtgenote op grond van de Belgische wetgeving. Ten slotte worden beide pensioenen samengevoegd en samen uitbetaald. Verweerder stelt dan ook voor, de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden.
12 De Commissie maakt vooraf de opmerking, dat de door de verwijzende rechter genoemde artikelen 12, 46 en 46bis van verordening nr. 1408/71 bij verordening nr. 1248/92 zijn gewijzigd c.q. ingelast (artikel 46bis), een en ander per 1 juni 1992.(14) Ten tijde van de aangevochten beslissing van 10 juli 1991 was de "oude versie" van verordening nr. 1408/71 van toepassing, zodat de vraag in eerste instantie aan deze bepalingen moet worden getoetst. Bij verordening nr. 2148/92 is in verordening nr. 1408/71 evenwel ook een artikel 95bis ingevoegd, op grond waarvan de pensioenen op verzoek in het licht van verordening nr. 1248/92 kunnen worden herzien, zodat de rechtspositie van verzoekster ook aan de nieuwe voorschriften moet worden getoetst.
13 De Commissie bespreekt eerst de juridische situatie zowel vóór als na de wijziging door verordening nr. 1248/92, om vervolgens tot een antwoord op de voorgelegde vraag te komen. Haars inziens komt het erop aan, of een pensioen ingevolge het Duitse Angestelltenversicherungsgesetz en een Belgisch pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van genoemde bepalingen zoals uitgelegd door het Hof. Nagegaan moet worden, of het voorwerp, het doel, de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden van de uitkeringen identiek zijn.
14 Het Duitse pensioen heeft als voorwerp en doel, de werknemer na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd voldoende middelen van bestaan te garanderen. De berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden worden bepaald door het aantal jaren van feitelijke arbeid van de werknemer en door de hoogte van het loon in die periode. Het is een klassiek pensioen.
15 Het Belgische pensioen heeft daarentegen als voorwerp en doel, de gescheiden echtgenoot die niet meer kan beschikken over het inkomen van de gewezen echtgenoot, voldoende middelen van bestaan te garanderen, en wel vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of - zo die later intreedt - vanaf de echtscheiding. In de visie van de Commissie vormt dit pensioen een compensatie voor het feit dat de rechthebbende niet meer kan beschikken over de inkomsten van de gewezen echtgenoot, aangezien een voorwaarde voor de toekenning ervan is, dat de rechthebbende niet is hertrouwd. Het pensioen wordt wel verworven onder dezelfde voorwaarden alsof de echtgenoot tijdens het huwelijk zelf een activiteit als werknemer zou hebben uitgeoefend.
16 Op grond van de arresten Stefanutti(15) en Coenen(16) meent de Commissie, dat uitkeringen die op grond van de loopbaan van twee verschillende personen worden berekend of toegekend, zoals in casu het geval is, niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden aangemerkt. Ofschoon het Belgische pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot te beschouwen is als een persoonlijk pensioen, alsof de rechthebbende de beroepswerkzaamheid van de gewezen echtgenoot zelf zou hebben verricht, gaat het hier naar de mening van de Commissie om een formeel kenmerk van de Belgische wetgeving. Daarom stelt zij zich op het standpunt, dat een Duits pensioen ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz en een Belgisch pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot noch in de zin van artikel 12, lid 2, oud van verordening nr. 1408/71 noch in de zin van artikel 46 bis, lid 1, nieuw van verordening nr. 1408/71 uitkeringen van dezelfde aard zijn.
De bevoegdheid van het Hof
17 Verweerder stelt op grond van het arrest Adlerblum(17) - waarin het Hof verklaarde dat het niet bevoegd is "bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag, welk rechtskarakter naar Frans recht moet worden toegekend aan een krachtens het Duitse Bundesentschaedigungsgesetz toegekende uitkering" -, dat het niet aan het Hof staat het Belgische pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenote te kwalificeren.
18 In de zaak Stefanutti antwoordde het Hof op vragen naar de kwalificatie van door andere Lid-Staten toegekende uitkeringen voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van een Lid-Staat, dat dergelijke vragen uitsluitend van het nationale recht afhangen. Het staat dus aan de nationale rechter uitspraak te doen over de inhoud en de uitlegging van zijn nationale wetgeving met betrekking tot de cumulatie van uitkeringen.(18)
19 In de zaak Coenen verklaarde het conform zijn vaste rechtspraak, dat het in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is, een communautaire regel op een bepaald geval toe te passen en bijgevolg bepalingen van nationaal recht aan die regel te toetsen. Het Hof kan de nationale rechter echter wel alle interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht verschaffen, die voor hem van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de werking van die bepalingen.(19) Aldus behoort het Hof ook in deze zaak te werk te gaan.
De werkingssfeer van verordening nr. 1408/71
20 Verzoekster valt onmiskenbaar binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 in de zin van artikel 2. Zij was werkneemster in twee Lid-Staten van de Gemeenschap. Verweerder is eveneens van mening, dat het persoonlijk pensioen van verzoekster overeenkomstig verordening nr. 1408/71 moet worden berekend.
Beantwoording van de prejudiciële vraag volgens verordening nr. 1408/71 "oude versie"
21 De opgeworpen rechtsvraag moet om te beginnen worden getoetst aan de versie van verordening nr. 1408/71 die ten tijde van de bestreden beslissing gold.(20)
22 Artikel 12, lid 2, eerste zin, laat de toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen in beginsel toe. Volgens artikel 12, lid 2, tweede zin, is deze regel niet van toepassing in geval van gelijksoortige uitkeringen bij, onder meer, ouderdom. Dat een bepaling als die van artikel 10bis het koninklijk besluit nr. 50 een anti-cumulatiebepaling is in de zin van artikel 12, lid 2, staat sedert het arrest Fabrizii(21) wel vast, waarmee niet is gezegd, dat onder de vroegere rechtspraak van het Hof ten aanzien van vergelijkbare regelingen hierover anders moest worden gedacht.(22)
23 Op het gebied van de pensioenberekening kunnen uit de omvangrijke rechtspraak van het Hof op de artikelen 12, lid 2, en 46(23) van verordening nr. 1408/71, en mede gelet op artikel 7(24) van verordening nr. 574/72, de volgende beginselen worden afgeleid:
- wordt een pensioen uitsluitend op grond van nationale bepalingen berekend, dan vinden ook de nationale (externe) anti-cumulatiebepalingen toepassing;(25)
- wordt daarentegen een berekening op grond van artikel 46 uitgevoerd, dan moet verordening nr. 1408/71 volledig worden toegepast; nationale anti-cumulatieregels blijven dan bij uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 12, lid 2, tweede zin, buiten beschouwing, ook bij de berekening van de zelfstandige uitkering volgens artikel 46, lid 1.(26)
24 Daar het bevoegde orgaan krachtens artikel 46, lid 1, tweede zin, het uitkeringsbedrag moet berekenen volgens artikel 46, lid 2, dus met toepassing van de gemeenschapsrechtelijke berekeningsmethode, om vervolgens beide bedragen met elkaar te vergelijken en het hoogste bedrag aan te houden, kan de niet-toepasselijkheid van nationale anti-cumulatiebepalingen gunstig zijn voor de hoogte van het feitelijk te betalen pensioen.
25 Zijn de in aanmerking te nemen uitkeringen niet van dezelfde aard, dan staat het gemeenschapsrecht toepassing van de op die uitkeringen betrekking hebbende nationale anti-cumulatiebepalingen niet in de weg.
26 Het is bijgevolg de vraag, of de in geding zijnde Belgische uitkering een uitkering van dezelfde aard is als een ouderdomspensioen; zo ja, dan valt zij onder artikel 46(27) en blijven nationale anti-cumulatiebepalingen bij de te maken vergelijking buiten beschouwing.
27 Het Hof heeft in zijn rechtspraak de criteria ter bepaling van uitkeringen van dezelfde aard als volgt omschreven:
"Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten uitkeringen van sociale zekerheid, los van de kenmerken die aan de onderscheiden nationale wettelijke regelingen eigen zijn, als gelijksoortig worden aangemerkt wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Zuiver formele kenmerken daarentegen zijn niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de klassificatie van de uitkeringen."(28)
28 Bijgevolg moet worden onderzocht, of het te kwalificeren Belgische rustpensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot op de relevante punten vergelijkbaar is met het klassieke pensioen ingevolge het Duitse Angestelltenversicherungsgesetz. Het voorwerp en doel van het Belgische pensioen is evenals bij elk klassiek ouderdomspensioen stellig het garanderen van een minimum-oudedagsvoorziening. De toekenningsvoorwaarden en het bedrag van de uitkeringen zijn zowel bij een klassiek pensioen als bij het Belgische pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot, in beginsel afhankelijk van de persoonlijke loopbaan van de rechthebbende. Op grond van de wettelijke fictie(29) van artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 kunnen huwelijksjaren als tijdvakken van persoonlijke arbeid worden aangerekend voor het Belgische pensioen.
29 De sociaal-politieke achtergrond van de vaststelling van de maatregel verandert niets aan de juridische verschijningsvorm ervan. Verweerder heeft een instructieve uiteenzetting gegeven over de rechtspolitieke achtergrond van de maatregel die werd genomen in het kader van de hervorming van het echtscheidingsrecht in België. Het doel was om met de regeling van artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 de gescheiden echtgenoot een persoonlijke aanspraak toe te kennen, die ten opzichte van de pensioenaanspraak van de ex-echtgenoot grotendeels verzelfstandigd is.
30 Deze verzelfstandiging komt tot uiting in verschillende opzichten. Anders dan de Commissie stelt, worden juist niet de tijdvakken van arbeid van de ex-echtgenoot in aanmerking genomen, maar de huwelijksjaren, dat wil zeggen een door de rechthebbende zelf in te vullen criterium. Deze opvatting wordt bevestigd door het door verweerder aangehaalde arrest(30) van het Belgische Hof van cassatie van 14 februari 1994(31), volgens hetwelk de artikelen 75 en 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 niet inhouden, dat de ex-echtgenoot moet worden beschouwd alsof hij dezelfde beroepsactiviteit als zijn ex-echtgenoot heeft uitgeoefend.(32) Bovendien wordt de uitkeringsaanspraak van de werkende ex-echtgenoot niet verminderd. Het ware derhalve onjuist te beweren, dat het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot op grond van de door de ex-echtgenoot betaalde bijdragen wordt toegekend of dat de uitkering moet worden aangemerkt als een deel van het door de ex-echtgenoot gevormde pensioen. De extra financiële lasten die de toekenning van een pensioen aan de uit de echt gescheiden echtgenoot meebrengt, worden gedragen door de gezamenlijke verzekerden.
31 Met de verzelfstandiging van het pensioen van de gescheiden echtgenoot is niet in tegenspraak, dat bij de berekening van het uitkeringsbedrag wordt uitgegaan van het inkomen van de ex-echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk, overeenkomstig artikel 77 van het koninklijk besluit van 21 december 1967.(33) Ook al is er geen sprake van daadwerkelijke bijdragebetaling door de gescheiden echtgenoot, benaderen de toekenningsvoorwaarden van het op de wettelijke fictie van artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december gestoelde pensioen toch heel dicht die voor het op eigen bijdragen berustende pensioen, aangezien rekenkundig het reële inkomen van de echtgenoten in het relevante tijdvak als basis wordt genomen. Doordat aan de persoonlijke loopbaan van de rechthebbenden wordt gerefereerd, wordt een vergaande gelijkheid van de toekenningsvoorwaarden van het pensioen bereikt.
32 Volgens de Commissie zijn voorwerp en doel van het Belgische pensioen van de gescheiden echtgenoot en die van het Duitse pensioen ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz verschillend, omdat in haar visie het Belgische pensioen bedoeld is als compensatie voor het feit dat de gescheiden echtgenoot niet meer over de inkomsten van de ex-echtgenoot kan beschikken, daar een voorwaarde voor de toekenning ervan is, dat hij niet is hertrouwd. Deze opvatting lijkt mij niet geheel consequent. Het tijdstip van hertrouwen heeft niets te maken met het feit, of de rechthebbende al dan niet over het inkomen van de ex-echtgenoot kan beschikken. Aangenomen dat zij staande huwelijk over het inkomen van de echtgenoot kan beschikken, dan verliest zij deze beschikkingsbevoegdheid uiterlijk op het tijdstip van de echtscheiding, vermoedelijk reeds bij de feitelijke scheiding, om welke reden reeds aan deze situatie pensioenrechtelijke consequenties worden verbonden.(34)
33 Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot lijkt op een gesocialiseerd recht op levensonderhoud. Zo gezien, is verval van de pensioenaanspraak bij hertrouwen consequent, want door huwelijk ontstaat een persoonlijke aanspraak op levensonderhoud tegenover de echtgenoot - die bij het ontstaan van de pensioengerechtigheid mogelijk aanspraak heeft op een hogere uitkering wegens zijn gehuwdenstatus -, en deze persoonlijke aanspraak prevaleert boven de "gesocialiseerde aanspraak op levensonderhoud." Deze overweging is evenwel niet doorslaggevend voor de beantwoording van de prejudiciële vraag. Beslissend voor de kwalificatie is de objectieve verschijningsvorm van de pensioenuitkering, zoals dat door de wettelijke bepalingen wordt gedefinieerd.
34 In zoverre moet voor het Belgische pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden aangenomen, dat het een persoonlijk pensioen is dat bij de wet is gelijkgesteld met een werknemerspensioen. De gelijkstelling gaat zo ver, dat het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot is geïntegreerd in een één geheel vormende verzekeringsloopbaan van de rechthebbenden. Een bewijs van deze gelijkstelling is ook de berekeningstechniek van het pensioen op basis van koninklijk besluit nr. 50, waarvan artikel 1 de rechtsgrondslag vormt voor de berekening van het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot volgens de regels van het werknemerspensioen.(35) De toepassing van artikel 10bis van dit koninklijk besluit was de aanleiding tot het onderhavige geding.
35 De opneming van het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot in één, enkele persoonlijke verzekeringsloopbaan en de aftrek van tijdvakken die een volle pensioeneenheid overschrijden, wijzen er volgens mij op, dat het gaat om een pensioen van dezelfde aard als een klassiek rustpensioen. De gelijkstelling vloeit bovendien voort uit de Belgische regeling. De gelijkstelling - op grond van de fictie van artikel 76 van het koninklijk besluit - wordt consequent doorgetrokken in de berekeningsgrondslag en -methode. De toepassing van artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 10 symboliseert die gelijkstelling en is er de consequentie van. Dit artikel geeft concrete gestalte aan het beginsel van een homogene loopbaan en leidt er daardoor toe, dat pensioenverminderingen reeds plaatsvinden in het kader van de berekeningsvoorwaarden en niet door aanrekening van diverse, op verschillende rechtsgrondslagen toegekende uitkeringen. Artikel 10bis behelst daarbij zowel een interne als externe anti-cumulatieregel. Aangezien aldus ook een krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat toegekend pensioen betrokken wordt bij de berekening van één homogene verzekeringsloopbaan, moeten het Belgisch rustpensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot als pensioen in de zin van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 en de betrokken pensioenen als uitkeringen van dezelfde aard worden beschouwd.
36 Mijn voorlopige conclusie is derhalve, dat pensioenuitkeringen zoals een Duits pensioen ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz en het Belgisch pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot zijn te beschouwen als uitkeringen van dezelfde aard in de zin van verordening nr. 1408/71 in de ten tijde van de bestreden beslissing geldende versie.
37 Volledigheidshalve wijs ik erop, dat op een overeenkomstig het gemeenschapsrecht berekend pensioen volgens artikel 46 ook de communautaire anti-cumulatieregel van artikel 46, lid 3, van toepassing is.
Beantwoording van de prejudiciële vraag volgens verordening nr. 1408/71 "nieuwe versie"
38 Het is de vraag, of de bij verordening nr. 1248/92 aangebrachte wijzigingen in de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 dwingen tot een ander antwoord. Dit zou men kunnen menen, want in de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1248/92 wordt gesproken van een nieuwe definitie van het begrip "uitkeringen van dezelfde aard" in de zin van titel III, hoofdstuk 3, van verordening nr. 1408/71; uiteindelijk zal dit echter niet het geval blijken te zijn.
39 De nieuwe regeling komt in grote lijnen overeen met de oude, en vooral met het "gezicht" dat deze door de rechtspraak van het Hof heeft gekregen. Nationale anti-cumulatieregels blijven op grond van artikel 12, lid 2(36), in beginsel van toepassing "tenzij in deze verordening anders is bepaald". Bij de "gemeenschapsrechtelijke" berekening van een pensioen volgens artikel 46, lid 2(37), worden in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard nationale anti-cumulatieregels niet toegepast (artikel 46 ter, lid 1).(38) Bij de berekening van het "autonome pensioen" volgens artikel 46, lid 1, sub a, i, worden nationale anti-cumulatieregels slechts in de twee gevallen van artikel 46 ter, lid 2, sub a en b, toegepast. In casu gaat het noch om een uitkering als bedoeld sub a, waarvan de hoogte onafhankelijk is van de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken, noch om een uitkering als bedoeld sub b, waarvan de hoogte wordt bepaald op basis van een fictief tijdvak dat geacht wordt te zijn vervuld tussen de datum van intreding van de verzekerde gebeurtenis en een latere datum.
40 De kernvraag is derhalve enkel, of het in casu om een uitkering van dezelfde aard in de zin van de nieuwe versie van verordening nr. 1408/71, in het bijzonder artikel 46bis, gaat. Zo ja, dan blijft de nationale anti-cumulatieregel van artikel 10bis van koninklijk besluit nr. 50 ingevolge artikel 46 ter buiten toepassing. De betrokken uitkeringen - het Duitse pensioen ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz en het Belgisch pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot - moeten zijn berekend of toegekend op basis van door een zelfde persoon vervulde verzekeringstijdvakken. "Verzekeringstijdvakken" zijn volgens artikel 1, sub r, van de verordening "de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend."(39)
41 Zoals gezegd, worden ingevolge artikel 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 huwelijksjaren gelijkgesteld met verzekeringstijdvakken en als zodanig erkend. De persoonlijk opgebouwde tijdvakken op grond van eigen arbeid in de zin van het Angestelltenversicherungsgesetz en op grond van de huwelijksjaren onder de voorwaarden van de artikelen 75 en 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 geven derhalve recht op uitkeringen die zijn te beschouwen als uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 46bis.
42 Deze opvatting wordt bevestigd door artikel 46bis, lid 3, waarin regels worden gegeven voor de toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen. Er wordt daar herhaaldelijk gesproken van "andere inkomsten" en "bedrag" van verkregen uitkeringen, wat erop wijst dat krachtens andere bepalingen verkregen uitkeringen van andere aard in hun geheel in de vergelijking moeten worden betrokken. Zoals ik echter al zei, is het in casu juist niet zo, dat de uitkeringen die krachtens de respectievelijke nationale wetgevingen zijn verkregen, aan het einde van de berekening "op een hoop worden geveegd". Integendeel, er wordt een homogene verzekeringsloopbaan van de rechthebbenden geconstrueerd waarin aan het begin van de berekening van de concrete uitkeringsaanspraak een beperkingsregel wordt toegepast op grond van de nationale regeling.
43 Wij zien dus, dat pensioenuitkeringen zoals het Duitse pensioen ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz en het Belgische pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot ook na de bij verordening nr. 1248/92 aangebrachte wijzigingen uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van verordening nr. 1408/71.
Conclusie
44 Samenvattend geef ik in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Uitkeringen zoals een Duits pensioen ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz en een Belgisch rustpensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot krachtens de artikelen 75 en 76 van het koninklijk besluit van 21 december 1976, zijn te beschouwen als uitkeringen van dezelfde aard in de zin van verordening (EEG) nr. 1408/71.
BIJLAGE
A Tekst van de relevante bepalingen in de redactie van verordening nr. 2001/83 (PB 1983, L 230).
Artikel 12, lid 2, luidt:
"De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn verworven. Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50, 51 of 60, lid 1, sub b), worden vastgesteld."
Artikel 46, leden 1 tot 3, luidt:
"1. Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, bepaalt, indien is voldaan aan de door deze wettelijke regeling gestelde voorwaarden voor het recht op uitkering zonder dat daarbij artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, behoeft te worden toegepast, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, het uitkeringsbedrag in overeenstemming met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens deze wettelijke regeling in aanmerking moeten worden genomen.
Dit orgaan moet evenwel ook het uitkeringsbedrag berekenen, dat zou worden verkregen bij toepassing van de in lid 2, sub a) en b), vastgestelde regels. Alleen het hoogste uitkeringsbedrag wordt aangehouden.
2. Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, past de onderstaande regels toe, indien de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, zijn vervuld:
a) Het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Lid-Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b) op basis van het in de vorige alinea bedoelde theoretische bedrag stelt het orgaan vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke voor het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld;
c) indien de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke voor het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld, langer is dan de maximumduur, welke de wettelijke regeling van een der Staten voor het recht op volledige uitkering vereist, houdt het bevoegde orgaan van deze Staat voor de toepassing van dit lid rekening met deze maximumduur in plaats van met de totale duur van de genoemde tijdvakken; deze wijze van berekening mag niet tot gevolg hebben dat dit orgaan een uitkering verschuldigd is welke hoger is dan de volledige uitkering volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling;
d) ...
3. De betrokkene heeft recht op de som van de uitkeringen welke overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn berekend tot maximaal het hoogste van de volgens lid 2 sub a), berekende theoretische uitkeringsbedragen.
Voor zover het in de vorige alinea bedoelde bedrag wordt overschreden, corrigeert ieder orgaan dat lid 1 toepast, zijn uitkering met een bedrag dat overeenkomt met de verhouding tussen het bedrag van de betrokken uitkering en de som van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitkeringen."
Artikel 7 van verordening nr. 574/72(40), de uitvoeringsbepaling bij artikel 12 van verordening nr. 1408/71, luidt:
"1. Wanneer de rechthebbende op een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat verschuldigde uitkering eveneens recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgevingen van een of meer andere Lid-Staten, zijn de volgende voorschriften van toepassing:
a) Indien de toepassing van artikel 12, lid 2 of lid 3, van de verordening tot gevolg heeft dat deze uitkeringen gelijktijdig worden verminderd of geschorst, mag geen van deze uitkeringen verminderd of geschorst worden met een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag waarop de vermindering of schorsing krachtens de wetgeving op grond waarvan deze uitkering verschuldigd is, betrekking heeft, te delen door het aantal uitkeringen die verminderd of geschorst worden en waarop de rechthebbende recht heeft.
b) Indien het uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft, die overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de verordening door het orgaan van een Lid-Staat zijn vastgesteld, houdt dit orgaan rekening met uitkeringen van andere aard, inkomsten of beloningen die vermindering of schorsing van de door dit orgaan verschuldigde uitkeringen tot gevolg kunnen hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a), van de verordening bedoelde theoretische bedrag, doch uitsluitend voor de vermindering of schorsing van het in artikel 46, lid 2, sub b), van de verordening bedoelde bedrag. Van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt slechts een gedeelte in aanmerking genomen, dat overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b), van de verordening vastgesteld wordt naar verhouding van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering.
c) Indien het uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft die overeenkomstig artikel 46, lid 1, eerste alinea, van de verordening door het orgaan van een Lid-Staat zijn vastgesteld, houdt dit orgaan in de gevallen waarin artikel 46, lid 3, van de verordening van toepassing is, rekening met uitkeringen van andere aard, inkomsten of beloningen die vermindering of schorsing van de door dit orgaan verschuldigde uitkeringen tot gevolg kunnen hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 46, lid 1, van de verordening bedoelde bedrag, doch uitsluitend voor de vermindering of schorsing van het bedrag dat verkregen wordt door toepassing van artikel 46, lid 3, van de verordening. Van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt evenwel slechts een gedeelte in aanmerking genomen; dit deel wordt verkregen door op dit bedrag een coëfficiënt toe te passen gelijk aan de verhouding tussen het bedrag van de uitkering dat wordt verkregen door toepassing van artikel 46, lid 3, van de verordening en het bedrag dat wordt verkregen door toepassing van artikel 46, lid 1, eerste alinea, van de verordening.
2. (...)."(41)
B Tekst van de relevante bepalingen in de geconsolideerde redactie van verordening nr. 1408/71 (PB 1992, C 325).
Artikel 12, lid 2, nieuw luidt:
"Tenzij in deze verordening anders bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lid-Staat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn verworven."(42)
Artikel 46, lid 1, luidt:
"Wanneer aan de bij de wetgeving van een Lid-Staat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden is voldaan, zonder dat noch artikel 45 noch artikel 40, lid 3, behoeft te worden toegepast, gelden de volgende regels:
a) het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de uitkering dat verschuldigd zou zijn:
i) enerzijds, uitsluitend op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving;
ii) anderzijds, op grond van lid 2;
b) het bevoegde orgaan kan echter van de berekening overeenkomstig het bepaalde onder a), ii), afzien, wanneer het resultaat van deze berekening, afgezien van afrondingsverschillen, gelijk of lager is dan het resultaat van de berekening overeenkomstig het bepaalde onder a), i); voor zover dit orgaan geen wetgeving toepast met anti-cumulatievoorschriften zoals bedoeld in de artikelen 46 ter en 46 quater of indien bedoeld orgaan een wetgeving toepast dat dergelijke voorschriften bevat in het in artikel 46 quater bedoelde geval, mits in bedoelde wetgeving wordt bepaald dat uitkeringen van verschillende aard alleen in aanmerking worden genomen op basis van de verhouding tussen enerzijds de duur van de uitsluitend onder deze wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, en anderzijds de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen die bij deze wetgeving zijn vereist om voor een volledige uitkering in aanmerking te komen (...)."
Lid 2 is inhoudelijk gelijk aan artikel 46, lid 2, sub a en b, oud. Lid 3 luidt:
"De betrokkene heeft van het bevoegde orgaan van elke Lid-Staat recht op het overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende hoogste bedrag, onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving krachtens welke deze uitkering verschuldigd is, voorziet.
Wanneer zulks het geval is, heeft de uit te voeren vergelijking betrekking op de na de toepassing van bedoelde bepalingen vastgestelde bedragen."
Het nieuw ingelaste artikel 46bis bevat algemene bepalingen betreffende de voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking geldende voor invaliditeits-, ouderdoms- of overlevingspensioenen op grond van de wetgevingen der Lid-Staten. De leden 1 en 2 ervan luiden:
"1. Onder samenloop van uitkeringen van dezelfde aard wordt in de zin van dit hoofdstuk verstaan de samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen, berekend of toegekend op basis van door een zelfde persoon vervulde tijdvakken van verzekering en/of van wonen.
2. Onder samenloop van uitkeringen van verschillende aard wordt in de zin van dit hoofdstuk verstaan de samenloop van uitkeringen die in de zin van lid 1 niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden aangemerkt."(43)
Het eveneens nieuw ingelaste artikel 46 ter bevat bijzondere bepalingen van toepassing in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer Lid-Staten. Deze luiden:
"1. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet, zijn niet van toepassing op uitkeringen berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2.
2. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet, zijn alleen op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), i), berekende uitkering van toepassing, indien het een uitkering betreft:
a) als bedoeld in bijlage IV, deel D, waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, of
b) waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van een fictief tijdvak dat geacht wordt te zijn vervuld tussen de datum waarop de verzekerde gebeurtenis is ingetreden en een latere datum (...)."(44)
(1) - Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), de versie die ten tijde van de bestreden pensioenbeslissing gold; zie ook de latere wijziging van de relevante bepalingen bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7) opgenomen in de geconsolideerde versie van verordening nr. 1408/71 (PB 1992, C 325, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1945/93 van de Raad van 30 juni 1993 (PB 1993, L 181, blz. 1).
(2) - Gegevens volgens het verwijzingsvonnis (blz. 3) en de opmerkingen van verzoekster.
(3) - De door verweerder in aanmerking genomen tijdvakken zijn vermeld op blz. 4 van het verwijzingsvonnis.
(4) - Artikel 3 van de wet van 20 juli 1990.
(5) - Koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 16 januari 1968).
(6) - Cf. artikel 76, eerste alinea, van het koninklijk besluit.
(7) - Cf. artikel 76, tweede alinea, van het koninklijk besluit.
(8) - Koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967). Artikel 10bis is ingelast bij koninklijk besluit nr. 205 van 29 augustus 1983 (Belgisch Staatsblad van 6 september 1993).
(9) - Artikel 10bis, eerste alinea.
(10) - Artikel 10bis, vierde alinea.
(11) - Deze bepaling is in verordening nr. 1408/71 pas ingelast bij verordening nr. 1248/92.
(12) - Zowel verzoekster als verweerder vestigen de aandacht erop, dat het niet gaat om de artikelen 75 en 76 van koninklijk besluit nr. 50, maar van het koninklijk besluit van 21 december 1967. Dit schrijft de verwijzende rechter ook op blz. 7 van het verwijzingsvonnis, zodat kan worden aangenomen, dat het in de prejudiciële vraag om een verschrijving gaat.
(13) - Arrest van 24 september 1987, zaak 37/86, Jurispr. 1987, blz. 3589.
(14) - De Commissie schrijft weliswaar 1 juli 1992, doch blijkens artikel 95bis, lid 1, moet dit 1 juni 1992 zijn. Volgens artikel 3 van verordening nr. 1248/92 treedt deze verordening in werking op de eerste dag van de maand volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, t.w. 19 mei 1992, dus op 1 juni 1992.
(15) - Arrest van 6 oktober 1987 (zaak 197/85, Jurispr. 1987, blz. 3855).
(16) - Arrest van 24 september 1987 (zaak 37/86, reeds aangehaald).
(17) - Arrest van 17 december 1975 (zaak 93/75, Jurispr. 1975, blz. 2147).
(18) - Zie zaak 197/85, reeds aangehaald, r.o. 16.
(19) - Zie zaak 37/86, reeds aangehaald, r.o. 8.
(20) - Voor de tekst van de relevante bepalingen, zie de bijlage bij deze conclusie.
(21) - Arrest van 15 december 1993 (gevoegde zaken C-113/92, C-114/92 en C-156/92, Fabrizii e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6707, r.o. 12 en 40).
(22) - Zie arrest van 18 februari 1992 (zaak C-5/91, Di Prinzio, Jurispr. 1992, blz. I-897, r.o. 35) en arrest van 11 juni 1992 (gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Di Crescenzo en Casagrande, Jurispr. 1992, blz. I-3851, r.o. 21).
(23) - Zie bijlage, deel A.
(24) - Zie bijlage, deel A.
(25) - Zie arrest van 2 augustus 1993 (zaak 31/92, Larsy, Jurispr. 1993, blz. I-4543) en zaak C-5/91 (Di Prinzio, reeds aangehaald) en gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91 (Di Crescenzo en Casagrande, reeds aangehaald).
(26) - Zaak C-15/91 (Di Prinzio, reeds aangehaald), gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91 (Di Crescenzo en Casagrande, reeds aangehaald), gevoegde zaken C-113/92, C-114/92 en C-156/92 (Fabrizii, reeds aangehaald).
(27) - Zie over dit punt: arrest van 5 juli 1983 (zaak 171/82, Valentini, Jurispr. 1983, blz. 2157, r.o. 10).
(28) - Zaak Valentini, reeds aangehaald, r.o. 13 (cursivering van mij); zie ook: zaak Coenen, reeds aangehaald, r.o. 10, en zaak Stefanutti, reeds aangehaald, r.o. 12.
(29) - Aldus kwalificeert verweerder eveneens de bepaling van artikel 75 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 (memorie, blz. 5).
(30) - Zie blz. 5 van de memorie.
(31) - Arrest van 14 februari 1994 nr. 5.93.0083F R.S.Z./Szala Emilia.
(32) - "(...); que cette disposition ne prévoit pas que le conjoint divorcé doit être considéré comme ayant exercé la même activité que son ex-conjoint."
(33) - Luidens artikel 77 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 wordt voor de berekening van het rustpensioen rekening gehouden met een loon waarvan het jaarbedrag gelijk is aan 62,5 % van het overeenstemmend jaarloon van de ex-echtgenoot.
(34) - In de vorm van een pensioen van feitelijk afzonderlijk wonende echtgenoot, zoals verzoekster blijkens het dossier vanaf 1 juni 1988 tot de echtscheiding ontvangen heeft.
(35) - "Dit besluit bedoelt een regeling te treffen: 1. voor rustpensioenen ten voordele van de werknemers die in België te werk gesteld zijn geweest (...); 2. (...);3. (...);Voor de toepassing van dit besluit worden met werknemers gelijkgesteld (...) al de personen tot wie de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving voor werknemers, wat de rust- en overlevingspensioenen betreft, is uitgebreid.""Le presént arrêté a pour objet d'organiser un regime:1. de pensions de retraite au profit des travailleurs salariés ayant été occupés en Belgique (...);2. (...);3. (...);Sont assimilés aux travailleurs salariés pour l'application du présent arrêté (...) et toutes les personnes auxquelles l'application de la législation sociale des travailleurs salariés en matière de pension de retraite et de survie est étendue."
(36) - Zie bijlage, deel B.
(37) - Zie bijlage, deel B.
(38) - Zie bijlage, deel B.
(39) - Cursivering van mij.
(40) - Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 (PB 1983, L 230, blz. 86).
(41) - Cursivering van mij.
(42) - Cursivering van mij.
(43) - Cursivering van mij.
(44) - Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy