Conclusie van de advocaat generaal
++++
A - Inleiding
1 De onderhavige niet-nakomingsprocedures betreffen drie richtlijnen op het gebied van de verzekeringen. De Commissie verwijt de Helleense Republiek, deze richtlijnen binnen de gestelde termijn niet volledig in nationaal recht te hebben omgezet, respectievelijk haar niet van de omzetting op de hoogte te hebben gebracht.
2 Zaak C-109/94 betreft richtlijn 90/618/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging, met name wat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreft, van richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 88/357/EEG tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche.(1) Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn waren de Lid-Staten verplicht, hun nationale bepalingen te wijzigen om binnen 18 maanden aan de richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
3 In zaak C-207/94 gaat het om richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239/EEG.(2) Volgens artikel 32 van deze richtlijn moesten de Lid-Staten hun nationale bepalingen binnen 18 maanden overeenkomstig de richtlijn wijzigen en de Commissie onmiddellijk van de wijzigingen in kennis stellen.
4 Zaak C-225/94 ten slotte betreft richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 79/267/EEG.(3) Ingevolge artikel 30 van deze richtlijn waren de Lid-Staten verplicht, hun nationale bepalingen binnen 24 maanden overeenkomstig de richtlijn te wijzigen en de Commissie onverwijld van de wijzigingen in kennis te stellen.
5 In deze drie zaken bracht de Commissie telkens een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 169 EG-Verdrag uit, na de Helleense Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld haar opmerkingen te maken. Daarop deelde de Helleense Republiek de Commissie mee, dat de werkzaamheden voor de omzetting van genoemde richtlijnen nog niet waren beëindigd. De Commissie heeft dus in alle drie de zaken bij het Hof beroep ingesteld. Op verzoek van de Helleense Republiek heeft het Hof deze drie zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
B - Standpuntbepaling
6 De Helleense Republiek betwist niet, dat zij de drie genoemde richtlijnen niet binnen de in de met redenen omklede adviezen van de Commissie gestelde termijnen in nationaal recht heeft omgezet.
7 Verweerster concludeert echter tot afwijzing van het beroep. Zij betoogt in dit verband, dat in juni 1992 een ontwerp-presidentieel decreet werd opgesteld, dat voor de omzetting van de drie litigieuze richtlijnen in nationaal recht moest dienen. Dit ontwerp werd in maart 1994 aan het Symvoulio Epikrateias (Raad van State) voorgelegd. De redenen voor die vertraging waren, dat het ontwerp door de bevoegde autoriteiten aan een grondig onderzoek werd onderworpen en dat bovendien de bezetting van de bevoegde ministeries en diensten in de betrokken periode enkele wijzigingen onderging. De Raad van State besloot in 1991, dat het niet meer mogelijk was bedoeld ontwerp aan te nemen, daar de litigieuze richtlijnen intussen door de richtlijnen 92/49/EEG(4) en 92/96/EEG(5) waren gewijzigd. De Griekse autoriteiten bereiden thans een nieuw ontwerp-presidentieel decreet voor, waarbij niet alleen de drie litigieuze richtlijnen, maar ook de richtlijnen 92/49 en 92/96 in nationaal recht moeten worden omgezet.
8 Deze omstandigheden, waarop de vertegenwoordigster van de Helleense Republiek ter terechtzitting voor het Hof nogmaals heeft gewezen, kunnen de door verweerster erkende niet-nakoming niet rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een Lid-Staat "zich niet (...) beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door gemeenschapsrichtlijnen opgelegde verplichtingen en termijnen".(6) Er zij op gewezen, dat richtlijn 88/357 uiterlijk op 31 december 1989 en de richtlijnen 90/618 en 90/619 uiterlijk op 20 mei 1992 hadden moeten worden omgezet. Dat is in Griekenland niet gebeurd. De Helleense Republiek heeft deze richtlijnen ook niet binnen de haar in de met redenen omklede adviezen van 7 juli 1993 (zaak C-109/94), 6 augustus 1992 (zaak C-207/94) en 15 februari 1994 (zaak C-225/94) verleende termijn van telkens twee maanden in nationaal recht omgezet. Dat is beslissend voor de beoordeling van de gegrondheid van de onderhavige beroepen. Overigens kan worden opgemerkt, dat ook de richtlijnen 92/49 en 92/96, waarop de Griekse regering zich beroept, reeds op 31 december 1993 respectievelijk 1 juli 1994 hadden moeten worden omgezet.
9 Hetzelfde geldt voor verweersters middel, dat het ontbreken van omzettingsmaatregelen niet heeft verhinderd dat de bepalingen van de litigieuze richtlijn in de praktijk daadwerkelijk werden toegepast.
10 Aangezien dus vaststaat, dat de Helleense Republiek de betrokken richtlijnen niet tijdig in nationaal recht heeft omgezet, behoeft het Hof niet in te gaan op de door de Commissie aangevoerde grief betreffende het verzuim de tot stand gebrachte omzetting mee te delen.
Dat spreekt vanzelf wat de zaken C-207/94 en C-225/94 betreft, waarin die grief slechts subsidiair is aangevoerd. Hetzelfde moet echter ook gelden voor zaak C-109/94, waarin de Commissie de Helleense Republiek heeft verweten, de betrokken richtlijn niet te hebben omgezet en haar de voor de omzetting genomen maatregelen niet te hebben meegedeeld. Worden de voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht vereiste maatregelen niet genomen, dan kunnen die maatregelen logischerwijs ook niet aan de Commissie worden meegedeeld. De vaststelling van de ontbrekende omzetting omvat dus ook het verdere verwijt van de verzuimde mededeling, zonder dat op dit punt een afzonderlijke vaststelling is vereist.
11 Het Hof heeft echter in twee recente arresten in vergelijkbare zaken de ontbrekende omzetting van de betrokken richtlijnen vastgesteld, maar het beroep van de Commissie voor het overige verworpen.(7) Deze handelwijze lijkt mij om voormelde redenen niet aangewezen. Overigens zij erop gewezen, dat het daarbij ook geenszins om vaste rechtspraak gaat. In de zopas genoemde arresten beroept het Hof zich weliswaar op zijn arrest van 18 mei 1994 in zaak C-303/93.(8) Maar in een arrest van 15 december 1994(9) bij voorbeeld heeft het Hof in een vergelijkbare zaak enkel vastgesteld, dat de verwerende Lid-Staat de betrokken richtlijnen niet had omgezet. Op de aanvullende grief van de Commissie, dat de voor de omzetting vereiste maatregelen haar niet waren meegedeeld, is het noch in het arrest zelf, noch in het dictum uitdrukkelijk ingegaan. Dat lijkt mij juist.
C - Conclusie
12 Mitsdien geef ik het Hof in overweging
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledig aan de richtlijnen 90/618/EEG, 88/357/EEG en 90/619/EEG te voldoen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.
(1) - PB 1990, L 330, blz. 44.
(2) - PB 1988, L 172, blz. 1.
(3) - PB 1990, L 330, blz. 50.
(4) - Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde richtlijn schadeverzekering) (PB 1992, L 228, blz. 1).
(5) - Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensrichtlijn) (PB 1992, L 360, blz. 1).
(6) - Arrest van 2 augustus 1993 (zaak C-303/92, Commissie/Nederland, Jurispr. 1993, blz. I-4739, r.o. 9).
(7) - Arresten van 23 maart 1995 (zaak C-365/93, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1995, blz. I-0000) en 6 april 1995 (zaak C-147/94, Commissie/Spanje, Jurispr. 1995, blz. I-0000). Of het Hof dezelfde opvatting ook in zijn arrest van 4 april 1995 (zaak C-348/93, Commissie/Italië, Jurispr. 1995, blz. I-0000) heeft gehuldigd, kan niet worden vastgesteld, daar in die zaak toch al een deel van het door de Commissie ingestelde beroep werd verworpen.
(8) - Commissie/Italië, Jurispr. 1994, blz. I-1901.
(9) - Zaak C-94/94 (Commissie/Spanje, Jurispr. 1994, blz. I-0000). Zie eveneens het arrest van 19 januari 1995 (zaak C-66/94, Commissie/België, Jurispr. 1995, blz. I-0000), waar de Commissie de grief naar voren had gebracht, dat de betrokken Lid-Staat de voor de omzetting vereiste maatregelen niet had genomen "en/of" niet ter kennis van de Commissie had gebracht.
Full & Egal Universal Law Academy