CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 12 oktober 1995 ( *1 )
1.
De Franse Cour de cassation, chambre commerciale, verzoekt het Hof om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
„Moet artikel 95 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van een wettelijke regeling als de onderhavige, die een stelsel van motorvoertuigenbelasting invoert waarvan de progressiecoëfficiënt groter is voor de belastingschijven vanaf 19 pk, in welke schijven alleen uit andere Lid-Staten ingevoerde motorvoertuigen vallen, dan voor de belastingschijven 12-14 pk, die drie fiscale vermogens omvat, tot 17-18 pk, waarin voornamelijk motorvoertuigen van Franse makelij vallen die als gelijksoortig aan ingevoerde motorvoertuigen van meer dan 19 pk kunnen worden beschouwd?”
De feiten
2.
Verzoekster in het hoofdgeding, E. Casarin (echtgenote Jacquier, hierna: „Casarin”), bezit een motorvoertuig van het merk Mercedes, dat volgens de Franse motorvoertuigenbelasting een fiscaal vermogen van 40 pk heeft. Het voertuig werd in 1987 voor het eerst ingeschreven. Voor 1990 diende Casarin 10832 FF verkeersbelasting te betalen. Dat bedrag was berekend overeenkomstig artikel 1599 G van de Code général des impôts, zoals gewijzigd bij wet van 30 december 1987. Zij diende bij de bevoegde belastingdiensten een bezwaarschrift in, waarin zij het bedrag van de belasting betwistte en om gedeeltelijke terugbetaling verzocht. Op 20 september 1990 werd haar bezwaar afgewezen. Daarop stelde zij beroep in bij het Tribunal de grande instance te Lons-le-Saunier, welk beroep bij vonnis van 3 december 1991 werd verworpen. Tegen dat vonnis stelde Casarin cassatieberoep in, met het betoog dat het Franse stelsel van differentiële motorvoertuigenbelasting een discriminerende werking had en in strijd was met artikel 95 van het Verdrag, daar er tussen de belastingschijf 17-18 pk en de hogere schijven vanaf 19 pk een progressiebreuk is in de coëfficiënten die worden gebruikt voor de berekening van de belasting. De Franse Cour de cassation betwijfelt de verenigbaarheid van het Franse stelsel met artikel 95 van het Verdrag en verzoekt het Hof derhalve om een prejudiciële beslissing over voormelde vraag.
De relevante Franse wetgeving en de eerdere rechtspraak van het Hof
3.
In de artikelen 1599 C tot en met 1599 J van de Code général des impôts zijn de basisbepalingen betreffende de differentiële motorvoertuigenbelasting neergelegd. De structuur van de belasting is op nationaal niveau vastgelegd, doch de belasting wordt door ieder département geïnd. Aan ieder op de Franse markt gebracht voertuig wordt voor belastingdoeleinden een „fiscaal vermogen” toegekend, dat volgens een ingewikkelde formule wordt berekend. Deze fiscale vermogens zijn ingedeeld in schijven; elke schijf bestaat uit twee of drie fiscale vermogens. Voor elke belastingschijf wordt een coëfficiënt bepaald. Jaarlijks stellen de autoriteiten van ieder département een basistarief voor de belasting vast. Dit basistarief wordt vermenigvuldigd met de op nationaal niveau bepaalde coëfficiënten, en de uitkomst van die berekening geeft het bedrag van de voor de overeenkomstige belastingschijven verschuldigde belasting. Het bedrag van de voor een bepaald voertuig verschuldigde belasting kan dus verschillen van het ene département tot het andere, doch de structuur van de belasting is nationaal niveau vastgesteld en is dezelfde voor het gehele land.
4.
Het Hof heeft zich reeds driemaal uitgesproken over de verenigbaarheid van de Franse motorvoertuigenbelasting met artikel 95 van het Verdrag. In de eerste zaak, de zaak Humblot ( 1 ), werd het Hof gevraagd, of het verenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag, dat op voertuigen van 16 pk of minder een differentiële belasting werd gelegd, terwijl voor voertuigen van meer dan 16 pk een bijzondere belasting tegen een eenvormig en aanzienlijk hoger tarief gold. Om te beginnen merkte het Hof in verband met progressieve stelsels van motorvoertuigenbelasting in het algemeen op, dat
„de Lid-Staten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht vrij blijven om produkten als motorrijtuigen te onderwerpen aan een verkeersbelasting, die progressief stijgt volgens een objectief criterium als het fiscaal vermogen, dat op verschillende wijzen kan worden vastgesteld”. ( 2 )
5.
Het Hof voegde daar echter aan toe:
„Een dergelijke binnenlandse belasting verdraagt zich evenwel slechts met artikel 95 EEG-verdrag, voor zover zij geen discriminerende of beschermende werking heeft.” ( 3 )
6.
Het Hof oordeelde, dat een regeling als de Franse, waarin de bijzondere belasting verscheidene malen hoger is dan het hoogste bedrag van de progressieve belasting die verschuldigd is voor voertuigen van 16 pk of minder, en waarin deze bijzondere belasting uitsluitend op — inzonderheid uit andere Lid-Staten — ingevoerde voertuigen werd gelegd, niet aan die voorwaarde voldeed. Het Hof overwoog:
„De belastingverhoging waartoe de heffing van de bijzondere belasting aanleiding geeft is (...) veel groter dan de verhoging die onder de regeling van een progressieve belasting met evenwichtige tariefverschillen, zoals die van de differentiële belasting, uit de overgang van de ene naar de andere categorie motorrijtuigen voortvloeit.” ( 4 )
7.
Om zich naar dat arrest te voegen, heeft de Franse wetgever artikel 18 van wet nr. 85/695 van 11 juli 1985 vastgesteld, waarbij de bijzondere belasting op voertuigen met een fiscaal vermogen van meer dan 16 pk werd afgeschaft, zodat nog slechts het differentiële stelsel overbleef, dat werkt zoals ik hierboven heb beschreven. Artikel 18 creëerde evenwel vier nieuwe belastingschijven, zodat er in totaal negen waren: tot 4 pk, van 5 tot 7 pk, 8 en 9 pk, 10 en 11 pk, van 12 tot 16 pk, 17 en 18 pk, 19 en 20 pk, 21 en 22 pk, en 23 pk en meer. Voorts bepaalde dat artikel voor elke schijf een coëfficiënt (respectievelijk 1, 1, 9, 4, 5, 5, 3, 9, 4, 14,1, 21,1, 31,7 en 47,6). De formule voor de berekening van het fiscaal vermogen was vastgesteld bij administratieve circulaire van 23 december 1977.
8.
In de tweede zaak, de zaak Feldain ( 5 ), werd het Hof gevraagd, of de regeling, zoals na het arrest Humblot bij wet nr. 85/695 van 11 juli 1985 gewijzigd, verenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag. Een van de punten die ter discussie stonden was, of een regeling waarin de coëfficiënten „exponentieel” begonnen te stijgen na de belastingschijf van 12 tot 16 pk, de laatste schijf waarin voertuigen van Franse makelij voorkwamen, verenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag. Het Hof oordeelde, dat
„bij de belastingschijven die voor fiscale vermogens tot 16 pk gelden, de progressiefactor van de coëfficiënten tussen 1,2 en 2,4 ligt, terwijl hij 1,5 bedraagt bij de hogere belastingschijven. In de progressie van deze coëfficiënten treedt dus geen verschil op dat zou kunnen wijzen op een discriminerende of beschermende werking ten gunste van motorrijtuigen van Franse makelij.” ( 6 )
9.
Het Hof achtte de belastingregeling evenwel in twee opzichten discriminerend:
a)
De belastingschijven waren op zodanige wijze ingedeeld, dat topklasse-auto's van Franse makelij in de belastingschijf 12-16 pk vielen, terwijl in de hogere belastingschijven alleen voertuigen uit andere Lid-Staten voorkwamen. Aangezien de schijf 12-16 pk (de enige schijf die vijf fiscale vermogens omvatte, tegen twee of drie voor de andere schijven) zeer ruim was, waren topklasse-auto's van Franse makelij beschermd tegen de normale progressie van de belasting. ( 7 )
b)
De berekeningswijze van het fiscaal vermogen zelf was niet objectief en leidde tot bevoordeling van voertuigen van Franse makelij. ( 8 )
10.
In een derde zaak, de zaak Seguela ( 9 ), kwam het Hof tot dezelfde conclusie.
11.
Om zich naar het arrest Feldain te voegen, heeft de Franse wetgever nieuwe wettelijke bepalingen vastgesteld. Bij artikel 20 van wet nr. 87-1061 van 30 december 1987 is artikel 1599 G van de Code général des impôts in zoverre gewijzigd, dat de oude schijf 12-16 pk in tweeën werd verdeeld, zodat er in totaal tien in plaats van negen schijven waren. Thans bestaat er dus een schijf 12-14 pk en een schijf 15-16 pk. De coëfficiënt voor de voormalige schijf 12-16 pk (9,4) gold voortaan voor de schijf 12-14 pk, terwijl voor de nieuwe schijf 15-16 pk een nieuwe coëfficiënt (11,5) werd bepaald. In de huidige wetgeving gelden dus de volgende coëfficiënten: 1, 1, 9, 4, 5, 5, 3, 9, 4, 11,5, 14,1, 21,1, 31,7 en 47,6.
12.
Voorts is de berekeningswijze van het fiscaal vermogen, zoals die in de administratieve circulaire van 23 december 1977 was neergelegd, gewijzigd bij een nieuwe administratieve circulaire van 12 januari 1988. Deze circulaire wijzigde het gedeelte van de berekeningswijze dat door het Hof in het arrest Feldain in strijd met artikel 95 van het Verdrag was bevonden. Bij wet nr. 93/859 van 22 juni 1993 is aan deze circulaire kracht van wet verleend, zulks met terugwerkende kracht.
13.
In de onderhavige zaak betreft de vraag van de nationale rechter het probleem, of de stijging van de progressie van de belasting na de schijf van 17-18 pk verenigbaar is met artikel 95. Het gaat dus om de verhouding tussen de coëfficiënten, anders gezegd, om het verloop van de progressie van een coëfficiënt tot de volgende. Die verhouding is uitgedrukt in een factor die, wanneer hij wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt van een bepaalde belastingschijf, de coëfficiënt van de volgende schijf geeft. In de verwijzingsbeschikking heeft de Cour de cassation de progressiefactoren van de coëfficiënten voor de schijven vanaf 12 pk berekend als volgt:
Schijven
Progressiefactor
van 12-14 pk tot 15-16 pk
1,22
van 15-16 pk tot 17-18 pk
1,22
van 17-18 pk tot 19-20 pk
1,54
van 19-20 pk tot 21-22 pk
1,46
van 21-22 pk tot 23 pk en meer
1,50
De Cour de cassation was van mening, dat de belastingschijven onder 12 pk buiten beschouwing konden blijven, daar de in die schijven vallende voertuigen niet vergelijkbaar zijn met die van de schijven 19 pk en meer.
14.
De Cour de cassation heeft een fout gemaakt bij de berekening van de progressiefactor tussen de schijven 17-18 pk tot 19-20 pk en 19-20 pk tot 21-22 pk. De navolgende tabel geeft (geringe afrondingen buiten beschouwing gelaten) de correcte factoren, alsmede de hypothetische bedragen van de motorvoertuigenbelasting voor elke schijf, ervan uitgaande dat de belasting voor een voertuig van de schijf 0-4 pk 200 FF bedraagt:
Schijven
Progressie factor
Belasting voor hogere schijf
van 0-4 pk tot 5-7 pk
1,90
380
van 5-7 pk tot 8-9 pk
2,37
901
van 8-9 pk tot 10-11 pk
1,18
1063
van 10-11 pk tot 12-14 pk
1,77
1881
van 12-14 pk tot 15-16 pk
1,22
2295
van 15-16 pk tot 17-18 pk
1,23
2823
van 17-18 pk tot 19-20 pk
1,50
4234
van 19-20 pk tot 21-22 pk
1,50
6351
van 21-22 pk tot 23 pk en meer
1,50
9527
Artikel 95 en de belasting van motorvoertuigen
15.
Centraal in de onderhavige zaak staat de vraag, of het Franse progressieve stelsel zodanig is gestructureerd, dat het ingevoerde motorvoertuigen benadeelt. Daarom is het noodzakelijk vooraf te onderzoeken, hoe Franse en ingevoerde voertuigen in een dergelijk systeem moeten worden vergeleken.
16.
Het Hof heeft geoordeeld, dat artikel 95 ten doel heeft
„het vrije verkeer tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten (...) Artikel 95 [dient] de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en geïmporteerde produkten.” ( 10 )
17.
Bijgevolg zijn produkten als gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, te beschouwen, wanneer zij „uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen”. ( 11 )
18.
Alle voertuigen vertonen weliswaar soortgelijke eigenschappen en voldoen aan dezelfde behoeften, in die zin dat zij alle een motor en wielen hebben en de mogelijkheid bieden één of meer personen te vervoeren, doch dat neemt niet weg, dat men, zoals advocaat-generaal Mischo in de zaak Commissie/Griekenland ( 12 ) opmerkte, niet serieus staande kan houden dat bij voorbeeld een klein voertuig met een cilinderinhoud van minder dan 1000 cm3 door de verbruiker als een alternatief voor een limousine uit de topklasse met een cilinderinhoud van 2500 cm3 of meer wordt beschouwd. In de praktijk bestaat er een „continuüm” van concurrentieverhoudingen. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten inzake prijs, stijl, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid, betrouwbaarheid en zo meer. De verbruikers stellen uiteenlopende eisen, en het fiscaal vermogen is zeker niet de enige factor die bepalend is voor de mate van mededinging tussen twee voertuigen. Dat neemt niet weg, dat het fiscaal vermogen een zeer belangrijk element is, daar motoromvang en-vermogen vaak sterk gerelateerd zijn aan andere factoren zoals afmetingen, comfort, prestaties en prijs. Grote en comfortabele limousines en breaks hebben bij voorbeeld in de regel grotere motoren, met een groter fiscaal vermogen, dan kleine, voornamelijk voor het stadsverkeer bestemde voertuigen. In het algemeen bestaat er dus een scherpere concurrentieverhouding tussen voertuigen die in aanpalende belastingschijven vallen. Om de vraag van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden, is het dus nodig, de structuur van de belasting in de hogere schijven, waar de progressiebreuk zich voordoet, nauwgezet te onderzoeken.
Ontvankelijkheid
19.
Alvorens op de grond van de zaak in te gaan, wil ik even stilstaan bij de twijfel die bij de Commissie heerst ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing. De Commissie merkt op, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of het feit dat de progressie voor de schijven boven 18 pk stijgt ten opzichte van die voor de belastingschijven van 12-14 pk tot 17-18 pk, een met artikel 95 van het Verdrag strijdige discriminatie oplevert. Zij twijfelt er evenwel aan, of Casarins voertuig, dat een zeer hoog fiscaal vermogen van 40 pk heeft, en de voertuigen van nationale makelij die in de belastingschijven 12-14 pk tot 17-18 pk vallen, als gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95 kunnen worden beschouwd.
20.
Mijns inziens kan de vraag van de nationale rechter niet worden afgewezen op grond dat zij niet relevant zou zin voor het hoofdgeding. Zoals ik reeds heb gezegd, zijn produkten gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. Het is niet onmogelijk, dat een sterke verhoging van de belasting op voertuigen van de laatste drie schijven een consument die anders een in de hoogste schijf vallend voertuig zou kopen, ertoe aanzet te kiezen voor een Frans model dat in de schijf 17-18 pk valt. Het is waar, dat er steeds consumenten zullen zijn die een krachtiger voertuig kopen, ongeacht het bedrag van de motorvoertuigenbelasting, doch voor veel consumenten die anders voor een krachtiger voertuig zouden kiezen, kan het bedrag van de motorvoertuigenbelasting zwaar doorwegen, voor zover wordt voldaan aan hun minimumeisen inzake prestaties, afmetingen en comfort.
Ten gronde
21.
Casarin komt niet op tegen het feit dat het om een stelsel van progressieve belasting gaat. Het Hof heeft erkend, dat de Lid-Staten vrij blijven om dergelijke stelsels toe te passen, op voorwaarde dat zij op objectieve criteria zijn gebaseerd. De Franse belastingregeling kan niet worden geacht een discriminerende of beschermende werking te hebben, enkel en alleen omdat uitsluitend ingevoerde voertuigen in de zwaarst belaste schijven vallen ( 13 ) de afwezigheid van nationale produkten in de hoogste belastingschijven is immers een mogelijk gevolg van een progressief stelsel.
22.
Een stelsel van progressieve belasting kan evenwel discriminerend of beschermend werken, wanneer de progressie op zodanige wijze verloopt, dat invoer uit andere Lid-Staten wordt benadeeld. Zoals reeds gezegd, achtte het Hof in de zaak Feldain de destijds geldende Franse regeling in strijd met artikel 95, omdat de berekeningswijze van het fiscaal vermogen en de wijze waarop de fiscale vermogens in belastingschijven waren ingedeeld, motorvoertuigen van nationale makelij tegen de normale progressie van de belasting beschermden. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag, of de stijging van de progressie van de belasting na de schijf 17-18 pk een inbreuk op artikel 95 oplevert.
23.
Om na te gaan, of er een probleem in verband met artikel 95 rijst, is het nodig de structuur van de belasting te bestuderen, zoals die in de tabel in punt 14 hierboven is weergegeven. Wegens de redenen die ik reeds heb vermeld, acht ik het niet relevant, dat de progressiefactoren het grootst zijn in de laagste belastingschijven; het is de structuur van de belasting in de hogere belastingschijven die ter discussie staat. Uit de tabel blijkt, dat de belasting relatief traag stijgt tussen 12 en 18 pk. Wegens het exponentiële karakter van het systeem leidt de op het eerste gezicht geringe progressiestijging van 1,23 tot 1,5 na de schijf 17-18 pk echter tot een sterke stijging van de belasting in de laatste drie schijven. Dat blijkt duidelijk, wanneer de cijfers in de tabel voor de laatste drie schijven, die op factor 1,5 zijn gebaseerd (4234, 6351 en 9527 FF), worden vergeleken met de veel lagere bedragen die zouden worden verkregen, indien de belasting volgens factor 1,23 zou blijven stijgen (3472, 4271 en 5253 FF). Mijns inziens is de stijging van de belasting voldoende sterk opdat het probleem van verenigbaarheid met artikel 95 kan worden gesteld.
24.
Deze progressiestijging blijkt evenwel niet op de gestelde wijze in het nadeel van de invoer te werken. In haar vraag gaat de Cour de cassation ervan uit, dat de voertuigen die in de schijven van 12 tot 18 pk vallen, overwegend van nationale makelij zijn, terwijl in de hoogste schijven uitsluitend ingevoerde voertuigen vallen. Volgens de cijfers voor 1990 nu, die de Franse regering in haar schriftelijk antwoord op een vraag van het Hof heeft meegedeeld, werden in de schijf 15-16 pk 13158 Franse en 2947 buitenlandse voertuigen verkocht, en in de schijf 17-18 pk slechts 11 Franse tegenover 3578 buitenlandse. Sindsdien hebben de Franse constructeurs hun marktaandeel in de schijf 17-18 pk weliswaar vergroot, doch partijen weten zeer goed, dat dit marktaandeel zeer bescheiden blijft (ter terechtzitting vermeldde verzoekster het cijfer van 5 %, de Franse regering sprak van 6,8 %).
25.
Op dit punt wil ik verwijzen naar het arrest in de zaak Commissie/Griekenland ( 14 ), waarin de Commissie stelde, dat een buitensporige stijging van de Griekse bijzondere verbruiksbelasting en van de eenmalige bijzondere extra heffing op voertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 1800 cm3 voertuigen van nationale makelij bevoordeelde. Het Hof wees die stelling af op grond van de volgende overweging:
„Gesteld al dat de modaliteiten van de betrokken belastingregeling bepaalde verbruikers daadwerkelijk afhouden van de aankoop van auto's met een cilinderinhoud van meer dan 1800 cm3, dan zullen die verbruikers hetzij een model uit de reeks auto's met een cilinderinhoud van 1600 tot en met 1799 cm3, hetzij een model uit de reeks auto's met een cilinderinhoud van minder dan 1600 cm3 kiezen. Alle modellen van de eerste reeks worden echter in het buitenland vervaardigd, terwijl de tweede reeks zowel in het buitenland vervaardigde auto's als auto's van Grieks fabrikaat omvat. Hieruit volgt, dat de Commissie niet heeft aangetoond, in welk opzicht de betrokken belastingregeling tot begunstiging van auto's van Grieks fabrikaat kon leiden.” ( 15 )
26.
In de onderhavige zaak worden voertuigen met een fiscaal vermogen van 19 pk of meer om de hierboven uiteengezette redenen geacht de sterkste concurrentie te ondergaan van voertuigen die in de onmiddellijk lagere schijf vallen, namelijk die van 17-18 pk. De situatie in de onderhavige zaak is dus in die zin vergelijkbaar met die in voormelde zaak Commissie/Griekenland, dat in de schijf 17-18 pk overwegend ingevoerde voertuigen vallen. Het uit de progressiestijging voortvloeiende concurrentievoordeel lijkt dus geen negatieve weerslag te hebben op ingevoerde voertuigen.
27.
Men zou daartegen kunnen inbrengen, dat een aantal verbruikers die van de aankoop van een voertuig met een fiscaal vermogen van 19 pk of meer afzien, mogelijkerwijs hun keuze zullen laten vallen op een voertuig dat in de schijf 15-16 pk valt, in welke schijf overwegend voertuigen van Franse makelij vallen. Ofschoon de ingevoerde modellen slechts relatief een gering percentage van de verkoop in die schijf voor hun rekening nemen, blijkt er niettemin een ruim aanbod van ingevoerde modellen op de markt te zijn. Verbruikers die overwegen een in de schijf 15-16 pk vallend voertuig te kopen, kunnen dus even goed door een ingevoerd voertuig worden bekoord. Bovendien is de belasting zodanig gestructureerd, dat de stijging van de belasting tussen de schijf van 15-16 pk en die van 17-18 pk relatief klein is, zodat de verbruikers die krachtige voertuigen verkiezen, fiscaal niet sterk worden aangespoord tot de aankoop van voertuigen die in de schijf 15-16 pk vallen.
Conclusie
28.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van de Franse Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
„Artikel 95 EG-Verdrag staat niet in de weg aan de toepassing van een wettelijke regeling waarbij een stelsel van progressieve motorvoertuigenbelasting is ingesteld, zoals het stelsel dat in het hoofdgeding aan de orde is, wanneer die belasting niet op zodanige wijze is gestructureerd dat zij de verbruikers ertoe aanspoort voertuigen van nationale makelij te verkiezen boven uit andere Lid-Staten ingevoerde voertuigen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Arrest van 9 mei 1985 (zaak 112/84, Humblot, Jurispr. 1985, blz. 1367).
( 2 ) Ibidem, r. o. 12.
( 3 ) Ibidem, r. o. 13.
( 4 ) Ibidem, tweede volzin van r. o. 15.
( 5 ) Arrest van 17 september 1987 (zaak 433/85, Feldain, Jurispr. 1987, blz. 3521).
( 6 ) Ibidem, r. o. 13.
( 7 ) Ibidem, r. o. 14,
( 8 ) Ibidem, r. o. 15 en 16.
( 9 ) Arrest van 28 april 1988 (gevoegde zaken 76/87, 86/87-89/87 en 149/87, Seguela e. a., Jurispr. 1988, blz. 2397).
( 10 ) Arrest van 27 februari 1980 (zaak 169/78, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 385, r. o. 4).
( 11 ) Ibidem, r. o. 5.
( 12 ) Arrest van 5 april 1990 (zaak C-132/88, Jurispr. 1990, blz. I-1567; zie punt 8 van de conclusie, blz. I-1577).
( 13 ) Zie het arrest Commissie/Griekenland, reeds aangehaald in voetnoot 12, r. o. 13.
( 14 ) Reeds aangehaald in voetnoot 12.
( 15 ) Ibidem, r. o. 20.
Full & Egal Universal Law Academy