Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 In de onderhavige niet-nakomingszaak heeft de Commissie het Hof bij op 26 april 1994 ter griffie neergelegd verzoekschrift verzocht, vast te stellen dat de Helleense Republiek, door de bepalingen van artikel 70 van wetsdecreet nr. 2545/1940 en van besluit nr. 46508 van de minister van Onderwijs en eredienst van 10/17 mei 1976 (zoals later gewijzigd) te handhaven, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 48, lid 2, EG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap(1).
2 Vooraleer de zaak bij het Hof aanhangig te maken, zond de Commissie verweerster op 1 juli 1992 een aanmaningsbrief en bracht zij 26 augustus 1993 een met redenen omkleed advies uit.
3 De Commissie heeft aangevoerd, dat als gevolg van bovengenoemde bepalingen voor de aanstelling van buitenlandse taalleraars (onderdanen van de andere Lid-Staten daaronder begrepen) bij particuliere scholen die vreemde talen onderwijzen, strengere voorwaarden gelden dan voor de aanstelling van Griekse onderdanen.
Verder heeft de Commissie in antwoord op een vraag van het Hof verklaard, dat artikel 70 van wet nr. 2545/1940 eist, dat leraars bij particuliere scholen dezelfde specifieke kwalificaties bezitten als worden verlangd voor aanstelling op een overeenkomstige post bij een openbare onderwijsinstelling. Volgens artikel 18, lid 1, van presidentieel decreet nr. 611/27/6-15/7/1977 betreffende onder meer de aanstelling van ambtenaren bij de overheid en andere openbare instellingen, waaronder scholen, is voor aanstelling als ambtenaar de Griekse nationaliteit vereist. De Commissie verwijst in dit verband naar het antwoord van de Griekse regering op een vraag van het Hof in zaak 147/86(2). De Griekse regering verklaarde toen, dat volgens bovengenoemde bepalingen leraars bij particulieren scholen de Griekse nationaliteit moeten bezitten.
4 De Helleense Republiek heeft in de onderhavige zaak niet betwist, dat de betrokken bepalingen zich niet met het gemeenschapsrecht verdragen.
In haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft zij evenwel aangevoerd, dat een presidentieel decreet waarbij de omstreden bepalingen aldus worden gewijzigd dat voortaan voor onderdanen van andere Lid-Staten dezelfde eisen gelden als voor Griekse onderdanen, reeds door de bevoegde minister is ondertekend en thans ter ondertekening en bekendmaking is voorgelegd aan de president, waarna de zaak zonder voorwerp zal worden.
5 Vaststaat derhalve, dat verweerster de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof(3), dat het voorwerp van een beroep krachtens artikel 169 EG-Verdrag wordt vastgelegd in het met redenen omkleed advies van de Commissie. Zelfs wanneer de niet-nakoming wordt beëindigd tijdens de behandeling voor het Hof, behoudt de vordering haar juridisch belang voor het bepalen van de grondslag van de eventuele aansprakelijkheid van de niet-nakomende Lid-Staat jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren.
Conclusie
6 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
- door de bepalingen van artikel 70 van wet nr. 2545/1940 en van besluit nr. 46508 van de minister van Onderwijs en eredienst van 10/17 mei 1976 (zoals later gewijzigd) te handhaven, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 48, lid 2, EG-Verdrag juncto artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad;
- de Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
(1) - PB 1968, L 257, blz. 2.
(2) - Arrest van 15 maart 1988, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1637.
(3) - Zie onder meer arrest van 1 december 1993, zaak C-37/93, Commissie/België, Jurispr. 1933, blz. 6295.
Full & Egal Universal Law Academy