Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleidende opmerkingen
1 De onderhavige zaak betreft een geschil dat is gerezen bij de uitvoering van een overeenkomst die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 31 maart 1990 heeft gesloten met de Nederlandse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intelligente systemen, Database toepassingen, Elektronische diensten BV (hierna: "IDE"). Het geschil is overeenkomstig artikel 181 EG-Verdrag aanhangig gemaakt bij het Hof krachtens een arbitraal beding in de overeenkomst.
2 In haar verzoekschrift vordert IDE betaling van het restant van de maximale bijdrage die in de tussen partijen gesloten overeenkomst wordt genoemd alsmede schadevergoeding. In reconventie vordert de Commissie terugbetaling van de bedragen die zij IDE reeds heeft betaald benevens rente.
II - Juridisch kader en feiten
A - De gemeenschapsactiviteit in het kader waarvan de overeenkomst werd gesloten
3 Op 17 juli 1987 heeft de Commissie een oproep gepubliceerd voor het indienen van blijken van belangstelling voor proef/demonstratieprojecten met het oog op de ontwikkeling van een communautaire markt voor informatiediensten.(1)
4 Op 12 juli 1988 publiceerde de Commissie een oproep voor het indienen van voorstellen voor proef/demonstratieprojecten met het oog op de ontwikkeling van een communautaire markt voor informatiediensten.(2) De Commissie bood voor zulke projecten financiële ondersteuning aan binnen de grenzen van de beschikbare kredieten op de begroting. Die steun van de Gemeenschap zou 25 à 35 % bedragen van de totale kosten van de projecten. Tot de door de Commissie geselecteerde gebieden behoorde mede de ontwikkeling van intelligente interfaces tussen elektronische informatiebronnen.
5 In juli 1988 heeft de Raad een beschikking vastgesteld betreffende de tenuitvoerlegging van een actieplan voor de oprichting van een markt voor informatiediensten(3), genaamd "Impact". Artikel 4, tweede alinea, van de beschikking bepaalt, dat de contractanten minstens 50 % van de financiering op zich dienen te nemen.
B - De litigieuze overeenkomst
6 Op 31 januari 1990 sloot de Commissie met IDE een overeenkomst, waarbij laatstgenoemde zich verbond software te ontwikkelen, te weten een "intelligent interface" waarmee op gebruikersvriendelijke en uniforme wijze verschillende informatiebronnen kunnen worden geraadpleegd, en een netwerk tot stand te brengen dat de aangesloten informatiebronnen toegankelijk moest maken, een en ander als omschreven in de technische bijlage van de overeenkomst. Het project zou worden uitgevoerd in samenwerking met andere organisaties uit de Lid-Staten, en IDE zou de werkzaamheden cooerdineren.
7 Overeenkomstig het contract omvatte de ontwikkeling van deze software mede de ontwikkeling van een "toolbox", in samenwerking met het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO en de Universiteit van Amsterdam. De aanpassing van de software aan de specifieke eisen van de betrokken informatiebronnen (het "netwerk") was de taak van een twaalftal organisaties uit verschillende Lid-Staten, die hoofdzakelijk eigenaren van op landbouwactiviteiten gerichte databases waren. Volgens de Commissie vertegenwoordigde de ontwikkeling van de toolbox ongeveer een derde van de totale begroting van het project en was de rest van de begroting bestemd voor de ontwikkeling van het netwerk. Technisch gezien kon met de ontwikkeling van het netwerk pas worden begonnen, wanneer de eigenaren van de databases over een operationele versie van de toolbox beschikten.
8 De rechten en verplichtingen van partijen zijn vastgelegd in de overeenkomst en de bijlagen I, II en III.
9 Artikel 1, getiteld "Subject matter of the contract", luidt als volgt:
"Within the framework of the Impact programme of the European Economic Community (Council Decision of 26/7/88), the Contractor hereby undertakes to carry out the work set out in Annex I and entitled $Domain Independent Intelligent Information Services Network Interface - Disnet'
(hereinafter referred to as $the Project')
(...)"
10 Artikel 2, getiteld "Duration", luidt als volgt:
"The Contractor undertakes to carry out the Project within 30 months following the date of commencement of work, hereinafter referred to as $the Operative Commencement Date', in accordance with the timetable laid down in Annex I.
The Contractor shall notify the Commission in writing of the Operative Commencement Date within one month of signature of the contract."
11 Artikel 3, getiteld "Reports and Deliverables", luidt als volgt:
"3.1 The Contractor shall submit to the Commission the following reports, stating the progress of work and the results obtained, together with statements of expenditure incurred during the preceding period:
- first progress report (3 copies) within 6 months of the Operative Commencement Date;
- second progress report (3 copies) within 12 months of the Operative Commencement Date;
- third progress report (3 copies) within 18 months of the Operative Commencement Date;
- forth progress report (3 copies) within 24 months of the Operative Commencement Date;
In addition, the Contractor shall submit to the Commission
- Management Reports (3 copies) every 3 months;
- edited progress reports suitable for publication every 12 months after the Operative Commencement Date.
3.2 On completion of the work, the Contractor shall make a demonstration of the successful completion of the Project on the premises of the Commission in Luxembourg, or at an alternative location acceptable to the Commission.
3.3 Within two months of the completion, cessation or termination of the work programme set out in Annex I, the Contractor shall furnish to the Commission a final comprehensive report covering the whole project. It shall be accompanied by a consolidated statement of expenditure together with final supporting documents and the accounts will thereby be considered closed.
3.4 Deliverables are any significant outputs of the Project to be submitted in accordance with Annex I."
12 Artikel 4, getiteld "Financial Provisions", luidt als volgt:
"4.1 The total estimated costs of the Project are 2 349 400 ECU (two million three hundred forty-nine thousand four hundred European Currency Units), for the work specified in Annex I.
4.2 The European Economic Community shall grant to the Contractor a financial contribution of 38,74 % of the actual cost incurred in carrying out the work specified in Annex I, exclusive of tax, as verified and accepted by the Commission, but shall not in any event exceed 909 900 ECU. (...)"
13 Artikel 5, getiteld "Payments", luidt als volgt:
"5.1 The European Economic Community shall pay its financial contribution by instalments in ECU as follows:
a) an advance payment of 136 485 ECU (15 % of the maximum financial contribution) within 2 months after the Commission has been informed pursuant to Article 2 of the Operative Commencement Date;
b) periodic payments within 2 months in respect of the statements of expenditure and following approval by the Commission of the progress reports to be submitted in accordance with Article 3 of this contract. Periodic payments shall be calculated by reference to the percentage given in Article 4.2 heretofore applied to the approved statement of expenditure and by deduction of 15 % representing a proportionate amount of the advance payment. Such payments shall be considered as advances until acceptance of the appropriate deliverables specified in Annex I;
c) a retention shall be made of 20 % of the total financial contribution. This retention shall be released as required to pay the outstanding balance of the financial contribution after approval by the Commission of all the reports and any other deliverables required by this contract, and of the consolidated cost statement;
d) the total of the advance and periodic payments shall not exceed the total financial contribution of the Commission less the amount deducted by way of retention.
5.2 The Commission, after notifying the Contractor, may defer or modify the various payments if verifications of the documents and information provided for in Article 3 and in paragraphs 3 and 4 of Article 5 reveals irregularities, and in particular in the case that the work is not being carried out in accordance with the programme in Annex I, or that the statement of expenditure does not correspond to the work actually carried out or fundamentally deviates from the cost estimates in Annex I. In such cases, payment may be made only after the Contractor has provided satisfactory explanations. Where verification reveals that certain amounts have been wrongly paid to the Contractor, he shall repay them immediately to the Commission.
5.3 The Contractor shall, following the completion of the work, demonstrate, as mentioned under Article 3.2 above, the successful completion of the project to the Commission's representatives. Failing such demonstration, the Commission may request full or partial repayment of the amounts paid as financial contribution together with interest on those amounts from the end of one month following the Commission's request. The rate of interest applied shall be the average over three months of the inter-bank rate for ECUs plus two per cent on the first day of the month of the Commission's request.
5.4 (...)"
14 Met betrekking tot de "Organization and performance of the work" bepaalt artikel 6 het volgende:
"6.1 Technical and financial responsibility
The Contractor shall have technical and financial responsibility for the work specified in Annex I. He shall provide the personnel, facilities, equipment and materials necessary for the proper performance of the contract. In so far as the work is to be carried out by organisations associated with the Contractor for this purpose, the Contractor is responsible for ensuring that the Community financial contribution is shared amongst the participating organisations according to the progress of work and the participation of each organisation.
6.2 Participation of third parties in carrying out the project
6.2.1 The Contractor, acting in accordance with the procedure laid down in Article 6.2.2, may entrust the performance of part of the work programme set out in Annex I to third parties, whether natural or legal persons. He shall not thereby be released from his obligations to the Community under this contract, in particular as regards his technical and financial responsibility as referred to in paragraph 1 hereof.
6.2.2 The drafts of all sub-contracts whereby the Contractor proposes to have part of the work programme carried out by a third party must be notified by registered letter to the Commission, which may, provided it acts within 15 working days following the receipt of such a letter, refuse to approve the sub-contracting. If the Commission does not act within the prescribed period it shall be deemed to have approved the sub-contracting.
6.2.3 The requirements of the present Article shall not apply to day-to-day orders for materials, equipment and services made in conformity with the work programme set out in Annex I.
6.2.4 With respect to any right of the Commission under this contract and in particular concerning the performance of the work or any technical or financial control, the Contractor shall impose on any sub-contractor the same obligations as would apply to him under this contract were he to do the work himself.
6.3 Duty to provide information
The Contractor shall, without delay, provide the Commission with full particulars of any incident or event likely to prejudice the performance of this contract.
6.4 Technical and financial control
6.4.1 The Contractor shall, without delay, supply the Commission with any information which the latter may request concerning the implementation of the work programme specified in Annex I and during the five years following its completion or cessation.
6.4.2 The Contractor shall make available to the Commission and to the Court of Auditors of the European Communities the technical and financial documents required to verify that the work programme is or has been carried out; such documents may, if necessary, be verified at the place where they are normally kept.
6.5 (...)".
15 Artikel 7 is getiteld "Ownership and exploitation of results". Volgens bijlage II, waarnaar artikel 7 verwijst, geschiedt de exploitatie en de verspreiding van de resultaten door de opdrachtnemer, die ook de eigendom daarop behoudt.
16 Artikel 8, getiteld "Liability", luidt als volgt:
"8.1 The Contractor shall be solely liable for any loss, damage or injury suffered by him in or in connection with the performance of this contract.
8.2 The Contractor shall be solely liable for any loss, damage or injury to its employees or to third parties resulting from the performance of this contract. It shall hold the Commission fully indemnified against any award of damage, together with such legal costs as may be awarded with them, made in favour of a third party for loss, damage or injury arising out of the execution of this contract."
17 Artikel 9, getiteld "Variations or additions", luidt als volgt:
"Any variation of or addition to provisions of this contract must be agreed in writing between the parties hereto. The work programme and the timetable set out in Annex I may be modified by agreement between the parties in the light of progress."
18 Artikel 10 ("Termination in the event of the Contractor's breach") luidt als volgt:
"In the event of non-performance by the Contractor of one or more of its obligations under this contract the Commission may, by registered post with acknowledgement of service, serve notice upon the Contractor. If on the expiry of one month following such service the Contractor is still in breach of its obligation, the Commission may without further formality terminate the contract. The contract may also be terminated where in order to obtain the subsidy the Contractor has made false statements and may properly be held responsible for such statements. In both cases, the Contractor shall immediately repay to the Commission the amount of the subsidies received by it, plus interest from the end of the period of one month referred to above. The rate of interest shall be the average over three months of the inter-bank rate for ECUs plus two per cent on the first day of the month during which the said period expires."
19 Artikel 14, getiteld "Annexes", luidt als volgt:
"Annexes I, II and III form an integral part of this contract."
Bijlage I, getiteld "Technical annex" bevat onder meer een gedetailleerde beschrijving van het project en een werkprogramma; bijlage II betreft de "Ownership, commercial exploitation and circulation of the results of the project", en bijlage III ten slotte betreft "the allowable costs".
20 Artikel 16, getiteld "Applicable law and conferment of jurisdiction", luidt als volgt:
"The provisions of the law of the Grand Duchy of Luxembourg shall govern exclusively this contract and shall likewise apply to all rights and obligations of the parties not laid down therein.
Failing a settlement by mutual agreement, the Court of Justice of the European Communities shall have sole jurisdiction to settle any dispute between the contracting parties concerning this contract."
C - Het ontstaan van het geschil
21 De aanvangsdatum van het Disnet-project was bepaald op 15 maart 1990. Volgens het contract moest het werk dus op 15 september 1992 zijn voltooid.
22 Volgens het eerste halfjaarlijks verslag verliep het technische programma volgens schema. Naar zeggen van de Commissie was er echter wel sprake van enige onrust bij de partners van IDE, daar de samenstelling van het consortium aan wisselingen onderhevig was en IDE het aan haar partners verschuldigde gedeelte van de communautaire bijdrage niet uitbetaalde.
23 Naar aanleiding van een in oktober 1991 verricht onderzoek stelde een onafhankelijk expert, wiens onpartijdigheid door IDE wordt betwist, in een rapport van 3 december 1991 vast, dat IDE bij de uitvoering van het project niet aan haar contractuele verplichtingen voldeed. Hij gaf de Commissie dan ook het advies, haar financiële steun op te schorten.
24 In mei 1992 gaf de Commissie opdracht tot een financiële audit van het project. Uit het accountantsrapport van 22 juni 1992 bleek, dat IDE zonder voorafgaande toestemming van de Commissie een deel van het werk had uitbesteed aan Hongaarse ondernemingen. In het rapport, dat betrekking had op de eerste achttien maanden van het project, werden ook de kostendeclaraties in twijfel getrokken, en de experts stelden dan ook voor, de gedeclareerde kosten met 34 % te verminderen.
25 In maart en april 1992 nodigde de Commissie IDE in Luxemburg uit om de problemen te bespreken die volgens haar bij de uitvoering van de overeenkomst waren gerezen. In haar correspondentie met IDE wees de Commissie op de wisselende samenstelling van het consortium, vertragingen bij de aflevering van de producten aan de partners en technische tekortkomingen.
26 Naar aanleiding van die besprekingen werd de technische bijlage van het contract herzien.
27 Op 12 februari 1993 kwamen IDE en de Commissie overeen, de looptijd van het contract met zes maanden te verlengen tot 15 maart 1993.
28 Op 11 maart 1993 zond IDE de Commissie de eindversie van de software, waarvan zij de ontwikkeling op zich had genomen, menend daarmee aan al haar verplichtingen uit de overeenkomst en de technische bijlage te hebben voldaan. Zij overhandigde concreet drie diskettes met het opschrift "Disnet final beta release 3", tezamen met enkele documenten.
29 Bij brief van 30 april 1993 deelde de Commissie haar mee, dat dit product niet aan de eisen van de technische bijlage voldeed. Bovendien wees zij erop, dat de steeds wisselende partners van IDE de hun toekomende bedragen nog altijd niet hadden ontvangen, hoewel reeds een bedrag van 533 456 ECU aan IDE was uitgekeerd. Zij verklaarde geen prijs te stellen op de demonstratie van het eindproduct, enerzijds om verdere kosten te vermijden en anderzijds wegens de geringe kans dat dit verandering zou brengen in haar aanvankelijke negatieve oordeel. Voorts stelde zij bij wijze van minnelijke schikking voor, haar subsidie te beperken tot 75 % van het in het contract bepaalde maximumbedrag (ofwel 682 425 ECU), en de binnen deze limiet nog resterende bedragen (ofwel 148 969 ECU) slechts uit te keren indien IDE het eindrapport en de definitieve kostendeclaraties zou presenteren, en zou bewijzen dat zij aan al haar contractuele en financiële verplichtingen jegens al haar huidige en vroegere partners had voldaan.
30 IDE wees dat voorstel op 31 mei 1993 van de hand.
31 Bij brief van 17 juni 1993 besloot de Commissie op de bepalingen van het contract terug te vallen en IDE uit te nodigen, de doeltreffende werking van haar product voor een beoordelingscomité te demonstreren.
32 IDE verklaarde zich bereid tot een demonstratie van het project, zij het niet zonder voorbehoud, omdat de Commissie aanvankelijk te kennen had gegeven, dat zij geen prijs stelde op een demonstratie van de resultaten van het Disnet-project.
33 Het beoordelingscomité bestond uit twee ambtenaren van de Commissie, die niet aan het Disnet-project hadden deelgenomen, en een expert, die naar zeggen van de Commissie door IDE was aangewezen. Daarnaast waren er twee waarnemers, één namens de Commissie en één namens IDE
34 De demonstratie vond op 20 juli 1993 plaats. Zij betrof de versie van de software die op 11 maart 1993 aan de Commissie was toegezonden. Uit het rapport van het beoordelingscomité blijkt evenwel, dat ook een recentere versie is getest, die IDE na afloop van het contract had ontwikkeld.
35 Uit het verslag van 30 juli 1993 van de twee ambtenaren van de Commissie in het beoordelingscomité en het verslag van de door de Commissie aangewezen waarnemer van 2 augustus 1993 blijkt, dat de door IDE gepresenteerde software, ongeacht welke nu als de laatste versie gold, hoe dan ook ondeugdelijk was.
36 Volgens het verslag van het comité voldeed de software slechts voor 50 à 75 % aan de in de technische bijlage geformuleerde eisen en ontbrak het netwerk-gedeelte van het Disnet-project.
37 Volgens de Commissie heeft het derde lid van het beoordelingscomité ingestemd met de conclusies van het verslag van 30 juli 1993. De door IDE aangewezen waarnemer heeft in tegenstelling tot die van de Commissie geen verslag uitgebracht.
38 Op 7 september 1993 stuurde de Commissie de verslagen op naar IDE. In de begeleidende brief gaf zij te kennen: a) dat IDE niet had voldaan aan haar verplichtingen wat de technische specificaties van het project betreft; b) dat het op 17 mei 1993 ontvangen eindrapport onbevredigend was; c) dat de kostendeclaraties voor de vijfde halfjaarlijkse periode niet in overeenstemming waren met het contract; d) dat zij geen kostendeclaraties had ontvangen voor de zesde halfjaarlijkse periode en e) dat zij niet de nodige documenten had ontvangen om de totale kosten van het project te kunnen beoordelen. De Commissie beklemtoonde, dat verdere betalingen achterwege zouden blijven en dat zij overwoog de reeds uitgekeerde bedragen terug te vorderen.
39 Op 15 en 27 september 1993 maakte IDE haar bezwaren tegen het beoordelingsrapport aan de Commissie kenbaar. Daarbij wees zij erop, dat de demonstratie in bijzonder moeilijke omstandigheden had plaatsgevonden, en betwistte zij een aantal van de technische beoordelingen van het beoordelingscomité.
III - Conclusies van partijen
40 Bij verzoekschrift, ingediend bij het Hof op 15 april 1994, vordert IDE van de Commissie volledige nakoming van de overeenkomst en vergoeding van de schade die zij door de wanprestatie van de Commissie heeft geleden.
41 Concreet concludeert zij dat het den Hove behage:
- de Commissie te veroordelen om aan IDE te betalen het bedrag van 376 500 ECU(4), te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand ad 37 650 ECU, de wettelijke rente vanaf 31 mei 1993 tot de dag der algehele voldoening, en de overige door IDE geleden en te lijden schade ten gevolge van het toerekenbaar niet nakomen door de Commissie;
- de Commissie te veroordelen in de proceskosten overeenkomstig artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering.
42 De Commissie heeft, eerst bij brief van 29 juni 1994, en vervolgens in reconventie in haar verweerschrift van 7 juli 1994, terugbetaling van de reeds aan IDE betaalde bedragen gevorderd.
43 De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- het verzoek als ongegrond af te wijzen;
- verzoekster te veroordelen om aan de Commissie te betalen een bedrag van 533 456 ECU, vermeerderd met 7,97 % rente op jaarbasis;
- verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
44 Ten aanzien van de reconventionele vordering van de Commissie concludeert IDE dat het den Hove behage:
- de Commissie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar deze te ontzeggen en haar in de kosten te verwijzen.
IV - De ontvankelijkheid van de vordering in reconventie
45 In het petitum van haar memorie van antwoord in reconventie betwist IDE de ontvankelijkheid van de reconventionele vordering van de Commissie. Kennelijk meent zij, dat het Hof de bevoegdheid mist om van die vordering kennis te nemen.
46 Op dit punt zij verwezen naar de relevante rechtspraak van het Hof(5), volgens welke 1) de voorwaarden voor ontvankelijkheid worden beoordeeld op grond van bepalingen van het Verdrag, dat wil zeggen dat de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van een vordering in reconventie en de ontvankelijkheid van die vordering uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 42 EGKS-Verdrag, artikel 181 EG-Verdrag en artikel 153 EGA-Verdrag en van het Reglement voor de procesvoering, en 2) de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van vorderingen uit een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst waarin een arbitragebeding voorkomt, of van vorderingen die rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit deze overeenkomst, tevens de bevoegdheid omvat om kennis te nemen van een vordering in reconventie die voortspruit uit dezelfde overeenkomst of uit hetzelfde rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gegrond.
47 Op grond van deze rechtspraak en gelet op het feit dat de vordering van de Commissie uit dezelfde overeenkomst voortspruit als de oorspronkelijke vordering, is het duidelijk dat het Hof bevoegd is om ook van de reconventionele vordering kennis te nemen.
V - De hoofdvordering in conventie en in reconventie
48 In reconventie vordert de Commissie op grond van artikel 5, lid 3, van de overeenkomst terugbetaling van hetgeen zij IDE heeft betaald, benevens rente. Zij baseert deze vordering in de eerste plaats op de negatieve conclusie van het beoordelingscomité, dat het door IDE afgeleverde product niet aan alle eisen van de technische bijlage voldeed. Dat IDE haar verplichting tot levering van een aan alle eisen van de technische bijlage beantwoordend product niet is nagekomen, is volgens de Commissie op zich al voldoende grond voor toewijzing van haar reconventionele vordering. Het door haar gestelde omtrent wanprestatie van IDE op andere onderdelen van de overeenkomst heeft dan ook een subsidiair karakter.
49 IDE stelt, dat de conclusie van het beoordelingscomité onbetrouwbaar is, enerzijds omdat dat comité geen garanties bood voor objectiviteit, en anderzijds omdat diens feitelijke beoordeling van het product onjuist was. Voorts meent IDE, aan al haar verplichtingen te hebben voldaan, reden waarom zij veroordeling van de Commissie vordert om haar de resterende bijdragen benevens rente te betalen en alle verdere door haar geleden schade te vergoeden.
50 Gelet op een en ander dienen de over en weer aangevoerde argumenten als volgt te worden behandeld: In de eerste plaats zal ik ingaan op de beweringen van partijen met betrekking tot de objectiviteit van het beoordelingscomité. Vervolgens zal ik onderzoeken onder welke omstandigheden en volgens welke criteria het geleverde product werd beoordeeld. Daarna zal ik de vraag behandelen of IDE al dan niet aan haar hoofdverplichting heeft voldaan, dat wil zeggen een aan de gestelde eisen beantwoordend product heeft geleverd, en ten slotte zal ik ingaan op de door de Commissie gestelde wanprestatie van IDE ten aanzien van andere onderdelen van de overeenkomst, en op de door laatstgenoemde gestelde wanprestatie van de Commissie.
A - De objectiviteit van het beoordelingscomité
51 In antwoord op de stellingen van de Commissie (punt 11 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie) en ter terechtzitting trekt IDE de objectiviteit van het "beoordelingscomité" in twijfel, om de volgende redenen: a) over de interventie van een dergelijk "comité" was in de overeenkomst niets bepaald; b) de samenstelling ervan was door de Commissie gedicteerd; c) de leden van het "comité" ontvingen salaris van de Commissie; d) het "comité" trok partij voor de Commissie, aangezien zij door de Commissie was ingesteld. IDE twijfelt dus aan de onpartijdigheid van het door de Commissie benoemde, uit drie leden bestaande "comité" dat de door IDE geleverde resultaten van Disnet moest beoordelen, en verlangt daarom een nieuw deskundigenonderzoek.
52 Artikel 5, lid 3, van de overeenkomst bepaalt, dat de opdrachtnemer na voltooiing van het werk een demonstratie zal geven van de succesvolle voltooiing van het project aan vertegenwoordigers van de Commissie. Op grond van de overeenkomst kon de Commissie dus verlangen, dat IDE het voltooide Disnet-project aan haar vertegenwoordigers zou demonstreren.
53 De overeenkomst regelt weliswaar niet, ten overstaan van welk orgaan de demonstratie diende plaats te vinden. Blijkens de letterlijke tekst van de overeenkomst, uitgelegd in het licht van artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek van het Groothertogdom Luxemburg(6), dat in casu van toepassing is, moet het bepaalde omtrent demonstratie in de gebouwen van de Commissie ten overstaan van door de Commissie benoemde vertegenwoordigers, aangezien zij de Commissie zouden vertegenwoordigen, echter aldus worden begrepen, dat die demonstratie plaats zou vinden ten overstaan van personen die in een of andere vormvrij "beoordelingscomité" zitting hadden en die over de noodzakelijke technische kennis beschikten om het gedemonstreerde te kunnen beoordelen.
54 De Commissie zegt, dat zij zelf twee van de drie leden van het "comité" heeft aangewezen, beiden ambtenaar van de Commissie, en IDE het derde lid, als onafhankelijk deskundige. IDE ontkent categorisch dat zij het derde lid van het "comité" heeft benoemd en beweert dat de Commissie een door IDE aangewezen persoon niet tot het "comité" heeft willen toelaten.
55 Nu de overeenkomst de Commissie toestond alle leden van het vormvrije "beoordelingscomité" te benoemen, is het niet van belang of er al dan niet leden in het comité zijn aangewezen door IDE.
56 Overigens is ook het feit dat het derde lid van het "comité" door de Commissie werd betaald, zoals IDE benadrukt (punt 18 van de memorie van dupliek in reconventie) op zichzelf niet van belang, omdat de Commissie, nu zij volgens de overeenkomst de leden van het "comité" mocht benoemen, uiteraard ook voor hun beloning diende te zorgen.
57 Het maakt bovendien geen verschil, of de leden van het "comité" tevoren al dan niet met het Disnet-project te maken hadden, aangezien de Commissie bij haar keuze van leden voor het "comité" aan generlei beperking werd gebonden door de overeenkomst.
58 Derhalve kan de onpartijdigheid van het "comité" niet in twijfel worden getrokken wegens het enkele feit, dat de leden daarvan allen door de Commissie werden benoemd en betaald.
59 De Commissie benadrukt, dat het verslag van het "comité" door twee van de leden ervan is opgesteld en dat het derde, naar haar zeggen door IDE benoemde lid, per fax met de conclusies in dit verslag heeft ingestemd. Een en ander wordt vermeld in de brief van 30 juli 1993 van de andere twee leden van het "comité" aan de ambtenaar van de Commissie, die voor het toezicht op het Disnet-project verantwoordelijk was (bijlage XV bij het verzoekschrift).
60 Hiertegen brengt IDE in, dat het "comité" partij trok voor de Commissie, omdat de ambtenaar die verantwoording droeg voor het programma, bij schrijven van 30 april 1993 duidelijk had gemaakt dat de Commissie niet meer in demonstratie van het eindproduct geïnteresseerd was.
61 Deze argumenten van IDE worden niet nader gemotiveerd en moeten om die reden worden verworpen.
62 Dat de objectiviteit van het "comité" buiten twijfel staat, blijkt ook uit het feit dat van de twee waarnemers bij de demonstratie, die partijen als onafhankelijk deskundige hadden aangewezen, alleen die van de Commissie ter zake verslag heeft uitgebracht bij schrijven van 2 augustus 1993 (bijlage III bij de memorie van antwoord), waarin de conclusies van het "beoordelingscomité" worden bevestigd, terwijl de door IDE benoemde waarnemer geen verslag heeft uitgebracht.
63 De gemachtigde van IDE beweerde ter terechtzitting, dat haar eigen waarnemer geen gelegenheid heeft gehad om aan de beraadslaging deel te nemen en daarom geen verslag heeft uitgebracht; na een gesprek met deze waarnemer heeft IDE zelf verslag uitgebracht. Volgens de gemachtigde van de Commissie blijkt uit bandopnamen van de gesprekken tijdens de demonstratie het tegendeel.
64 Bijgevolg dienen de beweringen van IDE waarmee zij de onpartijdigheid van het "beoordelingscomité" in twijfel trekt, als te vaag en onbewezen te worden verworpen.
65 Volgens deze analyse moet bovendien het verzoek van IDE om een deskundigenonderzoek worden afgewezen, nu het enkele feit dat de Commissie gebruik makend van de haar door de overeenkomst zelf verleende bevoegdheden de leden van dat "comité" heeft aangewezen, niet aantoont dat deze laatste partijdig was.
B - De omstandigheden waaronder en de criteria volgens welke het geleverde product werd beoordeeld
66 Volgens artikel 3, lid 2, van de overeenkomst dient de opdrachtnemer na voltooiing van het project het doeltreffend functioneren ervan te demonstreren in de gebouwen van de Commissie in Luxemburg of in een andere, door de Commissie goedgekeurde lokatie.
67 IDE had bepaalde wensen kenbaar gemaakt omtrent tijdstip, plaats en wijze, waarop het "beoordelingscomité" het afgeleverde product zou onderzoeken, welke door de Commissie werden aanvaard. De advocaat van IDE had bij schrijven van 12 juli 1993, gevoegd als bijlage bij het verzoekschrift, voorgesteld dat de demonstratie zou plaatsvinden in een bepaalde, geschikt geachte ruimte in Luxemburg. Eveneens vroeg hij, of een persoon van zijn keuze als onafhankelijk deskundige bij de werkzaamheden van het "comité" aanwezig kon zijn. De Commissie heeft die voorstellen uiteindelijk bij schrijven van 14 juli 1993 aanvaard.
68 In dezelfde brief vroeg de advocaat van IDE, of niet alleen het op 15 maart 1993 ingeleverde product maar ook een latere verbeterde versie daarvan kon worden gedemonstreerd. De Commissie weigerde dat (zie haar brief van 16 juli 1993), maar uiteindelijk heeft voor het "comité" ook een demonstratie plaatsgevonden van een latere versie van het oorspronkelijke product, zoals het "comité" zelf in haar conclusie bevestigt.
69 In voormelde brief van 12 juli 1993 noemde de advocaat van IDE bepaalde fundamentele punten die bij de demonstratie aan de orde dienden te komen. Hij noemde ook vier verschillende demonstratiemogelijkheden en wees op bepaalde problemen van technische aard die zich bij een demonstratie in Luxemburg konden voordoen.
70 De Commissie benadrukte in haar brief van 14 juli 1993, dat het "comité" bij de uitvoering van zijn taak de inhoud van de technische bijlage als beoordelingscriterium zou gebruiken en zich op die punten zou richten waarop de ambtenaar van de Commissie die toezicht hield op de ontwikkeling van het programma, bij schrijven van 30 april 1993 aan IDE bezwaren had geuit (als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd). Uitdrukkelijk verzette zij zich ertegen, dat de beoordelingscriteria eenzijdig door IDE zouden worden geformuleerd. Tevens gaf zij enkele technische aanwijzingen voor een zo goed mogelijke demonstratie van het product.
71 Bij schrijven van 15 juli 1993 drong de advocaat van IDE erop aan, dat de demonstratieruimte in Luxemburg op dezelfde wijze zou zijn ingericht als de ruimten waar Disnet door de partners van IDE was geïnstalleerd. Blijkens een brief van de Commissie van 16 juli 1993 werden IDE technische faciliteiten geboden met het oog op een succesvolle demonstratie van haar product.
72 Blijkens het verslag van het "comité" kon IDE reeds de dag tevoren de door haar ontwikkelde software (Disnet) installeren. Eveneens vermeldt het "comité" in zijn verslag, tot zijn conclusie te zijn gekomen na een demonstratie door IDE op 20 juli 1993, die vijf uur had geduurd, wat voor de demonstratie van het eindproduct voldoende werd geacht. Bij het begin hadden zich enkele technische problemen voorgedaan, maar desondanks had IDE ermee ingestemd de demonstratie voort te zetten. Nadat de demonstratie echter eenmaal was begonnen, deden zich volgens het "comité" geen aan het net toe te schrijven problemen meer voor.
73 Weliswaar maakte IDE tijdens de demonstratie melding van technische problemen, toe te schrijven aan de demonstratieruimte en onvolkomenheden van het plaatselijke UNIX-net en van de telecommunicatieverbindingen, en van andere problemen, die de demonstratie ongunstig hebben beïnvloed (zie blz. 4 van haar reactie van 15 september 1993 op het verslag van het "comité"). Het "comité" heeft deze bezwaren evenwel van de hand gewezen en de problemen toegeschreven aan het feit dat het door IDE voorgelegde product niet compatibel was met de UNIX-omgeving. Zijns inziens hebben die problemen niet kunnen afdoen aan de betrouwbaarheid van het onderzoek.
74 Gelet op bovenstaande dient de bewering van IDE, dat de demonstratie onder buitengewoon ongunstige omstandigheden plaatsvond, als ongegrond te worden verworpen.
C - De vraag, of IDE aan haar hoofdverplichting heeft voldaan
1) De kernbepalingen van de overeenkomst
75 Blijkens de tekst van de overeenkomst en de technische bijlage gaat het om een wederkerige overeenkomst tussen de Commissie en IDE, waarbij eerstgenoemde zich verplichtte de wederpartij een bijdrage te betalen voor de uitvoering van een werk, Disnet, dat marktrijp en commercieel exploiteerbaar moest zijn.
76 IDE zou de werkzaamheden van een consortium van organisaties uit de Lid-Staten cooerdineren; het product, dat wil zeggen het resultaat van die werkzaamheden, zou eigendom blijven van IDE en het consortium waarmee zij samenwerkte, zoals uitdrukkelijk in bijlage II is vastgelegd.
77 Het Disnet-project zou worden uitgevoerd onder toezicht van de Commissie, die de bijdrage zou uitbetalen wanneer IDE aan al haar verplichtingen had voldaan. Dat blijkt uitdrukkelijk uit artikel 5, lid 1, sub c, van de overeenkomst. De bijdrage zou niet alle, maar slechts 38,4 % van de werkelijke kosten van het project dekken.
78 IDE beweert (punt 13 van haar memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie), dat van de zijde van de Commissie geen vrijblijvende toezegging, maar een verplichting bestond om het gehele overeengekomen bedrag te betalen, uiteraard alleen wanneer IDE nauwgezet aan al haar verplichtingen uit de overeenkomst en de bijlagen had voldaan.
2) De door IDE te leveren prestatie
79 Aangezien bij artikel 16 van de overeenkomst het recht van het Groothertogdom Luxemburg van toepassing is verklaard, moet worden gekeken naar die bepalingen die uitsluitsel geven over de uitlegging van de contractsbepalingen die het voorwerp van de prestatie betreffen. De rechter ten gronde kan uit de contractsbepalingen in het licht van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek(7) bepaalde conclusies trekken met betrekking tot de inhoud van de verplichtingen van partijen.
80 IDE heeft de verplichting op zich genomen om een "Domain Independent Intelligent Information and Services Network Interface" (Disnet) te verwezenlijken.
81 Volgens de overeenkomst (artikel 1) en de technische bijlage daarvan had de overeenkomst betrekking op de ontwikkeling van software, te weten een computerprogramma dat op verschillende gebieden bruikbaar zou zijn voor uiteenlopende doeleinden. Dit zou worden bereikt door de installatie van een "network interface" dat de toegang tot onderling verbonden informatiebronnen mogelijk moest maken.
82 In zowel de originele als de gewijzigde versie van de technische bijlage worden de volgende drie elementen als eindproduct aangemerkt: a) Disnet, dat een marktrijp product moest zijn en moest kunnen werken onder DOS, Windows 3 en UNIX; b) het netwerk dat tot stand zou worden gebracht tussen een aantal Europese systeembeheerders die Disnet zouden gebruiken, en c) de toepassingen die mogelijk zouden zijn door gebruik van Disnet door een aantal deelnemers in het Disnet-project.
83 Uit het dossier en de verklaringen ter terechtzitting is gebleken, dat er een fundamenteel verschil van mening bestaat omtrent het voorwerp van de overeenkomst en dientengevolge over de vraag, of het door IDE aan de Commissie afgeleverde product nu wel of niet in overeenstemming was met de contractsbepalingen, zoals die in de technische bijlage nader zijn omschreven.
84 Volgens de Commissie voldoet het door IDE geleverde product niet aan de voorwaarden van de overeenkomst: het bezat niet de overeengekomen eigenschappen, het functioneerde niet naar verwachting en was evenmin commercieel exploiteerbaar zoals in de technische bijlage voorzien; het was commercieel niet aantrekkelijk genoeg om marktrijp te worden gemaakt (punten 7 e.v. van de memorie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie).
85 IDE weerspreekt deze stellingen en houdt staande, dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Concreet stelt zij dat het Disnet-project in alle drie opzichten is geslaagd: a) als toolbox, b) als netwerk en c) als basis voor een groot aantal uiteenlopende toepassingen door haar partners (blz. 2 e.v. van haar brief van 2 mei 1993 van IDE aan de door de Commissie benoemde toezichthouder op het project, als bijlage gevoegd bij het inleidende verzoekschrift).
86 IDE stelt (punt 9 van haar memorie van dupliek in reconventie), dat het door haar geleverde product commercieel aantrekkelijk genoeg was om marktrijp te worden gemaakt, hetgeen door externe waarnemers is bevestigd. Ter terechtzitting noemde zij het geleverde product origineel, innovatief en een commercieel succes.
87 Onder verwijzing naar de technische bijlage stelt IDE eveneens (punt 1 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie), dat zij zich verplicht had een proefversie (beta-release) van de toolbox te leveren, maar geen marktrijp en stabiel software-product, wat niet conform de overeenkomst zelf zou zijn.
88 Dat zij een product met de door de Commissie verlangde, voornoemde eigenschappen, niet had behoeven te leveren, staaft IDE met het argument, dat een daarvoor benodigde verhoging van de gemeenschapsbijdrage achterwege is gebleven (punt 1 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie).
89 Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt over de producten die IDE moest leveren, moeten wij aannemen dat met het begrip "marketable product" zoals in de technische bijlage met betrekking tot Disnet gebruikt, een product met zodanige eigenschappen wordt bedoeld (door zijn stabiliteit en doelmatigheid) dat het zich voor commerciële doeleinden leent. De stelling van IDE, dat de verlangde levering van een stabiel en marktrijp software-product zou afwijken van de overeenkomst zelf is derhalve ongegrond. Ook haar bewering dat de Commissie onvoldoende middelen ter beschikking heeft gesteld, zegt niets over de gegrondheid van haar stellingen met betrekking tot de eigenschappen van het te leveren product. Overigens stelt IDE dat het eindproduct, zoals inmiddels verbeterd, een commercieel succes is.
90 IDE stelt eveneens, dat zij een proef-/demonstratieproject diende af te leveren (punt 8 van haar memorie van dupliek in reconventie), waarbij zij verwijst naar een bijgevoegd document van de Commissie van december 1992 waarin het Disnet-project wordt bestempeld als "pilot/demonstration project".
91 Dat de Commissie het Disnet-project een "pilot/demonstration project" noemt is niet van belang, aangezien tussen partijen uitsluitend het in de overeenkomst bepaalde geldt. De precieze eigenschappen en meer in het algemeen de omschrijving van het project zijn in de overeenkomst zelf en de technische bijlage daarvan vastgelegd, en wanneer de Commissie het project in een ander document, dat niets van doen heeft met de overeenkomst, anders kwalificeert, kan dat geen wijziging brengen in de verplichtingen van partijen.
92 De gemachtigde van IDE benadrukte ter terechtzitting, dat rekening dient te worden gehouden met de ontwikkeling van het software-programma, dat een samenstel is van buitengewoon gecompliceerde gegevens die voortdurend in ontwikkeling zijn. Hij bracht onder de aandacht, dat het product dat IDE uiteindelijk heeft geleverd, zich in een zeer gevorderd stadium bevindt en zich nog verder zal ontwikkelen, dat het aan de contractsvoorwaarden voldoet en aan de technologische ontwikkelingen beantwoordt, gelet op het feit dat de overeenkomst op 31 januari 1990 werd getekend. Het project bevond zich nog in een beginstadium en zou zijn beslag krijgen in de vorm van het net dat uiteindelijk door het consortium van partners uit alle Lid-Staten van de Gemeenschap zou worden opgezet.
93 Deze beweringen van IDE zijn niet houdbaar. De vraag of IDE aan al haar verplichtingen heeft voldaan, dient aan de hand van de contractsvoorwaarden te worden beantwoord. Daarom is niet relevant of zij later, na het verstrijken van de overeengekomen termijn, aan haar verplichtingen heeft voldaan.
94 Ten slotte moet speciaal worden gewezen op nog een punt van geschil tussen de Commissie en IDE (punt 2 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie). In de oorspronkelijke formulering van de technische bijlage (blz. 2) staat onder meer: "as well as a natural language facility using a limited syntax and vocabulary will be offered as extra's"(8), terwijl in de herziene latere versie de woorden "as extra's" en de verklarende voetnoot ontbreken. Deze andere formulering beschouw ik als een teken dat partijen uitdrukkelijk hebben gewild, dat het eindproduct ook een natuurlijke-taalcomponent zou omvatten met een beperkte syntaxis en woordenschat.
95 Ter staving van haar stellingen heeft de Commissie trouwens (bijlage II bij de memorie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie) een document van IDE overgelegd, getiteld "System Design", waarin inderdaad sprake is van het element "natuurlijke taal" als onderdeel van het gehele project.
96 Derhalve is de bewering van IDE als zou de overeenkomst niet uitdrukkelijk bepalen dat zij zelf een verwerkingsprogramma in natuurlijke taal diende te ontwikkelen, ongegrond. Wie uiteindelijk dat programmaonderdeel zou ontwikkelen, was aan IDE overgelaten, zolang het volgens de overeenkomst verlangde resultaat maar werd bereikt. IDE vermeldt trouwens dat dit uiteindelijk ook is gebeurd, zij het dat de Commissie met het resultaat niet tevreden was.
3) De conclusie van het "beoordelingscomité"
97 De theoretische gedachte achter Disnet vond het "beoordelingscomité" weliswaar innovatief, maar het gedemonstreerde eindproduct beantwoordde zijns inziens niet aan de verwachtingen, dit wil zeggen het voldeed niet aan de eisen van de technische bijlage. Dit standpunt gold ongeacht welke versie van Disnet werd onderzocht, aldus het "comité".
98 Om precies te zijn heeft IDE volgens het "comité" alleen aan haar eerste verplichting voldaan, zij het niet met volledig succes, namelijk de vervaardiging van een toolkit; dit onderdeel was geen voltooid en marktrijp product en beantwoordde slechts in beperkte mate aan de verwachtingen, met name wat betreft de "knowledge basis" en de natuurlijke-taalcomponent van de interface. Het geleverde product was niet stabiel en behoefde verdere verbetering.
99 Volgens het "comité" was IDE in gebreke gebleven ten aanzien van twee eveneens in de overeenkomst opgenomen producten: er was geen netwerk opgezet en de "domain specific applications of the toolkit" ontbrak.
100 Gelet op een en ander was het "comité" van mening, dat het Disnet-project niet succesvol was voltooid en dat slechts voor 50 tot 75 % aan de specificaties in de technische bijlage was voldaan.
101 De door de Commissie benoemde deskundige was in zijn verslag van 2 augustus 1993 (bijlage bij verweerschrift) even weinig enthousiast over de resultaten van de demonstratie.
102 In een reactie van 15 september 1993 maakte IDE bezwaar tegen het verslag van het "comité", vooral tegen de criteria aan de hand waarvan het gedemonstreerde product was beoordeeld. Zij weersprak, dat zij in gebreke was gebleven met de levering van twee van de drie in de overeenkomst genoemde producten, namelijk de realisering van het netwerk en de "domain specific applications of the toolkit", en zij beweerde dat demonstratie van ook deze onderdelen meer tijd had gevergd; ter plekke waren allen het erover eens geweest, dat aan de demonstratie genoeg tijd was besteed.
103 Uit een en ander kan worden afgeleid, dat het verslag van het "beoordelingscomité" voldoend objectief is en dat de conclusies moeten worden aanvaard, dus dat IDE niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. IDE verschaft overigens ook geen bewijs van haar beweringen en ter weerlegging van het in wezen negatieve oordeel van het "comité", dat het door haar geleverde product niet aan de eisen van de technische bijlage beantwoordde. De door haar aangewezen deskundige heeft evenmin een andersluidend standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
4) Beoordeling van de vraag, of IDE haar hoofdverplichting niet is nagekomen
104 De tussen de Commissie en IDE gesloten overeenkomst voorzag in de ontwikkeling van een "Domain Independent Intelligent Information and Services Network Interface", in de vorm van een "marketable product". Zoals eerder reeds opgemerkt, bepaalt de technische bijlage zowel in de oorspronkelijke als de gewijzigde versie (blz. 3 e.v.) dat het eindproduct de volgende drie elementen zou omvatten: a) Disnet in de vorm van een "toolkit", b) het netwerk dat tot stand zou worden gebracht tussen een aantal Europese systeembeheerders die de Disnet-interface zouden gebruiken en c) de toepassingen die mogelijk zouden zijn door gebruik van Disnet door een aantal in het Disnet-project deelnemende instellingen. De prestatie van IDE omvat dus drie verschillende producten, die gelet op hun betekenis voor de voltooiing van het project ieder als even belangrijk te beschouwen zijn.
105 Volgens artikel 5, lid 3, van de overeenkomst kan de Commissie volledige of gedeeltelijke terugbetaling verlangen van de betaalde financiële bijdragen benevens rente, wanneer de voltooiing van het project in het geheel niet of niet succesvol wordt gedemonstreerd. Uit deze bepaling kan mijns inziens het volgende worden afgeleid:
a) De Commissie kan alleen volledige terugbetaling verlangen, wanneer in het geheel geen demonstratie plaatsvindt of wanneer het uiteindelijk gedemonstreerde product in het geheel niet (of gebrekkig) beantwoordt aan de specificaties in de overeenkomst en de technische bijlage.
b) Wanneer tijdens de demonstratie van het eindproduct wordt geconstateerd dat het project slechts gedeeltelijk aan de eisen van de overeenkomst voldoet, kan de Commissie geen volledige maar slechts gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde financiële bijdrage verlangen. In dat geval hangt de hoogte van het bedrag dat de Commissie kan terugvorderen af van de mate waarin het gedemonstreerde product aan de specificaties van de overeenkomst en de technische bijlage voldoet.(9)
106 Volgens de conclusies van het "beoordelingscomité" heeft IDE alleen het eerste van de drie door haar te leveren producten geleverd. Bovendien voldeed dat voltooide product, te weten de Disnet-toolkit, dat het voorwerp van de demonstratie uitmaakte, slechts voor 50 à 75 % aan de specificaties in de technische bijlage. Daarom kan de Commissie niet de gehele door haar betaalde bijdrage, maar slechts een gedeelte daarvan terugvorderen.
107 Volgens artikel 4, lid 2, van de overeenkomst zou de steun van de Commissie aan de uitvoering van het Disnet-project 909 900 ECU bedragen. Het door IDE geleverde werk miste twee van de drie eindproducten. Alleen al vanwege dit feit moet het bedrag van de gemeenschapsbijdrage met twee derde worden verminderd. Aangezien het uiteindelijk gedemonstreerde product althans gedeeltelijk aan de contractuele specificaties voldeed, is IDE gerechtigd om een overeenkomstig percentage van de gemeenschapsbijdrage te behouden. Nu het door IDE gedemonstreerde product voor 50 tot 75 % aan de specificaties van de technische bijlage voldeed, mag IDE 75 % van het aan het eerste onderdeel van het Disnet-project toe te rekenen bedrag van de gemeenschapsbijdrage behouden, maar moet zij de rest van het door haar ontvangen bedrag terugbetalen.
108 Aangezien alle drie de eindproducten naar mijn mening van even groot belang zijn voor de realisering van het gehele project, moet aan elk ervan een derde deel van het bedrag van 909 900 ECU, dus 303 300 ECU, worden toegerekend. Aangezien het afgeleverde product volgens de voor IDE meest gunstige beoordeling voor 75 % was geslaagd, mag IDE alleen het bedrag behouden dat overblijft na aftrek van 25 % van het aan het eerste product toe te rekenen bedrag ad 303 300 ECU (= 75 825 ECU). IDE mag dus een bedrag van 227 475 ECU (303 300 ECU - 75 825 ECU) houden, maar moet aan de Commissie 305 981 ECU (533 456 ECU - 227 475 ECU) terugbetalen benevens rente. De rente zoals vastgelegd in artikel 5, lid 3, slot, van de overeenkomst bedraagt volgens de Commissie (niet weersproken door IDE) 7,97 % op jaarbasis. De rente begint bovendien te lopen één maand na de datum (29 juni 1994) waarop de Commissie terugbetaling van de reeds betaalde bedragen heeft gevorderd, dus vanaf 29 juli 1994.
D - Verzuim van andere contractuele verplichtingen
109 Volledigheidshalve zal ik ook de subsidiaire stellingen van de Commissie omtrent wanprestatie van IDE op nog andere punten bespreken.
110 De Commissie voert deze aan als subsidiaire argumenten voor haar reconventionele vordering tot terugbetaling van de reeds betaalde bedragen en bovendien als verweer tegen de vordering van IDE, die zegt aan al haar verplichtingen te hebben voldaan, tot betaling van de resterende bijdrage. Tevens zal ik de door IDE beweerde wanprestatie zijdens de Commissie bespreken.
1) Niet-nakoming door IDE van haar verplichtingen met betrekking tot het goede beheer van het project en de rapportage aan de Commissie
111 Volgens artikel 3, lid 1, van de overeenkomst diende de aannemer, IDE dus, tijdens de gehele duur van het werk de Commissie regelmatig verslag te doen van de voortgang van het werk en van de bereikte resultaten, en over elke voorafgaande periode kostendeclaraties in te dienen.
112 De Commissie stelt, dat zij geen zicht had op de voortgang van het project doordat de IDE haar informatieplicht niet conform de overeenkomst nakwam. In een brief van 7 september 1993 aan IDE (bijlage XV bij het verzoekschrift) weigerde zij een kostendeclaratie te aanvaarden over de periode 15 maart 1992 tot 15 september 1992, die niet aan de vereisten van bijlage III van de overeenkomst voldeed. Een verbeterd exemplaar van die kostendeclaratie zou zij daarna nooit hebben ontvangen.
113 In dezelfde brief vermeldt de Commissie, dat zij geen kostendeclaratie had ontvangen over de periode 15 september 1992 tot 15 maart 1993.
114 Blijkens het verslag van een onafhankelijk deskundige en een accountantsrapport, beide in opdracht van de Commissie uitgebracht (bijlagen I en II bij het verweerschrift), hebben zich op het vlak van het beheer bepaalde onregelmatigheden voorgedaan tijdens de uitvoering van het IDE-project.
115 Het eerstbedoelde verslag van 3 december 1991 behandelt de eerste achttien maanden van uitvoering van de overeenkomst (blz. 7 en 8): de door de Commissie aangewezen deskundige spreekt daarin van aanzienlijke afwijkingen van de originele kostenraming en ook van de opzet van het gehele project, dat zich niet ontwikkelde overeenkomstig de contractuele verplichtingen van IDE. Uit hetzelfde document blijkt van klachten van leden van het consortium over veronachtzaming van de termijnen voor de verwezenlijking van het project en over onderschatting van de kosten. Een en ander deed vrezen dat het project niet binnen de overeengekomen termijn zou worden voltooid; de deskundige achtte een bijstelling van de doelstellingen dan ook noodzakelijk, aangezien noch het overeengekomen tijdschema noch de beschikbare begroting voldoende ruimte boden. Voorgesteld werd, verdere betalingen op te schorten, zolang IDE geen duidelijke voorstellingen had voor een alternatieve oplossing.
116 Het accountantsrapport van 22 juni 1992 betrof een controle van de voortgang van het project in de periodes 1, 2 en 3 (15 maart 1990 tot 15 september 1991). De controle werd begonnen op 18 mei 1992. Volgens het rapport kon IDE over genoemde perioden geen boekhouding overleggen en daarom was een oordeel over de juistheid van de ingediende kosten niet mogelijk; voorgesteld werd deze met 34 % te verminderen.
117 IDE vecht de beoordeling van het accountantskantoor aan (punt 8 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie) en zegt, alle kosten te hebben geadministreerd en gedurende de looptijd van het project ook een urenregistratie te hebben bijgehouden.
118 IDE heeft echter niet voor alle zesmaandelijkse perioden kostendeclaraties overgelegd en dus niet aangetoond, dat zij aan de desbetreffende verplichtingen uit hoofde van artikel 3, lid 1, van de overeenkomst heeft voldaan. De aanmerkingen van de door de Commissie benoemde accountant op de boekhouding van IDE vormen een bewijs voor de gegrondheid van de stellingen van de Commissie, terwijl IDE geen bewijs levert voor haar tegenovergestelde bewering.
2) IDE heeft de Commissie geen eindverslag van het gehele project en geen complete kostenstaat gepresenteerd
119 Volgens artikel 3, lid 3, van de overeenkomst dient de aannemer binnen twee maanden na voltooiing van het werk een uitgebreid eindverslag van het gehele project, vergezeld van een complete kostenstaat met bewijsstukken aan de Commissie te presenteren.
120 Volgens de Commissie voldoet het op 17 mei 1993 door IDE ingediende eindverslag van de uitvoering van het project niet aan de vereisten van de overeenkomst, omdat het de doelstellingen en de resultaten van het project niet duidelijk uiteenzet en op sommige punten tegenstrijdig is met de verschillende voortgangsrapporten (zie de brief van de Commissie van 7 september 1993 aan IDE, als bijlage bij het verzoekschrift).
121 De Commissie brengt eveneens naar voren, dat zij geen volledige kostenstaat met de vereiste bewijsstukken heeft ontvangen. Om deze redenen heeft zij de betaling van de financiële bijdrage aan IDE gestaakt.
122 IDE brengt daartegen in (punt 16 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie), dat aanpassing van de reeds ingediende kostendeclaratie en indiening van een algeheel eindverslag weinig zin had gehad, aangezien de Commissie reeds eerder aan IDE te kennen had gegeven het resterende bedrag van de bijdrage niet te zullen uitbetalen. Zij verklaarde zich echter bereid, een en ander alsnog te doen.
123 Nu IDE het algehele eindverslag en de definitieve kostendeclaratie over het gehele project met de uiteindelijke bewijsstukken niet binnen twee maanden na aflevering van het werk heeft ingediend, staat vast dat zij niet aan haar verplichtingen ter zake uit hoofde van artikel 3, lid 3, van de overeenkomst heeft voldaan.
3) Wisselingen bij de met IDE in het consortium samenwerkende partners zonder goedkeuring van de Commissie
124 Volgens artikel 6, lid 2, van de overeenkomst kan de aannemer de uitvoering van delen van het werkprogramma aan derden uitbesteden, op voorwaarde dat alle ontwerp-overeenkomsten desbetreffend per aangetekende post aan de Commissie worden gezonden, die het recht heeft om binnen vijftien dagen na ontvangst haar goedkeuring aan de uitbesteding te onthouden. Wanneer de Commissie binnen die termijn niets onderneemt, wordt zij geacht met de uitbesteding in te stemmen.
125 De Commissie beweert dat IDE haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen doordat zij: a) toeleveringscontracten heeft gesloten zonder voorafgaande goedkeuring, en b) Hongaarse ondernemingen heeft ingeschakeld voor de uitvoering van een gedeelte van het programma.
126 Op de bewering van de Commissie, dat de samenstelling van het consortium van met IDE samenwerkende instellingen tijdens de uitvoering van het project voortdurend wisselde, erkent IDE dat wisselingen inderdaad hebben plaatsgevonden, maar zij wijst alle aansprakelijkheid ter zake van de hand. In sommige gevallen hebben leden zich om financiële redenen teruggetrokken, in andere hebben de oorspronkelijke partners zich inconsequent opgesteld (zie blz. 7 van de reeds genoemde brief aan de Commissie van 2 mei 1993).
127 IDE benadrukt evenwel dat de Commissie, overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub 2, van de overeenkomst, steeds uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend akkoord is gegaan met de veranderingen in de samenstelling, en dat alle rechten en verplichtingen van vertrekkende partners steeds op de toetredende partners zijn overgegaan. Dit toont volgens IDE aan, dat er nooit problemen zijn gerezen rond de goedkeuring door de Commissie van de onderaannemers noch rond het toezicht op de gezamenlijke werkzaamheden van het consortium, dat bij IDE als cooerdinator berustte.
128 Uit geen enkele bepaling van de overeenkomst blijkt van enige verplichting van IDE om de samenstelling van het consortium van het begin tot het einde van het project ongewijzigd te handhaven. IDE kon dus met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de Commissie de samenstelling van het consortium van met haar samenwerkende organisaties om haar moverende redenen wijzigen. De andersluidende stellingen van de Commissie zijn derhalve ongegrond.
129 Volgens de Commissie heeft IDE zonder voorafgaande toestemming werkzaamheden aan Hongaarse ondernemingen uitbesteed (blz. 9 van het verweerschrift). Het Impact-programma, zo benadrukt zij, heeft betrekking op een communautaire markt voor informatiediensten en daarom is de uitbesteding door IDE aan Hongaarse ondernemingen in strijd met haar contractsverplichtingen.
130 Luidens artikel 1 is de litigieuze overeenkomst tussen de Commissie en IDE gesloten in het kader van het gemeenschapsprogramma Impact, dat berust op de beschikking van de Raad van 26 juli 1988(10) betreffende de tenuitvoerlegging van een actieplan voor de oprichting van een markt voor informatiediensten. Uit de considerans en de bepalingen van deze beschikking valt af te leiden, dat dat actieplan zich richtte tot instellingen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, en verwezenlijking van een gemeenschappelijke markt voor informatiediensten ten doel had.
131 Bovendien vermeldt de technische bijlage (blz. 3 van de oorspronkelijke en blz. 2 van de gewijzigde versie), dat IDE bij de ontwikkeling van het Disnet-project nauw zou samenwerken met een aantal instellingen van zeven (volgens de oorspronkelijke versie) of tien (volgens de gewijzigde versie van de technische bijlage) Lid-Staten. Zoals de Commissie terecht opmerkt, konden niet-communautaire ondernemingen dan ook niet als lid van het consortium aan de ontwikkeling van het Disnet-project deelnemen.
132 IDE stelt, enkel een aantal Hongaarse werknemers te hebben ingeschakeld; volgens de Hongaarse wetgeving moet een dergelijke tijdelijke aanstelling bij een bepaalde instelling worden aangemeld (punt 17 van de memorie van dupliek in reconventie). Tegen de stelling van de Commissie, dat zij in strijd met de overeenkomst werkzaamheden had uitbesteed, brengt IDE in dat zij de onderaanbestedingen conform artikel 6 van de overeenkomst had medegedeeld; zij overlegt een aangetekend schrijven dat betrekking heeft op zes nieuwe medewerkers, maar niet op de litigieuze inschakeling van een Hongaarse onderneming (bijlage VIII bij de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie).
133 Ten aanzien van één Hongaarse onderneming kan de Commissie haar bewering staven met een fotokopie van de overeenkomst van 29 augustus 1990 (bijlage VI van de memorie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie). Deze overeenkomst betrof de uitvoering van de natuurlijke-taalcomponent (natural language) van het Disnet-project. Derhalve is de ontkenning van IDE dat zij een overeenkomst met een Hongaarse onderneming heeft gesloten, niet houdbaar.
4) De relaties van IDE met de overige leden van het consortium
134 Volgens artikel 6, lid 1, van de overeenkomst draagt de aannemer de technische en financiële verantwoordelijkheid voor het werk en dient hij het personeel, de faciliteiten en het materieel te verschaffen dat nodig is voor een behoorlijke uitvoering van de overeenkomst. Voor zover het werk werd uitgevoerd door organisaties die daartoe met de aannemer samenwerkten, diende hij te waarborgen dat de financiële bijdrage van de Gemeenschap tussen de deelnemende instellingen werd verdeeld naargelang de voortgang van het werk en de inbreng van de respectieve organisaties.
135 Volgens de technische bijlage (blz. 16 van de oorspronkelijke en blz. 10 van de gewijzigde versie) omvat de ontwikkeling van het project twee fasen: a) vervaardiging van een "intelligent interface" en b) integratie van deze interface in een serie toepassingen op uiteenlopend gebied en in uiteenlopende functies.
136 Volgens de technische bijlage zouden die twee onderdelen normaal na elkaar worden uitgevoerd, dat wil zeggen dat de interface, eenmaal voltooid, voor bepaalde toepassingen zou kunnen worden gebruikt. Aangezien dat echter te veel tijd zou hebben gevergd, omdat voor het project Impact I een tijdsbestek van twee jaar gold, besloot men sommige werkzaamheden van de tweede fase reeds tijdens de eerste fase te beginnen, om de deelnemers voor te bereiden op de latere toepassing en integratie van de interface, als een soort toolkit voor hun eigen "special human interfacing needs".
137 De Commissie benadrukt, dat IDE in strijd met artikel 6, lid 1, van de overeenkomst en de eisen van de technische bijlage heeft verzuimd haar partners tijdig een operationele versie van de toolkit te doen toekomen, hoewel zij de technische verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het werk droeg. Door dit verzuim konden die partners niet tijdig beginnen met de werkzaamheden ter aanpassing van de toolkit aan de speciale eisen van hun eigen gegevensbestanden.
138 Tot staving van haar bewering overlegt de Commissie een brief van een lid van het consortium aan IDE van 4 juni 1993 (bijlage V bij de memorie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie), waarin uitvoerig melding wordt gemaakt van verzuimen van IDE in verband met de levering van de software die dit lid in staat moest stellen zijn eigen werkzaamheden aan te vangen.
139 De Commissie refereert eveneens aan de notulen van de vergadering van 18 mei 1993 te Luxemburg van de zeventien partners van IDE in het Disnet-project (bijlage III bij de memorie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie), waarin gesproken werd van ongerechtvaardigde vertraging van de voortgang van het werk door IDE. In hetzelfde document wordt trouwens vermeld, dat eerst in februari 1993 aan de partners van IDE een voltooide toolbox werd overhandigd, die eigenlijk al in november 1992 klaar had moeten zijn, en dat in juli 1993 slechts enkelen van hen operationele toepassingen van deze toolbox tot stand hadden kunnen brengen.
140 IDE brengt daartegen in, dat zij tijdig, één jaar voor de afloop van het vastgelegde tijdschema voor de realisering van het gehele project, een operationele versie van de toolbox aan de andere leden van het consortium had gezonden, zodat dezen aan de uitvoering van de hun toegewezen onderdelen van het project konden beginnen.
141 Voorts wijst IDE erop, dat het tijdschema voor de uitvoering onder druk kwam te staan door onvoorziene extra werkzaamheden in verband met het programmaonderdeel verwerking in natuurlijke taal, de telecommunicatieverbinding en de daarmee verband houdende functies.
142 Of IDE nu wel of niet één jaar voor de afloop van vastgelegde tijdschema voor de realisering van het gehele project een operationele versie van de toolbox aan de overige leden van het consortium heeft verzonden, alsmede of een jaar voldoende was voor de van het aan elk van deze leden toegewezen onderdeel van de werkzaamheden, is een kwestie van bewijs. IDE bewijst haar stelling op dit punt niet en daarom dient te worden afgegaan op het oordeel zoals dat in de reeds genoemde notulen van de vergadering van haar partners is geformuleerd.
143 De Commissie stelt verder, dat IDE ook haar verplichting heeft verzuimd om de gemeenschapsbijdrage onder haar partners te verdelen, dat wil zeggen dat zij evenmin de financiële verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 1, is nagekomen.
144 Als bewijs voor deze stelling overlegt de Commissie a) de reeds genoemde notulen van de vergadering over de voortgang van het Disnet-project van 18 mei 1993, waarin vermeld wordt (punt 3.3) dat IDE het aan haar partners toekomende gedeelte van de gemeenschapsbijdrage niet heeft doorbetaald, alsmede b) brieven aan IDE met klachten van twee leden van het met IDE samenwerkende consortium (bijlage IV en V bij de memorie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie). In de eerste brief van 29 september 1993 deelt de betrokken onderneming aan IDE mede, dat zij het toegezegde product niet zal leveren voordat het haar toekomende bedrag van de gemeenschapsbijdrage is betaald. In de tweede brief van 4 juni 1993 wordt eveneens geklaagd over het uitblijven van verschuldigde betalingen van de gemeenschapsbijdrage.
145 IDE ontkent, haar verplichting tot doorbetaling van het aan haar partners toekomende gedeelte van de gemeenschapsbijdrage te hebben verzuimd, en overlegt in dit verband een aantal bewijzen (bijlage XI bij de memorie van repliek in conventie en antwoord in reconventie). Uit deze bewijsstukken blijkt echter niet meer dan het bestaan van een lopende rekening voor de transacties met haar partners. Voorts voert zij ter rechtvaardiging aan (punt 16 van de memorie van dupliek in reconventie), dat de andere leden van het consortium niets uitbetaald hebben gekregen, omdat de uitgekeerde voorschotten verrekend zijn met de kosten die IDE namens alle leden heeft voldaan, en omdat de Commissie zelf haar niet het gehele bedrag van de bijdrage heeft uitbetaald.
146 De klachten van twee leden van het consortium beschouwt IDE als ongegrond, aangezien in het ene geval het bestelde programma niet werd afgeleverd, en in het andere geval de door te betalen bedragen zijn verrekend met de kosten van opleiding van een medewerker van de betrokken instelling met het oog op haar taken in het kader van de uitvoering van het programma.
147 Hetgeen IDE op dit punt aanvoert, is innerlijk tegenstrijdig en levert geen bewijs op van haar stellingen, die dan ook moeten worden verworpen.
5) De door IDE beweerde wanprestatie van de zijde van de Commissie
148 Volgens artikel 6, lid 3, van de overeenkomst dient de aannemer de Commissie onverwijld gedetailleerd te informeren over elk voorval dat de uitvoering van het contract zou kunnen verhinderen.
149 Volgens IDE (blz. 3 van de reeds genoemde brief van 2 mei 1993 aan de Commissie) heeft de Commissie zich onvoldoende bewust van haar verantwoordelijkheid betoond door niet te reageren op de herhaalde waarschuwingen van IDE, dat de noodzaak van extra en niet-voorziene werkzaamheden de regelmatige uitvoering van het project bemoeilijkte, hetgeen tot vertraging heeft geleid bij het indienen van de declaraties voor het Disnet-project, die voor de Gemeenschap waren bestemd.
150 Uit de overeenkomst tussen de Commissie en IDE blijkt niet van een concrete verplichting van de eerstgenoemde om tot een bepaalde actie over te gaan ingeval de wederpartij haar op de hoogte zou brengen van financiële of technische problemen met betrekking tot de verdere uitvoering van het programma.
151 Volgens de algemene opzet van de overeenkomst was alleen IDE als wederpartij van de Gemeenschap verantwoordelijk voor de uitvoering van het project, zoals uitdrukkelijk is vastgelegd in de artikelen 1 en 6, lid 1, van de overeenkomst.(11)
152 Het argument van IDE, dat de Commissie haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft geschonden, is ongegrond. Ook haar bewering dat het verzuim van de Commissie haar heeft belet haar verplichtingen naar behoren uit te voeren, vindt geen steun in de overeenkomst en moet als ongegrond van de hand worden gewezen.
153 Hoewel IDE's stellingen een wanprestatie zijdens de Commissie niet kunnen dragen aangezien zij geen grond vinden in de overeenkomst, is het de vraag, in hoeverre deze argumenten een verdeling van de aansprakelijkheid tussen partijen kunnen rechtvaardigen, een vraag die ik hieronder nog zal bespreken.
VI - De overige vorderingen in het verzoekschrift
154 Voor het geval het Hof de hoofdvordering van IDE zou toewijzen en de Commissie zou veroordelen haar de resterende bijdrage te betalen, bespreek ik thans direct de overige vorderingen in het verzoekschrift.
1) De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten
155 IDE vordert betaling van 37 650 ECU ter zake van buitengerechtelijke kosten die zij naar eigen zeggen heeft gemaakt voor "rechtsbijstand".
156 Nu IDE de bewijslast draagt voor haar bewering dat zij genoemde kosten heeft gemaakt, maar nochtans geen enkel bewijsstuk ter zake overlegt, moet deze vordering als onbewezen worden verworpen.
2) De gevorderde rente
157 IDE vordert betaling van de wettelijke rente vanaf 31 mei 1993, de datum waarop zij bij brief het voorstel van de Commissie tot vermindering van de bijdrage verwierp en betaling van het integrale bedrag ad 376 435 ECU vorderde.
158 Gelet op het zuiver accessoire karakter van deze vordering dient IDE de wettelijke rente te worden toegewezen wanneer ook haar hoofdvordering wordt toegewezen.
3) De gevorderde schadevergoeding
159 Ik zal thans onderzoeken, of de vordering van IDE tot vergoeding van de schade die zij zegt te hebben geleden door de wanprestatie van de Commissie, te weten de gedeeltelijke inhouding van de volgens de overeenkomst verschuldigde bijdrage, ontvankelijk en gegrond is.
a) De ontvankelijkheid
160 In haar inleidend verzoekschrift vordert IDE schadevergoeding omdat zij: a) aan de rand van een faillissement heeft gestaan doordat zij in een ongunstige marktpositie werd gebracht, goodwill heeft verloren, haar economische activiteiten heeft moeten beperken en genoodzaakt was om een groot aantal bedrijfsmiddelen tegen lage prijzen te verkopen (een pand en een aantal auto's); b) het merendeel van haar personeel heeft moeten ontslaan, hetgeen stagnatie in haar bedrijfsactiviteiten heeft veroorzaakt maar ook schadebrengende vertraging wegens de noodzaak nieuw personeel in te werken; en c) schade heeft geleden door waardedaling van de ECU ten opzichte van de Nederlandse gulden. Zij behoudt zich evenwel voor, de precieze omvang van de schade in een later stadium nader vast te stellen.
161 Later, bij repliek, specificeert IDE de schade als volgt: a) 27 332,61 ECU wegens de gedwongen verkoop tegen een veel te lage prijs van een bedrijfspand en de gedwongen verhuizing, b) 3 188,80 ECU wegens de verkoop van twee bedrijfsauto's, c) 54 554,35 ECU wegens het ontslag van het grootste deel van haar personeel en de noodzakelijke inwerking van nieuw personeel, en d) 68 331,52 ECU wegens aanzienlijke vertraging van de entree op de markt met als gevolg verlies van klanten en van goodwill. De schade als gevolg van de waardedaling van de ECU ten opzichte van de Nederlandse gulden heeft zij echter niet gespecificeerd.
162 Het feit dat IDE in haar verzoekschrift nalaat de gestelde schade te specificeren, doet de vraag rijzen of haar vordering ontvankelijk is. Deze vraag kan het Hof ambtshalve onderzoeken(12) op grond van de regels die de procedure voor het Hof beheersen, aangezien de clausule van artikel 16 van de litigieuze overeenkomst inzake toepassing van het Luxemburgse recht alleen kan worden geacht betrekking te hebben op de bepalingen van materieel recht.(13)
163 Volgens artikel 38, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bevat het verzoekschrift onder meer de conclusies van de verzoeker. Het Hof heeft geoordeeld, dat wanneer verzoeker in het inleidend verzoekschrift een vordering opneemt met betrekking tot de schade die eventueel uit de bestreden handeling voortvloeit, en in de loop van de schriftelijke en mondelinge behandeling het voorwerp van die vordering nader omlijnt en het beloop van de schade bij schatting opgeeft, de schadevordering zoals in de memorie van repliek geformuleerd, kan worden beschouwd als een nadere uitwerking van de in het verzoekschrift opgenomen vordering en mitsdien als ontvankelijk.(14)
164 In het inleidende verzoekschrift heeft IDE haar vordering in beginsel voldoende omlijnd. Dat in het inleidend verzoekschrift de vordering tot schadevergoeding wordt genoemd zonder specificatie van het schadebedrag, wat zij eerst bij repliek heeft gedaan, is derhalve op zich geen reden de vordering als niet-ontvankelijk te beschouwen, afgezien van het onderdeel met betrekking tot de schade wegens de waardedaling van de ECU ten opzichte van de Nederlandse gulden, die niet nader is gespecificeerd.
b) Ten gronde
165 Materieel voert de Commissie als verweer aan, dat a) de door IDE geleden schade voor haar eigen rekening blijft omdat zulks uitdrukkelijk in artikel 8, lid 1, van de overeenkomst is vastgelegd, en b) causaal verband ontbreekt tussen de schade van IDE met enig handelen van de Commissie (blz. 9 en 10 van het verweerschrift). Om die redenen vordert zij afwijzing van de vordering van IDE.
166 Met betrekking tot het eerste argument van de Commissie valt op te merken, dat in artikel 8, lid 1, van de overeenkomst is bepaald, dat IDE de uitsluitende verantwoordelijkheid draagt voor alle schade die zij lijdt tijdens of ten gevolge van de uitvoering van de overeenkomst. Deze bepaling heeft evenwel betrekking op schade ten gevolge van een buitencontractuele schadebrengende gebeurtenis. In het onderhavige geval vordert IDE vergoeding van de schade die zij zegt te hebben geleden doordat de Commissie haar voornaamste contractuele verplichting niet is nagekomen, namelijk betaling van de gehele overeengekomen bijdrage. De overeenkomst sluit de aansprakelijkheid van de Commissie in dat geval duidelijk niet a priori uit.
167 Een aansprakelijkheid van de Commissie jegens IDE kan slechts worden aangenomen wanneer voldaan is aan de drie voorwaarden voor contractuele aansprakelijkheid(15): a) wanneer de Commissie enigerlei contractuele verplichting niet is nagekomen, b) IDE schade heeft geleden en c) er causaal verband bestaat tussen de wanprestatie van de Commissie en de door IDE geleden schade.
168 Aan de eerste voorwaarde is niet voldaan, omdat de Commissie geen enkele contractuele verplichting heeft geschonden. Maar ook wanneer het Hof zulks wel zou aannemen, dan nog is niet voldaan aan de tweede voorwaarde, omdat IDE weliswaar haar schade omschrijft en het beloop daarvan specificeert, maar geen bewijs voorlegt van het bestaan van de schade en van de hoogte daarvan. Zonder bewijsstukken is een oordeel over de vraag, in hoeverre causaal verband bestaat tussen de schade van IDE en de wanprestatie van de Commissie, onmogelijk.
169 Ook al zou dus de hoofdvordering van IDE worden toegewezen en de Commissie worden veroordeeld haar de resterende bijdrage te betalen, dan moet de andere vordering tot betaling van schadevergoeding worden afgewezen als ongegrond dan wel niet door bewijs gestaafd.
VII - Kan de aansprakelijkheid tussen de Commissie en IDE worden verdeeld?
170 Voor het geval de hierboven voorgestelde uitlegging van artikel 5, lid 3, van de overeenkomst niet door het Hof wordt gevolgd, wil ik thans onderzoeken of volgens het toepasselijke nationale recht, in casu het recht van het Groothertogdom Luxemburg, de aansprakelijkheid tussen partijen, de Commissie en IDE, kan worden verdeeld.
A - De voorwaarden voor verdeling van de aansprakelijkheid
171 Volgens het contractenrecht is de partij die in het geheel niet of slechts gedeeltelijk aan zijn verplichtingen heeft voldaan, gehouden de schade te vergoeden die zijn gehele of gedeeltelijke wanprestatie aan de wederpartij heeft veroorzaakt. In de artikelen 1147 en 1148 van het Luxemburgse Burgerlijk Wetboek is geregeld, wanneer de debiteur van zijn verplichting tot betaling van schadevergoeding wegens wanprestatie is bevrijd.(16)
172 De doctrine en rechtspraak in Frankrijk komen op grond van de overeenkomstige artikelen van het Franse Burgerlijk Wetboek, die inhoudelijk aan voornoemde bepalingen gelijk zijn, tot de volgende oplossing van het probleem van de aansprakelijkheidsverdeling: a) er moet een verplichting tot schadevergoeding bestaan; b) degene die schadevergoeding vordert, moet (door handelen of nalaten) medeschuld hebben aan de wanprestatie van de debiteur(17); en c) er moet een causaal verband zijn tussen de gedraging van de crediteur en het ontstaan of de verergering van de door hem geleden schade.
173 Wanneer de gedraging van de gelaedeerde overmacht vormt, dat wil zeggen onvoorzienbaar en onvermijdbaar is, dan is ook de debiteur bevrijd, indien hem ter zake van zijn handelen of nalaten geen schuld treft. Wordt aangetoond dat de gedraging van de crediteur die aan de omvang van de schade heeft bijgedragen, voorzienbaar en vermijdbaar was, dan kan dit in geval van schuld leiden tot gedeeltelijke bevrijding van de debiteur.(18)
174 In de meeste gevallen zal er bij de gedraging (handelen of nalaten) van de crediteur sprake zijn van schuld, meestal in de vorm van "onachtzaamheid" of "onzorgvuldigheid".(19) Wanneer de aan schuld toe te schrijven gebeurtenis de schade niet heeft veroorzaakt, maar alleen daartoe heeft bijgedragen, dan acht de rechter de debiteur gedeeltelijk bevrijd.(20) De rechtspraak schijnt een gedeeltelijke bevrijding van de debiteur in het contractenrecht niet te aanvaarden wanneer er geen sprake is van schuld zijdens de crediteur.(21) Komt medeschuld van de crediteur aan het ontstaan van de schade vast te staan, dan besluit de rechter tot verdeling van de aansprakelijkheid naar evenredigheid van ieders schuld, of van het causale verband tussen ieders schuld en het ontstaan van de schade. De beoordeling van de rechter ten principale van de aanwezigheid en de ernst van de schuld en de verdeling van de aansprakelijkheid is dus niet voor toetsing vatbaar.
175 Bij verbintenissen waarbij op de debiteur de verplichting rust tot het bereiken van een bepaald resultaat (resultaatsverbintenis)(22), dat wil zeggen de levering van een bepaald product, wordt, wanneer schuld van zijn kant niet is komen vast te staan, de aansprakelijkheid gewoonlijk verdeeld aan de hand van de causale invloed van de schuld van de crediteur, maar ook dan zal de rechter rekening houden met de zwaarte van die schuld.(23)
B - De voorgestelde oplossing
176 Zoals gezegd, is tussen de Commissie en IDE een wederkerige overeenkomst gesloten, waarbij eerstgenoemde zich heeft verplicht tot betaling van een bijdrage voor een door laatstgenoemde uit te voeren werk, Disnet. Wij hebben derhalve te doen met een overeenkomst waarbij de schuldenaar, in casu IDE, de verplichting had een bepaald resultaat te bewerkstelligen (resultaatsverbintenis): haar hoofdverplichting was namelijk een bepaald product te leveren. Daarnaast had zij als aannemer een aantal secundaire verplichtingen die zij, zoals is komen vast te staan, niet heeft nageleefd.
177 De Commissie heeft IDE een groot deel van de verschuldigde bijdrage betaald. Dat het werk niet succesvol werd voltooid, was voor haar reden om de betaalde voorschotten benevens rente terug te vorderen, overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de overeenkomst.
178 In casu lijdt de Commissie schade en daarmee ontstaat een verplichting voor IDE tot vergoeding van die schade, nu de Commissie het grootste deel van haar bijdrage heeft betaald zonder van IDE een wederprestatie te ontvangen die aan de overeenkomst beantwoordt, en daardoor schade heeft geleden. Er is dus een causaal verband tussen de schade van de Commissie en de wanprestatie van IDE.
179 Er kan evenwel niet worden geconcludeerd, dat de Commissie (door handelen of nalaten) schuld heeft gehad aan de wanprestatie van IDE waaruit haar schade is voortgevloeid. Het noodzakelijke verband tussen de gedraging van de Commissie en het schadebrengende feit, de wanprestatie van IDE, ontbreekt namelijk. Met de betaling van voorschotten op de bijdrage heeft de Commissie uiteindelijk het slagen van het project beoogd, en het zou daarom onjuist zijn om haar een nalatig handelen te verwijten dat verdeling van de aansprakelijkheid tussen haar en IDE zou rechtvaardigen.
180 IDE verwijt de Commissie één fundamenteel verzuim. Zij stelt, dat het haar door de Commissie ter beschikking gestelde budget niet toereikend was voor de uitvoering van het overeengekomen werk, omdat het niet in verhouding stond tot de uitgaven die de uitvoering van de door de Commissie verlangde werkzaamheden vergden (punt 1 van de memorie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie). Daarnaast hebben niet-voorziene extra werkzaamheden in verband met het programmaonderdeel verwerking in natuurlijke taal en de telecommunicatieverbinding en de daarmee verband houdende werkzaamheden volgens IDE het oorspronkelijke budget te zwaar belast (blz. 3 van de brief aan de Commissie van 2 mei 1993).
181 De argumenten van IDE om een verzuim van de Commissie aannemelijk te maken zijn evenwel ongegrond. Nu zij zelf het voorstel voor een door de Commissie te subsidiëren project heeft ingediend, had zij zelf rekening moeten houden met alle factoren die het project eventueel begrotelijker konden maken, en derhalve van meet af aan om aanpassing van de in de overeenkomst vastgelegde bedragen moeten verzoeken, dus van de totale kosten van het project en de daarop afgestemde bijdrage van de Commissie. Dit feit alleen levert echter geen aan de Commissie te wijten verzuim op waardoor IDE zou zijn belet haar verplichtingen na te komen en dat in aanmerking zou moeten worden genomen voor een verdeling van de aansprakelijkheid tussen partijen.
182 Weliswaar heeft de Commissie, die zoals zij zelf zegt, herhaaldelijk aanwijzingen ontving voor de gebrekkige nakoming door IDE en middels verslagen van door haar zelf aangewezen deskundigen, met name dat van 3 december 1991 (bijlage I bij het verweerschrift), wist dat het gehele programma niet volgens afspraak verliep, desondanks niet eerder ingegrepen, bijvoorbeeld niet de overeenkomst opgezegd overeenkomstig artikel 10, maar is zij blijven wachten op de uiteindelijke voltooiing van het gehele project door IDE.
183 Dit is evenwel geen grond om een causaal verband aan te nemen tussen de wanprestatie van IDE en de daaruit voortgevloeide schade voor de Commissie enerzijds, en het feit dat de Commissie de bijdrage ondanks de gebrekkige nakoming door IDE is blijven doorbetalen anderzijds.
184 Derhalve ben ik van mening, dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor een verdeling van de aansprakelijkheid, aangezien de Commissie generlei schuld heeft aan de wanprestatie van IDE waaruit de door haar geleden schade is voortgevloeid.
VIII - Kosten
185 Ingevolge artikel 69, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de vorderingen van de Commissie slechts gedeeltelijk kunnen worden toegewezen, dient elke partij haar eigen kosten te dragen.
IX - Conclusie
186 Ik geef het Hof mitsdien in overweging:
1) De vordering van IDE te verwerpen.
2) De reconventionele vordering van de Commissie gedeeltelijk toe te wijzen en IDE te veroordelen tot betaling aan de Commissie van 305 981 ECU, met rente ad 7,97 % op jaarbasis, te rekenen vanaf één maand na de datum (29 juni 1994) waarop de Commissie de reeds betaalde bedragen heeft teruggevorderd, dat wil zeggen vanaf 29 juli 1994.
3) Elk der partijen te verwijzen in haar eigen kosten.
(1) - PB 1987, C 188, blz. 2.
(2) - PB 1988, C 182, blz. 4.
(3) - Beschikking 88/524/EEG van de Raad van 26 juli 1988 betreffende de tenuitvoerlegging van een actieplan voor de oprichting van een markt voor informatiediensten (PB 1988, L 288, blz. 39).
(4) - Het door IDE gevorderde bedrag beloopt 376 500 ECU. Opgeteld bij het door haar reeds ontvangen bedrag, komt men op in totaal 909 956 ECU. Kennelijk vordert IDE betaling van het integrale bedrag van de bijdrage (909 900 ECU) genoemd in artikel 4, lid 1, van de overeenkomst.
(5) - Zie arrest van 18 december 1986 (zaak 426/85, Zoubek, Jurispr. 1986, blz. 4057, r.o. 10 en 11).
(6) - Volgens artikel 1135 verbindt een overeenkomst niet alleen tot datgene wat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook tot al hetgeen dat, naar de aard van de overeenkomst, door de billijkheid, het gebruik of de wet wordt gevorderd.
(7) - Artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, dat wettig aangegane overeenkomsten partijen tot wet strekken. Hier vindt men dus het Romeinsrechtelijke beginsel "pacta sunt servanda" terug. Tevens is bepaald, dat de verplichtingen uit overeenkomst te goeder trouw moeten worden uitgevoerd. Artikel 1135 werd reeds geciteerd in voetnoot 6.
(8) - [Voor het Nederlands niet van belang.]
(9) - Deze zienswijze wordt bevestigd door het feit dat overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de overeenkomst "any significant output" van het Disnet-project zal worden geleverd.
(10) - Reeds aangehaald in voetnoot 3.
(11) - Zie punten 41 e.v. van de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de vergelijkbare zaak C-209/90, Feilhauer (arrest van 8 april 1992, Jurispr. 1992, blz. É-2613).
(12) - Arrest van 15 december 1961 (gevoegde zaken 19/60, 21/60, 2/61 en 3/61, Fives Lille Cail, Jurispr. 1961, blz. 591).
(13) - Zie het in voetnoot 5 aangehaalde arrest Zoubek, r.o. 4 en 10. Zie ook punt 7 van de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in zaak C-330/88, Grifoni (arrest van 5 januari 1991, Jurispr. 1991, blz. I-1045).
(14) - Arrest van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205). Zie ook arresten van 14 mei 1975 (zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533, r.o. 47) en 28 maart 1979 (zaak 90/78, Granaria, Jurispr. 1979, blz. 1081, r.o. 6).
(15) - Zie voor de voorwaarden voor contractuele aansprakelijkheid in het Franse recht, die overeenkomen met die van het Luxemburgse recht, de analyse van G. Légier in het hoofdstuk "Responsabilité contractuelle" in de serie Dalloz: Encyclopédie juridique. Répertoire de droit civil, deel VIII, 2de druk, 1992, punten 17 e.v.
(16) - Artikel 1147 bepaalt, dat de debiteur wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding omdat hij zijn verplichtingen niet of te laat is nagekomen, wanneer hij niet aantoont dat de niet-nakoming voortkomt uit een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en dat hij niet te kwader trouw is. Artikel 1148 bepaalt, dat er geen schadevergoeding verschuldigd is wanneer de debiteur door overmacht werd verhinderd te geven of te doen waartoe hij verplicht was, of iets heeft gedaan dat hem verboden was.
(17) - Zie Á. Weil en F. Terré: "Droit civil: les obligations", Parijs, Dalloz, 3de druk, 1980, punt 415, blz. 483.
(18) - Ibidem.
(19) - Zie G. Légier in zijn studie over de Responsabilité contractuelle, reeds genoemd in voetnoot 15, punt 186, en G. Viney in: "Les obligations. La responsabilité: conditions", uitgegeven onder redactie van J. Ghestin, Traité de droit civil, deel IV, Parijs, LGDJ, 1982, punten 426 e.v. Zie ook H., L. en J. Mazeaud in: "Traité théorique et pratique de la responsabilité civile délictuelle et contractuelle", deel II, Parijs, Montchrestien, 6de druk, 1970, punten 1447 e.v.
(20) - Voor gevallen waarin de aansprakelijkheid door de Luxemburgse rechter werd verdeeld, zie de uitspraken van het Tribunal d'arrondissement van Diekirch van 10 Ìei 1988, nr. 5687, van het Tribunal d'arrondissement van Luxemburg van 21 oktober 1983, nr. 776/83; 1 maart 1984, nr. 259/84; 19 december 1984, nr. 832/84; 10 december 1987, nr. 37251, en 14 november 1991, alsmede de arresten van de Cour d'appel van 12 december 1984, nr. 7235, 13 december 1984 (twee arresten), en ten slotte het arrest van 25 april 1985, nr. 7403.
(21) - Zie G. Légier in de in voetnoot 15 reeds genoemde studie over de Responsabilité contractuelle, punt 187.
(22) - Zie voor het onderscheid tussen inspannings- en resultaatsverbintenissen, A. Weil en F. Terré, aangehaald in voetnoot 17, punten 396 e.v.; zie ook G. Légier, aangehaald in voetnoot 15, punt 188, en F. Derrida onder "Obligations", Dalloz: Encyclopédie juridique. Répertoire de droit civil, deel VII, 2de druk, 1992, punten 47 e.v.
(23) - Zie G. Légier, aangehaald in voetnoot 15, punt 188.
Full & Egal Universal Law Academy