CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 16 maart 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
Zijn keelpastilles van de merken „Pul-moll” en „Valda” en elixers van de merken „elixir Sångart” en „Quintonine”„farmaceutische produkten” in de zin van hoofdstuk 30 van het gemeenschappelijk douanetarief?
Die vraag moet het Hof in de onderhavige zaken beantwoorden.
De feiten
2.
Verordening (EEG) nr. 1010/86 van de Raad van 25 maart 1986 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de produktie voor bepaalde in de chemische industrie gebruikte produkten van de sector suiker ( 1 ), zoals gewijzigd bij artikel 9 van verordening (EEG) nr. 1714/88 van de Commissie van 13 juni 1988 ( 2 ), bevat voorschriften inzake de verlening van restituties aan ondernemingen die suiker gebruiken bij de vervaardiging van bepaalde chemische produkten, waaronder de „farmaceutische produkten” bedoeld in hoofdstuk 30 van het gemeenschappelijk douanetarief.
Van 1987 tot 1990 ontving de SARL Distrithera, in de persoon van haar directeur P. Colin, overeenkomstig die verordeningen 2371976,78 FF aan restituties voor het gebruik van suiker, op grond dat rode en groene Pulmoll-pastilles, Sangart-elixer en Quintonine farmaceutische produkten zijn. In diezelfde periode ontving de SA Laboratoires Valda, in de persoon van haar president-directeur D. Dupré, 1728760 FF aan restituties voor het gebruik van suiker, op grond dat Valda-p astilles van gelatine en Arabische gom farmaceutische produkten zijn.
De Administration des douanes et droits indirects aanvaardde evenwel niet, dat het hier om farmaceutische produkten ging; zij deelde de pastilles in onder hoofdstuk 17 van het gemeenschappelijk douanetarief („suiker en suikerwerk”) en de elixers onder hoofdstuk 22 van het gemeenschappelijk douanetarief („dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn”) en vorderde terugbetaling van de verleende restitutie. Tegelijkertijd maakte zij tegen de directeurs van de twee vennootschappen een strafzaak aanhangig.
3.
Wat de betrokken hoestpastilles betreft, is het Hof meegedeeld dat een rode Pulmoll-pastille vooral is samengesteld uit suiker, terpine (3,8 mg), menthol (0,76 mg), amylocaïnehydrochloride (0,152 mg), glycyrrhizine (7,6 mg), bindmiddelen, smaak- en kleurstoffen.
Ook een groene Pulmoll-pastille is vooral samengesteld uit suiker, menthol (1,52 mg), pepermuntolie (0,19 mg), eucalyptusolie (0,76 mg), bindmiddelen, smaak- en kleurstoffen.
Valda-pastilles zijn vooral samengesteld uit suiker en gelatine of Arabische gom, met als andere ingrediënten menthol (3,28 mg/g), eucalyptol (0,451 mg/g), thymol (1,6 mg/g), guajacol (1,6 mg/g) en terpinol (1,6 mg/g).
Elke fles Sangart-elixer bevat volgens de verstrekte gegevens gedistilleerd water (100 cm3), siroop (25 cm3) en alcohol van 90° (16 cm3), alsmede 0,005 g natriumarsenaat, 0,02 g natriumnucleinaat, 1 g braaknoot, 1,5 g kalfsleverextract en verschillende smaakstoffen.
100 gram Quintonine-elixer bevat behalve water, alcohol van 96° en suiker, bepaalde bitter- en smaakstoffen (kaneel, kola, oranjebitter, kinine), 0,033 g braaknoot en 0,068 g calciumglycerofosfaat.
De prejudiciële vragen
4.
In de strafzaken is twijfel gerezen over de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief.
In zaak C-106/94 (Colin) heeft de Cour d'appel de Bourges het Hof de volgende vragen gesteld:
„—
Vallen rode Pulmoll-pastilles, gelet op hun samenstelling, aanbiedingsvorm en functie, onder verordening nr. 717/85 van de Commissie van 19 maart 1985 betreffende de indeling van goederen onder post 17.04 D I, of onder hoofdstuk 30 van het GDT ‚farmaceutische produkten’ — post 30-4?
—
Vallen groene Pulmoll-pastilles, gelet op hun samenstelling, aanbiedingsvorm en functie, onder verordening nr. 717/85 van de Commissie van 19 maart 1985 betreffende de indeling van goederen onder post 17.04 D I, of onder hoofdstuk 30 van het GDT ‚farmaceutische produkten’ —post 30-4?
—
Valt het elixer ‚Sangart’, gelet op zijn samenstelling, aanbiedingsvorm en functie, onder hoofdstuk 30 van het GDT ‚farmaceutische produkten’?
—
Valt ‚Quintonine’, gelet op zijn samenstelling, aanbiedingsvorm en functie, onder hoofdstuk 30 van het GDT, ‚farmaceutische produkten’?”
In zaak C-139/94 (Dupré) heeft het Tribunal de grande instance de Paris de volgende vragen gesteld:
„—
Kan verordening nr. 717/85 van de Commissie van 19 maart 1985 betreffende de indeling van goederen onder post 17.04 D I van het gemeenschappelijk douanetarief, aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op goederen waarvan de samenstelling (in gewichtspercenten) verschilt van die welke in artikel 1 van deze verordening is aangegeven?
—
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, moet post 30-04 van de douanenomenclatuur (‚geneesmiddelen’) aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook valt een produkt dat is samengesteld uit suiker, maar vooral uit werkzame aromatiserende middelen met geneeskrachtige eigenschappen, in zodanige hoeveelheden dat het produkt hoofdzakelijk voor therapeutische en profylactische doeleinden wordt gebruikt?”
De relevante tariefposten
5.
In beide zaken speelden de feiten zich af zowel voor als na de invoering van het geharmoniseerde systeem en de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”), die in 1988 de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (hierna: „IDR”) heeft vervangen. Deze wijziging, die niet consequent tot uiting komt in de vragen, is evenwel niet van materieel belang voor de onderhavige zaken. De toelichtingen, die volgens de rechtspraak van het Hof belangrijke middelen vormen bij de uitlegging van de tariefposten ( 3 ), maar rechtens niet bindend zijn ( 4 ), en waarnaar ik hierna zal verwijzen, zijn opgesteld door zowel de Internationale Douaneraad (wat de IDR-nomenclatuur betreft) als het comité voor het geharmoniseerde systeem (wat de GN betreft).
6.
Hoofdstuk 17 van het douanetarief betreft „suiker en suikerwerk”; zowel volgens de IDR-nomenclatuur als volgens de GN omvat post 17.04 „suikerwerk zonder cacao”.
De toelichtingen van de Internationale Douaneraad en van het comité voor het geharmoniseerde systeem bij deze post zijn identiek geformuleerd:
„Deze post omvat het grootste deel van de vaste of halfvaste gesuikerde produkten, die in de regel als zodanig worden gebruikt als versnaperingen en die bekend zijn onder de verzamelnaam van suikerwerk of suikergoed.
Als voorbeelden van deze produkten kunnen worden genoemd:
(...) preparaten in de vorm van pastilles of dragees voor de keel of tegen de hoest, hoofdzakelijk samengesteld uit suiker (ook indien daaraan andere voedingsstoffen zoals meel of zetmeel zijn toegevoegd) en aromatiserende middelen (zelfstandigheden zoals benzylalcohol, menthol, eucalyptol en tolubalsem daaronder begrepen). Indien echter een aromatiserend middel, dat tevens geneeskrachtige eigenschappen bezit, per pastille of dragee, in een zodanige hoeveelheid aanwezig is, dat ze daardoor als een therapeutisch of profylactisch middel kunnen gebruikt worden, moet post 30.03 worden toegepast.”
Volgens het comité nomenclatuur omvat post 17.04 onder meer de volgende produkten:
„17.04 : Hoestbonbons, samengesteld uit suiker (ongeveer 99 %) waaraan kleine hoeveelheden van verschillende stoffen zoals menthol, eucalyptol, anijs, tolu, klein hoefblad, malrove, benzoë, enz. zijn toegevoegd, verpakt in een wikkel waarop de handelsnaam van het produkt, de samenstelling en in sommige gevallen een tekening van een hoestende man is aangebracht.”
Volgens verordening (EEG) nr. 717/85 ( 5 ) van de Commissie van 19 maart 1985 ( 6 ), waarop in de vragen van de twee verwijzende rechters wordt gedoeld, bevatten hoest- en keelpastilles aromatiserende middelen die eveneens geneeskrachtige eigenschappen bezitten, maar in te geringe hoeveelheden om ze als geneesmiddelen in de zin van aantekening 1 op hoofdstuk 30 te beschouwen.
Artikel 1 van de verordening luidt als volgt:
„Artikel 1
Hoest- en keelpastilles met de volgende samenstelling (in gewichtspercenten):
— saccharose, glucose en caramel:
99,50;
— kamfer:
0,007;
— menthol:
0,207;
— eucalyptus:
0,069;
— tołubalsem:
0,003;
— thymol:
0,069;
— benzylalcohol:
0,138,
dienen in het gemeenschappelijk douanetarief te worden ingedeeld onder post:
17.04 Suikerwerk zonder cacao (...)”
7.
Hoofdstuk 22 van het douanetarief betreft „dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn”. Post 22.09 van de IDR-nomenclatuur en GN-post 2208 zijn identiek. Zij omvatten
„Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een sterkte van minder dan 80 graden; gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten (‚geconcentreerde extracten’) voor de vervaardiging van dranken.”
Volgens de toelichting omvat deze post:
„alcoholhoudende dranken, soms ‚voedingssupplementen’ genoemd en bestemd om het organisme gezond te houden. Zij kunnen, bij voorbeeld, zijn samengesteld op basis van plantenextracten, van vruchtenconcentraten, van lecithine, van chemische produkten, enz., en toegevoegde vitaminen en ijzerverbindingen bevatten.”
8.
Hoofdstuk 30 van het douanetarief betreft „farmaceutische produkten”. Post 30.03 van de IDR-nomenclatuur („geneesmiddelen voor mensen en dieren”) komt overeen met GN-post 3004 [„geneesmiddelen (andere dan produkten bedoeld bij de posten 3002, 3005 en 3006), bestaande uit al dan niet vermengde produkten voor therapeutisch of profylactisch gebruik, in afgemeten hoeveelheden, dan wel opgemaakt voor de verkoop in het klein”].
De inleidende aantekeningen op hoofdstuk 30 van de IDR-nomenclatuur luiden als volgt:
„Onder geneesmiddelen in de zin van post 30.03 worden verstaan:
a)
produkten, welke met het oog op therapeutisch of profylactisch gebruik gemengd zijn;
b)
onvermengde produkten, welke geschikt zijn voor hetzelfde gebruik en welke met het oog op dat gebruik, hetzij zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein, hetzij voorkomen in afgemeten hoeveelheden.”
Volgens de toelichting van de Internationale Douaneraad en van het comité voor het geharmoniseerde systeem:
„worden preparaten in de vorm van pastilles of dragees voor de keel of tegen de hoest, die hoofdzakelijk samengesteld zijn uit suiker (ook indien daaraan andere voedingsstoffen, zoals gelatine, meel of zetmeel zijn toegevoegd) en aromatiserende middelen (met inbegrip van zelfstandigheden zoals benzylalcohol, menthol, eucalyptol en tolubalsem daaronder begrepen), onder post 17.04 ingedeeld, met dien verstande echter dat, indien het aromatiserende middel tevens geneeskrachtige eigenschappen bezit, de hoeveelheid daarvan per pastille of per dragee slechts zo gering is dat het preparaat niet voor therapeutische of profylactische doeleinden kan worden gebruikt”.
Verloop van de procedure voor het Hof
9.
Colin erkent, dat rode Pulmoll-pastilles slechts kleine doses werkzame bestanddelen bevatten. Beslissend is evenwel, dat deze stoffen te zamen een therapeutisch effect hebben, zodat de pastilles moeten worden ingedeeld onder hoofdstuk 30 van het douanetarief, betreffende farmaceutische produkten. Het hoge suikergehalte is in dit verband niet relevant. Suiker wordt vaak als drager gebruikt, ook in de onder hoofdstuk 30 ingedeelde produkten. Wat meer bepaald de elixers betreft, merkt hij bovendien op dat het Hof in het arrest Bioforce ( 7 ) heeft erkend, dat een produkt ondanks zijn hoog alcoholgehalte onder post 30.04 en niet onder post 22.08 moest worden ingedeeld, daar de alcohol slechts werkt als „een hulpstof, een conserveermiddel en als drager van de werkzame bestanddelen van het produkt”.
10.
Dupré beklemtoont dat Valda-pastilles geneesmiddelen zijn in de zin van de Franse wettelijke regeling tot omzetting van richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, blz. 369), en dat zij zijns inziens dus moeten worden beschouwd als geneesmiddelen in de zin van de rechtspraak van het Hof ter zake. Volgens de richtlijn is elke „enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan mens of dier toegediend kan worden ten einde een medische diagnose te stellen of om organische functies bij mens of dier te herstellen, te verbeteren of te wijzigen”, een geneesmiddel. Valda-pastilles voldoen aan de „functionele” voorwaarde om een geneesmiddel te zijn, en hun suikergehalte is in dat verband niet relevant. Tegelijk voldoen Valda-pastilles aan de in de richtlijn bepaalde voorwaarde betreffende de „aandiening” als geneesmiddel, daar de verpakking van het produkt duidelijk de aanbevolen dosis en de samenstelling vermeldt en het produkt daarenboven onder de nationale regeling voor het in de handel brengen van geneesmiddelen valt. Ten slotte zijn Valda-pastilles uit andere bestanddelen samengesteld dan die welke in verordening nr. 717/85 worden genoemd, en staan zij niet op de lijst van keelpastilles die volgens de Internationale Douaneraad onder post 17.04 moeten worden ingedeeld.
11.
De Commissie en de Franse regering zijn van mening, dat zowel Pulmoll-pastilles als Valda-pastilles onder post 17.04 moeten worden ingedeeld, daar zij vooral zijn samengesteld uit suiker en de hoeveelheid van de andere bestanddelen niet zodanig is dat deze pastilles niet de therapeutische of profylactische werking hebben die vereist is om onder hoofdstuk 30 van de IDR-nomenclatuur of van de GN te kunnen worden ingedeeld.
Bij wijze van voorbeeld wijst de Commissie erop, dat menthol, die zowel in Valda- als in Pulmoll-pastilles voorkomt, een aromatiserend middel is dat inderdaad bepaalde geneeskrachtige eigenschappen kan bezitten. Enkel wanneer het middel in een zodanige hoeveelheid voorkomt, dat het een therapeutische of profylactische werking heeft, kan het evenwel onder hoofdstuk 30 worden ingedeeld. De hoeveelheid menthol in Valda-en Pulmoll-pastilles bedraagt 0,0328 en 0,076 gewichtspercent, dus nog lager dan het percentage voor de in verordening nr. 717/85 genoemde pastilles, die onder tariefpost 17.04 worden ingedeeld.
Wat Sangart-elixer en Quintonine betreft, menen de Franse regering en de Commissie, dat deze produkten op grond van hun samenstelling „versterkende middelen” of opwekkende dranken zijn en dat zij derhalve, gelet op hun alcoholgehalte, onder de tariefposten 22.09 (IDR-nomenclatuur) en 2208 (GN) moeten worden ingedeeld. Deze opvatting vindt steun in de toelichting van de IDR, volgens welke onder deze post worden ingedeeld „alcoholhoudende dranken, soms ‚voedingssupplementen’ genoemd en bestemd om het organisme gezond te houden”. Deze produkten dienen immers slechts ter bevordering van de spijsvertering en ter bestrijding van gebrek aan eetlust en vermoeidheid. Op grond van hun „functie” dienen zij dus niet om een bepaalde ziekte te voorkomen of te behandelen, zodat zij niet als geneesmiddelen kunnen worden beschouwd. De meeste bestanddelen van deze produkten hebben geen enkele therapeutische werking, terwijl de geneeskrachtige bestanddelen ofwel geen werking tegen bepaalde ziekten vertonen, ofwel in te geringe dosering voorkomen om een zodanig therapeutische of profylactische werking te kunnen hebben, dat die produkten onder een andere tariefpost kunnen worden ingedeeld.
Beoordeling rechtens
12.
De vragen in zaak C-106/94 moeten worden opgevat als een verzoek om uitlegging van hoofdstuk 30 van het gemeenschappelijk douanetarief en niet als een verzoek om advies over de tariefindeling van bepaalde produkten.
13.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet om dwingende redenen van rechtszekerheid het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen als regel worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals omschreven in de tekst van de posten van het gemeenschappelijk douanetarief. Alleen zo is immers een eenduidige toepassing van de desbetreffende bepaling verzekerd, zowel voor de betrokken marktdeelnemer als voor de ter zake van de uitlegging van de bepaling bevoegde instanties (zie arrest Hamlin Electronics ( 8 )).
14.
De aanbiedingsvorm van het produkt is niet beslissend. Zoals advocaat-generaal Gulmann in zijn conclusie in de zaak Bioforce ( 9 ) al zei: „de aanbiedingsvorm op zich volstaat vanzelfsprekend niet om het produkt als geneesmiddel te beschouwen. Zou de aanbiedingsvorm op zich bepalend zijn voor de indeling van een produkt, dan zou een bepaalde aanbiedingsvorm van een produkt volstaan om het onder een tariefpost in te delen, ook al komen de objectieve kenmerken ervan niet overeen met de in de relevante tariefpost vastgestelde criteria. Zulks ware in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en zou tot gevolg hebben dat produkten zonder goede gronden verschillend worden behandeld.”
15.
Voor het douanetarief is het evenmin beslissend, waarom een produkt in de gemeenschapsregeling of in de wettelijke regelingen van de Lid-Staten betreffende de handel in geneesmiddelen als geneesmiddel is aangemerkt. Dat blijkt ook uit de algemene opmerkingen van hoofdstuk 30 van de toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief: „De beschrijving van een produkt als geneesmiddel in wetgeving van de Gemeenschap (...), in nationale wetgeving van een Lid-Staat of in een farmacopee, is niet doorslaggevend voor de indeling in dit hoofdstuk.”
Het begrip geneesmiddel in richtlijn 65/65 verschilt dus van het begrip geneesmiddel in het gemeenschappelijk douanetarief. De richtlijn „beoogt, naast de verwezenlijking van haar voornaamste doel —de bescherming van de volksgezondheid—, tevens de belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer van farmaceutische specialiteiten althans ten dele op te heffen”. ( 10 ) Teneinde de handel te vergemakkelijken en tegelijk de volksgezondheid te beschermen, maakt de richdijn het aldus mogelijk dat een vrij ruim gamma van produkten onder de controleregeling in de wetgeving inzake geneesmiddelen valt.
16.
Het criterium voor de tariefindeling als geneesmiddel is daarentegen het therapeutisch of profylactisch gebruik. De toelichting betreffende post 30.03 van de IDR-nomenclatuur en GN-post 3004 is op dit punt zeer duidelijk ( 11 ): de toevoeging van stoffen met geneeskrachtige werking leidt niet automatisch tot een indeling onder hoofdstuk 30.
17.
Dit gezichtspunt ligt trouwens eveneens ten grondslag aan de in de prejudiciële vragen genoemde verordening nr. 717/85. Volgens deze verordening moeten sommige hoest- en keelpastilles die stoffen bevatten die in bepaalde hoeveelheden een geneeskrachtige werking hebben, onder post 17.04 worden ingedeeld.
Aan deze verordening mag overigens geen ruimere draagwijdte worden toegekend dan uit de tekst ervan blijkt, namelijk dat een bepaald produkt met een bepaalde samenstelling onder post 17.04 wordt ingedeeld; daarmee wordt geen standpunt ingenomen over de tariefindeling van (onder meer) hoestpastilles met een andere samenstelling.
De eerste vraag van het Tribunal de grande instance de Paris, of verordening nr. 717/85 goederen omvat waarvan de samenstelling (in gewichtspercenten) verschilt van die welke in artikel 1 van de verordening zijn aangegeven, moet dus ontkennend worden beantwoord.
18.
In haar opmerkingen heeft de Commissie nauwkeurig de verschillende werkzame bestanddelen in de betrokken keelpastilles onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt, dat de werkzame bestanddelen daarin in een zodanig geringe dosis aanwezig zijn dat het uitgangspunt — indeling als suikerwerk onder post 17.04 — gehandhaafd moet blijven, aangezien suiker het voornaamste bestanddeel is.
Zo bevatten rode Pulmoll-pastilles bij voorbeeld terpine, en Valda-pastilles thymol. Al kunnen deze stoffen volgens de geproduceerde medische gegevens in bepaalde doses een zelfde therapeutische of profylactische werking hebben als een geneesmiddel, toch moet worden vastgesteld dat zij in zo geringe mate in de betrokken pastilles voorkomen, dat zelfs bij inneming van het op de verpakking vermelde maximale aantal pastilles per dag de stoffen geen enkele werking in die zin zouden hebben. ( 12 ) Keelpastilles moeten dus worden ingedeeld onder hoofdstuk 17, post 17.04 „suikerwerk zonder cacao”, aangezien zij geen bewezen objectieve kenmerken hebben op grond waarvan zij onder andere hoofdstukken en tariefposten kunnen worden ingedeeld.
19.
De belangrijkste bestanddelen van Sangart-elixer en van Quintonine zijn gedistilleerd water, suiker en alcohol, en beide produkten zijn bestemd om te worden gedronken. Zij moeten dus kunnen worden ingedeeld onder post 22.09 van de IDR-nomenclatuur (GN-post 2208) als „ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een sterkte van minder dan 80 graden; gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten voor de vervaardiging van dranken”, tenzij wordt aangetoond dat zij objectieve kenmerken hebben waardoor zij onder andere hoofdstukken en tariefposten kunnen worden ingedeeld.
Uit punt 1, sub a, van de aantekeningen op hoofdstuk 30 blijkt dat het hoofdstuk niet „dieetvoeding, veredelde voedingsmiddelen, voedingsmiddelen voor diabetici, voedingssupplementen, opwekkende dranken (tonica) en mineraalwater” omvat. Die produkten vallen onder andere tariefposten op grond van hun objectieve kenmerken, overeenkomstig de omschrijving van die andere posten.
In haar opmerkingen heeft de Commissie de weinige actieve bestanddelen van de elixers nauwgezet onderzocht. Zij merkt bij voorbeeld op dat natriumarsenaat traditioneel wordt gebruikt ter behandeling van anemie, maar aangezien een fles Sangart-elixer van 141 cm13 slechts 0,005 mg van deze stof bevat, mag elke therapeutische werking worden uitgesloten. Daar bij de betrokken elixers dus niets wijst op objectieve kenmerken die een afwijking van het uitgangspunt kunnen rechtvaardigen, moet derhalve, om dezelfde redenen die ik voor keelpastilles reeds heb vermeld, worden geconcludeerd dat ook deze produkten niet onder hoofdstuk 30 kunnen worden ingedeeld.
Conclusie
20.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen te beantwoorden als volgt:
„—
Verordening (EEG) nr. 717/85 van de Commissie van 19 maart 1985, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2723/90 van de Commissie van 24 september 1990, moet aldus worden uitgelegd, dat zij geen betrekking heeft op goederen waarvan de samenstelling (in gewichtspercenten) verschilt van die welke in artikel 1 van de verordening is aangegeven.
—
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat het begrip ‚farmaceutische produkten’ in hoofdstuk 30 geen keelpastilles en elixers met een samenstelling als de in deze zaak bedoelde produkten omvat.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1986, L 94, biz. 9.
( 2 ) PB 1985, L 152, bh. 23.
( 3 ) Zie bij voorbeeld arrest van 10 oktober 1985, zaak 200/84, Daiber, Jurispr. 1985, blz. 3363.
( 4 ) Zie arrest van 16 juni 1994, zaak C-35/93, Develop Dr. Eisbein, Jurispr. 1994, blz. I-2655.
( 5 ) PB 1985, L 78, bh. 13.
( 6 ) Zoals de Commissie opmerkt, heeft verordening nr. 717/85 betrekking op de tariefindeling volgens de IDR-nomenclatuur. Bij verordening (EEG) nr. 2723/90 van de Commissie van 24 september 1990 (PB 1990, L 261, blz. 24) zijn evenwel identieke regels vastgesteld voor de GN.
( 7 ) Arrest van 14 januari 1993, zaak C-177/91, Jurispr. 1993, blz. I-45.
( 8 ) Anest van 31 maart 1992, zaak C-338/90, Jurispr. 1992, blz. I-2333.
( 9 ) Zie voetnoot 7.
( 10 ) Zie arrest van 30 november 1983, zaak 227/82, Van Bennekom, Jurispr. 1983, blz. 3383.
( 11 ) Zie hiervoor, punt S.
( 12 ) Volgens Martindalc, The Extra Pharmacoopm, Londen, 1989, bedraagt bij voorbeeld de dagelijks aanbevolen hoeveelheid terpine 500 à 800 mg, en is thymol werkzaam vanaf een dagelijkse dosis van 3 ų. Pulmoll-pastilles bevatten 3,8 mg terpine, een Valda-pastillc 1,6 mg thymol.
Full & Egal Universal Law Academy