CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 8 juni 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
In deze zaak is het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over enkele vragen betreffende de verhouding tussen verschillende bepalingen van het Verdrag en de Italiaanse wettelijke regeling inzake het verbod op particuliere arbeidsbemiddeling en terbeschikkingstelling van werknemers voor uitzendarbeid. Deze vragen zijn gesteld door het Tribunale civile e penale di Milano in het kader van de behandeling door deze instantie in een bijzondere vorm van rechtspleging, namelijk de „giurisdizione volontaria” (vrijwillige rechtspraak), van een verzoek om goedkeuring van de statuten van Job Centre Coop. ari. Alvorens het Hof op de gestelde vragen kan antwoorden, moet het zich erover uitspreken of het vragen kan beantwoorden die door een nationale rechter in het kader van deze bijzondere vorm van rechtspleging worden gesteld.
2.
Bemiddeling en andere activiteiten als tussenpersoon tussen aanbod en vraag van arbeid in loondienst, anders dan via openbare arbeidsbemiddelingsbureaus, is ingevolge artikel 11, lid 1, van de Italiaanse wet nr. 264 van 29 april 1949 verboden, zelfs indien deze gratis worden verleend. Verschillende onder het Italiaanse Ministerie van Arbeid ressorterende bureaus hebben derhalve het monopolie op de arbeidsbemiddeling in Italië. ( 1 )
Werkgevers mogen in beginsel geen werknemers in dienst nemen buiten de arbeidsbemiddeling om. Op deze regel bestaan evenwel uitzonderingen, onder meer voor leidinggevend personeel en werknemers die worden geselecteerd op grond van openbare examens, en voor huishoudelijk personeel. ( 2 ) Oorspronkelijk konden de werkgevers bij de arbeidsbemiddeling enkel opgeven, aan welke kwalificaties de werknemer moest voldoen („richiesta numerica”), waarna de arbeidsbemiddeling de werknemer koos op grond van objectieve criteria, onder meer gelet op de gezinssituatie, de economische situatie en de duur van de werkloosheid van de betrokkene. Bij artikel 25, lid 1, van wet nr. 223 van 23 juli 1991 is evenwel ook de mogelijkheid geopend, dat de werkgever de werknemer die hij in dienst wil nemen, kiest uit een door de arbeidsbemiddeling opgestelde lijst („richiesta nominativa”).
Bovendien moeten werkgevers met meer dan tien personeelsleden (leidinggevend personeel en leerlingen uitgezonderd) (thans) 12 % van de nieuwe indienstnemingen reserveren voor werknemers die werkloos zijn geworden door het faillissement van hun vroegere werkgever en dergelijke, of die langer dan twee jaar werkloos zijn.
Op arbeidsbemiddeling die met deze bepalingen strijdig is en op indienstneming van werknemers buiten de arbeidsbemiddeling om, staan ingevolge de wet van 1949 strafrechtelijke of administratieve sancties. Voorts kan de rechter op verzoek van het Openbaar ministerie arbeidsovereenkomsten die in strijd met deze bepalingen zijn aangegaan, binnen één jaar na de indienstneming nietig verklaren.
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt niet of, en zo ja, welke publiekrechtelijke of privaatrechtelijke sancties zijn verbonden aan de weigering van een werkgever om een door de arbeidsbemiddeling aangewezen werknemer in dienst te nemen, en omgekeerd.
3.
Artikel 1, leden 1 en2, van wet nr. 1369 van 23 oktober 1960 bepaalt het volgende:
„Het is de ondernemer verboden, rechtstreeks, in onderaanneming of in enige andere vorm, de coöperatieve vereniging daaronder begrepen, zuivere arbeidsprestaties te laten verrichten door arbeidskrachten die door de opdrachtgever of tussenpersoon worden aangenomen en betaald, ongeacht de aard van het werk of de dienst, waarop de prestaties betrekking hebben.
Tevens is het de ondernemer verboden, aan tussenpersonen, ongeacht of deze werknemer, derde of vennootschap zijn, de coöperatieve vereniging daaronder begrepen, werkzaamheden op te dragen die als aangenomen werk moeten worden verricht door dienstverrichters die door deze tussenpersonen worden aangesteld en betaald.”
Overtreding van deze verboden is strafbaar en wie arbeidskrachten ter beschikking stelt, wordt ingevolge artikeli, lid5, rechtens beschouwd als werkgever.
Deze bepalingen zijn volgens de ter beschikking staande informatie ingegeven door de wens de werknemers te beschermen tegen uitbuiting en aantasting van hun rechten, die het gevolg kunnen zijn van de splitsing tussen de feitelijke werkgever en de persoon die formeel als werkgever wordt aangeduid, maar in werkelijkheid slechts een tussenpersoon is.
4.
Job Centre Coop, arl is een coöperatieve vereniging in oprichting, gevestigd te Milaan (Italië), met een verenigingskapitaal van 1300000 LIT, hetgeen thans overeenkomt met 600 ECU. De vereniging heeft volgens artikel 4, sub c en d, van haar statuten onder meer tot doel:
„c)
de inrichting van een permanente dienst voor de verzameling, opslag, uitwerking, selectie en levering aan de leden of mogelijk geïnteresseerde derden — gratis, voor zover het leden en derden betreft die werknemer zijn— van zo veel mogelijk informatie betreffende vraag en aanbod op de Italiaanse en de communautaire arbeidsmarkt, teneinde werkgevers en werknemers met elkaar in contact te brengen;
d)
de inrichting van een dienst voor het zoeken naar en de selectie van Italiaans of buitenlands personeel voor Italiaanse of buitenlandse werkgevers die geïnteresseerd zijn in de indienstneming van deze arbeidskrachten”.
5.
Job Centre Coop, arl diende bij het Tribunale civile e penale di Milano een verzoek in om goedkeuring van de statuten van de vereniging overeenkomstig artikel 2330, lid 3, van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek. Ingevolge deze bepaling gelast het Tribunale, indien het vaststelt, dat de statuten van de vereniging aan de in de wet gestelde voorwaarden voldoen, en het Openbaar ministerie gehoord, de inschrijving van de vereniging in het register. Ingevolge artikel 2231, lid 1, verkrijgt de vereniging eerst rechtspersoonlijkheid indien zij in het register wordt ingeschreven.
6.
Het Tribunale civile e penale di Milano heeft het verzoek tot goedkeuring behandeld in het kader van een bijzondere vorm van rechtspleging, die in Italië „giurisdizione volontaria” wordt genoemd. Blijkens de ter beschikking staande informatie betreft het een rechterlijke beoordeling van zaken als goedkeuring en inschrijving van vennootschappen, adoptie, en dergelijke. ( 3 )
Zaken betreffende de staat van personen worden ingevolge de artikelen 706 e. v. van het Italiaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behandeld met gesloten deuren. Ingevolge artikel 738 wordt het Openbaar ministerie, nadat hem de stukken zijn overgelegd, gehoord, en ingevolge artikel 740 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 2330 van het Burgerlijk Wetboek kan het Openbaar ministerie van beschikkingen van het Tribunale beroep instellen bij de Corte d'Appello. De behandeling voor deze instantie vindt in voorkomend geval plaats volgens dezelfde voorschriften als voor het Tribunale, daar de zaak wordt behandeld met gesloten deuren en op grond van een schriftelijk verzoek van de verzoeker en het Openbaar ministerie.
De prejudiciële vragen
7.
Na het Openbaar ministerie te hebben gehoord, heeft het Tribunale in het kader van de behandeling van het verzoek tot goedkeuring van de statuten van Job Centre Coop, ari verklaard, dat in deze zaak verschillende vragen rezen ten aanzien van de inhoud en de strekking van een aantal gemeenschapsbepalingen, en met het oog op zijn beslissing het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Kunnen de nationale voorschriften inzake arbeidsbemiddeling en uitzendarbeid, gelet op hun publiekrechtelijk karakter voor zover zij zijn vastgesteld ter bescherming van de werknemers en de nationale economie, worden geacht onder de uitoefening van het openbaar gezag te vallen in de zin van de artikelen 66 en 55 EEG-Verdrag?
2)
Kunnen de door verzoekers ingeroepen gemeenschapsbepalingen bij gebreke van precieze uitvoeringsbepalingen in deze specifieke materie worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn (zodat de publiekrechtelijke doelstellingen van de inzake arbeidsbemiddeling en uitzendarbeid geldende Italiaanse wetten in gevaar komen), en kan dientengevolge elke openbare of particuliere rechtspersoon, buiten elke specifieke controle en goedkeuring, elke activiteit van bemiddeling tussen vraag en aanbod van arbeid en/of tijdelijke levering van arbeid aan derden uitoefenen, indien de Lid-Staat met het eigen administratieve apparaat niet in staat is volledig aan de op de arbeidsmarkt gebleken vraag naar diensten te voldoen?”
De ontvankelijkheid
8.
De Commissie en de Italiaanse regering hebben een exceptie van nietontvankelijkheid opgeworpen wegens onbevoegdheid van het Hof om de vragen te beantwoorden, aangezien de beslissing van een zaak in „vrijwillige rechtspraak” niet het karakter heeft van de beslechting van een geschil na een procedure op tegenspraak, maar veeleer een administratief karakter. Volgens de Commissie zou dit anders zijn, indien de vragen waren gesteld in het kader van een hoger beroep tegen de beslissing van het Tribunale in een dergelijke zaak.
9.
Ik wijs er in de eerste plaats op, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ingevolge artikel 177 van het Verdrag de prejudiciële procedure openstaat voor „iedere nationale rechterlijke instantie”, wanneer deze dit noodzakelijk acht voor het geven van haar beslissing. ( 4 ) Het Hof moet de nationale rechters zoveel mogelijk alle dienstige gemeenschapsrechtelijke gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor het wijzen van zijn vonnis. ( 5 )
10.
In de rechtspraak van het Hof wordt niet geëist, dat de procedure voor de nationale rechter een procedure op tegenspraak is. ( 6 ) Het Hof heeft zich immers bevoegd geacht een prejudiciële vraag te beantwoorden in een zaak waarin een rechter optrad in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van het Openbaar ministerie én in die van onderzoeksrechter in een strafzaak tegen onbekenden. ( 7 )
Ook heeft het Hof zich in een arrest van 5 mei 1977 (zaak 110/76, Pretore di Cento, Jurispr. 1977, blz. 851) uitgesproken over prejudiciële vragen die waren gesteld door een Italiaanse rechter in een strafzaak tegen onbekenden. Met deze prejudiciële vragen werd beoogd te vernemen of de nationale rechter verplicht was, de Gemeenschap in te lichten over deze strafzaak. Advocaat-generaal Warner beklemtoonde in zijn conclusie, dat de zaak in zoverre ongewoon was dat er geen partijen waren, maar noch de advocaat-generaal noch het Hof vond daarin aanleiding, de vragen niet te beantwoorden.
11.
Zoals het Hof in zijn beschikking van 18 juni 1980 in de zaak Borker ( 8 ) heeft verklaard, kunnen krachtens artikel 177 het Hof alleen prejudiciële vragen worden gesteld door een rechter die is geroepen uitspraak te doen in een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak. In die zaak had een Parijse advocaat de Franse Orde van advocaten verzocht om een verklaring betreifende de toelating van advocaten tot Duitse rechterlijke instanties, en was er dus bij de Raad van de Orde geen geding aanhangig gemaakt waarvan de behandeling hem bij wet was opgedragen. ( 9 ) Beslissend was derhalve, dat het betrokken orgaan geen beslissing behoefde te nemen die voor de rechtspositie van een burger bindend was.
12.
In de onderhavige zaak moet het Tribunale civile e penale di Milano een beslissing nemen die voor de rechtspositie van Job Centre Coop, ari wel bindend is. Aan de hand van het door het Hof eventueel te geven antwoord zal het Tribunale zich erover uitspreken, of deze vennootschap overeenkomstig haar in de statuten neergelegde doel kan worden ingeschreven en daarmee naar Italiaans recht rechtspersoonlijkheid verkrijgen.
Indien het relevante gemeenschapsrecht aldus moet worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan de Italiaanse wettelijke regeling inzake arbeidsbemiddeling en uitzendarbeid, kan uiteraard worden gesteld, dat het niet ter zake doet dat het Hof, op grond dat het „giurisdizione volontaria” betreft, zich ervan onthoudt, de vragen te beantwoorden en dat de nationale rechter krachtens zijn nationale recht de inschrijving weigert en de vennootschap daardoor belet, rechtspersoonlijkheid te verkrijgen.
Moet het relevante gemeenschapsrecht integendeel aldus worden uitgelegd, dat het geheel of gedeeltelijk in de weg staat aan de Italiaanse wettelijke regeling inzake arbeidsbemiddeling en uitzendarbeid, dan kan de toepassing van het gemeenschapsrecht problemen opleveren, indien het Hof van oordeel is dat het de vragen niet behoeft te beantwoorden. In dat geval is het immers heel goed mogelijk, dat de nationale rechter de nationale wettelijke regeling toepast, terwijl het Hof zich over de onverenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht niet heeft uitgelaten. Het resultaat van de zaak zal dan heel wel kunnen zijn, dat de vennootschap niet wordt ingeschreven, geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt en dus niet de mogelijkheid heeft de activiteit uit te oefenen waartoe zij ingevolge het gemeenschapsrecht gerechtigd is.
13.
Het Hof heeft er zich blijkbaar niet eerder over uitgesproken, of het vragen kan beantwoorden die door een rechter zijn gesteld bij de behandeling van een zaak in het kader van de Italiaanse „giurisdizione
volontaria”. Wel heeft het in zaak 32/74, Haaga ( 10 ), de vraag beantwoord die door het Bundesgerichtshof was gesteld in een zaak die deze instantie behandelde in het kader van de Duitse „vrijwillige rechtspraak”. Deze zaak betrof evenals de onderhavige de inhoud van de statuten van een vennootschap. Advocaat-generaal Mayras vestigde in zijn conclusie de aandacht van het Hof op de vorm van de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure en merkte onder meer het volgende op:
„Immers, het Bundesgerichtshof legt de vraag aan u voor in het kader van een volontaire procedure. Niet een partij in de strikte zin van het woord heeft zich tot dit hoge rechtscollege gewend, maar een rechterlijke instantie die daaraan juridisch ondergeschikt is, en wel ter vaststelling van de nationale jurisprudentie op een specifiek punt.
Mag daaruit nu worden afgeleid dat het Bundesgerichtshof dusdoende geen werkelijk jurisdictionele taak vervult? Wij menen van niet en willen daartoe aanstippen dat het handelsregister in Duitsland, ingevolge artikel 125 van het Gesetz über die Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit, volgens een daarin nauwkeurig omschreven procedure wordt bewaard bij het Amtsgericht, een rechtbank van eerste aanleg.
Deze procedure geldt overigens niet alleen voor de bewaring van het handelsregister, maar ook op bepaalde gebieden als voogdij, adoptie, toezicht op het verenigingsregister, successie enzovoort. Naar het lijkt gaat het niet zozeer om contentieuze zaken als om ‚administratieve aangelegenheden die in judiciële vorm worden behandeld’, dat wil zeggen met de waarborgen van een werkelijke gerechtelijke procedure. Wat met name het handelsregister betreft, kan men trouwens de bevoegdheid van het Amtsgericht vergelijken met die van het Tribunal de commerce in Frankrijk. Men kan dan ook gevoeglijk aannemen dat de rechtbank van eerste aanleg, evenals uiteraard de beroepsinstanties en met name het Oberlandesgericht, ten deze een werkelijk rechtsprekende taak vervullen; de bepalingen van de Grondwet inzake de gerechtelijke waarborgen voor de burger, dat wil zeggen het recht om te worden gehoord en de waarborg van een door de wet toegekende rechter zijn op dit soort procedures van toepassing.
Wat ons betreft hebben wij er dan ook geen enkele moeite mee dat het Bundesgerichtshof krachtens artikel 177 van het Verdrag de betrokken prejudiciële vraag naar u heeft verwezen.”
De gestelde vraag, die betrekking had op de uitlegging van een bepaling van de Eerste richtlijn tot coördinatie van het vennootschapsrecht betreffende de openbaarmaking van de vertegenwoordigingsregeling bij vennootschappen, werd door het Hof dienovereenkomstig beantwoord.
14.
Mijns inziens vertoont de onderhavige zaak belangrijke overeenkomsten met de zaak Haaga. In beide zaken moet de rechter zich uitspreken over de inhoud van de statuten van een vennootschap, in beide zaken legt de nationale wettelijke regeling vragen over de goedkeuring van vennootschapsstatuten neer bij de rechter ter beslissing in het kader van een volontaire procedure, en in beide zaken is een uitlegging van het gemeenschapsrecht beslissend voor de vraag of de vennootschap kan worden ingeschreven en rechtspersoonlijkheid verkrijgt.
15.
Mijns inziens maakt het voor de ontvankelijkheid van de onderhavige zaak niet veel uit, dat deze betrekking heeft op de uitlegging van beginselen van gemeenschapsrecht, terwijl het Hof in de zaak Haaga had te oordelen over een vraag van meer technische aard.
16.
Ook maakt het naar mijn mening geen verschil van betekenis, dat tegen de beslissing van het Tribunale beroep openstaat, anders dan in de zaak Haaga, waar de vraag werd gesteld door het Bundesgerichtshof. Wel kan er reden zijn, gemakkelijker te erkennen dat een nationale rechterlijke instantie bevoegd is prejudiciële vragen te stellen, wanneer deze instantie de definitieve beslissing in een zaak neemt ( 11 ), maar het uitgangspunt van het Verdrag is, dat ook nationale rechters tegen wier beslissing beroep openstaat, krachtens artikel 177 prejudiciële vragen kunnen stellen. Voorts is de procedure voor de nationale rechter blijkens de stukken dezelfde wanneer vragen betreffende de staat van personen wordt behandeld door het Tribunale of door de appèlrechter, en in dit verband moet worden opgemerkt, dat het Openbaar ministerie in de zaak voor het Tribunale is gehoord, zodat er een procedure op tegenspraak is geweest.
17.
In het arrest van 16 december 1981, Foglia ( 12 ), heeft het Hof beklemtoond, dat artikel 177 „het Hof niet opdraagt rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren, maar bij te dragen aan een goede rechtsbedeling in de Lid-Staten. Het zou dus niet bevoegd zijn om te antwoorden op uitleggingsvragen die hem zouden worden gesteld in het kader van procedurele constructies, door partijen opgezet om een uitspraak van het Hof uit te lokken over bepaalde problemen van gemeenschapsrecht, zonder dat daaraan werkelijk behoefte bestaat met het oog op de beslechting van een geschil. Een onbevoegdverklaring in een dergelijke hypothese maakt geenszins inbreuk op de prerogatieven van de nationale rechter, doch maakt het mogelijk het gebruik van de procedure van artikel 177 voor andere dan de daarmee eigenlijk beoogde doeleinden te vermijden.
Bovendien zij opgemerkt dat, hoewel het Hof in zeer ruime mate moet kunnen afgaan op de beoordeling van de nationale rechter omtrent de noodzaak van de aan het Hof gestelde vragen, het toch in staat moet worden gesteld zelf alle elementen te beoordelen die verband houden met de vervulling van zijn eigen taak, met name om, zoals iedere rechterlijke instantie gehouden is te doen, zijn eigen bevoegdheid te toetsen. Daarom moet het Hof, gelet op de gevolgen van zijn beslissingen ter zake, bij de uitoefening van de hem in artikel 177 toegekende rechterlijke bevoegdheid, niet alleen met de belangen van de partijen in het geding, maar ook met die van de Gemeenschap en de Lid-Staten rekening houden. Het Hof kan derhalve niet zonder zijn opdracht te negeren, voorbijgaan aan de beoordelingen van de rechterlijke instanties van de Lid-Staten, in de uitzonderlijke gevallen dat deze beoordelingen van belang kunnen zijn voor een behoorlijk functioneren van de procedure van artikel 177.” ( 13 )
18.
Op grond van de zaak Foglia zou kunnen worden gesteld, dat het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof in een zaak betreffende de goedkeuring van de doelstelling in de statuten van een vennootschap een algemeen en hypothetisch karakter heeft. Zelfs indien de oprichters van Job Centre Coop, arl verklaren, dat de vennootschap als doel heeft het verrichten van bepaalde nader omschreven activiteiten, wil dit immers nog geenszins zeggen dat, wanneer de vennootschap met haar activiteiten begint, deze activiteiten ook werkelijk zullen worden verricht. De doelstelling wordt dikwijls zo ruim mogelijk geformuleerd. Er bestaat dan ook een zeker risico dat een regeling als de Italiaanse, waarbij een rechter de wettigheid van de statuten van een vennootschap moet testen, kan worden misbruikt om van het Hof door middel van prejudiciële vragen in wezen een advies over algemene of hypothetische vragen van gemeenschapsrecht te verkrijgen. Dat dit risico reëel is, blijkt met name uit het feit dat een vennootschap als Job Centre Coop, arl kennelijk kan worden opgericht met een kapitaal van niet meer dan ongeveer 600 ECU.
19.
Mijns inziens behoeft dit abstracte risico van misbruik van de verwijzingsprocedure er op zichzelf niet toe te leiden, dat het Hof weigert de gestelde vragen te beantwoorden. Beslissend is wel, of in het concrete geval kan worden uitgegaan van het bestaan van een reëel rechtsbelang bij de goedkeuring van de statuten van de vennootschap, opdat zij haar activiteiten kan verrichten. Volgens de in casu voorhanden zijnde informatie zijn de oprichters van de vennootschap in de eerste plaats werknemers van verschillende nationaliteiten die geïnteresseerd zijn in een zo breed mogelijk scala van tewerkstellingsmogelijkheden op de arbeidsmarkt binnen de Europese Unie en in het bijzonder op de Italiaanse arbeidsmarkt. Voorts zijn er onder de oprichters verschillende multinationale ondernemingen die al jaren de activiteit van arbeidsbemiddeling en terbeschikkingstelling van werknemers voor uitzendarbeid verrichten. Ofschoon de beoordeling met name wegens het bescheiden vennootschapskapitaal aanleiding geeft tot aanzienlijke twijfel, geeft dit het Hof mijns inziens niet voldoende reden om te weigeren de vragen te beantwoorden.
Ten gronde
20.
De vragen van de verwijzende rechter kunnen in twee groepen worden ingedeeld. In de eerste plaats verzoekt hij het Hof om uitlegging van artikel 48 van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers en van de artikelen 59 en 60 betreffende het vrij verrichten van diensten op het gebied van de arbeidsbemiddeling. Slechts voor zover deze bepalingen van toepassing zijn, is er aanleiding voor een uitspraak over de vraag of van het vrije verkeer van werknemers onder meer de arbeidsbemiddeling is uitgesloten op grond van het bepaalde betreffende de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in de artikelen 48, lid 4, 55 en 66.
Daarnaast verzoekt de verwijzende rechter om de toetsing van de Italiaanse regeling betreffende de arbeidsbemiddeling aan artikel 90 juncto artikel 86 van het Verdrag.
De bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers
21.
Ik zie niet in, hoe artikel 48 van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers in de onderhavige zaak relevant kan zijn. Job Centre Coop, arl is immers geen werknemer maar een vennootschap, die ingevolge haar statuten werkzaamheden van arbeidsbemiddeling en dergelijke zal verrichten. Dat er onder de oprichters van de vennootschap werknemers zijn, kan in dit opzicht geen verschil maken, daar de vennootschap wanneer zij is opgericht, een zelfstandige rechtspersoon zal zijn. Evenmin zijn er elementen aangevoerd waaruit valt af te leiden, dat Job Centre Coop, arl zelfstandig of op grond van volmacht of vertegenwoordiging de rechten kan doen gelden die de werknemer eventueel zal hebben, wanneer te zijner tijd de arbeidsbemiddeling zal hebben plaatsgevonden.
22.
Meer voor de hand ligt, de activiteiten die Job Centre Coop, arl ingevolge haar statuten zal uitoefenen, te toetsen aan de artikelen 59 en 60 van het Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten.
23.
Artikel 60, eerste alinea, van het Verdrag definieert het begrip diensten als de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. Ingevolge artikel 60, tweede alinea, omvatten de diensten met name werkzaamheden van industriële aard, van commerciële aard, van het ambacht en van de vrije beroepen. Naar het Hof heeft verklaard, zijn de werkzaamheid van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten en de werkzaamheid bestaande in de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten tegen betaling zonder dat er met het inlenende bedrijf een arbeidsovereenkomst tot stand komt, beroepswerkzaamheden als bedoeld in artikel 60 van het Verdrag. ( 14 ) Advocaat-generaal Jacobs is er in zaak C-41/90, Höfner en Eiser ( 15 ), van uitgegaan, dat ook adviesbureaus voor werving en selectie van leidinggevend personeel onder artikel 60 vallen, maar het Hof heeft zich over deze vraag niet uitgesproken, omdat de zaak betrekking had op een interne situatie in de betrokken Lid-Staat, waarop de bepalingen van het Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten niet van toepassing waren. ( 16 )
24.
Ongetwijfeld vindt op bijzondere gebieden als de bovengenoemde, commerciële bemiddeling en dergelijke van arbeidskrachten plaats, die moet worden geacht onder de verdragsbepalingen betreffende dienstverrichtingen te vallen. Dit betekent evenwel niet, dat men kan zeggen, dat ook arbeidsbemiddeling buiten dergelijke bijzondere gebieden een zodanig commercieel karakter heeft dat de bepalingen betreffende het vrij verkeer van diensten daarop van overeenkomstige toepassing zijn. Er is echter, evenals in de zaak Höfner en Eiser, geen aanleiding voor een uitspraak over de precieze omvang van het begrip dienstverrichting, indien de zaak betrekking heeft op een situatie waaraan de bepalingen betreffende dienstverrichtingen niet in de weg staan.
25.
Wat de regels voor uitzendarbeid betreft, heeft de Italiaanse regering ter terechtzitting verklaard, dat de Italiaanse wettelijke regeling een in Italië gevestigde onderneming — zoals Job Centre Coop, arl — niet belet, arbeidskrachten ter beschikking te stellen van werkgevers in andere Lid-Staten.
26.
Het Italiaanse verbod op terbeschikkingstelling van uitzendkrachten heeft derhalve in casu betrekking op een interne situatie, waarop artikel 59 niet van toepassing is. tact te leggen tussen een werkgever in Italië en een werkzoekende. Dit verbod is kennelijk algemeen toepasselijk en geldt ongeacht of het werkzoekenden in Italië of een andere Lid-Staat betreft. Op grond van de beschikbare informatie kan niet met zekerheid worden uitgesloten, dat de Italiaanse bepalingen ondernemingen in Italië beletten, contact te leggen tussen een werknemer in Italië en een werkgever in een andere Lid-Staat, maar ook in die situatie zal het verbod op arbeidsbemiddeling algemeen toepasselijk zijn en gelden ongeacht of het een werkgever in Italië of in een andere Lid-Staat betreft.
27.
Het Hof heeft in zijn recente rechtspraak de bepalingen van het Verdrag betreffende dienstverrichtingen uitgelegd op basis van de beginselen die het Hof ook op de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen heeft toegepast.
Laatstelijk heeft het Hof in het arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments ( 17 ), onderzocht, of het in het arrest van 24 november 1993, Keek en Mithouard ( 18 ), geformuleerde beginsel dat nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, buiten de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag vallen, op artikel 59 van het Verdrag kan worden toegepast. Het arrest Alpine Investments betrof nationale bepalingen houdende verbod van een bepaalde verkoopvorm, het zogenoemde „cold calling”, van een voor het overige volkomen wettig „produkt”, namelijk een financiële dienstverrichting. Hoewel het verbod algemeen toepasselijk was en niet tot doel of ten gevolge had dat binnenlandse ondernemingen werden bevoordeeld ten opzichte van dienstverrichters uit andere Lid-Staten, was volgens het Hof van belang, dat het verbod uitging van de Lid-Staat waar de dienstverrichter was gevestigd en niet enkel betrekking had op de aanbiedingen die hij had gedaan aan ontvangers die in die staat waren gevestigd of zich daarheen begaven om diensten te ontvangen, maar ook op de aanbiedingen die waren gericht tot ontvangers die zich in een andere Lid-Staat bevonden. Het verbod was aldus rechtstreeks van invloed op de toegang tot de dienstenmarkt in de andere Lid-Staten en kon derhalve het intracommunautaire dienstenverkeer belemmeren, zodat het binnen de werkingssfeer van artikel 59 kwam te vallen.
In de onderhavige zaak stelt de in geding zijnde wettelijke regeling een algemeen verbod op de levering van een bepaald „produkt” door particuliere ondernemingen, namelijk de dienstverrichting van arbeidsbemiddeling. Een vergelijking met de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer is mijns inziens ook bij de beoordeling van de onderhavige zaak zinvol. Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat artikel 34 van het Verdrag betreffende uitvoerbeperkingen immers niet in de weg aan een nationaal verbod op de vervaardiging van een bepaald produkt, zelfs wanneer de uitvoer van dit produkt daardoor onmogelijk wordt. ( 19 ) Artikel 34 heeft „betrekking op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of ten gevolge hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken staat een bijzonder voordeel wordt verzekerd”. ( 20 ) Het Italiaanse verbod op de „produktie” van de dienstverrichting in de vorm van arbeidsbemiddeling is eveneens algemeen toepasselijk en heeft niet tot doel in het bijzonder de uitvoer van deze diensten te belemmeren of een verschil in behandeling te creëren tussen het verrichten van deze diensten op de binnenlandse markt van de Lid-Staat en de uitvoer van dergelijke diensten. Ik wijs er overigens op, dat bij arbeidsbemiddeling altijd sprake is van twee dienstenontvangers, een werkgever en een werknemer. In situaties die onder het Italiaanse verbod vallen, zal de dienstverlener en ten minste één van de dienstenontvangers zich op Italiaans grondgebied bevinden. Dat het verbod op de „produktie” van dienstverrichtingen in de vorm van arbeidsbemiddeling in bepaalde situaties ook geldt voor een ontvanger in een andere Lid-Staat, is niet van belang, aangezien het verbod onder alle omstandigheden in de eerste plaats geldt voor het grondgebied van de Lid-Staat zelf.
28.
Men mag dan ook aannemen, dat artikel 59 er niet aan in de weg staat, dat een Lid-Staat in algemene zin de arbeidsbemiddeling op zijn grondgebied verbiedt, wanneer het verbod wordt toegepast ongeacht of de dienst wordt verricht ten behoeve van ontvangers in de betrokken Lid-Staat dan wel tevens van een ontvanger in een andere Lid-Staat. ( 21 )
29.
Het Hof moet derhalve naar mijn mening de vraag betreffende de bepalingen inzake het vrij verkeer aldus beantwoorden, dat de artikelen 59 en 60 van het Verdrag er niet aan in de weg staan, dat een Lid-Staat ondernemingen in die Lid-Staat verbiedt, werkzaamheden van arbeidsbemiddeling te verrichten, indien dit verbod algemeen toepasselijk is en geen verschil in behandeling maakt naar gelang de diensten worden verricht ten behoeve van ontvangers in de betrokken Lid-Staat dan wel tevens van een ontvanger in een andere Lid-Staat.
Artikel 90 juncto artikel 86, van het Verdrag
30.
Job Centre Coop, ali heeft gesteld, dat het monopolie inzake arbeidsbemiddeling in strijd is met artikel 90 juncto artikel 86, van het Verdrag, daar de publiekrechtelijke arbeidsbemiddeling niet in staat is aan de marktvraag te voldoen.
31.
De Italiaanse regering heeft daartegen ingebracht, dat de arbeidsbemiddeling niet moet worden geacht onder de mededingingsregels van het Verdrag te vallen.
32.
Volgens de Commissie en de Duitse regering moet het monopolie op arbeidsbemiddeling worden beoordeeld aan de hand van artikel 90 van het Verdrag, maar valt het Italiaanse verbod op de terbeschikkingstelling van uitzendkrachten niet onder de mededingingsregels van het Verdrag.
33.
Ik wijs er in de eerste plaats op, dat de Italiaanse Republiek voor zover bekend niet zelf uitzendkrachten ter beschikking stelt, of aan bepaalde ondernemingen bijzondere rechten verleent om deze dienst te verrichten. Artikel 90 is slechts van toepassing, indien aan een of meer ondernemingen bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend. Ik ben het dus met de Commissie eens, dat artikel 90 van het Verdrag niet in de weg staat aan een nationale regel als die van artikel 1 van wet nr. 1369 van 23 oktober 1960.
34.
Het Hof heeft zich in het arrest van 23 april 1991 in de zaak Höfner en Eiser ( 22 ) uitgesproken over de omstandigheden waaronder publiekrechtelijke arbeidsbemiddeling een schending van artikel 90 juncto artikel 86, van het Verdrag kan betekenen. In dit arrest verklaarde het Hof onder meer het volgende ( 23 ):
„Gezien het voorgaande moet worden onderzocht, of een publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid als de Bundesanstalt kan worden aangemerkt als een onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag.
In de context van het mededingingsrecht moet worden gepreciseerd, dat enerzijds het begrip onderneming elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, en dat anderzijds arbeidsbemiddeling een economische activiteit is.
De omstandigheid dat de arbeidsbemiddeling gewoonlijk is toevertrouwd aan publiekrechtelijke organen, doet niets af aan het economisch karakter van deze activiteit. De arbeidsbemiddeling is niet altijd in handen van overheidsdiensten geweest en een dergelijk overheidsmonopolie is ook niet noodzakelijk, met name waar het gaat om de bemiddeling van hoger en leidinggevend personeel.
Bijgevolg is een publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid, dat zich bezighoudt met arbeidsbemiddeling, een eenheid die als een onderneming in de zin van de communautaire mededingingsregels kan worden aangemerkt.
Een publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid dat krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat is belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang (...), is ingevolge artikel 90, lid 2, EEG-Verdrag onderworpen aan de mededingingsregels, zolang niet is aangetoond dat de toepassing van deze regels onverenigbaar is met de uitoefening van de aan dat orgaan toevertrouwde taak (zie het arrest van 30 januari 1974, zaak 155/73, Sacchi, Jurispr. 1974, blz. 409, r. o. 15).
Met betrekking tot de houding die een publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid dat een bemiddelingsmonopolie bezit, aanneemt ten opzichte van de bemiddeling van hoger en leidinggevend personeel door particuliere adviesbureaus voor werving en selectie, zij erop gewezen dat de toepassing van artikel 86 EEG-Verdrag de vervulling van de aan dit orgaan toevertrouwde bijzondere taak niet kan verhinderen, wanneer dit kennelijk niet in staat is aan de op de markt bestaande vraag naar dat soort bemiddeling te voldoen en in de praktijk een inbreuk op zijn monopolie door dergelijke bureaus tolereert.
Ofschoon artikel 86 zich tot de ondernemingen richt en binnen de grenzen van artikel 90, lid 2, van toepassing is op openbare bedrijven en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn verleend, legt het Verdrag toch ook de Lid-Staten de verplichting op geen maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepaling haar nuttig effect kunnen ontnemen (zie het arrest van 16 november 1977, zaak 13/77, Inno, Jurispr. 1977, blz. 2115, r. o. 31 en 32). Artikel 90, lid 1, bepaalt namelijk, dat de Lid-Staten met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen maatregelen nemen of handhaven welke in strijd zijn met de regels van het Verdrag, met name die bedoeld in de artikelen 85 tot en met 94.
Derhalve zou een maatregel van een Lid-Staat, waarbij een wettelijke bepaling wordt gehandhaafd die een situatie in het leven roept waarin handelen in strijd met artikel 86 voor een publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid onontkoombaar is, onverenigbaar met het Verdrag zijn.
In dit verband zij er in de eerste plaats op gewezen, dat een onderneming die een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag in te nemen (zie het arrest van 3 oktober 1985, zaak 311/84, CBEM, Jurispr. 1985, blz. 3261, r. o. 16) en dat het grondgebied van een Lid-Staat, waarover dit monopolie zich uitstrekt, een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt kan vormen (zie het arrest van 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr. 1983, blz. 3461, r. o. 28).
In de tweede plaats moet worden gepreciseerd, dat het creëren van een machtspositie door de verlening van een uitsluitend recht in de zin van artikel 90, lid 1, als zodanig nog niet onverenigbaar is met artikel 86 EEG-Verdrag (zie het arrest van 3 oktober 1985, CBEM, reeds aangehaald, r. o. 17). Een Lid-Staat handelt namelijk pas in strijd met de in deze twee artikelen vervatte verbodsbepalingen, wanneer de betrokken onderneming door de enkele uitoefening van het haar toegekende uitsluitend recht misbruik van haar machtspositie maakt.
Volgens artikel 86, tweede alinea, sub b, EEG-Verdrag kan een dergelijk misbruik met name bestaan in een beperking van de dienstverlening ten nadele van degenen die van de betrokken dienst gebruik willen maken.
Een Lid-Staat roept een situatie in het leven waarin de dienstverlening wordt beperkt, wanneer de onderneming waaraan hij een uitsluitend recht voor de bemiddeling van hoger en leidinggevend personeel heeft verleend, kennelijk niet in staat is aan de op de markt bestaande vraag naar dat soort bemiddeling te voldoen en wanneer de daadwerkelijke bemiddelingsactiviteit van particuliere adviesbureaus voor werving en selectie onmogelijk wordt gemaakt door de handhaving van een wettelijke bepaling die die activiteit verbiedt op straffe van nietigheid van de betrokken overeenkomsten.
In de derde plaats moet worden opgemerkt, dat de krachtens de artikelen 86 en 90, lid 1, EEG-Verdrag op een Lid-Staat rustende verplichting pas ontstaat wanneer het door het betrokken orgaan gemaakte misbruik een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Lid-Staten tot gevolg kan hebben. Aan deze voorwaarde is niet slechts voldaan wanneer het betrokken misbruik dat handelsverkeer inderdaad ongunstig heeft beïnvloed. Volstaan kan worden met het bewijs, dat het misbruik een dergelijk gevolg kan hebben (zie het arrest van 9 november 1983, Michelin, reeds aangehaald, r. o. 104).
Een dergelijke mogelijkheid is met name aanwezig, wanneer de door particuliere ondernemingen uitgeoefende activiteiten op het gebied van de bemiddeling van hoger en leidinggevend personeel zich kunnen uitstrekken tot de onderdanen of het grondgebied van andere Lid-Staten.
Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat een publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid dat zich bezighoudt met arbeidsbemiddeling, onder het verbod van artjiel 86 EEG-Verdrag valt, voor zover de toepassing van deze bepaling de vervulling van de hem toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De Lid-Staat die een dergelijk orgaan een uitsluitend recht tot arbeidsbemiddeling heeft verleend, maakt inbreuk op artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag, wanneer hij een situatie in het leven roept waarin handelen in strijd met artikel 86 voor dat orgaan onontkoombaar is. Dit is met name het geval wanneer:
—
het uitsluitend recht het bemiddelen van hoger en leidinggevend personeel van ondernemingen omvat;
—
het publiekrechtelijk orgaan voor de werkgelegenheid kennelijk niet in staat is aan de vraag naar dat soort bemiddeling te voldoen;
—
de daadwerkelijke bemiddelingsactiviteit van particuliere adviesbureaus voor werving en selectie onmogelijk wordt gemaakt door de handhaving van een wettelijke bepaling die die activiteit verbiedt op straffe van nietigheid van de betrokken overeenkomsten;
—
de betrokken bemiddelingsactiviteiten zich kunnen uitstrekken tot de onderdanen of het grondgebied van andere Lid-Staten.”
35.
Mijns inziens heeft het Hof zich hiermee heel in het algemeen uitgesproken over de vraag, wanneer publiekrechtelijke arbeidsbemiddeling leidt tot schending van artikel 90 juncto artikel 86 van het Verdrag. Op grond van de in casu beschikbare gegevens is er mijns inziens geen aanleiding voor een andere beslissing, zodat ik het Hof dan ook in overweging geef, de vraag betreffende de uitlegging van artikel 90 juncto artikel 86 van het Verdrag op dezelfde wijze te beantwoorden als in de aangehaalde zaak. Het is de nationale rechter die moet beoordelen, of aan genoemde beginselen is voldaan.
36.
Eén vraag verdient evenwel bijzondere aandacht. In de zaak Höfner en Eiser verklaarde het Hof, dat met name sprake was van schending van de artikelen 86 en 90 van het Verdrag, wanneer het uitsluitend recht het bemiddelen van hoger en leidinggevend personeel van ondernemingen omvatte. ( 24 ) Met de term „met name” heeft het Hof willen zeggen, dat er ook sprake kan zijn van schending van de artikelen 86 en 90 in geval van bemiddeling ten behoeve van andere groepen werknemers dan leidinggevend personeel. Vorengenoemde zaak betrof evenwel enkel de arbeidsbemiddeling van leidinggevend personeel en er was voor het Hof dan ook geen aanleiding, zich meer in het algemeen uit te spreken over de vraag, wanneer een overheidsmonopolie bij de arbeidsbemiddeling een schending van genoemde artikelen kan betekenen.
Ik ben van mening, dat een onderneming voor arbeidsbemiddeling heden ten dage ook voor een aantal andere groepen werknemers dan leidinggevend personeel op commerciële basis wordt of kan worden gedreven. Vermoedelijk op grond van dergelijke overwegingen hebben de meeste Lid-Staten het onderdeel van IAO-conventie nr. 96 uit 1949 ( 25 ) dat de uitoefening van particuliere arbeidsbemiddeling verbiedt, hetzij nooit geratificeerd, hetzij later opgezegd. Het is nauwelijks mogelijk of opportuun, nader te bepalen op welke groepen werknemers de commerciële arbeidsbemiddeling betrekking kan hebben, aangezien de markt voortdurend evolueert. Ik geeft het Hof dan ook in overweging, de rechtsoverwegingen van het arrest Höfner en Eiser die in het bijzonder betrekking hebben op de bemiddeling van leidinggevend personeel, buiten beschouwing te laten.
Conclusie
37.
Derhalve geef ik het Hof in overweging, de vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
De artikelen 59 en 60 van het Verdrag staan er niet aan in de weg, dat een Lid-Staat de arbeidsbemiddeling door ondernemingen verbiedt, wanneer dit verbod algemeen wordt toegepast en zonder verschil in behandeling naar gelang de dienst wordt verricht ten behoeve van ontvangers in de betrokken Lid-Staat dan wel tevens van een ontvanger in een andere Lid-Staat.
2)
Een publiekrechtelijk arbeidsbemiddelingsbureau valt onder het verbod van artikel 86 EEG-Verdrag, voor zover de toepassing van deze bepaling de vervulling van de hem toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De Lid-Staat die aan een dergelijk orgaan een uitsluitend recht tot arbeidsbemiddeling heeft verleend, maakt inbreuk op artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag, wanneer hij een situatie in het leven roept waarin handelen in strijd met artikel 86 van het Verdrag voor dat orgaan onontkoombaar is. Dit is met name het geval wanneer:
—
het publiekrechtelijk arbeidsbemiddelingsbureau kennelijk niet in staat is aan de vraag naar dat soort bemiddeling te voldoen;
—
de daadwerkelijke bemiddelingsactiviteit van particuliere adviesbureaus voor werving en selectie onmogelijk wordt gemaakt door de handhaving van een wettelijke bepaling die die activiteit verbiedt op straffe van nietigheid van de betrokken overeenkomsten;
—
de betrokken bemiddelingsactiviteiten zich kunnen uitstrekken tot de onderdanen of het grondgebied van andere Lid-Staten.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Voor bepaalde ondernemingen (met name in de amusementsen hotelbranche, bakkerijen en de scheepvaart) gelden bijzondere regelingen, telkens met specifieke plaatsingsbureaus.
( 2 ) Voor de landbouwsector is dit onderwerp geregeld bij wet nr. 83 van 11 maart 1970.
( 3 ) Het begrip voluntaire jurisdictie is waarschijnlijk afkomstig uit het Romeinse recht en is lieden ten dage in verschillende Europese rechtsstelsels bekend. Volgens de Digesta Iustiniani, Eerste bock, hoofdstuk 16, hadden alle proconsuls jurisdictie zodra zij hun eigen stad verlieten, maar slechts voor zover het vrijwillige zaken betrof (dat wil zeggen zaken waarin consensus bestond) en dus niet in geschillen. Deze jurisdictie omvatte onder meer de goedkeuring van adoptie, vrijlating van slaven en emancipatio van minderjarigen. Verg. Digesta Iustiniani, deel 1, m de bewerking van Mommsen e. a., blz. 31 e. v.
( 4 ) Zie arrest van 21 februari 1974, zaak 162/73, Birra Dreher, Jurispr. 1974, blz. 201, r. o. 3.
( 5 ) Zie arrest van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r. o. 8.
( 6 ) Zic arrest Birra Dreher, reeds aangehaald, r. o. 2 en 3, en laatstelijk arrest van 17 mei 1994, zaait C-18/93, Corsica Ferries, Jurispr. 1994, blz. I-1783, r. o. 12.
( 7 ) Zie arrest van 11 juni 1987, zaak 14/86, Pretore di Salò, Jurispr. 1987, blz. 2545, alsook het vergelijkbare arrest van 22 september 1988, zaak 228/87, Strafzaak tegen X, Jurispr. 1988, blz. 5099.
( 8 ) Zaak 138/80, Jurispr. 1980, blz. 1975, r. o. 4.
( 9 ) Zie ook beschikking van 5 maart 1986, zaak 318/85, Greis Unterweger, Jurispr. 1986, blz. 955, r. o. 4.
( 10 ) Arrest van 12 november 1974, Jurispr. 1974, blz. 1201.
( 11 ) Zie arrest van 6 oktober 1981, zaak 246/80, Broekmeulen, Jurispr. 1981, blz. 2311, r. o. 16 en 17.
( 12 ) Zaak 244/80, Jurispr. 1981, bh. 3045.
( 13 ) Zie arrest aangehaald in de vorige voetnoot, r. o. 18 en 19.
( 14 ) Zie arrest van 18 januari 1979, gevoegde zaken 110/78 en 111/78, Van Wesemael, Jurispr. 1979, blz. 35, resp. arrest van 17 december 1981, zaak 279/80, Webb, Jurispr. 1981, blz. 3305.
( 15 ) Arrest van 23 april 1991, Jurispr. 1991, blz. I-1979.
( 16 ) Zie bij voorbeeld arrest van 26 februari 1991, zaak C-154/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-659, r. o. 9. 26. Het Italiaanse recht verbiedt in Italië gevestigde particuliere ondernemingen, con-
( 17 ) Zaak C-3S4/93, Jurispr. 1995, blz. I-1141.
( 18 ) Gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Jurispr. 1993, blz. I-6097.
( 19 ) Zie bij voorbeeld arrest van 8 november 1979, zaak 15/79, Groenveld, Jurispr. 1979, blz. 3409.
( 20 ) Zie laatstelijk arrest van 24 maart 1994, zaak C-80/92, Commissie/België, Jurispr. 1994, blz. I-1019, r. o. 24.
( 21 ) Hiervoor is mijns inziens steun te vinden in het arrest van 14 juli 1991, zaak C-379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. I-3453, r. o. 50.
( 22 ) Zie voetnoot 15.
( 23 ) R. o. 20-34.
( 24 ) Zie r. o. 34 van het arrest.
( 25 ) Het tweede hoofdstuk van de conventie, dat bepaalt dat de commerciële arbeidsbemiddeling tegen betaling geleidelijk wordt afgeschaft, is voor zover bekend geratificeerd door België, Frankrijk, Ierland, Italië, Spanje en Luxemburg. Finland, Duitsland en Zweden hebben de conventie opgezegd.
Full & Egal Universal Law Academy