CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 11 januari 1996 ( *1 )
1.
Met haar vragen verzoekt de High Court of Justice, Queen's Bench Division, het Hof van Justitie andermaal zich over de bepalingen inzake de melkquota te buigen.
2.
Aan de onderhavige prejudiciële verwijzing liggen zes afzonderlijke beroepen ten grondslag die bij deze rechterlijke instantie waren ingesteld tegen evenzoveel besluiten van het Ministry of Agriculture, Fisheries and Food (hierna: het „ministerie”) houdende weigering om verzoekers een melkquotum toe te kennen. Na een beschikking van de verwijzende rechter tot intrekking van de vragen betreffende vier van deze geschillen, heeft de president van het Hof bij beschikking van 14 december 1994 evenwel de doorhaling van de zaak gelast voor zover het de partijen bij deze geschillen betrof. Derhalve worden in de huidige stand van de procedure aan het Hof enkel de vragen voorgelegd die zijn gesteld in het kader van de door H. & R. Ecroyd Holdings Ltd (hierna: „Ecroyd Ltd”), respectievelijk J. Ecroyd aanhangig gemaakte en nog hangende hoofdgedingen.
3.
Alvorens in te gaan op de feitelijke context van elk van deze twee zaken, kan ik er niet omheen de relevante gemeenschapsbepalingen zo kort mogelijk uiteen te zetten.
Het rechtskader
4.
De gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivclprodukten is in 1968 tot stand gebracht door verordening (EEG) nr. 804/68. ( 1 ) Daar de situatie op deze markt van het begin aan werd gekenmerkt door een tendens tot gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod, die structurele overschotten meebracht, zijn de communautaire bepalingen steeds vastgesteld met de bedoeling de groei van de produktie af te remmen.
5.
Derhalve voorzag verordening (EEG) nr. 1078/77 ( 2 ) in een aantal maatregelen tot beperking van het aanbod. Inzonderheid werd een stelsel ingevoerd van toekenning van premies aan landbouwers die zich er schriftelijk toe verbonden om gedurende een periode van vijf jaar geen melk en zuivelprodukten afkomstig van hun bedrijf in de handel te brengen („niet-leveringspremies”)
6.
Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalde het bedrag van deze premies en de wijze waarop ze werden betaald als volgt:
„De premie voor het niet in de handel brengen wordt berekend in verhouding tot de door de producent in het kalenderjaar 1976 geleverde hoeveelheid melk of het equivalent ervan in zuivelprodukten.
(...)
Een bedrag van 50 % van de premie wordt betaald in de loop van de eerste drie maanden van de periode waarin geen melk of zuivelprodukten in de handel mogen worden gebracht.
Het resterende gedeelte wordt in twee gelijke betalingen van elk 25 % van de premie uitgekeerd in de loop van het derde en het vijfde jaar, op voorwaarde dat de begunstigde aan de bevoegde instanties bewijst dat hij de in artikel 2 bedoelde verbintenissen is nagekomen.”
7.
Artikel 6 van deze verordening bevatte de bepalingen inzake de overdracht. Aan elke opvolger op een landbouwbedrijf kon het resterende gedeelte van de aan zijn voorganger toegekende premie worden uitgekeerd, mits hij zich er schriftelijk toe verbond de door deze laatste aangegane verplichtingen verder na te komen.
8.
In 1984 werd vastgesteld dat, in weerwil van de in 1977 ingevoerde maatregelen, de melkproduktie onverbiddelijk bleef toenemen. Daar striktere maatregelen noodzakelijk waren geworden, werd de gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelprodukten ingrijpend gewijzigd door de invoering van de extra-heffingregeling, ook wel genoemd de „melkquotaregeling”.
9.
Bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, dat was toegevoegd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 856/84 ( 3 ), werd een stelsel van extra heffingen over de hoeveelheden die een jaarlijkse individuele referentiehoeveelheid, „melkquotum” genoemd, overschrijden, ingesteld ten laste van elke producent of elke koper van melk. De geldigheidsduur van dit stelsel, dat aanvankelijk was ingesteld voor een periode van vijf jaar, werd in 1988 ( 4 ) verlengd tot en met 31 maart 1992. In 1992 handhaafde de Raad, in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de melkquotaregeling voor een periode van acht jaar.
10.
Ingevolge artikel 5 quatcr, lid 3, mag de som van de referentiehoeveelheden die in een bepaalde Lid-Staat zijn toegekend aan personen voor wie de heffing geldt, niet meer bedragen dan een gegarandeerde totale hoeveelheid, die voor elke Lid-Staat verschillend is en die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in het kalenderjaar 1981 in elke Lid-Staat zijn geleverd aan bedrijven die melk of andere zuivclprodukten bewerken of verwerken, verhoogd met 1 %.
11.
De algemene voorschriften met betrekking tot de toepassing van de extra heffing zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 857/84. ( 5 ) In het Verenigd Koninkrijk werd de referentiehoeveelheid vastgesteld op de grondslag van het jaar 1983.
12.
Dit stelsel voorzag niet in de mogelijkheid om een quotum toe te kennen aan producenten die als gevolg van hun deelneming aan de in verordening nr. 1078/77 bedoelde tijdelijke regeling tot niet-levcring, gedurende het voor de toekenning van de quota gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd of verkocht (deze producenten worden gewoonlijk „SLOM-producenten ” genoemd ( 6 )).
13.
In zijn arresten Mulder ( 7 ) en Von Deelzen ( 8 ) overwoog het Hof, dat een dergelijke regeling, voor zover zij juist niet voorzag in toekenning van referentiehoeveelheden aan SLOM-producenten, inbreuk maakte op het gewettigd vertrouwen van die producenten in de tijdelijkheid van de gevolgen van de regeling waaraan zij zich onderwierpen, en dus ongeldig moest worden verklaard.
14.
Teneinde zich naar die arresten te voegen, stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 ( 9 ) vast, waarbij in verordening nr. 857/84 een nieuw artikel 3 bis wordt ingevoegd. Dit artikel voorziet in de voorlopige toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid (gewoonlijk „SLOM-quotum” genoemd) aan bepaalde categorieën producenten die aan regelingen tot niet-levering hadden deelgenomen en die aan bepaalde voorwaarden voldeden.
15.
Voor deze toekenning van een SLOM-quotum golden bepaalde termijnen. Krachtens het nieuwe artikel 3 bis moest de periode van met-levering ten einde lopen na 31 december 1983 en moest het verzoek om toekenning door de producent worden ingediend binnen drie maanden vanaf 29 maart 1989.
16.
Artikel 3 bis, lid 2, stelde de omvang van de specifieke referentiehoeveelheid vast op 60 % van de hoeveelheid melk die door de producent was geleverd in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor met-levering, op voorwaarde dat de producent het recht op de premie niet had verloren (de zogenoemde 60 %-regel). Deze bepaling bevatte ook voorschriften betreffende de omvang van het quotum dat zowel aan de cedent als aan de cessionaris moet worden toegekend in geval van gedeeltelijke overdracht van een bedrijf in de loop van een periode van niet-levering.
17.
Artikel 3 bis, lid 3, bepaalde de voorwaarden voor de definitieve toewijzing van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid: binnen twee jaar te rekenen vanaf 29 maart 1989 moest de produktie een niveau van 80 % van het toegekende quotum bereiken; anders zou de producent zijn recht op het quotum verliezen, dat dan naar de communautaire reserve zou teruggaan (de zogenoemde alles-of-niets-regeï).
18.
Blijkens artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, hadden de producenten aan wie reeds uit andere bron een quotum was toegewezen onder de voorwaarden vastgesteld uit hoofde van andere bepalingen van de extra-heffingregeling, evenwel geen recht op een SLOM-quotum (de zogenoemde anticumulatie b epaling).
19.
In een aantal arresten heeft het Hof daarna sommige van deze bepalingen ongeldig verklaard of uitgelegd.
20.
In de arresten Spagl ( 10 ) en Pastätter ( 11 ) verklaarde het Hof aldus artikel 3 bis, leden 1 en 2, ongeldig, op grond dat het inbreuk maakte op het gewettigd vertrouwen van producenten die aan de regeling tot niet-levering hadden deelgenomen, aangezien deze bepalingen voorzagen in de uitsluiting van SLOM-quota van producenten wier periode van niet-levering ten einde liep vóór 31 december 1983, respectievelijk in de 60 %-regel.
21.
Het arrest Rauh van 21 maart 1991 ( 12 ) (hierna: „arrest Rauh”) preciseerde de bepalingen inzake de overdracht. Het Hof legde artikel 3 bis aldus uit, dat onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen.
22.
Na deze arresten stelde de Raad verordening (EEG) nr. 1639/91 ( 13 ) vast, waarbij de regeling opnieuw werd gewijzigd. Zakelijk weergegeven wordt (worden) in deze verordening
—
de voorwaarde inzake de termijn afgeschaft, volgens welke enkel producenten wier verbintenis tot niet-levering afliep na 31 december 1983, recht hadden op een specifieke referentiehoeveelheid;
—
de 60 %-regel afgeschaft;
—
de alles-of-niets-regel afgeschaft (het beginsel van 80 % wordt gehandhaafd, maar het quotum gaat niet terug naar de communautaire reserve, indien dit niet wordt gehaald; het wordt toegekend aan de producent voor het gedeelte dat gedurende die twee jaar daadwerkelijk is geproduceerd);
—
in overeenstemming met het arrest Rauh de bepalingen inzake de overdracht gewijzigd, door te voorzien in de mogelijkheid, dat aan de producent die het bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen na het verstrijken van de door de rechtsvoorganger aangegane verbintenis tot niet-levering, maar vóór 29 juni 1989, op een door hem binnen drie maanden na 1 juli 1991 in te dienen verzoek, een melkquotum wordt toegewezen (deze categorie producenten wordt gewoonlijk „SLOM II-producenten” genoemd);
—
de anti-cumulatiebepaling gehandhaafd.
23.
Juist naar aanleiding van deze laatste bepaling werd het Hof weer om een prejudiciële beslissing verzocht. In het arrest Wehrs van 3 december 1992 ( 14 ) (hierna: „arrest Wehrs”) verklaarde het Hof, dat de anti-cumulatiebepaling van artikel 3 bis, lid 1 , tweede streepje, ongeldig was, voor zover SLOM-producenten (cessionarissen van niet-Ieveringspremies) die een bedrijf hadden overgenomen dat deelnam aan de regeling tot niet-levering op grond van verordening nr. 1078/77, niet in aanmerking kwamen voor toekenning van SLOM-quota, indien hun reeds een quotum was toegewezen ingevolge de algemene bepalingen van verordening nr. 857/84 („SLOM III”-producenten).
In het arrest Twijnstra ( 15 ) overwoog het Hof, dat bij gedeeltelijke overdracht van een bedrijf dat deelnam aan de regeling tot niet-levering, artikel 3 bis aldus moest worden uitgelegd, dat het was toegestaan, het SLOM-quotum naar rato van de overgedragen landerijen te verdelen tussen de cedent en de cessionaris.
24.
Teneinde zich naar deze twee arresten te voegen, stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2055/93 ( 16 ) vast, die op 2 augustus 1993 in werking is getreden en waarbij de anti-cumulatiebepaling definitief wordt afgeschaft wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
25.
Ten slotte zij verordening (EEG) nr. 2187/93 ( 17 ) vermeld, die op 8 augustus 1993 in werking is getreden en die onder bepaalde voorwaarden voorziet in een vergoedingsvoorstel voor bepaalde melkproducenten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, voor zover in de oorspronkelijke communautaire wetgeving niet was voorzien in de toewijzing van een melkquotum aan producenten die een nietlevcringsverbintenis waren aangegaan.
26.
Al deze bepalingen vormen de achtergrond van de feitelijke situatie van de twee gedingen die ten grondslag liggen aan het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.
De feitelijke context
Ecroyd Ltd
27.
Ecroyd Ltd is een vennootschap die in 1966 is gekocht door R. Ecroyd (die de grootste aandeelhouder blijft) en verschillende familieleden, waaronder de trustees van een „Children's settlement trust” (hierna: „Children's settlement”) die in 1965 door R. Ecroyd ten gunste van zijn kinderen was opgericht.
28.
Ecroyd Ltd exploiteerde als pachter negen boerderijen die eigendom waren van de familie Ecroyd en van de leden van de trust.
29.
In 1976 richtte Ecroyd Ltd samen met Fountain Farming de maatschap Credenhill Farming op, waaraan zij vier van de negen boerderijen, waaronder Lyvers Ocle, in onderpacht gaf.
30.
In 1980 dienden Ecroyd Ltd, respectievelijk Credenhill Farming elk een aanvraag in voor deelneming aan een regeling tot niet-levering voor de vijf, respectievelijk vier boerderijen die zij exploiteerden. Alleen Credenhill Farming nam uiteindelijk voor een periode van vijf jaar, van 14 november 1980 tot en met 13 november 1985, deel aan een regeling tot niet-levering. Ecroyd Ltd van haar kant zag af van deelneming aan een dergelijke regeling en zette de melkproduktic voort op de vijf boerderijen die zij als pachter exploiteerde en waarvoor haar in 1984 op haar verzoek een primair quotum was toegewezen.
31.
Tussen 1980 en 1984 veranderde de maatschap Credenhill Farming meerdere malen van samenstelling. Daar Ecroyd Ltd en R. Ecroyd overbleven als leden van de maatschap, is zij uiteindelijk op 30 september 1984 ontbonden, nadat R. Ecroyd zich had teruggetrokken. De activa en het bedrijf van Credenhill Farming werden geabsorbeerd door de enige overgebleven partner, Ecroyd Ltd, die het bedrijf voor eigen rekening voortzette. Hoewel zij zich niet krachtens artikel 6, lidi, van verordening nr. 1078/77 schriftelijk ertoe had verbonden om de door haar voorgangster, Credenhill Farming, aangegane niet-Ievcringsverbintcnis verder na te komen, produceerde Ecroyd Ltd evenwel gedurende het resterende gedeelte van de periode van vijf jaar waarvoor deze verbintenis gold, geen melk op de vier boerderijen, op grond dat zij zich gebonden achtte aan de door Credenhill Farming aangegane verbintenis tot niet-levering.
32.
Op 18 december 1984 werd de laatste tranche van de nict-leveringsprcmie aan Credenhill Farming betaald, op door R. Ecroyd en J. Ecroyd ondertekend verzoek, die daarbij aangaven „partners, bestuurder en eigenaar-bezitter” te zijn (het ministerie was op dat tijdstip niet in kennis gesteld van de ontbinding van de maatschap).
33.
Na het verstrijken van de periode van niet-levering trachtte Ecroyd Ltd SLOM-quota toegewezen te krijgen voor de grond van de vier voorheen door Credenhill Farming geëxploiteerde boerderijen. Twee opeenvolgende aanvragen, waarvan de eerste werd ingediend op 17 augustus 1989 en de tweede op 14 februari 1991 na de arresten Spagl, Pastätter en Rauh, werden door het ministerie afgewezen, op grond dat aan verzoekster reeds een primair quotum was toegekend krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 (voor de vijf boerderijen die nog steeds door Ecroyd Ltd werden geëxploiteerd), en dat de bij verordening nr. 1639/91 aangebrachte wijzigingen geen invloed hadden op haar situatie. Het ministerie legde aan de weigering specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen, dus inzonderheid de anti-cumulatiebcpaling ten grondslag.
34.
Voor de verwijzende rechter stelde Ecroyd Lid, dat zij recht had op een SLOM-quotum. In de eerste plaats had zij wel degelijk deelgenomen aan een regeling tot niet-levering, na afloop waarvan zij recht had gekregen op toewijzing van een dergelijk quotum uit hoofde van de bepalingen van 1989. De verbintenis tot deelneming aan een dergelijke regeling was weliswaar aanvankelijk formeel aangegaan door Credenhill Farming, doch Ecroyd Ltd was aan deze verbintenis gebonden toen zij overbleef als enige partner van de groep die de maatschap Credenhill Farming had gevormd. Er had geen overdracht van het bedrijf van Credenhill Farming naar Ecroyd Ltd in de zin van artikel 6 van verordening nr. 1078/77 plaatsgevonden, zodat Ecroyd Ltd, die de niet-Ieveringsverbintenis was nagekomen, geen nieuwe verbintenis hoefde aan te gaan. In de tweede plaats was Ecroyd Ltd van mening, dat het argument van het ministerie dat was ontleend aan de anti-cumulatiebepaling, gelet op het arrest Wehrs, niet kon worden aanvaard.
35.
Volgens het ministerie van zijn kant had op 30 september 1984 een overdracht van een „producent” (in de zin van artikel 5, sub a, van verordening nr. 1078/77) aan een andere plaatsgevonden. Derhalve kon Ecroyd Ltd, aangezien zij zich op dat tijdstip niet krachtens artikel 6 van verordening nr. 1078/77 schriftelijk ertoe had verbonden om de door Credenhill Farming aangegane niet-leveringsverbintenis verder na te komen, geen aanspraak maken op een specifieke referentiehoeveelheid. Indien Credenhill Farming en Ecroyd Ltd evenwel als een en dezelfde „producent” waren te beschouwen, dan moest worden aangenomen, dat Ecroyd Ltd haar verbintenis om op haar bedrijf geen melk te produceren niet was nagekomen en zij dus haar recht op de niet-leveringspremie had verloren, omdat zij gedurende de periode waarvoor niet-leveringsregeling gold, de melkproduktie had voortgezet op vijf boerderijen. Voorts was de redenering van het Hof in het arrest Wehrs niet van toepassing op verzoekster, omdat het enkel betrekking had op de situatie van de cessionarissen van een niet-leveringspremie, in welke situatie Ecroyd Ltd zich niet bevond.
36.
In deze context legde de verwijzende rechter het Hof de volgende vragen voor:
„1)
Heeft verweerder (het ministerie) de bevoegdheid en/of de plicht verzoekster een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen:
i)
krachtens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad; en/of
ii)
na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest,
nu:
a)
verzoekster lid was van een maatschap die het bedrijf exploiteerde en een niet-leveringsverbintenis was aangegaan;
b)
alle andere leden vóór afloop van de niet-leveringsperíode de maatschap hadden verlaten en het bedrijf waarvoor de niet-leveringsverbintenis was aangegaan, nadien door verzoekster voor eigen rekening werd geëxploiteerd;
c)
verzoekster na het vertrek van de andere leden van de maatschap gedurende de resterende looptijd van de door de maatschap aangegane oorspronkelijke niet-leveringsverbintenis op het bedrijf geen melk produceerde;
d)
verzoekster zich na het vertrek van de andere leden van de maatschap niet krachtens artikel 6 van verordening nr, 1078/77 van de Raad opnieuw schriftelijk ertoe had verbonden om de door de maatschap aangegane niet-leveringsverbintenis verder na te komen;
e)
verzoekster een primair quotum voor een ander bedrijf was toegewezen?
Zo ja, wanneer ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
2)
Indien het antwoord op vraag 1 luidt, dat verweerder de bedoelde bevoegdheid en/of plicht niet heeft, is artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad, dan onwettig en ongeldig, voor zover een verzoeker in de voormelde omstandigheden niet in aanmerking komt voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid?
3)
Indien het antwoord op vraag 2 luidt, dat artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, onwettig en ongeldig is, voor zover verzoekster niet in aanmerking komt voor toekenning van een melkquotum, heeft verweerder dan de bevoegdheid en/of plicht verzoekster een melkquotum toe te wijzen en/of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat een nadere gemeenschapsregeling was vastgesteld om de ongeldigheid van de betrokken maatregel te herstellen of daarmee rekening te houden?
Zo ja, wanneer ontstaat of ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
4)
Indien het antwoord op bovenstaande vragen luidt, dat verweerder de bevoegdheid en/of plicht had verzoekster een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat de Raad een nieuwe regeling had vastgesteld, en/of na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest, heeft verzoekster dan in beginsel recht op schadevergoeding van verweerder, omdat deze haar geen specifieke referentiehoeveelheid heeft toegewezen?
5)
Indien het antwoord op vraag 4 luidt, dat verzoekster recht heeft op schadevergoeding van verweerder, op welke basis moet deze schade dan worden bepaald?”
J. Ecroyd
37.
Verzoeker in deze zaak is de zoon van R. Ecroyd. Zoals in de eerste zaak het geval is, vordert hij toekenning van quota voor de boerderij Lyvers Ocle.
38.
Lyvers Ocle, die aanvankelijk deel uitmaakte van de eigendom van de trustees van de Children's settlement, werd door Ecroyd Ltd gepacht. Zij was een van de vier boerderijen die door Ecroyd Ltd in onderpacht waren gegeven aan Credenhill Farming, die de boerderij van 14 november 1980 tot de ontbinding van de maatschap op 30 september 1984 in het kader van een regeling tot met-levering exploiteerde. Vanaf 30 september 1984 werd deze boerderij, evenals de drie andere, geëxploiteerd door Ecroyd Ltd, die de niet-leveringsverbintenis nakwam tot en met 13 november 1985, welke datum daarvoor was vastgesteld.
39.
Krachtens de Children's settlement kreeg J. Ecroyd, als een van de vier kinderen van R. Ecroyd, op zijn 25ste verjaardag, op 22 juni 1983, recht op een vierde deel van het trustvermogen. De trustees en de begunstigden besloten vervolgens de boerderijen tussen de kinderen te verdelen, in plaats van deze te verkopen, en de opbrengst van de verkoop te verdelen.
40.
In het kader van deze overeenkomst koos J. Ecroyd Lyvers Ocle ter voldoening van zijn rechten op het trustvermogen. Op 21 april 1987 begon hij op deze boerderij, die hij toen van Ecroyd Ltd in onderpacht had, melk te produceren met gebruikmaking van het hem door deze laatste overgedragen primaire quotum.
41.
Op 22 december 1989 werd de eigendom van Lyvers Ocle door de trustees van de Children's settlement aan J. Ecroyd overgedragen, waardoor deze zowel eigenaar van de grond als onderpachter van Ecroyd Ltd was. Bij die gelegenheid moest hij een bedrag van40877 UKL betalen ter compensatie van het verschil tussen de waarde van het deel van het trustvermogen waarop hij krachtens de Children's settlement recht had, en de waarde van de overgedragen eigendom (die op ongeveer 250000 UKL werd geschat).
42.
Op 25 september 1991 diende J. Ecroyd een aanvraag in om een SLOM II-quotum voor Lyvers Ocle, waarbij hij aangaf de opvolger van Crcdcnhill Farming te zijn. Zijn aanvraag werd door het ministerie afgewezen, op grond dat de overdracht had plaatsgevonden na 29 juni 1989 en hem dus niet de hoedanigheid van „opvolger” in de zin van de bepalingen van verordening nr. 1639/91 verleende.
43.
Voor de verwijzende rechter stelde J. Ecroyd dat, aangezien hij Lyvers Ocle door erfopvolging of op soortgelijke wijze had verworven na het verstrijken van de door Crcdcnhill Farming aangegane nictlcvcringsverbintenis, maar vóór 29 juni 1989, en hij zijn aanvraag om een SLOM-quotum had ingediend binnen drie maanden na 1 juli 1991, hij krachtens verordening nr. 1639/91 recht had op toewijzing van een quotum voor Lyvers Ocle. Hoewel de eigendom juridisch eerst op 22 december 1989 was overgedragen, had hij het bedrijf in werkelijkheid vóór de in de verordening vastgestelde datum gekregen.
44.
Volgens het ministerie daarentegen voldeed verzoeker aan geen van de door verordening nr. 764/89 of verordening nr. 1639/91 gestelde voorwaarden voor toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid. Om te beginnen kon hij geen aanspraak maken op een SLOM I-quotum uit hoofde van deze verordeningen, omdat hij niet had deelgenomen aan een stelsel van nietleveringsprcmies. Evenmin bevond hij zich in de situatie van een cessionaris van de premie die de niet-leveringsverbintenis van de cedent had overgenomen. Ten slotte kon hem geen SLOM II-quotum worden toegekend, omdat aan geen van de vereiste voorwaarden was voldaan. In de eerste plaats voldeed hij, aangezien hij het bedrijf eerst op 22 december 1989 had verworven, niet aan de door verordening nr. 1639/91 gestelde voorwaarde, dat het bedrijf vóór 29 juni 1989 door erfopvolging moest zijn verworven. In de tweede plaats waren verzoekers rechtsvoorgangers als eigenaar de trustees van de Children's settlement, die niet aan een regeling tot niet-lcvering hadden deelgenomen. Ten slotte had verzoeker Lyvers Ocle niet door erfopvolging in bezit gekregen, maar veeleer ter voldoening van zijn rechten op het trustvermogen.
45.
Van oordcel dat ook in deze zaak het geschil vragen van uitlegging en/of geldigheid van sommige bepalingen van bovengenoemde verordeningen opwierp, heeft de High Court of Justice het Hof verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
„1)
Heeft verweerder (het ministerie) de bevoegdheid en/of de plicht verzoeker een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen:
i)
krachtens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij 's Raads verordeningen (EEG) nrs. 764/89 en 1639/91; en/of
ii)
na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest,
nu:
a)
verzoeker de begunstigde was van de Children's settlement, waarvan onder meer grond deel uitmaakte, en op zijn 25ste verjaardag in 1983 gerechtigd werd tot zijn aandeel daarin;
b)
de betrokken grond door de trustees van de Children's settlement was verpacht aan en werd geëxploiteerd door H. & R. Ecroyd Ltd;
c)
een deel van de grond weer in onderpacht was gegeven aan en geëxploiteerd werd door een maatschap, Credenhill Farming, waarvan onder meer H. & R. Ecroyd Ltd deel uitmaakte;
d)
Credenhill Farming met betrekking tot haar bedrijf, dat wil zeggen de grond die zij, zoals gezegd, in onderpacht had, een niet-leveringsverbintenis krachtens verordening nr. 1078/77 van de Raad was aangegaan;
e)
alle andere leden vóór het verstrijken van de niet-Ieveringsperiode de maatschap Credenhill Farming hadden verlaten en het bedrijf waarvoor de niet-leveringsverbintenis door de maatschap was aangegaan, nadien door H. &C R. Ecroyd Ltd voor eigen rekening werd geëxploiteerd;
f)
Credenhill Farming en vervolgens H. & R. Ecroyd Ltd de niet-leveringsverbintenis zijn nagekomen. Inzonderheid heeft H. & R. Ecroyd Ltd na het vertrek van de andere leden van de maatschap tijdens het resterende gedeelte van de periode waarvoor de door de maatschap aangegane oorspronkelijke niet-leveringsverbintenis gold, op het bedrijf geen melk geproduceerd;
g)
H. & R. Ecroyd Ltd zich na het vertrek van de andere leden van de maatschap niet krachtens artikel 6 van verordening nr. 1078/77 van de Raad schriftelijk ertoe had verbonden om de door de maatschap aangegane niet-leveringsverbintenis verder na te komen;
h)
H. & R. Ecroyd Ltd een primair quotum voor een ander bedrijf was toegewezen;
i)
H.& R. Ecroyd Ltd in 1987, na afloop van de oorspronkelijke niet-lcveringspcriode, een deel van de grond waarvoor Credenhill Farming oorspronkelijk de nietlcvcringsvcrbintcnis was aangegaan, in ondcrpacht had gegeven aan verzoeker, die het sindsdien heeft geëxploiteerd;
j)
de eigendom van de betrokken grond in december 1989, onder voorbehoud van de pacht ervan door H. & R. Ecroyd Ltd, door de trustees van de Children's settlement was overgedragen aan verzoeker ter voldoening van diens rechten krachtens de Children's settlement;
k)
voor die overdracht door verzoeker een compensatie aan de trustees was betaald, zijnde het verschil tussen de waarde van verzoekers rechten krachtens de Children's settlement en de waarde van de overgedragen grond, waarbij er rekening mee werd gehouden dat er geen specifieke referentiehoeveelheid voor die grond bestond?
Zo ja, wanneer ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
2)
Indien het antwoord op vraag 1 luidt, dat verweerder die bevoegdheid of plicht niet heeft, is artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij 's Raads verordeningen (EEG) nrs. 764/89 en 1639/91, dan geldig voor zover die producent niet in aanmerking komt voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid?
3)
Inzonderheid, indien het antwoord op vraag 1 luidt, dat verweerder die bevoegdheid of plicht niet heeft, omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91, dat het bedrijf in bezit moet zijn gekregen vóór 29 juni 1989, zijn voormelde verordeningen dan geldig voor zover zij producenten uitsluiten die na 29 juni 1989 een bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze hebben verworven?
4)
Indien het antwoord op bovenstaande vragen luidt, dat artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd, onwettig en ongeldig is, voor zover verzoeker niet in aanmerking komt voor toekenning van een melkquotum, heeft verweerder dan de bevoegdheid en/of plicht verzoeker een melkquotum toe te wijzen en/of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat een nadere gemeenschapsregeling was vastgesteld om de ongeldigheid van de betrokken maatregel te herstellen of daarmee rekening te houden?
Zo ja, wanneer ontstaat of ontstond die bevoegdheid en/of plicht?
5)
Indien het antwoord op bovenstaande vragen luidt, dat verweerder de bevoegdheid en/of plicht had verzoeker een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en/of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, voordat de Raad een nieuwe regeling had vastgesteld en/of na het door het Hof in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest, heeft verzoeker dan in beginsel recht op schadevergoeding van verweerder, omdat deze hem geen specifieke referentiehoeveelheid heeft toegewezen?
6)
Indien het antwoord op vraag 5 luidt, dat verzoeker recht heeft op schadevergoeding van verweerder, op welke basis moet deze schade dan worden bepaald?”
Vragen die beide geschillen gemeen hebben
46.
In elk van beide zaken verzoekt de verwijzende rechter het Hof, zakelijk weergegeven, een prejudiciële beslissing te geven over de volgende drie punten:
1)
Hadden verzoekers recht op SLOM-quota, hetzij op grond van een juiste uitlegging van de vigerende regeling, hetzij wegens de ongeldigheid, gelet op het arrest Wehrs, van de voorschriften die daaraan in de weg stonden?
2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, waren de nationale autoriteiten dan verplicht de aanvragen om quota toe te wijzen door enkel de juiste conclusies aan het arrest Wehrs te verbinden en zonder te wachten totdat de gemeenschapswetgever in actie kwam?
3)
Indien de nationale autoriteiten na het arrest Wehrs in feite verplicht waren een melkquotum toe te kennen, in hoeverre zijn zij dan aansprakelijk?
47.
Ook al komen, zoals men kan zien, de in elk van beide zaken opgeworpen vragen in belangrijke mate overeen, ik zal ze gemakshalve afzonderlijk en na elkaar onderzoeken.
Antwoorden op de vragen in de zaak Ecroyd Ltd
De eerste vraag
48.
Met het eerste deel van de eerste vraag wordt beoogd te vernemen, of verzoekster Ecroyd Ltd recht had op een SLOM-quotum krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 746/89.
49.
Er zij aan herinnerd, dat in het kader van deze regeling de producent, om aanspraak te hebben op toekenning van een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid, moet hebben deelgenomen aan een regeling tot niet-levering, zoals ingevoerd bij verordening nr. 1078/77, en geen referentiehoeveelheden uit andere bron mag hebben verkregen. Derhalve moet worden nagegaan, of in casu aan deze twee voorwaarden is voldaan.
50.
Kan om te beginnen Ecroyd Ltd worden geacht aan een regeling tot niet-levering te hebben deelgenomen? Formeel is een dergelijke verbintenis met ingang van 14 november 1980 niet door verzoekster aangegaan, maar door de maatschap Credenhill Farming. Er moet evenwel in aanmerking worden genomen, dat Ecroyd Ltd tijdens de periode van toepassing van de regeling als enige beheerder van het bedrijf is overgebleven, waarbij zij de tevoren aangegane verbintenis verder is nagekomen.
51.
Eerst moet een misvatting van verzoekster uit de weg worden geruimd. Toen Ecroyd Ltd de activa en het bedrijf van Credenhill Farming absorbeerde, mocht niet worden aangenomen, dat vanaf die datum dezelfde „producent” als voorheen in de zin van artikel 5, sub a, van verordening nr. 1078/77 ( 18 ) het bedrijf exploiteerde. Een „producent” kan inderdaad een groep van personen zijn waarvan het aantal fluctueert. ( 19 ) Voorts veranderde Credenhill Farming tussen 1980 en 1984 meerdere malen van samenstelling. Op 30 september 1984 vond evenwel geen verandering van deze aard plaats. Volgens de stukken ging het toen om de ontbinding van Credenhill Farming, wat iets geheel anders is. De producent die haar opvolgde was weliswaar een van de rechtspersonen die tevoren leden van de maatschap waren, doch na de ontbinding werd het bedrijf door een nieuwe producent geëxploiteerd. De „producent” die de oorspronkelijke niet-leveringsverbintenis was aangegaan, had ten tijde van de aanvraag om een SLOM-quotum opgehouden te bestaan.
52.
Voorts zij opgemerkt, dat indien Ecroyd Ltd en Credenhill Farming als een en dezelfde „producent” waren te beschouwen, dan zou moeten worden aangenomen, dat de niet-leveringsverbintenis op het bedrijf, zoals dat wordt omschreven in artikel 5, sub b, van verordening nr. 1078/77 ( 20 ), niet is nagekomen, omdat de produktie op vijf boerderijen werd voortgezet.
53.
Ook al kan Ecroyd Ltd niet worden gelijkgesteld met de oorspronkelijke „producent” die de niet-leveringsverbintenis is aangegaan, ik zal nochtans nagaan, of zij niet in haar hoedanigheid van „opvolger” van deze oorspronkelijke producent kan worden aangemerkt als een producent die aan een niet-leveringsregeling heeft deelgenomen.
54.
Zoals gezegd, kan elke opvolger op een landbouwbedrijf zich krachtens artikel 6 van verordening nr. 1078/77 schriftelijk ertoe verbinden de door zijn voorganger aangegane verplichtingen verder na te komen.
55.
De regering van het Verenigd Koninkrijk denkt als argument te kunnen gebruiken, dat Ecroyd Ltd een dergelijke formele verbintenis niet is aangegaan toen zij Credenhill Farming opvolgde.
56.
Dienaangaande stelt verzoekster, dat elk van de partners zich in het kader van de door Credenhill Farming in 1980 aangegane verbintenis individueel heeft verbonden. Derhalve volstond haar eigen handtekening toentertijd om haar verbintenis te formaliseren.
57.
Inzonderheid kan men mijns inziens niet de ogen sluiten voor het feit, dat verzoekster, hoewel een dergelijke verbintenis niet is vernieuwd, de door haar voorgangster aangegane verbintenis om geen melk of zuivelprodukten in de handel te brengen, gedurende de resterende looptijd nauwgezet heeft nageleefd.
58.
Is dat niet waar het in feite om gaat, wanneer de doelstelling van verordening nr. 1078/77 in ogenschouw wordt genomen? Er zij aan herinnerd, dat de nietleveringspremies zijn ingevoerd om de groei van een markt die wordt gekenmerkt door aanzienlijke en toenemende overschotten, af te remmen. Hiertoe moesten producenten ertoe worden aangezet hun produktie niet in de handel te brengen en werd de inkomstenderving als gevolg van het niet in de handel brengen van de betrokken produkten gecompenseerd door een premie toe te kennen. ( 21 ) De regeling van verordening nr. 1078/77 die van toepassing is op overdrachten, streeft geen andere doelstelling na. Ook daar gaat het in feite om een contract tussen de Gemeenschap en een producent. De laatste verbindt zich in zekere zin ertoe, in het algemeen belang mee te werken aan het verlagen van het produktieoverschot in de Gemeenschap door de door zijn voorganger aangegane verbintenis verder na te komen, terwijl de eerste hem ter compensatie een premie toekent. In het onderhavige geval is Ecroyd Ltd haar „deel van het contract” nagekomen. De weigering dit te erkennen, op de enkele grond dat zij de formele voorwaarde van een schriftelijke verbintenis niet in acht heeft genomen, is mijns inziens buitengewoon streng, en bovenal in strijd met de geest van het mechanisme van samenwerking tussen de Gemeenschap en de producenten dat in het leven was geroepen teneinde zich naar de nagestreefde doelstelling te richten.
59.
Derhalve heeft Ecroyd Ltd mijns inziens wel degelijk deelgenomen aan een niet-leveringsregeling die potentieel recht gaf op een SLOM-quotum.
60.
Om recht te hebben op een specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis, moet de producent evenwel daarnaast een andere voorwaarde vervullen: hem mag geen referentiehoeveelheid uit andere bron zijn toegewezen. In casu was aan dezelfde producent die had deelgenomen aan een nietlevcringsregcling voor het bedrijf dat vier boerderijen omvatte, echter uit andere bron een primair quotum toegewezen voor de vijf boerderijen waarop hij de melkproduktie zonder onderbreking had voortgezet. Ecroyd Ltd voldeed dus niet aan deze tweede voorwaarde die was vastgesteld door de toentertijd geldende voorschriften. Ook al werd de anti-cumulatiebepaling later ongeldig verklaard, het stond uiteraard niet aan het ministerie op deze ongeldigheid vooruit te lopen, omdat, aldus het Hof, „Elke verordening die overeenkomstig het Verdrag in werking is getreden, moet worden verondersteld geldig te zijn zolang een bevoegde rechterlijke instantie ze niet ongeldig heeft verklaard.” ( 22 )
61.
Aangezien zij niet voldeed aan de voorwaarde die werd gesteld door de anti-cumulatiebepaling, zoals die was neergelegd in artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr, 857/54, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, kon Ecroyd Ltd op het tijdstip van indiening van haar aanvragen geen voorlopige specifieke referentiehoeveelheid worden toegekend.
62.
Met het tweede deel van de eerste vraag wordt beoogd te vernemen, of verzoekster na het arrest Wehrs recht had op een SLOM-quotum krachtens dit artikel 3 bis, lid 1.
63.
In de zaak die tot dit arrest leidde, was aan verzoeker Wehrs een referentiehoeveelheid toegewezen krachtens verordening nr. 857/84. Hij had verzocht om verhoging van deze referentiehoeveelheid, omdat hij vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 een perceel had gekocht, waarvoor hij de door de vorige eigenaar op grond van verordening nr. 1078/77 aangegane omschakelingsverbintenis verder was nagekomen. Deze aanvraag was afgewezen op grond van de anti-cumulatiebepaling van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89.
64.
Het Hof, dat was verzocht om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van deze bepaling, overwoog:
„De in geding zijnde bepaling maakt (...) inbreuk op het gewettigd vertrouwen van de betrokken producenten in de tijdelijkheid van hun vóór de inwerkingtreding van de extra-heffingregeling aangegane verbintenissen. Zij moet derhalve ongeldig worden verklaard wegens strijd met het vertrouwensbeginsel (...)
Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/54, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig is, voor zover cessionarissen van een op grond van verordening nr. 1078/77 toegekende premie, die een referentiehoeveelheid krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 hebben verkregen, niet in aanmerking komen voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.” ( 23 )
65.
De vraag rijst dan ook, of de nationale autoriteiten verplicht waren zorg te dragen voor de volle werking van deze ongeldigverklaring, voordat een nieuwe handeling was vastgesteld om deze ongeldigheid te herstellen. Het gaat er in feite om, stil te staan bij de gevolgen voor de nationale autoriteiten van een arrest waarbij wordt vastgesteld, dat een gemeenschapshandeling ongeldig is.
66.
Aangezien een prejudiciële verwijzing inzake de geldigheid van nature verband houdt met geschillen inzake de wettigheid van gemeenschapshandelingen, wordt in de literatuur regelmatig gewezen op de verwantschap ervan met het beroep tot nietigverklaring. ( 24 )
67.
Het Hof heeft zelf op dit verband gewezen:
„Weliswaar zijn in het Verdrag de gevolgen van een ongeldigverklaring in het kader van cen prejudiciële procedure niet uitdrukkelijk omschreven, doch de artikelen 174 en 176 bevatten nauwkeurige regels met betrekking tot de gevolgen van de nietigverklaring van een verordening in het kader van een rechtstreeks beroep. Zo bepaalt artikel 176, dat de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht, gehouden is de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. In de arresten van 19 oktober 1977 (gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, ‚Quellmehl’, Jurispr. 1977, blz. 1753, en gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson, ‚Gritz’, Jurispr. 1977, blz. 1795) heeft het Hof in het kader van een prejudiciële procedure reeds naar dat voorschrift verwezen.” ( 25 )
68.
Hoewel het Hof een prejudiciële verwijzing tot beoordeling van de geldigheid aan dezelfde toetsing onderwerpt als een beroep tot nietigverklaring, zijn de gevolgen daarvan verschillend.
69.
Een na een beroep krachtens artikel 173 nietig verklaarde handeling is „van nul en gener waarde” en wordt met terugwerkende kracht nietig verklaard, tenzij het Hof met gebruikmaking van artikel 174, tweede alinea, EG-Verdrag de gevolgen van zijn arrest in de tijd beperkt. Wanneer het Hof daarentegen in het kader van artikel 177 EG-Verdrag tot de conclusie komt, dat aan de in geding zijnde handeling een onregelmatigheid kleeft, verklaart het slechts „voor recht”, dat de handeling „ongeldig” is. ( 26 )
70.
Het zij toegegeven, dat een ongeldigverklaring bepaalde gevolgen meebrengt die vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit een arrest tot nietigverklaring.
71.
Derhalve zijn de nationale rechterlijke instanties verplicht de exceptie van onwettigheid die tot de verwijzing leidde, toe te wijzen en de in het hoofdgeding betwiste handeling buiten toepassing te laten.
72.
Evenzo is de vastgestelde ongeldigheid verbindend voor elke andere nationale rechterlijke instantie die naar aanleiding van een nationaal beroep uitspraak doet in hetzelfde geschil. ( 27 ) Wat de nationale rechterlijke instanties betreft, hebben dergelijke uitspraken tot ongeldigverklaring van een handeling voorts terugwerkende kracht, zonder dat zij door de terugwerkende kracht ervan evenwel worden gelijkgesteld met uitspraken tot nietigverklaring: „de nationale rechter is zonder meer bevoegd terugwerkende kracht te verlenen aan de ongeldigheid van de handeling die met terugwerkende kracht met-toepasselijk wordt op de rechtssituatie die het voorwerp van het geschil vormt” ( 28 ) , behalve weer daar waar het Hof besluit dat de ongeldigheid enkel ex nunc wordt toegepast. ( 29 )
73.
Ten slotte dienen de nationale autoriteiten die nationale bepalingen hebben vastgesteld op grond van of voor de toepassing van de ongeldig verklaarde handeling, deze in te trekken. ( 30 )
74.
Niettemin moeten, met uitzondering van dit laatste geval, de gevolgen van een arrest tot ongeldigverklaring, wat de nationale autoriteiten betreft, worden onderscheiden van die van een arrest tot nietigverklaring: terwijl een arrest tot nietigverklaring zijn gevolgen uitbreidt tot de nietig verklaarde verordening zelf, die als gevolg van het arrest nietig is, dat wil zeggen uit de rechtsorde wordt verwijderd, beoogt het arrest tot ongeldigverklaring hoofdzakelijk tegenover de rechterlijke instanties effect te sorteren, voor het geval zij worden verzocht die regeling toe te passen.
75.
Denkbaar is dat de ongeldigverklaring door het Hof op zichzelf volstaat, omdat zij eenvoudigweg de wettelijke grondslag wegneemt waarop bepaalde verplichtingen waren opgelegd, zoals de betaling van een recht. ( 31 ) In zo'n geval kunnen en moeten de nationale autoriteiten zorg dragen voor de volle werking van de prejudiciële beslissing en, evenals na een arrest tot nietigverklaring van een gemeenschapshandeling, deze laatste als „nietig” beschouwen, en bijgevolg de geïnde rechten terugbetalen.
76.
De enkele vaststelling, dat een gemeenschapshandeling ongeldig is, volstaat evenwel niet altijd om de onwettigheid van de bestreden rechtsregel op te heffen. Om de aldus vastgestelde onwettigheid weg te nemen, kunnen ingewikkelde aanpassingen noodzakelijk zijn, of kan het nodig zijn dat alle Lid-Staten een keuze maken uit verschillende opties, welke keuze niet kan worden overgelaten aan het oordeel van elk van de nationale autoriteiten zonder het risico te lopen, dat de samenhang van het in het leven geroepen gemeenschapsstelsel wordt verstoord. Dit is mijns inziens de context van de ongeldigverklaring van de anti-cumulatiebepaling in het arrest Wehrs. Om zich hiervan te overtuigen, volstaat het stil te staan bij het zeer ingewikkelde karakter en de overlappingen van het geheel van gemeenschapsvoorschriften met betrekking tot de gemeenschappelijke markt van melk en zuivelprodukten, en de aanpassingen door de Raad in de vorm van de vaststelling van verordening nr. 2055/93, die noodzakelijk werden door de ongeldigverklaring van de anti-cumulatiebepaling.
77.
Indien de nationale autoriteiten na het arrest Wehrs op dergelijke maatregelen hadden moeten vooruitlopen, hadden zij de anti-cumulatiebepaling buiten beschouwing moeten laten en bijgevolg de betrokken producenten quota moeten toekennen.
78.
Niet vergeten mag echter worden, dat de in het leven geroepen gemeenschapsregeling met het oog op het afremmen van de groei van de produktie, de omvang van de gegarandeerde totale hoeveelheid op gemeenschapsniveau vaststelt, en dat deze hoeveelheid vervolgens wordt verdeeld tussen de verschillende Lid-Staten, die de hun aldus toegekende hoeveelheid op hun beurt tussen hun nationale producenten verdelen. Derhalve is de totale hoeveelheid voor elke Lid-Staat verschillend en vormt zij de absolute grens die de Lid-Staat niet mag overschrijden bij het toekennen van referentiehoeveelheden.
79.
Hieruit volgt, dat de nationale autoriteiten vanzelfsprekend niet eigenmachtig hadden kunnen besluiten een door henzelf vastgestelde referentiehoeveelheid toe te wijzen.
80.
Onder deze omstandigheden stonden voor hen verschillende opties open. Ik zal er enkele noemen: alle of sommige producenten aan wie reeds een quotum was toegewezen, een deel van hun referentiehoeveelheid ontnemen om dit te herverdelen tussen de producenten die als gevolg van de anticumulaticbcpaling waren uitgesloten; gebruik maken van artikel 4 bis van verordening nr. 857/84 ( 32 ), op grond waarvan de Lid-Staten gedurende een beperkte periode de niet gebruikte referentiehoeveelheden van de producenten of kopers kunnen toekennen aan producenten of kopers van hetzelfde gebied en, in voorkomend geval, van andere gebieden; of de nationale reserve „belasten”
81.
Maar zelfs al hadden deze autoriteiten van de ene of andere optie gebruik gemaakt, op welke grondslag hadden zij de toe te kennen hoeveelheid kunnen ramen? En indien het hun desondanks was gelukt al deze hinderpalen uit de weg te ruimen, hoe konden zij er zeker van zijn dat zij handelden in overeenstemming met de voorschriften die naderhand zouden worden vastgesteld, en daarbij het nagestreefde hoofddoel in acht namen, te weten de beperking van het produktieoverschot Men kan zich ook voorstellen welke moeilijkheden voortvloeien uit de verschillende oplossingen die van staat tot staat hadden kunnen worden gekozen (..,).
82.
Ik zou meer voorbeelden kunnen noemen, maar het is mijns inziens niet zinvol dit punt uit te werken, zo duidelijk is het volgens mij, dat de nationale autoriteiten niet in staat waren op eigen houtje de nodige consequenties te trekken uit de ongeldigverklaring van de anti-cumulatiebepaling in het arrest Wehrs.
83.
Ik ben mij er evenwel van bewust, dat een dergelijke gevolgtrekking onbevredigend is. Hoewel het Hof vaststelt, dat een bepaling ongeldig is, kunnen de nationale autoriteiten hieraan niet de nodige consequenties verbinden en kunnen de marktdeelnemers die door een dergelijke bepaling worden benadeeld, zich bijgevolg niet op de ongeldigheid ervan beroepen. De gevolgen en het lot van de ongeldig verklaarde voorschriften blijven ongewis in alle gevallen waarin de toepassing ervan niet tot een geschil leidt.
84.
Er bestaan evenwel lapmiddelen. Zo zou de Gemeenschap aansprakelijk kunnen worden gesteld. Evenzo lopen de gemeenschapsinstellingen, indien zij nalaten maatregelen te treffen om aan de vastgestelde ongeldigheid een einde te maken, het gevaar dat hun gedrag wordt bestraft met het instellen van een beroep wegens nalaten.
85.
Dienaangaande brengt het Hof tegen bovengenoemd bezwaar in, dat de opsteller van de ongeldige verordening, ongeacht of dat de Raad dan wel de Commissie is, overeenkomstig artikel 176 EG-Verdrag verplicht is onder eigen verantwoordelijkheid de nodige consequenties uit het arrest van het Hof te trekken.
86.
Derhalve overwoog het Hof dat:
„(...) de bevoegde instellingen van de Gemeenschap de nodige maatregelen dienen te nemen (...); dat beantwoording (...) in deze zin te meer aangewezen is, waar er verscheidene mogelijkheden bestaan om [de vastgestelde ongeldigheid op te heffen] (...), en het aan de ter zake van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bevoegde instellingen staat om na beoordeling van de relevante economische en politieke factoren een keuze uit die mogelijkheden te maken” ( 33 ),
en ook dat:
„dit antwoord [dat de verordening ongeldig is] de Raad evenwel de bevoegdheid laat alle nuttige, met het gemeenschapsrecht verenigbare maatregelen te nemen ter verzekering van de goede werking van de (...) markt”. ( 34 )
87.
Overeenkomstig deze rechtspraak bleef de Raad na het arrest Wehrs en zonder dat het Hof dit overigens hoefde te verduidelijken, niets anders over dan een nieuwe gemeenschapsmaatregel vast te stellen om de vastgestelde ongeldigheid op te heffen. De nationale autoriteiten konden vóór de vaststelling van verordening nr. 2055/93 niet vooruitlopen op de precieze voorwaarden voor en grenzen van de toekenning van quota waarin de verordening voorzag.
88.
Afsluitend moet op de eerste vraag dus worden geantwoord, dat verweerder, de bevoegde nationale instantie, in geen van beide door de High Court genoemde gevallen de bevoegdheid of de plicht had verzoekster een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen en haar te behandelen alsof haar een dergelijke hoeveelheid was toegewezen.
De tweede vraag
89.
Deze vraag, die moet worden beantwoord in geval van een ontkennend antwoord op de eerste vraag, heeft betrekking op de geldigheid van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89.
90.
Deze vraag is reeds beantwoord in het arrest Wehrs, waar de in artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 neergelegde anti-cumulatiebcpaling ongeldig is verklaard, en dienaangaande volstaat het te verwijzen naar de gevolgtrekking van het Hof, die is vermeld in punt 64 van de onderhavige conclusie.
De derde vraag
91.
Met de derde vraag wordt beoogd te vernemen, of de nationale autoriteiten verplicht waren de nodige consequenties uit de ongeldigheid van artikel 3 bis, lid 1, te trekken, voordat cen nadere gemeenschapsregeling werd vastgesteld.
92.
Dit punt is onderzocht in het kader van het tweede deel van de eerste vraag, en ik ben zo vrij om te verwijzen naar wat daar is gezegd. ( 35 )
De vierde en de vijfde vraag
93.
Deze vragen, waarmee wordt beoogd te vernemen, of de nationale autoriteiten aansprakelijk kunnen worden gesteld, en, zo ja, op basis waarvan, behoeven niet te worden beantwoord, aangezien ik van mening ben, dat de derde vraag ontkennend moet worden beantwoord.
94.
Er zij slechts opgemerkt, dat, zo moet worden nagegaan of er eventueel sprake is van aansprakelijkheid, dient te worden onderzocht of de Gemeenschap kan worden aangesproken. Overigens heeft verzoekster in deze zaak in 1992 een beroep tot schadevergoeding tegen de Gemeenschap ingesteld, dat thans hangende is voor het Gerecht van eerste aanleg.
Antwoorden op de vragen in de zaak J. Ecroyd
De eerste vraag
95.
Met het eerste deel van de eerste vraag wenst de High Court te vernemen, of verzoeker J. Ecroyd recht had op een SLOM II-quotum krachtens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 746/89 en 1639/91.
96.
Om te beginnen zij erop gewezen, dat verzoeker krachtens artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals enkel gewijzigd bij verordening nr. 764/89, geen aanspraak kon maken op toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid. Volgens deze bepaling konden immers slechts twee categorieën van producenten hierop aanspraak maken: zij die een niet-leveringsverbintenis waren aangegaan, en zij die het bedrijf in de loop van de periode van niet-levering van de oorspronkelijke rechthebbenden hadden overgenomen, te zamen met deze verplichting. Verzoeker begon in 1987 met de produktie op Lyvers Ocle, enkel in de hoedanigheid van onderpachter van Ecroyd Ltd, na afloop van de niet-leveringsperiode. Hij viel dus niet onder de personele werkingssfeer van de toentertijd vigerende bepalingen.
97.
Mocht verzoeker niettemin ervan uitgaan, dat zijn situatie anders was na de wijziging van verordening nr. 857/84 bij verordening nr. 1639/91, die in het bijzonder naar aanleiding van het arrest Rauh was vastgesteld?
98.
Artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91, bepaalt, dat aan de producent die een bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen na het verstrijken van de verbintenis die uit hoofde van verordening nr. 1078/77 door de rechtsvoorganger is aangegaan, maar vóór 29 juni 1989, voorlopig, op een door hem binnen drie maanden na 1 juli 1991 in te dienen verzoek, een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen.
99.
In casu heeft verzoeker zijn aanvraag inderdaad binnen de gestelde termijn ingediend (op 25 september 1991). Mag evenwel worden aangenomen, dat hij het bedrijf vóór 29 juni 1989 door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen van een rechtsvoorganger die een niet-leveringsverbintenis is aangegaan en nagekomen?
100.
In het arrest Von Deetzen van 22 oktober 1991 stond het Hof stil bij het begrip „erfopvolging of soortgelijke wijze”:
„Het begrip ‚(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang’ moet aldus worden uitgelegd, dat het — ongeacht de juridische vorm waarin de overdracht plaatsvindt — doelt op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving. Het omvat derhalve met name transacties betreffende het betrokken bedrijf tussen een producent en zijn vermoedelijke erfgenaam, voor zover deze transactie, gelet op bet doel en het voorwerp ervan, primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf door de vermoedelijke erfgenaam en niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater.
Mitsdien kan noch de inbreng van het bedrijf in een vennootschap naar burgerlijk recht, waarin de producent deelneemt aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt, noch de omstandigheid dat, wanneer deze laatste door zijn overlijden of om andere redenen de vennootschap verlaat, naar Duits recht zijn aandeel in de vennootschap bij de overige vennoten aanwast, noch de verpachting van het bedrijf aan de vermoedelijke erfgenaam van de producent aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt, worden uitgesloten van het begrip ‚(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang’, mits de condities van de overeenkomst die aan de betrokken handeling ten grondslag ligt, van dien aard zijn, dat de vermoedelijke erfgenaam wordt bevoordeeld ten opzichte van een marktdeelnemer die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overneemt.
In het kader van de door artikel 177 EEGVerdrag in het leven geroepen samenwerking tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie, staat het aan eerstgenoemde om vast te stellen, of in de in de prejudiciële vraag bedoelde feitelijke veronderstellingen aan deze voorwaarden is voldaan; daarbij dient hij alle feitelijke en juridische gegevens die kenmerkend zijn voor de betrokken handeling, in aanmerking te nemen.” ( 36 )
101.
Gelet op deze rechtspraak, en in het bijzonder op de laatste alinea die hierboven is weergegeven, en in weerwil van de gedachtenwisseling die ter terechtzitting naar aanleiding van dit punt ontstond, ben ik van mening, dat het Hof zich niet hoeft uit te spreken over de vraag, of de transactie na afloop waarvan verzoeker eigenaar van het litigieuze bedrijf was, al dan niet een erfopvolging of hiermee vergelijkbare wijze van overgang vormt. Het staat aan de verwijzende rechter om overeenkomstig de in het reeds genoemde arrest Von Deetzen neergelegde criteria over deze vraag te beslissen.
102.
Dienaangaande zij enkel opgemerkt, om te beginnen, dat het feit dat J. Ecroyd in 1983 op 25-jarige leeftijd recht kreeg op een deel van de Children's settlement, niet kan worden aangemerkt als erfopvolging of hiermee vergelijkbare wijze van overgang. Op dat tijdstip was verzoeker enkel houder van een recht op een bepaald aandeel in de eigendom van de trust, maar nog niet op een afzonderlijk of specifiek deel. Bij de verdeling tussen hem en de andere begunstigden waren verscheidene mogelijkheden denkbaar. ( 37 ) Vervolgens begon hij in 1987 met de produktie op Lyvers Ocle, doch uitsluitend in de hoedanigheid van onderpachter van Ecroyd Ltd, die zelf pachter van de Children's Settlement was. Een dergelijke rechtspositie kan evenmin worden gelijkgesteld met die van een erfgenaam.
103.
Verzoeker werd dan ook pas in 1989 houder van het eigendomsrecht op Lyvers Ocle.
104.
De transactie als gevolg waarvan J. Ecroyd eigenaar werd, kan niet worden beschouwd als een gewone handelstransactie, omdat verzoeker voor deze boerderij enkel een bedrag heeft betaald dat overeenkomt met 15 % van de waarde ervan, zijnde het verschil tussen de waarde van zijn rechten op de Children's settlement en de waarde van de overgedragen eigendom. In dat opzicht kan niet worden uitgesloten, dat het een erfopvolging betrof, nu, zoals het Hof expliciet heeft verklaard, „de condities van de overeenkomst die aan de betrokken handeling ten grondslag ligt, van dien aard zijn, dat de vermoedelijke erfgenaam wordt bevoordeeld ten opzichte van een marktdeelnemer die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overneemt”.
105.
Het komt mij evenwel voor, dat de gedachtenwisseling die op dit punt heeft plaatsgevonden, in feite zo niet hypothetisch, dan toch irrelevant was. Óf men gaat ervan uit, dat J. Ecroyd Lyvers Ocle niet door erfopvolging of op soortgelijke wijze heeft verworven, en derhalve geen recht had op een SLOM II-quotum; óf men gaat ervan uit, dat de overdracht van het land aan verzoeker wel een erfopvolging of daarmee vergelijkbare wijze van overgang vormt, maar dat deze heeft plaatsgevonden op 22 december 1989, dat wil zeggen na de in de wettelijke regeling bedoelde uiterste datum van 29 juni 1989, na welk tijdstip het recht van een erfgenaam van een bedrijf met betrekking tot hetwelk tevoren een niet-leveringsverbintenis was aangegaan, om te verzoeken om een voorlopige toewijzing, was vervallen.
106.
Ik ben derhalve van mening, dat ver-~ zoeker geen recht had op een specifieke referentiehoeveelheid krachtens het bepaalde in artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1639/91.
107.
Met het tweede deel van de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een dergelijk recht op een specifieke referentiehoeveelheid kon worden afgeleid uit het arrest Wehrs.
108.
Zelfs al kon de ongeldigverklaring van de anti-cumulatiebepaling in dit arrest de situatie van verzoeker in deze zaak op de een of andere wijze raken, dan kon zij mijns inziens niet leiden tot welke verplichting dan ook voor de nationale autoriteiten, en wel om de in de zaak Ecroyd Ltd vermelde redenen. Derhalve verwijs ik, voor zoveel nodig, naar mijn conclusie inzake het tweede deel van de eerste vraag in de zaak Ecroyd Ltd. ( 38 )
De tweede en de derde vraag
109.
Met deze vragen wenst de High Court te vernemen, of artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, geldig is, voor zover producenten die na 29 juni 1989 een bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit hebben gekregen, niet in aanmerking kunnen komen voor toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid. Er zij op gewezen, dat deze vragen enkel van belang zijn, indien de verwijzende rechter met toepassing van de in het arrest Von Dectzen van 22 oktober 1991 opgestelde criteria tot de slotsom kwam, dat verzoeker Lyvers Ocle door erfopvolging of op soortgelijke wijze in bezit heeft gekregen.
110.
Zoals advocaat-generaal Mischo heeft opgemerkt in zijn conclusie in de zaak Rauh, moet in het kader van een erfopvolging of soortgelijke transactie rekening worden gehouden met het algemene beginsel, dat de erfgenaam de juridische persoonlijkheid van de erflater voortzet en deze laatste in het geheel van zijn vermogen opvolgt. ( 39 ) Maar deze erfgenaam kan enkel dit gehele vermogen overnemen, en kan geen aanspraak maken op meer rechten dan die welke de SLOM I-producent, de erflater, genoot.
111.
Zoals bekend, voorzag artikel 3 bis, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, eveneens in een fatale termijn voor de indiening door SLOM I-producenten van aanvragen om voorlopige specifieke referentiehoeveelheden: deze moesten worden ingediend tussen 29 maart en 29 juni 1989.
112.
Het is derhalve volstrekt logisch, dat verordening nr. 1639/91 slechts het oog had op de situatie van SLOM II-produccntcn die vóór 29 juni 1989 een bedrijf van een erflater die een SLOM I-producent was, in bezit hadden gekregen. In deze context hebben zij hetzelfde potentiële recht op een referentiehoeveelheid als de erflater zou hebben gehad. Zoals wordt opgemerkt in de laatste volzin van de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 1639/91 „[moet] aan producenten die het melkbedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze hebben overgenomen en tussen 29 maart en 29 juni 1989 geen aanvraag hebben ingediend of wier aanvraag is afgewezen, de mogelijkheid (...) worden geboden een aanvraag in te dienen of te herhalen”. Indien daarentegen een recht op een referentiehoeveelheid zou zijn toegekend aan producenten die na 29 juni 1989 hadden geërfd, dan zouden zij een recht hebben verworven dat de erflater niet bezat en dat hun dus niet zou kunnen worden overgedragen. SLOM II-producenten die na 29 juni 1989 erven, kunnen dus enkel recht hebben op een referentiehoeveelheid mits deze deel uitmaakte van de erfenis, dat wil zeggen uitsluitend indien de erflater, een SLOM I-producent, tijdig, te weten tussen 29 maart en 29 juni 1989, een aanvraag had ingediend.
113.
Voorts zij opgemerkt, dat de nieuwe bewoordingen van artikel 3 bis, lid 1, die het gevolg zijn van verordening nr. 1639/91, in overeenstemming zijn met het arrest Rauh, dat hieraan hoofdzakelijk ten grondslag ligt. Het Hof heeft immers overwogen, dat dit artikel, in de versie van verordening nr. 857/84, niet aldus zou moeten worden uitgelegd, dat „op grond van deze bepaling aan deze erfgenaam of rechtsopvolger, zoals ook het geval is met betrekking tot de producent zelf, niet een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend onder de in de bepalingen van dit artikel bedoelde voorwaarden” ( 40 ), alvorens te concluderen, dat „daarentegen (...) dit artikel aldus [moet worden] uitgelegd, dat onder de daarin bedoelde ‚producenten’, naast de exploitanten van landbouwbedrijven die zelf een verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 hebben aangegaan, ook zij worden begrepen, die het betrokken bedrijf na afloop van de door de exploitant aangegane verbintenis door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze van overgang hebben verworven”. ( 41 )
114.
Derhalve is mijns inziens bij onderzoek van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, voor zover het producenten uitsluit die na 29 juni 1989 een bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze hebben verkregen.
De vierde, de vijfde en de zesde vraag
115.
Gezien de door mij in overweging gegeven antwoorden op de eerste drie vragen, behoeven de vierde, de vijfde en de zesde vraag niet te worden beantwoord.
Conclusie
116.
Om de hierboven genoemde redenen geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
In de zaak Ecroyd Ltd
„1)
In een geval als dat van het hoofdgeding heeft de bevoegde nationale instantie de bevoegdheid noch de plicht verzoekster een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen of haar te behandelen alsof haar een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, ongeacht of zulks geschiedt overeenkomstig verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de ín artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, of na het door het Hof op 3 december 1992 in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest;
2)
artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, is niet geldig, voor zover in voornoemd arrest Wehrs vastgesteld;
3)
de bevoegde nationale instantie alleen kon niet de nodige consequenties uit voornoemd arrest Wehrs trekken, voordat een nadere gemeenschapsregeling was vastgesteld om de vastgestelde ongeldigheid te herstellen;
4)
gelet op het antwoord op de derde vraag, behoeven de vierde en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.”
In de zaak J. Ecroyd
„1)
In een geval als dat van het hoofdgeding heeft de bevoegde nationale instantie de bevoegdheid noch de plicht verzoeker een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen of hem te behandelen alsof hem een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, ongeacht of zulks geschiedt overeenkomstig verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, of na het door het Hof op 3 december 1992 in zaak C-264/90, Wehrs, gewezen arrest;
2)
bij onderzoek van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 764/89 en 1639/91, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten, voor zover het producenten uitsluit die na 29 juni 1989 een bedrijf door erfopvolging of op soortgelijke wijze hebben verworven;
3)
gelet op deze antwoorden, behoeven de vierde, de vijfde en de zesde vraag niet te worden beantwoord.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) Verordening van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 13).
( 2 ) Verordening van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1).
( 3 ) Verordening van de Raad van 31 maart 1984 tol wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10).
( 4 ) Verordening (EEG) nr. 1109/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1988, L 110, blz. 27).
( 5 ) Verordening van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in e sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
( 6 ) De uitdrukking „SLOM” komt uit het Nederlands en betekent „Stopzetting Leveranties en Omschakeling Melkpro-duktie”.
( 7 ) Arrest van 28 april 1988, zaak 120/86, Jurispr. 1988, blz. 2321.
( 8 ) Arrest van 28 april 1988, zaak 170/86, Jurispr. 1988, blz. 2355.
( 9 ) Verordening van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1989, L 84, blz. 2).
( 10 ) Arrest van 11 december 1990, zaak C-189/89, Jurispr. 1990, blz. I-4539.
( 11 ) Arrest van 11 december 1990, zaak C-217/S9, Jurispr. 1990, blz. I-4585.
( 12 ) Zaak C-314/89, Jurispr. 1991, blz. I-1647.
( 13 ) Verordening van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1991, L 150, bLZ. 35).
( 14 ) Zaak C-264/90, Jurispr. 1992, blz. I-6285.
( 15 ) Arresi van 19 mei 1993, /.aak C-81/91, Jurispr. 1993, blz. I-2455.
( 16 ) Verordening van 19 juli 1993 houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivclproduklen (PB 1993, L 187, bl/.. 8).
( 17 ) Verordening van de Raad van 22 juli 1993 inzake hel vcrgoedingsvoorslel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB 1993, L 196, blz. 6).
( 18 ) Krachtens dit artikel wordt „als ‚producent’ aangemerkt:
—
de natuurlijke of rechtspersoon die een in de Gemeenschap gelegen landbouwbedrijf beheert, waarop rundvee wordt gehouden;
—
een groep natuurlijke of rechtspersonen die gemeenschappelijk landbouwprodukticmiddclcn gebruiken voor net gemeenschappelijk houden van rundvee op het grondgebied van de Gemeenschap”.
( 19 ) Zie bij voorbeeld de feiten in het arrest van 19 maart 1992, zaak C-84/90, Dcnt, Jurispr. 1992, blz. I-2009.
( 20 )
( 21 ) Dat is vooris de strekking van de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1078/77, waarin het heet: „Overwegende dat het bedrag van de premies zodanig moet worden vastgesteld dat deze als een zekere compensatie voor de inkomstenderving als gevolg van het niet in de handel brengen van de betrokken produkten kunnen worden beschouwd.”
( 22 ) Arrest van 13 februari 1979, zaak 101/78, Granaria, Jurispr. 1979, blz. 623, r. o. 4.
( 23 ) R. o. 15 en 16.
( 24 ) Zie bij voorbeeld J. Mcrtcns de Wilmars, „Annulation et appréciation de validité dans le traité CEE: convergence ou divergence?”, Mélanges H. Kutscher, 1981, blz. 283; G. Isaac, Droit communautaire général, blz. 296; R. Kovar, in Juris-dassenrs Europe, fascikel 362, punt 10, zevende alinea.
( 25 ) Arresten van 15 oktober 1980, zaak 4/79, Providence agricole de la Champagne, Jurispr. 1980, blz. 2823, r. o. 44; zaak 109/79, Maïseries de Beauce, Jurispr. 1980, blz. 2883, r. o. 44, en zaak 145/79, Roquette Frères, Jurispr. 1980, blz. 2917, r. o. 51.
( 26 ) Zie in die zin G. Isaac en R. Kovar, beiden reeds aangehaald.
( 27 ) Vaste rechtspraak sinds hel arrest van 13 mei 1981, zaak 66/80, International Chemical Corporation, Jurispr. 1981, blz. 1191, r. o. 13.
( 28 ) G. Isaac, reeds aangehaald, blz. 300, paragraaf 2.
( 29 ) Zie bij voorbeeld de drie arresten van 15 oktober 1980, reeds aangehaald, voetnoot 25.
( 30 ) Arrest van 30 oktober 1975, zaak 23/75, Rey Soda, Jurispr. 1975, blz. 1279.
( 31 ) Zie bij voorbeeld arresten van 12 juni 1980, zaak 130/79, Express Dairy Foods, Jurispr. 1980, blz. 1887, r. o. 14, en 26 april 1994, zaak C-228/92, Roquette Frères, Jurispr. 1994, blz. I-1445, r. o. 18.
( 32 ) Ingevoegd bij verordening (LEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivclprodukten (PB 1985, L 68, blz. 1).
( 33 ) Arresten van 19 oktober 1977, gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, „Quellmchl”, Jurispr. 1977, blz. 1753, r. o. 13, en gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1795, r. o. 28 en 29.
( 34 ) Arrest van 25 oktober 1978, gevoegde zaken 103/77 en 145/77, Royal Scholton-Honig, Jurispr. 1978, blz. 2037, r. o. 86. Zie naast de gedeeltelijk weergegeven arresten, in die zin ook de reeds genoemde arresten van 15 oktober 1980 (voetnoot 25) en het reeds genoemde arrest International Chemical Corporation, r. o. 16 (voetnoot 27).
( 35 ) Punien 62 c. v. en volgende van mijn conclusie.
( 36 ) Zaak C-44/89, Jurispr. 1991, blz. I-5119, r. o. 38-40 (cursivering van mij).
( 37 ) Ter terechtzitting werd erkend, dat de trustees de eigendom van de trust bij voorbeeld hadden kunnen verkopen teneinde de opbrengst van de verkoop te verdelen. De trustees konden het verzoek van J. Ecroyd om Lyvers Ocle te krijgen, niet inwilligen. Zoals zijn vertegenwoordiger ter terechtzitting erkende, had hij op dat tijdstip enkel een „putatief recht”.
( 38 ) Punten 62 e. v.
( 39 ) Punten 30-33.
( 40 ) R. o. 18.
( 41 ) R. o. 22.
Full & Egal Universal Law Academy