CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. FENNELLY
van 30 januari 1996 ( *1 )
1.
In de verwijzingsbeschikking wordt het Hof verzocht om vast te stellen in hoeverre een anti-dumpingrecht dat duidelijk is bedoeld voor de toepassing bij de invoer van complete meerfasige elektromotoren in de Gemeenschap uit bepaalde derde landen, ook moet worden geheven bij individuele invoer van bepaalde essentiële onderdelen die bij de vervaardiging van dergelijke motoren worden gebruikt. In de verwijzingsbeschikking rijst de vraag welk verband er bestaat tussen de douaneregels van de Gemeenschap, in het bijzonder de Algemene regels voor de interpretatie ervan, en de betrokken antidumpingwetgeving.
I — De relevante gemeenschapswetgeving
2.
Bij verordening (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 werd een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie. ( 1 ) Bij verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 ( 2 ) werd op dergelijke motoren van oorsprong uit al deze Staatshandellanden, met uitzondering van Roemenië een definitief anti-dumpingrecht ingesteld. ( 3 ) Bij artikel 2, lid 1, van verordening nr. 3019/86 en bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 864/87 werden de betrokken meerfasige elektromotoren omschreven als „vallende onder post ex 85.01 Bib) van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met de Nimexe-codes ex 85.01-33, ex 85.01-34 en ex 85.01-36”.
3.
De douaneregels waarin deze posten ten tijde van de feiten werden omschreven, stonden in verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief ( 4 ) en verordening (EEG) nr. 3840/86 van de Commissie van 16 december 1986 houdende wijziging van de goederennomenclatuur voor de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de han del tussen de Lid-Staten (Nimexe). ( 5 ) Postonderverdeling 85.01 Bib viel onder post 85.01, en was in verordening nr. 3618/86 omschreven als volgt:
„85.01
Generatoren, elektromotoren en roterende omvormers; transformatoren en statische omvormers (gelijkrichters, enz.); smoorspoelen en zelfinductiespoelen:
A.
de navolgende goederen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen (a):
Generatoren, roterende of statische omvormers, transformatoren, smoorspoelen en zelfinductiespoelen;
Elektromotoren met een vermogen van 0,75 kW of meer, doch minder dan 150 kW
B.
andere machines, apparaten en toestellen:
I.
Generatoren, elektromotoren (ook indien uitgerust met snelheidsregelaar) en roterende omvormers:
a)
Synchroonmotoren met een vermogen van niet meer dan 18 watt
b)
andere
II.
Transformatoren en statische omvormers (gelijkrichters, enz.); smoorspoelen en zelfinductiespoelen
C.
Delen en onderdelen.”
De Nimexe-codes die in verordening nr. 3840/86 worden gebruikt, luiden, voor zover zij betrekking hebben op postorderverdeling 85.01 Bib, als volgt:
„Nimexe code
Verwijzing naar het GDD
Omschrijving van de goederen
85.01
B I b
Meerfasenmotoren, met een vermogen:
85.01 -33
van meer dan 0,75 kW, doch niet meer dan 7,5 kW
85.01 -34
van meer dan 7,5 kW, doch niet meer dan 37 kW
85.01 -36
van meer dan 37 kW, doch niet meer dan 75 kW
C
Delen en onderdelen: voor generatoren, motoren en roterende omvormers:
85.01 -89
niet-magnetische ringen
85.01 -90
andere
85.01 -93
voor transformatoren, smoorspoelen en zelfin-ductiespoelen
85.01 -95
voor statische omvormers”. (1)
(1) Deze Nimexe-codes zijn in de loop van de in deze zaak betrokken periode enigszins gereorganiseerd en luiden volgens verordening nr. 2658/87, voor zover van belang, als volgt:
„GN-code
Omschrijving
8501
Elektromotoren en elektrische generatoren andere dan generatoragregaïen:
8501 52 91
— met een vermogen van meer dan 750 W doch niet meer dan 7,5 kW
8501 52 93
— met een vermogen van meer dan 7,5 doch niet meer dan 37 kW
8501 52 99
— met een vermogen van meer dan 37 doch niet meer dan 75 kW
850 300
Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de machines bedoeld bij post 8501 of 8502:
8503 00 10
— niet-magnetische ringen
8503 00 90
— andere.».
4.
Sedert de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief in de jaren zestig was men van mening, dat de communautaire industrie moest worden beschermd tegen oneerlijke handelspraktijken zoals dumping, dat kan worden omschreven als de verkoop beneden de kostprijs van produkten op de wereldmarkt, dikwijls met behulp van een subsidie. ( 6 ) Verordening nr. 3019/86 (hierna: „voorlopige verordening”) en verordening nr. 864/87 (hierna: „definitieve verordening”) werden vastgesteld op basis van artikel 12 van de destijds geldende algemene antidumpingverordening, namelijk verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( 7 ) (hierna: „basisverordening”). ( 8 ) De basisverordening diende ter actualisering van de gemeenschappelijke regels voor de bescherming tegen invoer met dumping of subsidiëring uit derde landen. Het begrip dumping werd in artikel 2 omschreven als volgt:
„1.
Een anti-dumpingrecht kan worden toegepast op ieder produkt ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.
2.
Ten aanzien van een produkt wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt.”
De vaststelling van de normale waarde van gedumpte produkten is ingewikkeld en houdt in het bijzonder in dat, indien mogelijk, een vergelijkbare prijs voor een soortgelijk produkt in het exporterende land moet worden gevonden. Soms is een dergelijke vergelijkbare, betaalde of te betalen prijs in het land van oorsprong of van uitvoer niet voorhanden, of is die prijs, wanneer hij wel bestaat, niet normaal genoeg om een praktische aanknopingspunt voor een vergelijking met prijzen binnen de Gemeenschap te bieden ( 9 ), en daarom bevat artikel 2, lid 3, een aantal andere mogelijkheden met het oog op de vaststelling van een marktprijs of een aangenomen waarde. Artikel 2, lid 5, van de basisverordening voorzag in de toepassing van speciale criteria in geval van invoer uit landen die geen markteconomie hebben. In artikel 7 werd voorgeschreven welke procedure de Commissie na indiening van een klacht moest volgen. Zij moest onder meer „het betrokken produkt en de betrokken landen” vermelden en „de klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land” inlichten. Artikel 13 bevatte diverse algemene bepalingen betreffende rechten. Zij hielden in, dat anti-dumpingrechten bij verordening moesten worden ingesteld ( 10 ), dat in de verordening in het bijzonder het bedrag en de aard van het ingestelde recht moesten worden vermeld en dat het betrokken produkten „de rechten niet hoger mogen zijn dan de voorlopig geraamde of definitief vastgestelde marge van dumping”. ( 11 )
5.
Met betrekking tot de materiële werkingssfeer van het bij artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening ingestelde recht bepaalde artikel 1, lid 2: „De uitdrukking ‚gestandaardiseerde meerfasige motoren’omvat alle typen ‚standaard’-motoren waarvoor een internationale normalisatie, met name die van de Commission électrotechnique internationale (CEI) geldt.” Verder werden de gestandaardiseerde rotatiesnelheden, de gestandaardiseerde vermogens en de gestandaardiseerde ashoogten van de betrokken motoren vermeld. In artikeli, lid 3, van de definitieve verordening en in artikel 2, lid 2, van de voorlopige verordening (hierna gezamenlijk: „de verordeningen”) werd voorgeschreven op welke wijze het bedrag van het antidumpingrecht moest worden vastgesteld; voor elk type motor komt dit bedrag overeen met het verschil tussen de nettoprijs per stuk, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, en de in de bijlage genoemde prijs. Bij de verordeningen werd dus een variabelt) le ( 12 ) vorm van anti-dumpingrechten ingesteld, waardoor rekening kon worden gehouden met zowel het grote aantal eventueel betrokken motortypes alsook, gelet op de daarbij betrokken landen, met het feit dat de motoren van oorsprong waren uit staatshandellanden met een geleide economie, waar de prijsvorming niet of althans niet volledig, op de marktkrachten berustte.
6.
Artikel 1, lid 5, van de definitieve verordening (artikel 2, lid 5, van de voorlopige verordening) luidde: „Onverminderd het bepaalde in deze verordening zijn de voor de heffing van douanerechten geldende bepalingen van toepassing.” In 1986 en 1987 bepaalde punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur het volgende ( 13 )
„De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.”
Krachtens artikel 2 van de definitieve verordening werden de bedragen die als waarborg werden gesteld „definitief geïnd ten belope van de bedragen van de definitief ingestelde rechten”. Deze verordening trad op 28 maart 1987 in -werking.
II — De feiten en de procedure
7.
Robert Birkenbeul GmbH & Co. KG (hierna: „verzoekster”) exploiteert een bedrijf voor elektromachinebouw. Zij produceert vrijwel uitsluitend zogenoemde „speciale motoren” voor machinefabrieken, met door de klanten gespecificeerde kenmerken betreffende vermogen, afmetingen, elektronica en kogellagers. Verzoekster voldoet onder meer aan de wensen van haar klanten door bewerking van onderdelen van uit derde landen — in deze zaak ten tijde van de feiten uit (het toenmalige) Tsjecho-Slowakije — ingevoerde gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren, aangevuld met andere motoronderdelen uit Lid-Staten, of door zelf motoren te bouwen met onderdelen van uit derde landen ingevoerde gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren en daarvan speciale motoren te vervaardigen die, wat de inbouwmaat en/of de elektronica betreft, afwijken van standaardmotoren.
8.
Bij onderzoek van verzoeksters boekhouding in 1987 en 1988 ontdekte het Hauptzollamt Koblenz (hierna: „verweerder”) dat verzoekster dikwijls tegelijkertijd stators (met wikkeling) en rotoren (met as) van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren invoerde. Volgens verweerder moesten dergelijke motoronderdelen ingevolge punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „punt 2, sub a”) als complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren worden beschouwd en vielen zij onder post ex 85.01 Bib van het gemeenschappelijk douanetarief, aangezien de stators en de rotoren gezamenlijk de essentiële kenmerken (cursivering van mij) van een complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotor vertoonden. Derhalve werd de aanslag gewijzigd en werd van verzoekster een bedrag van 7703 DM aan douanerechten en 149613,90 DM aan antidumpingrechten nagevorderd. Na afwijzing van haar bezwaarschrift tegen deze navordering, stelde verzoekster beroep in bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, hetgeen uiteindelijk tot de verwijzingsbeschikking leidde.
9.
Voor het Finanzgericht Rheinland-Pfalz betoogde verzoekster, dat een aantal belangrijke onderdelen die essentieel zijn voor een afgewerkte of complete gestandaardiseerde meerfasige elektromotor niet onder de betrokken ingevoerde goederen waren begrepen. Economisch gezien vormen die ontbrekende onderdelen (die verzoekster in de Gemeenschap had gekocht) samen met haar eigen montagekosten 30,35 % van de prijs van een complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotor, terwijl de nettoprijs per stuk van een dergelijke motor 43,57 % hoger ligt dan de totale prijs voor de invoer van stators en rotoren. Voorts konden de ingevoerde onderdelen zonder de overige uit de Gemeenschap afkomstige onderdelen technisch niet functioneren.
10.
In het door de verordeningen ingevoerde stelsel van variabele rechten werd in de bijlage een minimumprijs vastgesteld en gold voor alle meerfasige elektromotoren die tegen een lagere prijs waren ingevoerd een anti-dumpingrecht, dat gelijk was aan het verschil tussen de werkelijke invoerprijs en de vastgestelde minimumprijs bij invoer. Voor de nationale rechter stelde verzoekster, dat bij invoer van de betrokken onderdelen aanzienlijke kortingen konden worden bedongen en dat de nettoprijzen ervan daarom veel lager waren dan de vergelijkbare nettoprijzen per stuk van complete motoren, zodat het berekenen van de antidumpingrechten op de invoer van onderdelen op basis van de in de bijlage vastgestelde minimumprijs tot een veel te hoge heffing zou leiden. Volgens haar kan het niet de bedoeling van de gemeenschapswetgever zijn geweest, dat punt 2, sub a, een gunstiger effect zou hebben op de importen van afgewerkte of complete meerfasige motoren dan op importen van onderdelen.
11.
Verweerder betoogde, dat de waardeverhouding tussen onderdelen en afgewerkte produkten niet ter zake deed. Bovendien waren zijns inziens bewerkingen van ingevoerde onderdelen na inklaring door de douane niet relevant voor de tariefindeling. Ten slotte bood de definitieve verordening geen rechtsgrondslag voor niet-toepassing van — eventueel te hoge — antidumpingrechten die volgens de regels juist zijn vastgesteld.
12.
Ter beslechting van het geschil achtte de nationale rechter het noodzakelijk om het Hof de volgende vragen voor te leggen:
„1)
Moeten de verordeningen (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 en nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 aldus worden uitgelegd, dat anti-dumpingrechten enkel kunnen worden geheven op de invoer van complete/afgewerkte — zij het ook gedemonteerde of nog niet gemonteerde — gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren als bedoeld in artikel 2, lidi, van verordening nr. 3019/86 respectievelijk artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 864/87,
of
hebben deze verordeningen eveneens betrekking op niet-complete/niet-afgewerkte goederen, die ingevolge punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur als complete/afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren moeten worden ingedeeld?
2)
Indien het tweede onderdeel van de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welke onderdelen van een gestandaardiseerde meerfasige elektromotor vertonen afzonderlijk of te zamen de essentiële kenmerken van een complete/afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotor,
en in het bijzonder,
moeten op een stator met wikkeling te zamen met een rotor met as reeds antidumpingrechten worden geheven?
3)
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:
Aan welk percentage antidumpingrechten zijn de ingevoerde onderdelen van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren onderworpen en op grond van welke bepalingen kan eventueel worden bereikt, dat over de ingevoerde motoronderdelen een juist en billijk recht wordt geheven?”
13.
De verwijzende rechter maakt met betrekking tot elke vraag een aantal opmerkingen. Wat de eerste vraag betreft merkt hij op, dat de verordeningen niet in de toepassing van het anti-dumpingrecht op ingevoerde motoronderdelen voorzien; zij bevatten geen prijzen voor motoronderdelen noch daarop toepasselijke speciale antidumpingtarieven. ( 14 ) Het verschil tussen de invoerprijzen van complete motoren en de samenstellende onderdelen ervan zou in individuele gevallen ertoe kunnen leiden, dat een anti-dumpingrecht wordt toegepast, terwijl dat recht, voor een vergelijkbaar complete motor niet zou behoeven te worden betaald, omdat de netto-invoerprijs ervan hoger ligt. Met andere woorden, de totale waarde van de ingevoerde onderdelen zou dan meer bedragen dan de in de regeling genoemde minimuminvoerwaarde van een complete motor, maar omdat elke ingevoerde partij afzonderlijk wordt afgewerkt, zouden op die importen elk afzonderlijk antidumpingrechten worden geheven.
14.
Anderzijds merkt de verwijzende rechter op, dat het feit dat in de verordeningen sprake is van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren „vallende onder post ex 85.01 B I b” van het gemeenschappelijk douanetarief zou kunnen wijzen op de bedoeling van de wetgever om een antidumpingrecht in te stellen op alle importen die bij de indeling in het gemeenschappelijk douanetarief onder deze post vielen. Bij die uitlegging zouden motoronderdelen op grond van punt 2, sub a, als een complete of afgewerkte motor worden ingedeeld, wanneer zij, in gemonteerde staat, de „essentiële kenmerken” vertonen, zelfs wanneer zij in feite niet-compleet en niet-afgewerkt zijn. Volgens de verwijzende rechter zou een dergelijke uitlegging meer met de bedoeling van de verordeningen stroken dan een uitlegging, volgens welke enkel complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren aan de betrokken anti-dumpingrechten zouden kunnen worden onderworpen.
15.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de verordeningen, indien zij van toepassing zijn op motoronderdelen die als complete of afgewerkte meerfasige elektromotoren kunnen worden beschouwd, aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij op de hier omstreden ingevoerde onderdelen van toepassing zijn. Uit zijn derde vraag blijkt, dat de verwijzende rechter bedenkingen heeft tegen de toepassing van het anti-dumpingrecht. Het is namelijk moeilijk om de methode ter berekening van het in de verordeningen vastgestelde antidumpingrecht voor motoren ook op ingevoerde motoronderdelen toe te passen; hoe lager de waarde is van het ingevoerde onderdeel, dat volgens punt 2, sub a, in wezen met een complete meerfasige elektromotor wordt gelijkgesteld, des te hoger is de financiële last van het anti-dumpingrecht. In deze omstandigheden wenst de verwijzende rechter te weten, hoe dergelijke anti-dumpingrechten moeten worden berekend.
III — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
16.
Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG hebben verzoekster, de Commissie en de Franse regering schriftelijke opmerkingen ingediend, terwijl verzoekster en de Commissie ook mondelinge opmerkingen hebben gemaakt. Verweerder en de Duitse regering hebben geen schriftelijke opmerkingen ingediend.
Verzoekster
17.
Volgens verzoeksters verklaring is zij een middelgrote onderneming met ongeveer 80 werknemers, en houdt zij zich voornamelijk bezig met de vervaardiging van speciale elektromotoren, waarbij zowel gebruik wordt gemaakt van uit derde landen ingevoerde als van binnen de Gemeenschap gekochte motoronderdelen. Elke speciale motor wordt naar gelang de behoeften van haar klanten, voor het merendeel machinefabrieken, apart ontworpen en vervaardigd.
18.
Met betrekking tot de eerste vraag betoogt verzoekster, dat zowel de overwegingen van de considerans als de tekst van de verordeningen, evenals het voorafgaande anti-dumpingonderzoek, enkel aldus kunnen worden uitgelegd, dat het bij de bedoelde produkten slechts gaat om die welke als complete of afgewerkte meerfasige elektromotoren kunnen worden ingedeeld. ( 15 ) Tijdens de mondelinge behandeling betoogde verzoekster, dat het anti-dumpingrecht ten opzichte van het algemene douanerecht een lex specialis is en dat anti-dumpingrechten niet algemeen behoren te worden toegepast, maar op een wijze waarop zij alleen bescherming bieden bij bewezen en specifieke gevallen van oneerlijke handelspraktijken.
19.
Algemene douanebepalingen, zoals punt 2, sub a, zijn volgens verzoekster krachtens artikeli, lid 5, van de definitieve verordening enkel van toepassing voor zover zij met de bepalingen van die verordening in overeenstemming zijn. Op grond van artikel 13, lid 2, van de basisverordening moest evenwel in individuele anti-dumpingverordeningen „het betrokken produkt” worden vermeld. Aangezien het betrokken produkt in het onderhavige geval in de verordeningen uitdrukkelijk werd omschreven als bepaalde typen complete of afgewerkte meerfasige elektromotoren, kan punt 2, sub a, dus niet worden toegepast. Het feit dat de verordeningen slechts een variabel anti-dumpingrecht voor „elk type motor” vaststelden, bevestigt volgens verzoekster haar mening, dat de gemeenschapswetgever de invoer van motoronderdelen niet had willen regelen. Zij wijst ook op het door de verwijzende rechter genoemde probleem, dat de toepassing van het variabele bedrag op de invoer van motoronderdelen ertoe zou leiden, dat daarop hogere anti-dumpingrechten worden geheven dan die welke bij invoer van complete motoren verschuldigd zijn.
20.
Verzoekster beroept zich op het beginsel, dat het toepassingsgebied van een verordening in de regel moet blijken „uit de daarin opgenomen bepalingen”. ( 16 ) In uitzonderingsgevallen kan van dit beginsel worden afgeweken, maar niet wanneer de beoogde uitlegging de betrokkene een verplichting zou opleggen. ( 17 ) Dat zou het geval zijn bij de uitlegging die verweerder voorstaat, en is dus onaanvaardbaar. In de onderhavige zaak zou een uitlegging die de verordeningen beperkt tot complete motoren niet onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. In de basisverordening werd de gemeenschapswetgever uitdrukkelijk gemachtigd te bepalen voor welke produkten een anti-dumpingrecht zou gelden; in dit geval strekten zowel het voorafgaand onderzoek als het uiteindelijk ingestelde recht zich slechts uit tot complete of afgewerkte meerfasige elektromotoren.
21.
Ten slotte betoogt verzoekster, dat bij aanvaarding van haar uitlegging — die toepassing van punt 2, sub a, uitsluit — de protectionistische aard van de betrokken verordeningen niet zou worden ondermijnd. Punt 2, sub a, is enkel van toepassing wanneer produktonderdelen, die de essentiële kenmerken van een afgewerkt produkt bezitten, tegelijkertijd ter inklaring worden aangeboden. ( 18 ) Punt 2, sub a, is niet bedoeld om ontwijking van anti-dumpingrechten te voorkomen, maar veeleer om de tariefindeling te vereenvoudigen. Volgens verzoekster kunnen anti-dumpingrechten altijd worden ontweken door importeurs die bereid zijn hun importen te spreiden; zij houdt zich echter niet met dergelijke praktijken bezig en mag dus niet anders worden behandeld, enkel omdat zij de benodigde rotoren en stators tegelijkertijd invoert. ( 19 )
22.
Met betrekking tot de tweede vraag betoogt verzoekster dat, wanneer haar argumenten met betrekking tot de eerste vraag niet worden aanvaard, de in de zaak betrokken onderdelen, wat uiterlijke verschijningsvorm en werking betreft, noch op grond van punt 2, sub a, de essentiële kenmerken van een meerfasige elektromotor in de zin van artikel 1 van de definitieve verordening bezitten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekster verwezen naar het onlangs gewezen arrest van het Hof in de zaak Develop Dr. Eisbein. ( 20 ) In die zaak besliste het Hof, dat de betrokken onderdelen in het kader van de toepassing van punt 2, sub a, reeds als een afgewerkt produkt herkenbaar moeten zijn. In de onderhavige zaak zijn de onderdelen optisch niet als een elektromotor herkenbaar.
23.
Wat de „essentiële kenmerken” betreft betoogt verzoekster, dat de onderdelen uiterlijk niet op elektromotoren lijken, omdat diverse belangrijke delen ontbreken, namelijk twee lagerschilden voor de aandrijvende en de tegenoverliggende kant en de lagerkappen. Aan de binnenkant zijn ze ook anders: er ontbreken kogellagers, een ventilator, een ventilatorkap en een klemmenblok. Verder bezitten zij niet het essentiële kenmerk van een meerfasige elektromotor, namelijk het vermogen om met behulp van magnetische velden elektrische energie in mechanische energie om te zetten.
24.
Volgens verzoekster wordt tussen 65 % en 85 % van de produktiekosten van haar speciale elektromotoren gevormd door de kosten van andere dan de betrokken, uit derde landen ingevoerde onderdelen en door de verwerkings- en montagekosten. Zij staaft dit met twee voorbeelden van de kosten van speciale types meerfasige elektromotoren, waaruit blijkt dat, hoewel zich daarbij grote verschillen voordoen, de waarde van de invoer uit Tsjecho-Slowakije 35,07 % respectievelijk 17,13 % bedraagt.
25.
Ook wijst verzoekster naar de „montageregels” die het Hof in zijn rechtspraak met betrekking tot punt 2, sub a, heeft gebruikt. Met verwijzing naar het arrest van het Hof in de zaak Brother International ( 21 ) stelt zij, dat haar montageprocedure, gelet op de bijdrage van vakspecialisten, de benodigde extra onderdelen en de bewerking met behulp van speciale instrumenten, niet louter als iets eenvoudigs kan worden beschouwd. De ingevoerde onderdelen kunnen elk afzonderlijk en voordat zij zijn verwerkt, niet worden gelijkgesteld aan complete of afgewerkte meerfasige motoren.
26.
Weer zonder af te doen aan haar standpunt met betrekking tot eerdere vragen, betoogt verzoekster ten aanzien van de derde vraag dat, ook wanneer een stator en een rotor gezamenlijk als een complete meerfasige elektromotor zouden moeten worden aangemerkt, de toepassing van de in de verordeningen voorgeschreven methode voor de berekening van het anti-dumpingrecht onjuist zou zijn. Volgens artikel 1, lid 3, van de definitieve verordening komt „het bedrag van dit recht (...) voor elk type motor overeen met het verschil tussen de nettopnjs per stuk, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, en de in de bijlage genoemde prijs”. Wordt die berekeningsmethode van het recht bij de invoer van motoronderdelen gehanteerd, zou dat zowel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als met het evenredigheidsbeginsel zijn.
27.
Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt volgens verzoekster, dat de verordeningen duidelijk moeten zijn geformuleerd ( 22 ), in het bijzonder wanneer daarin, zoals in antidumpingverordeningen, financiële lasten worden opgelegd. Bovendien moest ingevolge artikel 13, lid 2, van de basisverordening zowel de betrokken produkten als het ingestelde recht nauwkeurig worden vermeld. Wanneer de rechten ook op niet vermelde produkten worden toegepast, is dat onwettig. Leemtes in verordeningen kunnen nooit ten koste van de betrokken handelaren worden opgevuld. ( 23 ) Indien het recht op ingevoerde motoronderdelen dient te worden toegepast, zou de gemeenschapswetgever daartoe moeten beslissen.
28.
Zoals de verwijzende rechter inziet, zou de toepassing van het recht op motoronderdelen ertoe leiden, dat de invoer daarvan meer wordt beschermd dan die van complete motoren. Het bedrag van het recht zou in absolute zin en a fortiori als percentage van de waarde van het ingevoerde produkt hoger zijn. Dat zou in strijd met het evenredigheidsbeginsel zijn. Bovendien mocht het anti-dumpingrecht volgens artikel 13, lid 3, van de basisverordening de dumpingmarge niet overschrijden en moest het in elk geval lager zijn, wanneer lagere rechten voldoende zijn om de schade voor de betrokken communautaire industrie op te heffen. Dit beginsel werd in de verordeningen met betrekking tot importen van complete of afgewerkte motoren in acht genomen, maar automatische toepassing van het variabele recht op ingevoerde onderdelen zou volgens verzoekster zowel in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel als met artikel 13, lid 3, van de basisverordening.
De Commissie
29.
De Commissie merkt om te beginnen op, dat de in de verordeningen genoemde tariefposten enkel betrekking hadden op meerfasige elektromotoren en niet op onderdelen, die onder een andere tariefpost vallen. Toepassing van punt 2, sub a, heeft tot gevolg, dat ingevoerde onderdelen, wanneer zij de essentiële kenmerken van een volledige meerfasige elektromotor bezitten, wat de douanerechten aangaat, als meerfasige elektromotoren moeten worden behandeld, maar dat geldt niet noodzakelijkerwijs ook in het geval van een anti-dumpingrecht waarvan de toepassing in beginsel van de uitvoeringsverordening afhangt.
30.
De Commissie vestigt in het bijzonder de aandacht op het arrest in de zaak Dr. Tretter, waarin het Hof de verhouding tussen het gemeenschappelijk douanetarief en antidumpingverordemngen heeft uitgelegd. ( 24 ) Een enkele verwijzing in een antidumpingverordening naar een specifieke post van het gemeenschappelijk douanetarief betekent niet noodzakelijkerwijs, dat elk goed onder die post aan het recht is onderworpen. Slechts wanneer na een behoorlijk anti-dumpingonderzoek bewezen is, dat een bepaald produkt wordt gedumpt, mag daarop een anti-dumpingrecht worden geheven.
31.
Alleen om ontduiking te voorkomen, zou kunnen worden gerechtvaardigd, dat het anti-dumpingrecht op de stators en rotors wordt geheven als waren zij complete motoren. Zelfs een dergelijke uitlegging zou echter niet kunnen verhinderen, dat de rechten worden ontdoken. Het recht zou enkel goed kunnen worden toegepast, wanneer alle onderdelen die geacht kunnen worden vergelijkbaar te zijn met het afgewerkte produkt, tegelijkertijd worden ingevoerd; maar een handige importeur zou zijn importen gemakkelijk kunnen spreiden. Een dergelijke ruime uitlegging valt slechts te verdedigen, wanneer daarmee iets wordt bereikt.
32.
Volgens de Commissie zijn er redenen die duidelijk tegen een dergelijke uitlegging pleiten. In de eerst plaats bevatte de tekst van de verordeningen geen aanwijzing, dat ook niet-complete motoren eronder vielen; in de voorlopige verordening werd niet van onderdelen gesproken, en de verwijzing in de negenentwintigste overweging van de considerans van de definitieve verordening betrof een bijzonder geval, namelijk „onderdelen van oorsprong uit landen met Staatshandel” die door „kleine Italiaanse producenten, in de ambachtelijke sector” werden gebruikt, waardoor zij kennelijk in staat waren met de prijzen van goedkope ingevoerde meerfasige elektromotoren te concurreren. Uit de overwegingen van de considerans van de verordeningen blijkt, dat het voorafgaande onderzoek enkel meerfasige elektromotoren betrof en dat alle bevindingen betrekking hadden op de gevolgen van de invoer daarvan. Een uitlegging van de verordeningen in die zin, dat zij op ingevoerde onderdelen van toepassing waren, zou onverenigbaar met de basisverordening zijn en dus een hogere rechtsnorm schenden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie nog twee redenen genoemd op grond waarvan de toepassing op ingevoerde onderdelen niet door de bewoordingen van de definitieve verordening werd gedekt. In de eerste plaats werd bij de in artikel 1, lid 1, genoemde post het gedeelte van de post dat betrekking heeft op „onderdelen”, uitdrukkelijk uitgezonderd. In de tweede plaats, anders dan bij de verordeningen die de gemachtigde van de Commissie normale anti-dumpingverordeningen noemt ( 25 ) (dat wil zeggen die welke een ad-valoremrecht inhouden), waarin staat, dat bij problemen met de toepassing ervan de desbetreffende bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing zijn, werd in artikel 1, lid 5, van de definitieve verordening bepaald, dat het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing is „onverminderd het bepaalde in deze verordeningen”.
33.
De tweede reden die de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen noemt, betrof de in de verordeningen vastgestelde methode ter berekening van het recht, die op twee prijzen berust: de prijs die door de eerste onafhankelijke koper van de goederen is betaald en de in de bijlage vermelde minimumprijs. In haar betoog over de mogelijke grondslag bij de berekening van het recht voor onderdelen onderscheidt de Commissie meerdere mogelijkheden, die zij geen van allen bevredigend vindt ( 26 ) het bij de verordeningen ingestelde variabele recht was niet geschikt voor toepassing op ingevoerde onderdelen, of zou althans tot onbillijke resultaten te leiden.
34.
Verder stelt de Commissie, dat de verordeningen niet mogen worden uitgelegd op een wijze die tot de toepassing van kennelijk onbillijke rechten zou leiden, en dat de nationale douaneautoriteiten niet zou kunnen worden toegestaan het bedrag van het anti-dumpingrecht zelf vast te stellen. Dat zou gevaarlijk zijn voor de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht op een gebied waarop de Gemeenschap uitsluitende bevoegdheid bezit, door het ontbreken van een goede beleidslijn van de Gemeenschap met betrekking tot referentieprijzen moeilijkheden opleveren en de importeurs de benodigde rechtszekerheid ontnemen. Volgens de Commissie strookt een dergelijke conclusie zowel met 's Hofs rechtspraak als met Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur. ( 27 )
35.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie opgemerkt, dat de tweede vraag van de verwijzende rechter, ingeval het Hof beantwoording daarvan noodzakelijk acht, wat de in deze zaak betrokken onderdelen betreft, ontkennend moet worden beantwoord. Daarvoor beriep zij zich op het recente arrest van het Hof in de zaak GoldStar Europe. ( 28 ) Gelet op haar standpunt met betrekking tot de eerste en de tweede vraag, had de Commissie geen commentaar op de derde vraag.
De Franse regering
36.
De Franse regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen een standpunt ingenomen, dat sterk afwijkt van dat van verzoekster en van de Commissie. Tijdens de mondelinge behandeling was zij niet vertegenwoordigd.
37.
Met betrekking tot de eerste vraag stelt zij, dat de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur bij de uitlegging van de verordeningen dienen te worden toegepast. Daarvoor noemt zij twee redenen: i) in de verordeningen wordt uitdrukkelijk naar de toepassing van die regels verwezen; ii) het gemeenschappelijke in douanerechten en anti-dumpingrechten, in het bijzonder wat de met de inning ervan belaste autoriteiten betreft, onderstelt, dat de genoemde Algemene regels in beide gevallen van invloed moeten zijn. Het zou in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zijn, wanneer nationale douaneautoriteiten die Algemene regels niet bij de toepassing van anti-dumpingrechten zouden betrekken. Bijgevolg is de Franse regering van mening, dat punt 2, sub a, in het onderhavige geval van toepassing is.
38.
Met betrekking tot de tweede vraag stelt de Franse regering, dat het probleem of de Stators en rotors op grond van punt 2, sub a, als complete motoren moeten worden ingedeeld, twee aparte vragen oproept: i) heeft de stator, te zamen met de rotor, het essentiële kenmerk van een complete elektromotor; ii) sluit het feit, dat tijdens het produktieproces nog andere onderdelen moeten worden toegevoegd, een bevestigend antwoord op de eerste vraag uit? Daarbij moet eerst worden overwogen wat de wezenlijke functie van een elektromotor is en dan moet worden nagegaan, of de stator te zamen met de rotor die functie vervult. De omzetting van elektrische energie in mechanische energie geschiedt in de eerste plaats door de combinatie van een stator met een rotor. Het ontwerpen en vervaardigen van deze onderdelen is ingewikkeld werk met een hoge toegevoegde waarde, die gemiddeld ongeveer twee derde van de kosten van een elektromotor bedraagt, en de kenmerken van de motor worden uitsluitend bepaald door de kwaliteit van de stator en de rotor. Los vormen zij weliswaar nog geen elektromotor, maar de toevoeging van de overige benodigde onderdelen en fabricage ervan zijn van ondergeschikt belang. Deze essentiële onderdelen kunnen voor diverse doeleinden worden gebruikt, zonder de noodzaak een complete motor te bouwen. ( 29 ) De noodzaak om tijdens het produktieproces „secundaire” onderdelen toe te voegen, doet geen afbreuk aan het feit dat de stator en de rotor de voornaamste functie vervullen. Volgens de Franse regering had verweerder deze onderdelen terecht als meerfasige elektromotoren ingedeeld en dus aan het antidumpingrecht onderworpen.
39.
Met betrekking tot de derde vraag wijst de Franse regering erop, dat de voorlopige verordening noch de definitieve verordening een afwijking van de voorgeschreven antidumpingrechten toestonden. Zij baseert dat op het feit, dat de gemeenschapswetgever besloot om in het onderhavige geval een variabel recht in te stellen. Zou daarentegen zijn besloten het recht aan de hand van de waarde te berekenen, dan had volledig rekening moeten worden gehouden met de waardeverschillen tussen importen van complete en van niet-complete motoren. In het arrest van het Hof in de zaak Neotype Techmash export ( 30 ) werd een beroep tegen de variabele aard van het bij de definitieve verorde-, ning vastgestelde anti-dumpingrecht verworpen en werd erkend, dat de beslissing daartoe binnen de beoordelingsbevoegdheid van de Raad lag. Daaruit volgt, dat de nationale douaneautoriteiten niet zelf kunnen beslissen over de in de verordeningen vastgestelde heffing en dat dus het volledige recht moet worden geïnd zodra de importen onder de werkingssfeer ervan vallen.
40.
Met betrekking tot verzoeksters argument, dat de opgelegde heffing onbillijk is, betoogt de Franse regering, dat het in de verordeningen vastgestelde bedrag van het antidumpingrecht, gelet op de tijdens het voorafgaand onderzoek vastgestelde werkelijke dumpingmarge reeds zeer bescheiden is. ( 31 ) Enkel in — haars inziens „marginale” — gevallen als die van verzoekster, vormen de kosten van andere onderdelen dan de stator en de rotor en de produktiekosten een belangrijk gedeelte van de totale kosten. Het bij de verordeningen ingevoerde stelsel kon dus niet meebrengen, dat die gevallen konden worden uitgezonderd en bovendien kon de Raad niet worden geacht buiten de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te zijn gegaan door geen speciale regeling voor ondernemingen als die van verzoekster te treffen.
IV — Onderzoek van de vragen
De eerste vraag
41.
De Franse regering merkt terecht op, dat het geen verrassing is, dat specifieke antidumpingverordeningen, zoals de voorlopige en de definitieve verordening, zowel naar de tariefnomenclatuur als naar de algemene douaneregels moeten verwijzen, want daardoor kunnen de met toepassing ervan belaste nationale autoriteiten gemakkelijk vaststellen welke goederen onder het anti-dumpingrecht vallen. De verordeningen verwezen naar post ex 85.01 Bib van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met de Nimexe-codes ex 85.01-33, ex 85.01-34 en ex 85.01-36, zodat kon worden vastgesteld voor welke gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren het recht gold. Met betrekking tot de tariefindeling ben ik het met de Franse regering eens, dat de omschrijving van een goed in een bepaalde tariefpost niet noodzakelijkerwijze uitputtend is. Ook moet worden gelet op de samenhang en de specifieke omschrijvingen.
42.
In de zaak Osram ( 32 ) werd het Hof gevraagd om uitlegging van post 70.11 van het gemeenschappelijk douanetarief, die betrekking had op „ballons, peren, alsmede buizen (...) voor elektrische lampen, voor elektrobuizen of voor dergelijke artikelen”. Na te hebben overwogen dat post 70.11 volgens de bewoordingen ervan alleen „niet-afgewerkte” produkten betreft, verklaarde het Hof dat „deze term overeenkomstig algemene toepassingsbepaling 2a (...) moet worden uitgelegd”. ( 33 ) Volgens de Franse regering moet deze zelfde bepaling op de tariefindeling van de in deze zaak betrokken niet-afgewerkte produkten worden toegepast. Welk gevolg de toepassing van deze bepaling heeft, maakte advocaatgeneraal Trabucchi in zijn conclusie duidelijk:
„Volgens een bij de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief normaliter gevolgde regel heeft de vermelding van een goed in een bepaalde tariefpost eveneens op dat goed in niet-complete of niet-afgewerkte staat betrekking, voor zover het de essentiële kenmerken van het complete of afgewerkte goed vertoont.” ( 34 )
Zowel de advocaatgeneraal als het Hof waren van mening, dat de toepassing van punt 2, sub a, onderstelt, dat de afzonderlijke delen tegelijkertijd moeten worden ingevoerd of ingeklaard. ( 35 )
43.
Volgt men het standpunt van de Franse regering, dat punt 2, sub a, in casu van toepassing is, moet niet worden vergeten, dat de zaak Osram enkel de tariefindeling betrof, terwijl het in deze zaak ook om de toepassing van een anti-dumpingrecht gaat. Volgens de Franse regering zou het in strijd met de rechtszekerheid zijn, wanneer nationale autoriteiten onder de materiële werkingssfeer van de verordening niet zowel afgewerkte of complete als niet-afgewerkte of niet-complete meerfasige elektromotoren zouden laten vallen, wanneer laatstgenoemde motoren de essentiële kenmerken van eerstgenoemde bevatten. Deze mening kan ik niet delen.
44.
Weliswaar werd in artikel 2, lid 5, van de voorlopige verordening ter bevestiging van artikeli, lid 5, van de definitieve verordening, uitdrukkelijk bepaald, dat de voor de heffing van douanerechten geldende algemene bepalingen van toepassing zijn, doch, zoals verzoekster terecht heeft opgemerkt, onverminderd het bepaalde in die verordening. In zijn arrest in de zaak Krohn wees het Hof erop, dat „in de regel het toepassingsgebied van een verordening daarin zelf [wordt] geregeld en in beginsel (...) niet kan worden uitgebreid tot andere gevallen dan waarvoor zij is bedoeld”. ( 36 ) In die zaak betoogde een handelaar zonder succes, dat een bepaling van een verordening van de Commissie betreffende de annulering van invoerscertificaten voor maniok uit andere derde landen dan Thailand naar analogie op Thailand kon worden toegepast, hoewel de voor invoer uit Thailand geldende verordening van de Commissie niet in een dergelijke mogelijkheid voorzag. In casu tracht verzoekster zich op de normale betekenis van de bewoordingen in de verordeningen te beroepen en stelt zij bij voorbeeld niet, dat het onvermeld laten van onderdelen een leemte is „die onverenigbaar is met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht en die door deze analogische toepassing (van punt 2, sub a) kan worden opgevuld”. ( 37 ) Dat de Raad geen regeling voor ingevoerde motoronderdelen heeft getroffen kan mijns inziens niet als een leemte worden opgevat die in het door de bestreden verordeningen ingevoerde stelsel van bescherming tegen dumping moet worden opgevuld. Maatregelen van de Gemeenschap tot instelling van anti-dumpingrechten zijn naar hun aard reeds buitengewoon en dienen in de regel niet anders dan letterlijk te worden uitgelegd. Volgens mij is dat in het bijzonder het geval wanneer een ruime uitlegging ernstige financiële consequenties voor de betrokken handelaren, zoals verzoekster, zou hebben.
45.
In artikel 1 van de definitieve verordening werd zeer nauwkeurig gezegd, dat de materiële werkingssfeer van het ingestelde dumpingrecht bepaalde meerfasige elektromotoren vallende onder post ex 85.01 B I b van het gemeenschappelijk douanetarief omvat. Op het relevante tijdstip betrof deze post enkel complete machines en apparaten. Het lijkt mij niet meer dan redelijk ervan uit te gaan dat, wanneer de Raad het recht tot motoronderdelen had willen uitbreiden, ook zou zijn verwezen naar post 85.01 C die specifieke onderdelen omvat en vermoedelijk de losse onderdelen van machines die onder post 85.01 zijn ingedeeld. ( 38 ) Deze gedachte wordt nog versterkt door de verwijzing naar de desbetreffende Nimexe-codes, aangezien in geen van de drie genoemde codes (zie punt 3 hiervoor) sprake was van onderdelen van meerfasige elektromotoren. De zo zorgvuldig gekozen terminologie had betrekking op „gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren” en vervolgens werd onomwonden verwezen naar drie niveaus van vermogen, die de gehele reeks van de Nimexe-codes ex 85.01-33, ex 85.01-34 en ex 85.01-36 dekken. Wanneer de volgende post, die inderdaad „onderdelen” omvat, via extensieve interpretatie daarbij wordt betrokken, zou dat de duidelijke terminologie geweld aandoen. Volgens mij kan een letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening dus enkel leiden tot de conclusie, dat onderdelen zijn uitgesloten. Mijn inziens is die conclusie voldoende om het onderhavige probleem op te lossen.
46.
Bovendien ben ik ervan overtuigd, dat deze conclusie aanzienlijke steun vindt in de beschikking van de president van het Hof in de zaak Enital. ( 39 ) Enital verzocht onder meer om opschorting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige verordening. Een van haar argumenten ter ondersteuning van dit verzoek was, dat de Commissie in de voorlopige verordening het anti-dumpingrecht onwettig op motoronderdelen had toegepast. De president van het Hof verwierp dat argument in de volgende bewoordingen ( 40 )
„Zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet, lijkt het tweede door verzoekster aangevoerde argument op het eerste gezicht zonder enige relevantie. Enkele lezing van het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1985, L 330, biz. 335) en van de Nimexe-code (PB 1985, L 353, biz. 475) leert, dat post 85.01 van het gemeenschappelijk douanetarief, ‚generatoren, elektromotoren en roterende omvormers; transformatoren en statische omvormers; smoorspoelen en zelfinductiespoelen’, drie onderverdelingen kent:
—
85.01 A (goederen bestemd voor burgerluchtvaartuigen),
—
85.01 B (andere machines, apparaten en toestellen),
—
85.01 C (delen en onderdelen),
en dat de verwijzing in verordening nr. 3019/86 van de Commissie naar post 85.01 B I b van het GDD niet de delen en onderdelen betreft, omschreven in post 85.01 C. Raadpleging van de overeenkomstige posten van de Nimexe-code 85.01-33, 85.01-34 en 85.01-36 bevestigt dit, aangezien deze posten betrekking hebben op gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, terwijl de delen en onderdelen van motoren onder de posten 85.01-89 en 85.01-90 vallen, die in verordening nr. 3019/86 niet zijn vermeld.”
47.
De Franse regering stelt evenwel, dat zowel de verwijzing naar „de voor de heffing van douanerechten geldende bepalingen” in artikel 1, lid 5, van de definitieve verordening en het vereiste van rechtszekerheid billijken, dat de nationale douaneautoriteiten punt 2, sub a, toepasten en er dus van uitgingen, dat de definitieve verordening van toepassing was op ingevoerde onderdelen, die geacht kunnen worden sterk op complete motoren te lijken. Alvorens na te gaan op welke moeilijkheden nationale autoriteiten eventueel zouden kunnen stuiten, wanneer zij de definitieve verordening op ingevoerde onderdelen dienen toe te passen, moet ik eerst onderzoeken, of de verwijzing, onder meer naar punt 2, sub a, een niet-letterlijke uitlegging van de materiële werkingssfeer van de definitieve verordening noodzakelijk maakt.
48.
Volgens de nationale rechter zou een dergelijke uitlegging meer in overeenstemming zijn met het eigenlijke doel van antidumpingmaatregelen in het algemeen en van de definitieve verordening in het bijzonder, doordat importeurs worden weerhouden van een poging tot ontduiking van antidumpingrechten die de gemeenschapswetgever noodzakelijk en rechtvaardig acht ter bescherming van de communautaire industrie tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarmee ben ik het niet eens. De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat de betrokken niet-complete ingevoerde goederen de essentiële kenmerken van het dienovereenkomstige complete produkt moeten vertonen. In de zaak Osram ( 41 ) heeft het Hof verklaard, dat het gevolg van deze regel weliswaar is, dat elke vermelding van een goed in een bepaalde post voor dat goed geldt, ongeacht of het „compleet of afgewerkt”, dan wel „in niet-gemonteerde of gedemonteerde staat” wordt ingevoerd, maar dat „deze bepaling blijkens haar bewoordingen slechts kan worden toegepast op voorwaarde dat de niet-gemonteerde delen tegelijkertijd ter inklaring zijn aangeboden”. ( 42 ) In dit licht bezien zou de betrokken handelaar zijn importen slechts behoeven te vertragen of te spreiden teneinde te bewerkstelligen, dat geen enkele partij een aantal onderdelen bevat dat voldoende is punt 2, sub a, te kunnen toepassen. Verzoekster betoogt, dat zij niet aan het anti-dumpingrecht mag worden onderworpen, louter omdat zij zich niet van dergelijke praktijken bedient. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard, dat zij beide betrokken onderdelen in de desbetreffende periode soms tegelijkertijd heeft ingevoerd. Dat gebeurde evenwel niet uit vrije wil, maar als gevolg van het produktieproces bij haar Tsjecho-Slowaakse leveranciers.
49.
Uit de zaak Osram volgt mijns inziens, dat in veel gevallen waarin verzoekster stators en rotors apart invoerde, geen sprake van toepassing van punt 2, sub a, kan zijn. Voor die gevallen moet het eerste onderdeel van de vraag van de nationale rechter daarom bevestigend worden beantwoord, maar het tweede onderdeel ontkennend in die zin, dat de betrokken importen duidelijk niet voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van punt 2, sub a.
50.
Zou punt 2, sub a, eventueel wel van toepassing zijn, dan enkel wanneer de kennelijk essentiële onderdelen samen zijn ingevoerd of tegelijkertijd ter inklaring zijn aangeboden. Zelfs in die gevallen acht ik het niet doenlijk om het gevaar van ontduiking als argument te gebruiken voor de toepassing van het anti-dumpingrecht op onderdelen als de door verzoekster ingevoerde onderdelen die niet onder de werkingssfeer van het recht vallen.
51.
Punt 2, sub a, kan enkel van toepassing zijn krachtens artikel 1, lid 5, van de definitieve verordening, waarin werd bepaald, dat de voor de heffing van douanerechten geldende bepalingen van toepassing zijn „onverminderd het bepaalde in deze verordening” (cursivering van mij). Voor mij staat vast, dat aan deze voorwaardelijke verwijzing naar het douanerecht de normale letterlijke betekenis dient te worden gegeven. In elk geval zou een algemene interpretatieregel, als punt 2, sub a, enkel door opneming ervan in artikel 1, lid 5, de bijzondere materiële werkingssfeer van het bij de definitieve verordening ingestelde recht niet mogen uitbreiden; doordat daaraan een ondergeschikte rol is gegeven („onverminderd”) bestaat daarover geen twijfel. Opgemerkt zij, dat de nationale rechter met betrekking tot de toepassing van punt 2, suba, voornamelijk twijfelt, omdat hij bezorgd is over de onevenredige gevolgen van de toepassing van het variabele antidumpingrecht op importen van onderdelen als hier in het geding. Ik deel deze twijfel. Zelfs wanneer ik geen acht zou slaan op de grenzen die de basisverordening aan de vaststelling van individuele anti-dumpingverordeningen stelde, in het bijzonder het vereiste van een voorafgaand onderzoek van de beweerdelijke schade, en er vervolgens van uitga, dat de Raad een antidumpingrecht op importen van onderdelen van meerfasige elektromotoren mocht instellen, — wat mij uiterst onwaarschijnlijk lijkt —, is volstrekt duidelijk, dat de Raad ingevolge de basisverordening in elk geval de relevante dumpingmarge en de juiste hoogte van het recht had moeten vaststellen zonder daarbij verder te gaan dan strikt noodzakelijk was ter compensatie van de schade die producenten van soortgelijke produkten binnen de Gemeenschap door dergelijke importen lijden. Een dergelijke vaststelling heeft zeker niet plaatsgevonden.
52.
De Franse regering voert evenwel aan, dat de Raad het variabele recht op de invoer van complete meerfasige elektromotoren niet zo hoog had vastgesteld als in het licht van het onderzoek naar de feiten en in overeenstemming met de basisverordening had gekund, zodat het enkele feit dat op ingevoerde onderdelen een hoger variabel recht werd geheven dan op complete motoren, niet onrechtvaardig behoeft te worden geacht. Deze stelling moet worden afgewezen. Ik ben het eens met verzoeksters argument, dat de rechtstreekse toepassing van de definitieve verordening op motoronderdelen ertoe zou leiden, dat de mate van bescherming tegen dergelijke importen onaanvaardbaar hoger is dan die waarin de verordening uitdrukkelijk voorziet bij importen van complete motoren. Mijns inziens zou een dergelijke toepassing van de definitieve verordening onder meer onverenigbaar zijn met de economische basis van de verordening zelf. Gelukkig sluit een normale uitlegging van artikel 1, lid 5, zoals in punt 45 hiervoor, een dergelijk willekeurig en abnormaal resultaat uit.
53.
Deze uitlegging van artikel 1, lid 5, van de definitieve verordening vindt verder steun in de goede vergelijking die de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft gemaakt tussen de bewoordingen van artikel 1, lid 5, en die in „normale anti-dumpingverordeningen” ( 43 ), zoals verordening nr. 1739/85 ( 44 ), die in de zaak Dr. Tretter ( 45 ) aan de orde was. In artikel 1, lid 3, van die verordening werd bepaald: „De voor douanerechten van kracht zijnde bepalingen zijn van toepassing op dit recht”, terwijl artikel 1, lid 5, spreekt van „onverminderd het bepaalde in deze verordening” (cursivering van mij).
54.
Bovendien word ik in deze opvatting gesterkt door het overtuigende argument dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen aanvoert en dat steunt op het arrest van het Hof in de zaak Dr. Tretter ( 46 ) dat ging over de precieze verhouding tussen anti-dumpingregels en douaneregels. In die zaak werd het Hof gevraagd, of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1739/85 ( 47 ), waarbij een anti-dumpingrecht werd ingesteld op bepaalde kogellagers en kegellagers van oorsprong uit Japan, ongeldig was, omdat de tariefpost waarnaar werd verwezen niet enkel kogellagers in technische zin (dat wil zeggen rollagers) omvatte, maar ook zogenoemde kogelbussen (dat wil zeggen slechts lineair beweegbare geleidingen), hoewel de anti-dumpingprocedure die tot de instelling van het betrokken recht leidde, dergelijke kogelbussen niet omvatte. Op grond van de beginselen dat wanneer meer dan één uitlegging van de bewoordingen van het afgeleide gemeenschapsrecht mogelijk is, de uitlegging die de bepalingen in overeenstemming doet zijn met het Verdrag de voorkeur verdient, en dat de uitvoeringsverordeningen, zo mogelijk, in overeenstemming met de bepalingen van de basisverordening moeten worden uitgelegd ( 48 ), besliste het Hof, dat uit de bewoordingen van de betwiste bepaling en in het bijzonder uit de woorden „post ex 84.62 van het gemeenschappelijk douanetarief” kon worden opgemaakt, dat de eventuele indeling van een produkt onder deze post niet automatisch meebrengt, dat het produkt uit hoofde van deze bepaling aan het antidumpingrecht is onderworpen. Mijns inziens blijkt uit het arrest in de zaak Dr. Tretter, dat een simpele verwijzing naar een bepaalde post niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft, dat elk produkt dat onder deze post valt, stelselmatig aan het anti-dumpingrecht is onderworpen. Of dat het geval is, hangt af van de omschrijving die de gemeenschapswetgever in de relevante antidumpingverordening geeft, waarbij het doel van deze verordening en haar ontstaansgeschiedenis in het licht van de vereisten van de basisverordening moeten worden bezien. In de onderhavige zaak biedt geen van deze elementen een aanknopingspunt voor de toepassing van de definitieve verordening op motoronderdelen.
55.
In het arrest Dr. Tretter verklaarde het Hof, dat de Raad andere criteria zou hebben opgesteld, wanneer hij kogelbussen aan het anti-dumpingrecht had willen onderwerpen. De onderhavige zaak valt van de zaak Dr. Tretter te onderscheiden, doordat de produkten die onder de werkingssfeer van het anti-dumpingrecht zouden moeten vallen, zelfs in een afzonderlijke postonderverdeling zijn opgenomen. Gelet op de speciale vermelding van „onderdelen” in post 85.01 C, ben ik er zeker van dat, wanneer de Raad dergelijke onderdelen onder de materiële werkingssfeer van het anti-dumpingrecht had willen laten vallen, hij in artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening ten minste naar die postonderverdeling zou hebben verwezen.
56.
Om alle hiervoor in de punten 41 tot en met 55 genoemde redenen, ben ik ervan overtuigd, dat de eerste vraag van de nationale rechter aldus moet worden beantwoord, dat het bij de betrokken verordeningen vastgestelde anti-dumpingrecht enkel van toepassing was op afgewerkte of complete meerfasige elektromotoren, ongeacht of zij in niet-gemonteerde of gedemonteerde staat verkeren. Zou het Hof van mening zijn, dat punt 2, sub a, van toepassing is, dient het ook de tweede vraag van de nationale rechter te beantwoorden. Eventuele toepassing van punt 2, sub a, is uiteraard een taak voor de nationale rechter, en hij moet aan de hand van zijn oordeel over de feiten van de zaak beslissen of een niet-compleet of niet-afgewerkt goed de essentiële kenmerken van het complete of afgewerkte goed heeft. Bij de uitoefening van die taak mag de nationale rechter, zoals in casu, het Hof ook om uitlegging van die regel in het licht van deze feiten verzoeken.
57.
Eerst zij opgemerkt, zoals ook advocaatgeneraal Gulmann in zijn conclusie in de zaak Develop Dr. Eisbein doet ( 49 ), dat punt 2, suba, met ingang van 1 januari 1972 in het gemeenschappelijk douanetarief is opgenomen op grond van een aanbeveling van de Internationale Douaneraad van 9 juni 1970 die door de Lid-Staten van de Gemeenschap bij beschikking 71/227/EEG van de Raad van 21 juni 1971 ( 50 ) is aanvaard, en het doel ervan was „de douanebehandeling te vereenvoudigen”, zodat de „importeur die alle onderdelen invoert die voor de vervaardiging van een afgewerkt goed noodzakelijk zijn, de mogelijkheid heeft die onderdelen als een afgewerkt goed te laten indelen, dat wil zeggen, dat de goederen niet worden ingedeeld in de posten voor onderdelen of toebehoren van het betrokken goed — voor zover die posten bestaan — of in de tariefposten waartoe de onderdelen anders zouden behoren”. ( 51 ) Uit de bewoordingen van het arrest van het Hof in de zaak Develop Dr. Eisbein blijkt duidelijk, dat het Hof in die zaak de tweede volzin van punt 2, sub a, onderzocht, dat wil zeggen het geval, waarin alle onderdelen of bestanddelen van een compleet goed tegelijkertijd in een gedemonteerde of niet-gemonteerde staat ter inklaring worden aangeboden. In een dergelijk geval, zo besliste het Hof, blijkt uit de tweede volzin van de Algemene regels, dat die onderdelen of bestanddelen „als een compleet goed” moeten worden beschouwd ( 52 ) en dat „daarbij geen rekening moet worden gehouden met de montagetechniek of de ingewikkeldheid van de montagemethode”. ( 53 ) De onderhavige zaak ligt volledig anders, aangezien het om de eerste volzin van punt 2, sub a, gaat. Niemand heeft beweerd, dat de verzoeksters omstreden importen eigenlijk alle onderdelen omvatten die noodzakelijk zijn om een gestandaardiseerde meerfasige elektromotor te vervaardigen, laat staan de speciale motoren voor de produktie waarvan de onderdelen werkelijk werden gebruikt. Bovendien, wanneer punt 2, sub a, al van toepassing is, dan enkel krachtens artikeli, lid 5, van de definitieve verordening, waaraan het dus „ondergeschikt” is. De bijzondere aard van de onder het anti-dumpingrecht vallende produkten, namelijk elektromotoren, beïnvloedt de wijze waarop dit punt kan worden toegepast. Gesteld dat zij tegelijkertijd werden ingevoerd (zie punt 50 hiervoor), kunnen de stator en de rotor dan, zoals de Franse regering stelt, geacht worden de essentiële kenmerken van het complete of afgewerkte goed hebben?
58.
Wellicht is het juist, dat enkele belangrijke kenmerken van de motor, zoals bij voorbeeld het vermogen, vooral ontstaan door de combinatie van de stator en de rotor, maar dat acht ik niet voldoende. Zoals verzoekster terecht stelde, lijkt de combinatie van de stator en de rotor intern noch extern op een meerfasige elektromotor en kan zonder toevoeging van diverse andere belangrijke onderdelen (zie punt 23 hiervoor) zijn hoofdfunctie, namelijk omzetting van elektrische energie in mechanische energie, niet werkelijk vervullen. Zonder deze onderdelen mag mijns inziens niet worden aangenomen, dat het om de „essentiële kenmerken” van een elektromotor gaat. Mijn mening steunt op het recente arrest van het Hof in de zaak GoldStar Europe ( 54 ) waarnaar de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft verwezen. In die zaak moest het Hof beslissen, of de Commissie door invoering van een postonderverdeling voor goederen die eerst als „delen” van videoapparaten waren beschouwd en die waren omschreven als „mechanisch geheel van een video-opnameen videoweergave-apparaat (...), voorzien van opname- en weergavekop (mecadeck)”, haar bevoegdheden krachtens de artikelen 8 en 9 van verordening nr. 2658/87 ( 55 ) om maatregelen voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur vast te stellen, rechtmatig had uitgeoefend. Het Hof was het oneens met het op punt 2, sub a, gebaseerde argument van de Commissie dat „het mecadeck het hoofddeel van het videoapparaat is, omdat het alle elementen bevat die essentieel zijn voor de werking van het apparaat, te weten de video-opname en-weergave”. ( 56 ) Het Hof was van mening:
„De mechanische elementen die te zamen het mecadeck vormen, zijn weliswaar onontbeerlijk voor de specifieke werking van een videoapparaat, doch de electronische elementen zijn dat evenzeer. De essentiële kenmerken van een videoapparaat nu liggen in de combinatie van mechanische en electronische elementen.” ( 57 )
59.
Naar mijn mening bestaan de essentiële kenmerken van een meerfasige elektromotor in de combinatie van alle verschillende belangrijke onderdelen die noodzakelijk zijn om als een elektromotor te kunnen werken. Aangezien de toepassing van punt 2, sub a, op een anti-dumpingrecht bovendien afhangt van het doel van dit recht en het werkelijke gebruik van de desbetreffende importen, kan mijns inziens in de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin verzoekster met precisieapparatuur en met speciaal opgeleide werknemers, door haar ingenieurs ontworpen speciale motoren vervaardigt, teneinde aan de individuele wensen van haar klanten te voldoen, zeer moeilijk worden volgehouden, dat de combinatie van een stator en een rotor kan worden geacht de essentiële kenmerken van een complete of afgewerkte meerfasige elektromotor te bezitten. Mijn conclusie is dan ook, dat het Hof, indien het de beantwoording van de tweede vraag van de nationale rechter noodzakelijk acht, moet antwoorden, dat een stator met wikkeling en een rotor met as gezamenlijk niet de essentiële kenmerken vertonen van een complete of afgewerkte meerfasige elektromotor die onder het anti-dumpingrecht valt.
60.
In het licht van mijn conclusie met betrekking tot de eerste twee vragen is duidelijk, dat bij de verordeningen geen antidumpingrecht op ingevoerde onderdelen is ingesteld en dat de derde vraag in overeenstemming daarmee moet worden beantwoord.
V — Conclusie
61.
Bijgevolg ben ik van mening, dat de vragen van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz moeten worden beantwoord als volgt:
„1)
Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 en de artikelen 1, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 moeten aldus worden uitgelegd, dat er enkel een anti-dumpingrecht was ingesteld op de invoer van complete of afgewerkte gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren (zelfs in niet-gemonteerde of gedemonteerde staat). Punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur is niet van toepassing in die zin, dat onder de werkingssfeer van het bij die verordeningen ingestelde anti-dumpingrecht ook niet-complete of niet-afgewerkte meerfasige elektromotoren vielen.
2)
Ingeval de hiervoor genoemde bepalingen op grond van punt 2, sub a, van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur aldus moeten worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn op niet-complete of niet-afgewerkte goederen, vertonen een stator met wikkeling en een rotor met as niet de essentiële kenmerken van een complete of afgewerkte gestandaardiseerde of speciale meerfasige elektromotor.
3)
De genoemde bepalingen voorzagen niet in de toepassing van een antidumpingrecht op ingevoerde onderdelen van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren. ”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) PB 1986, L 280, biz. 68.
( 2 ) PB 1987, L 83, biz. 1.
( 3 ) De officiële titel van deze verordening luidt: „Verordening (EEG) nr. 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopig recht zijn gesteld”.
( 4 ) PB 1986, L 345, biz. 1.
( 5 ) PB 1986, L 368, biz. 1. In 1987 werd een nieuwe vorm van nummering — de codenummers van de gecombineerde nomenclatuur (GN-codes) — aan de in het geding zijnde produkten toegekend krachtens de nieuwe tarief- en statistieknomenclatuur die werd ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, biz. 1); zie voetnoot 6 hierna.
( 6 ) Zie Kapteyn en VerLoren van Themaat: Introduction to the Law of the European Communities (Gormley, 2e druk, 1989), biz. 812.
( 7 ) PB 1984, L 201, biz. 1.
( 8 ) Dc huidige maatregelen staan in verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer mei dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, biz. 1). Op 19 juli 1995 diende de Commissie bij de Raad een ontwerp in voor een nieuwe verordening van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1995, C 319, biz. 10). Dit voorstel aient onder meer om rekening te houden met de wijzigingen van de GATT anti-dumpingregels waartoe werd besloten in het kader van de Uruguay-ronde, de in 1994 afgeronde multilaterale handelsbespreking.
( 9 ) Zie Kapteyn en VerLoren van Themaat, aangehaald in voetnoot 7, blz. 812.
( 10 ) Zie artikel 13, lid 1, van de basisverordening.
( 11 ) Zie artikel 13, lid 3, van de basisverordening.
( 12 ) Tijdens de mondelinge behandeling wees de Commissie erop, dat de definitieve verordening de enige antidumpingmaatregcl was waarin een variabel recht op niet-gemonteerde goederen werd ingesteld. Deze verordening is thans ingetrokken. Volgens artikel 15 van de basisverordening vervallen anti-dumpingrechten gewoonlijk vijf jaar na de datum waarop zij van kracht zijn geworden. Wellicht is dit enigszins in tegenspraak met de opmerking van advocaatgeneraal Van Gerven in punt 39 van zijn conclusie in de gevoegde zaken C-305/86 en C-160/87 (arrest van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport, Jurispr. 1990, blz. I-2945), waarin hij stelt, dat de Raad en de Commissie „regelmatig een beroep doen op het instellen van een variabel recht dat wordt berekend door het verschil te nemen tussen een minimumprijs en de uitvoerprijs (of de prijs aan de eerste onafhankelijke afnemer)”. Hoewel het Hof in die zaak de geldigheid van de definitieve verordening bevestigde (zie punt 39 hierna) is onduidelijk of deze opmerking van de advocaatgeneraal betrekking had op nict-gemontcerde goederen.
( 13 ) Verordening nr. 3618/86, reeds aangehaald in voetnoot 4. Deze bepaling werd vrijwel letterlijk overgenomen in verordening nr. 2658/87, reeds aangehaald in voetnoot 5.
( 14 ) Hij wijst erop, dat motoronderdelen wel in overweging 34 van de considerans van verordening nr. 864/87 worden genoemd, maar nergens elders in de tekst van beide verordeningen. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, worden motoronderdelen echter ook in overweging 29 van de considerans van verordening nr. 864/87 genoemd.
( 15 ) Tijdens de mondelinge behandeling verwees verzoeksters vertegenwoordiger naar overweging 29 van de considerans van verordening nr. 864/87 tot staving van zijn stelling dat de gemeenschapswetgever, hoewel hij wist dat motoronderdelcn afzonderlijk in de Gemeenschap werden ingevoerd, niettemin bewust had besloten dergelijke onderdelen niet onder de werkingssfeer van de verordening te laten vallen.
( 16 ) Arrest van 12 december 1985, zaak 165/84, Krohn, Jurispr. 1985, blz. 3997, r. o. 13.
( 17 ) Arrest van 11 juli 1978, zaak 6/78, Union française de céréales, Jurispr. 1978, blz. 1675.
( 18 ) Arrest van 8 mei 1974, zaak 183/73, Osram, Jurispr. 1974, blz. 477.
( 19 ) In antwoord op een vraag tijdens de mondelinge behandeling gaf verzoeksters gemachtigde toe, dat de onderdelen in veel van de hier in het geding zijnde gevallen afzonderlijk, en in andere gevallen tegelijkertijd en in gemonteerde staat waren ingevoerd.
( 20 ) Arrest van 16 juni 1994, zaak C-35/93, Develop Dr. Eisbein, Jurispr. 1994, blz. I-2655.
( 21 ) Arrest van 13 december 1989, zaak C-26/88, Jurispr. 1989, blz. 4253.
( 22 ) Voor dit argument citeert verzoekster het arrest van 30 januari 1985, zaak 143/83, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1985, blz. 427.
( 23 ) Voor dit argument baseert verzoekster zich in wezen op de zaak Krohn, reeds aangehaald in voetnoot 17.
( 24 ) Arrest van 24 juni 1993, zaak C-90/92, Jurispr. 1993, blz. I-3569.
( 25 ) Bij wijze van voorbeeld verwees de vertegenwoordiger van de Commissie naar artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1739/85 van de Raad van 24 juni 1985 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten kogellagers en kogellagers van oorsprong uit Japan (PB 1985, L 167, biz. 3).
( 26 ) Deze mogelijkheden kunnen worden samengevat als volgt: i) vaststelling van het verschil tussen de minumumprijs voor een complete motor en de door de eerste onafhankelijke koper voor elk ingevoerd onderdeel betaalde prijs; ii) vaststelling van het verschil tussen de minimumprijs voor een complete motor en de verkoopprijs van een gestandaardiseerde meerfasige elektromotor; ¡ii) vaststelling van het verschil tussen de minimumprijs voor een niet-complete motor en de met de eindafnemer van deze niet-afgewerkte motor overeengekomen verkoopprijs.
( 27 ) De Commissie verwijst in dit verband naar het arrest Develop Dr. Eisbein, reeds aangehaald in voetnoot 21, r. o. 18.
( 28 ) Arrest van 13 december 1994, zaak C-401/93, Jurispr. 1994, blz. I-5587.
( 29 ) De Franse regering verwijst naar het feit dat bij voorbeeld bij bepaald rcinigings- en ontsmettingswerk stators te zamen met de rotors kunnen worden gebruikt om pompen aan te drijven.
( 30 ) Aangehaald in voetnoot 13.
( 31 ) Dit volgt uit het feit, dat de in de definitieve verordening vastgestelde minimumprijs op de kostprijzen van de meest efficiënte gcmecnschapsproducentcn van complete meerfasige elektromotoren was gebaseerd, en niet op die van de gemiddelde gemeenschapsproducent (in de voorlopige verordening was deze prijs op de gemiddelde kosten gebaseerd). Zou een hogere kostprijs als basis zijn gebruikt, zou dat volgens de Franse regering instelling van een anti-dumpingrecht noodzakelijk hebben gemaakt waardoor de invoerprijzen met 60 % waren gestegen, terwijl die prijzen bij het in de definitieve verordening ingestelde recht slechts met ongeveer 35 % stegen. Dit argument vindt steun in de conclusie van advocaatgeneraal Van Gerven in de zaak Neotype Techmashexport (aangehaald in voetnoot 13), waarin hij betoogde, dat het bij de definitieve verordening ingestelde anti-dumpingrecht „een verhoging van ongeveer 25 % bovenop de tijdens de referentieperiode toegepaste invoerprijzen” en dus „beduidend lager dan de vastgestelde dumpingmarges” ligt (punt 10 van de conclusie).
( 32 ) Aangehaald in voetnoot 19.
( 33 ) T. a. p., r. o. 6.
( 34 ) T. a. p., zie punt 8 van de conclusie.
( 35 ) R. o. 7 van het arrest; punt 17 van de conclusie.
( 36 ) Aangehaald in voetnoot 17, r. o. 13.
( 37 ) T. a. p., r. o. 14.
( 38 ) Ter ondersteuning van dit standpunt moet erop worden gewezen, dat in de Franse versie, anders dan in de Engelse en Duitse versie, bij post 85.01 C sprake is van „parties et pièces détachées” (cursivering van mij).
( 39 ) Beschikking van 16 januari 1987, zaak 304/86 R, Jurispr. 1987, blz. 267.
( 40 ) T. a. p., r. o. 15 van de beschikking.
( 41 ) Aangehaald in voetnoot 19.
( 42 ) T. a. p., r. o. 7.
( 43 ) Aangehaald ¡n punt 32 hiervoor.
( 44 ) Aangehaald in voetnoot 26.
( 45 ) Aangehaald in voetnoot 25.
( 46 ) Ibidem.
( 47 ) Aangehaald in voetnoot 26.
( 48 ) Voor het eerste beginsel verwees het Hof naar het arrest van 13 december 1983, zaak 218/82, Commissie/Raad, Jurispr 1983, blz. 4063, en voor het tweede beginsel naar het arrest van 10 maart 1971, zaak 38/70, Tradax, Jurispr. 1971. blz. 145, r. o. 11.
( 49 ) Aangehaald in voetnoot 21, voetnoot 12 van de conclusie.
( 50 ) PB 1971, L 137, biz. 10.
( 51 ) Zie de zaak Develop Dr. Eisbein, punt 19 van de conclusie. Voor deze mening verwijst de advocaatgeneraal naar het arrest van het Hof van 29 mei 1979 in zaak 165/78 (IMCO, Jurispr. 1979, blz. 1837). In die zaak verklaarde het Hof dat punt 2, sub a, „zowel betrekking heeft op nog niet-gemonteerde als op gedemonteerde artikelen en dat, voor zover uit de nog niet gemonteerde artikelen een compleet goed kan worden vervaardigd, zij onder de bepalingen betreffende dit goed vallen, ook indien het gemeenschappelijk douanetarief een bijzondere post voor onderdelen en toebehoren bevat”.
( 52 ) T. a. p., r. o. 17.
( 53 ) T. a. p., r. o. 19.
( 54 ) Aangehaald in voetnoot 29.
( 55 ) Aangehaald in voetnoot 5.
( 56 ) Arrest in de zaak GoldStar Europe, aangehaald in voetnoot 29, r. o. 23.
( 57 ) T. a. p., r. o. 26.
Full & Egal Universal Law Academy