CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 28 september 1995 ( *1 )
1.
In deze zaak werd het Hof bij beschikking van het Tribunal Superior de Justicia de Canarias, kamer voor geschillen van bestuur te Las Palmas, verzocht om een prejudiciële uitspraak over de uitlegging van de artikelen 3, sub c, 5, 6, 30, 36, 52, 53, 56, 85 en 102, lid 1, EG-Verdrag in verband met een op de Canarische eilanden toepasselijke nationale regeling betreffende de handel in aardolieprodukten. Ik wil aanstonds opmerken, dat krachtens artikel 25 van de Toetredingsakte voor Spanje de verdragen en de besluiten van de instellingen van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn op de Canarische Eilanden, behoudens de in dat artikel, in artikel 155 en in het bij de Toetredingsakte gevoegde Protocol nr. 2 bepaalde afwijkingen. Ook wil ik erop wijzen, dat de Canarische eilanden in het douanegebied van de Gemeenschap zijn geïntegreerd bij verordening (EEG) nr. 1911/91 van de Raad van 26 juni 1991 ( 1 ), die hiervoor in een geleidelijke procedure voorziet.
I — Het geschil
2.
De vragen hangen samen met een beroep dat op 14 juli 1992 werd ingesteld door de naamloze vennootschap Esso Española, verzoekster in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter (hierna: „verzoekster”). Dat beroep strekt tot nietigverklaring van het op 23 april 1992 door het Departement industrie, handel en consumentenbescherming van de regering van de Canarische eilanden vastgestelde decreet 54/1992 ( 2 ). Dit decreet wijzigde decreet 36/1991 van 14 maart 1991 van het Departement industrie en energie van genoemde regering. ( 3 )
3.
Bij laatstgenoemd decreet werd de oude regeling van 1986 gewijzigd en een nieuwe regeling ingevoerd betreffende de werkzaamheden van groothandelaar in aardolieprodukten op de Canarische eilanden. Blijkens de verwijzingsbeschikking beoogde de nieuwe regeling van 1991 volgens het daarin bepaalde „te voorzien in passende waarborgen voor de energievoorziening van de [Autonome] Gemeenschap op het gebied van de aardolieprodukten, inzonderheid betreffende de minimumeisen inzake veiligheid en de technische en financiële betrouwbaarheid van de handelaars”; tevens werden bepaalde vereisten ingetrokken „die, als niet onontbeerlijk voor deze doelstellingen, de vrije mededinging in die sector kunnen beperken”. Artikel 14, lid 2, van het decreet van 1991 bepaalde, dat „de handelaars [in aardolieprodukten] minstens vijf eilanden van de archipel moeten bevoorraden”. Het aangevochten decreet 54/1992, waarbij decreet 36/1991 werd gewijzigd, zwakt het vereiste van artikel 14, lid 2, af en bepaalt dat „alle handelaars minstens vier eilanden van de Canarische archipel moeten bevoorraden”.
4.
Verzoekster, die haar maatschappelijke zetel in Madrid heeft en zich blijkens de dossierstukken aandient als sedert 23 juli 1987 overeenkomstig decreet 187/86 van 19 december 1986 ingeschreven in het register van groothandelaars in aardolieprodukten van de Canarische Eilanden, vordert nietigverklaring van decreet 54/1992 op grond van argumenten zowel van Spaans als van gemeenschapsrecht. De Comunidad Autónoma de Canarias vordert, dat het beroep wordt verworpen en het aangevochten decreet geldig wordt verklaard. De verwijzende rechter heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen voor te leggen.
5.
De verwijzingsbeschikking besteedt weinig woorden aan de feiten van de zaak, inzonderheid wat de plaatselijke markt van aardolieprodukten aangaat. De Commissie vermeldt in haar opmerkingen, dat op de Canarische eilanden tegenwoordig negen ondernemingen handel drijven in aardolieprodukten, waarvan er vijf door buitenlandse vennootschappen worden gecontroleerd — namelijk BP Oil, Esso, Mobil Oil, Shell en Texaco—, terwijl de vier overige —Dipsa, Cepsa, Ducar en Repsol — in Spaanse handen zijn. Het merendeel van deze ondernemingen bevoorraden meer dan vier eilanden van de archipel, behalve BP Oil, Ducar en verzoekster, die slechts op de grootste twee eilanden van de archipel actief zijn.
II — De prejudiciële vragen
6.
In het kader van het hierboven uiteengezette geschil heeft de kamer voor geschillen van bestuur van het Tribunal Superior de Justicia de Canarias, Las Palmas de Gran Canaria ( 4 ), bij beschikking van 4 januari 1994 het Hof om een antwoord op de navolgende prejudiciële vragen verzocht:
„1)
Ingeval een Lid-Staat voor de vestiging van groothandelaars in aardolieprodukten als voorwaarde stelt, dat zij een bepaald aantal plaatsen bevoorraden teneinde de bevoorrading of dekking van het gehele nationale grondgebied te waarborgen, en gelet op de aan een insulaire positie inherente problemen die in sommige Lid-Staten bestaan,
1) a)
is die voorwaarde een met het gemeenschapsrecht — te weten de artikelen 3, sub c, 52 en 53 van het Verdrag— onverenigbare beperking, in zoverre zij aan de verdragsbepalingen inzake het recht van vestiging hun nuttig effect ontneemt en niet ‚objectief noodzakelijk’ is om het beoogde doel te bereiken?
1) b)
is die voorwaarde een met de verdragsbepalingen inzake de bescherming van de vrije mededinging onverenigbare beperking, die de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag met betrekking tot de interne markt in gevaar kan brengen, en valt zij bijgevolg onder het verbod van artikel 85 gelezen in samenhang met de artikelen 5 en 6 van het Verdrag, en levert zij een schending op van de bepalingen van artikel 102, lid 1, van het Verdrag?
1) c)
is die voorwaarde een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag, die de handel tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt?
2)
Indien de in de eerste vraag bedoelde voorwaarde is te beschouwen als een beperking van het recht van vrije vestiging, is dan artikel 56 of het begrip ‚algemeen belang’ van toepassing, en zo ja onder welke voorwaarden, op situaties waarin het beginsel van gelijke voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van economische activiteiten anders dan in loondienst een rol speelt, en is bijgevolg het toezicht op de aan de Lid-Staten toegekende beoordelingsvrijheid een communautaire bevoegdheid of kan het door de rechterlijke instanties van de Lid-Staten worden uitgeoefend? Welke uitleggingscriteria moeten daarbij worden toegepast?
3)
Indien de in de eerste vraag bedoelde voorwaarde is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking, is zij dan onverenigbaar met het recht van vrij verkeer van goederen, of kan zij daarentegen worden beschouwd als een beperking die geoorloofd is uit hoofde van artikel 36 van het Verdrag of uit hoofde van de rechtspraak van het Hof inzake de ‚rule of reason’?”
Deze vragen hebben betrekking op de uitlegging van de artikelen 3, sub c, 5, 6, 30, 36, 52, 53, 56, 85 en 102, lid 1, van het Verdrag. Ik zal de vragen beantwoorden in de volgorde van deze artikelen, maar wil eerst enkele opmerkingen maken over de ontvankelijkheid ervan.
III — De ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
7.
In haar opmerkingen vraagt de Commissie zich af, of de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn, daar het aangevochten decreet 54/1992 bij een andere, in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing nietig is verklaard. De verwijzende rechter heeft het Hof bij brief van 15 juni 1994 namelijk meegedeeld, dat het bestreden decreet 54/1992 alsmede decreet 36/1991 bij beslissing van de kamer voor geschillen van bestuur van het Tribunal Superior de Justicia de Canarias, Santa Cruz de Tenerife, van 21 januari 1994 nietig zijn verklaard. In verband met het feit dat het beroep in de onderhavige bodemprocedure nu juist strekt tot nietigverklaring van decreet 54/1992, heeft verzoekster in een brief van 8 juni 1994 aan de verwijzende rechter op grond van de nietigverklaring van 21 januari 1994 gesteld, dat de prejudiciële verwijzing naar het Hof overbodig was geworden, en verzocht om intrekking ervan. Men kan zich bijgevolg afvragen, of het hoofdgeding al dan niet zonder voorwerp is geraakt en of in het kader van het concrete geschil een prejudiciële beslissing nog nodig is.
8.
In antwoord op desbetreffende vragen van het Hof heeft de verwijzende rechter bij brieven van 8 juli 1994 en 7 maart 1995 meegedeeld, zijn prejudiciële verzoek te handhaven. Hij gaf hiervoor in zijn eerste brief als reden op, dat de prejudiciële beslissing van grote betekenis was niet alleen voor de Canarische eilanden, maar voor het gehele nationale grondgebied. In zijn tweede brief bevestigt hij uitdrukkelijk, dat het geschil niet zonder voorwerp is geraakt. In het bijzonder benadrukt hij, enerzijds, dat tegen de nietigverklaring cassatieberoep is ingesteld bij het Spaanse Tribunal Supremo, en anderzijds, dat het nietigverklaringsarrest gebaseerd is op het nationale recht en niet op de in de prejudiciële vragen aan de orde gestelde bepalingen van gemeenschapsrecht. Hij voegt hier nog aan toe, dat in geval van tegenstrijdige beslissingen een recurso de unidad de doctrina bij het Tribunal Supremo kan worden ingesteld.
9.
De redenen van de verwijzende rechter voor handhaving van zijn prejudiciële verwijzing nemen hogergenoemde twijfels niet weg, zodat bij de bevoegdheid van het Hof in deze zaak enig voorbehoud moet worden gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof schept artikel 177 van het Verdrag het kader voor een nauwe samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof van Justitie, die is gebaseerd op een onderlinge taakverdeling waarbij het Hof de nationale rechter de aanwijzingen omtrent de uitlegging van het gemeenschapsrecht verstrekt die hij voor het wijzen van zijn vonnis nodig heeft. ( 5 ) In dat kader is het volgens de rechtspraak „uitsluitend een zaak van de nationale rechters aan wie een geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid dragen voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van hun vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die zij het Hof voorleggen”. ( 6 )
10.
Hoewel echter de beoordeling van de noodzaak en van de relevantie van de prejudiciële vragen in zeer ruime mate aan de nationale rechter is overgelaten, moet het Hof toch „in staat worden gesteld zelf alle elementen te beoordelen die verband houden met de vervulling van zijn eigen taak, met name om, zoals iedere rechterlijke instantie gehouden is te doen, zijn eigen bevoegdheid te toetsen”. ( 7 ) Al komt volgens de opzet van artikel 177 van het Verdrag de beoordeling van de noodzaak van een prejudiciële beslissing toe aan de nationale rechter, toch „staat het niettemin aan het Hof om ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid zo nodig een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd”. ( 8 ) Teneinde het Hof in staat te stellen, over zijn eigen bevoegdheid uitspraak te doen en aldus zijn taak overeenkomstig het Verdrag te vervullen, is het onontbeerlijk dat de nationale rechterlijke instanties uiteenzetten waarom zij een antwoord op hun vragen noodzakelijk achten voor de beslechting van het geschil. ( 9 ) Verder wil ik nog erop wijzen dat, zoals uit zijn rechtspraak blijkt, het Hof niet bevoegd is om over prejudiciële vragen uitspraak te doen, wanneer de procedure voor de verwijzende rechter reeds is afgesloten of zonder voorwerp is geraakt. ( 10 )
11.
Gelet op deze uitspraken en op het feit dat enerzijds het bestreden decreet bij een andere rechterlijke beslissing nietig is verklaard, en anderzijds verzoekster ten gevolge van die beslissing de verwijzende rechter om intrekking van de prejudiciële vragen heeft verzocht, verschaffen de antwoordbrieven van de nationale rechter het Hof niet alle gegevens die het nodig heeft om zijn eigen bevoegdheid te toetsen. In het bijzonder blijkt uit die antwoorden niet duidelijk, wat in het kader van het hoofdgeding precies de concrete noodzaak is van de gevraagde prejudiciële uitspraak. Met betrekking tot de eerste, door de verwijzende rechter aangegeven reden voor handhaving van zijn prejudiciële vragen kan worden volstaan met de opmerking, dat blijkens vaste rechtspraak artikel 177 het Hof niet opdraagt rechtsgeleerde adviezen te formuleren over algemene of hypothetische vraagstukken, maar het de bevoegdheid verleent, antwoord te geven op vragen die beantwoorden aan een objectieve behoefte aan werkelijke beslechting van een concreet geschil. ( 11 )
12.
Wat de andere redenen betreft, kan uit de brieven van de verwijzende rechter niet worden opgemaakt, wat de gevolgen voor derden zijn van de nietigverklaring van een decreet door de rechter, en evenmin of het beroep tegen het arrest van het Tribunal Superior de Justicia de Santa Cruz tijdig is ingesteld. Onduidelijk is ook de betekenis voor het onderhavige geschil van het feit, dat de gronden voor de uitgesproken nietigverklaring van het bestreden decreet losstaan van de in deze zaak gestelde vragen van gemeenschapsrecht, en van het feit, dat bij het Tribunal Supremo een recurso de unidad de doctrina openstaat waardoor een eventuele tegenstrijdigheid tussen beide beslissingen kan worden opgeheven.
13.
Ondanks al deze twijfels stel ik het Hof voor, de prejudiciële vragen ten gronde te beantwoorden omdat, in de eerste plaats, de zaak kennelijk nog steeds aanhangig is, nu niets erop wijst dat verzoekster van haar beroep zou hebben afgezien, in de tweede plaats, de verwijzende rechter uitdrukkelijk bevestigt dat het bij hem aanhangige geschil niet zonder voorwerp is geraakt ( 12 ) en, in de derde plaats, blijkens de rechtspraak het Hof zich ingevolge artikel 177 van het Verdrag niet mag uitspreken over de overwegingen die tot het verzoek om interpretatie hebben geleid. ( 13 )
IV — Ten gronde
De artikelen 30 en 36 van het Verdrag
14.
Met zijn vragen 1c en 3 wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de bestreden nationale bepaling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag betreffende het vrij verkeer van goederen, in het bijzonder met artikel 30, dat kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten verbiedt.
Volgens de welbekende formule van het Dassonville-arrest is „iedere handelsregeling die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren” ( 14 ) te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking. Op grond van de letter van de omstreden regeling kan bezwaarlijk worden volgehouden, dat zij ten nadele van ingevoerde produkten een discriminatie introduceert of de invoer van produkten uit andere Lid-Staten belemmert of beperkt.
15.
Maar volgens de Dassonville- en Cassis de Dij onrechtspraak ( 15 ) kunnen wettelijke bepalingen van het land van invoer ook buiten het geval van discriminatie op grond van de herkomst van de goederen in strijd zijn met artikel 30, indien zij de intracommunautaire handel belemmeren zonder dat dringende behoeften van algemeen belang dat noodzakelijk maken. In de zaak Keek en Mithouard ( 16 ) heeft het Hof de draagwijdte van deze rechtspraak evenwel beperkt en een onderscheid gemaakt tussen:
—
enerzijds, beperkende nationale voorschriften betreffende de voorwaarden (benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling, etc.) waaraan goederen uit andere Lid-Staten waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, moeten voldoen,
—
anderzijds, nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden en naar hun aard de intracommunautaire handel niet kunnen beïnvloeden omdat zij niet tot doel hebben de handel binnen de Gemeenschap te regelen.
16.
Met betrekking tot de eerste categorie nationale bepalingen heeft het Hof onder uitdrukkelijke verwijzing naar het Cassis de Dijon-arrest geoordeeld, dat deze bepalingen maatregelen van gelijke werking vormen, tenzij zij door een doel van algemeen belang gerechtvaardigd worden. ( 17 ) Wat de tweede categorie nationale bepalingen betreft, heeft het Hof geoordeeld, dat de toepassing ervan „de handel tussen de Lid-Staten niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren”, mits die bepalingen: a) van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en b) zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten. ( 18 )„Wanneer aan die voorwaarden is voldaan”, aldus het Hof, heeft „de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg (...), dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is”. ( 19 )
17.
In de onderhavige zaak gaat het om een nationale regeling die louter een voorwaarde stelt voor de uitoefening van de groothandel in een gebiedsdeel van een Lid-Staat. Zoals de Commissie in haar opmerkingen stelt, kan de bestreden bepaling derhalve niet worden opgevat als behorende tot de categorie nationale voorschriften die de verkoopmodaliteiten aan banden leggen, hoewel zij met die categorie een raakpunt heeft in die zin, dat haar doel niet de regeling van de intracommunautaire handel als zodanig is. Evenmin kan zij worden ingedeeld bij de categorie nationale voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan de goederen moeten voldoen. Met andere woorden, de bestreden bepaling valt onder geen van de twee in het Keek en Mithouard-arrest aangegeven categorieën. Per saldo is hier geen sprake van toepassing van een onderscheiden regeling naar gelang van de oorsprong van de produkten, noch van het ontbreken van harmonisatie van nationale wetgevingen betreffende de produktievoorwaarden en de aanbiedingsvorm van produkten. Toch gaat het bij de bestreden bepaling om een regeling die onder de noemer maatregel van gelijke werking in de zin van het reeds aangehaalde Dassonville-arrest zou kunnen vallen. Derhalve moet worden onderzocht, of een dergelijke nationale bepaling de intracommunautaire handel kan beïnvloeden.
18.
In de rechtspraak van het Hof komen tal van voorbeelden voor van maatregelen die naar zijn oordeel niet onder het verbod van artikel 30 van het Verdrag vallen wegens het ontbreken van iedere band met de invoer. ( 20 ) Zo besliste het Hof in het arrest Krantz ( 21 ), dat artikel 30 van het Verdrag zich niet verzet tegen een nationale regeling krachtens welke de staat beslag kan leggen op goederen die op afbetaling en met eigendomsvoorbehoud zijn verkocht, zelfs wanneer die goederen afkomstig zijn en eigendom zijn van een in een andere Lid-Staat gevestigde leverancier. In dat arrest stelde het Hof in de eerste plaats vast, dat de bestreden nationale bepaling „zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en ingevoerde goederen en niet tot doel heeft, het handelsverkeer met de andere Lid-Staten te regelen”, en vervolgens, dat „de mogelijkheid dat onderdanen van andere Lid-Staten minder geneigd zullen zijn goederen op afbetaling te verkopen aan kopers in de betrokken Lid-Staat, omdat de ontvanger beslag op die goederen zou kunnen leggen indien de kopers hun belastingschulden in Nederland niet betalen, (...) zo onzeker en indirect is, dat men van een nationale bepaling die dat beslag mogelijk maakt, niet kan zeggen dat zij de handel tussen de Lid-Staten belemmert”. ( 22 )
19.
De verwijzingsbeschikking bevat geen enkele indicatie, dat de bestreden bepaling van decreet 54/1992 de intracommunautaire handel beïnvloedt of kan beïnvloeden. Naar de letter roept zij, zoals gezegd, geen enkele discriminatie in het leven, noch ten opzichte van de marktdeelnemers die hun werkzaamheden volgens het nationale recht verrichten, noch wat de aard of de herkomst van de concrete produkten betreft. En volgens haar bewoordingen heeft de bestreden bepaling niet tot doel de intracommunautaire handel te regelen. Ter zake van de beperkende gevolgen die een dergelijke maatregel in de praktijk zou kunnen hebben voor het vrije verkeer van goederen bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt voor het aannemen van een voorspelbaar, logisch verband tussen de betrokken maatregel en het verloop van de intracommunautaire handel.
20.
De beperkende gevolgen die een dergelijke maatregel zou kunnen hebben, zijn volstrekt onzeker en indirect. Zoals gezegd, bevat de bestreden bepaling een vereiste met betrekking tot de uitoefening van de werkzaamheden van de marktdeelnemers die het betrokken produkt op het nationale grondgebied distribueren. Dit vereiste resulteert in een beperking van het aantal marktdeelnemers die hun concrete werkzaamheden in het gebied van de Canarische eilanden kunnen uitoefenen. Men zou dan ook kunnen menen, dat de beperking van het aantal marktdeelnemers een zekere daling van de invoer meebrengt. Maar het oorzakelijk verband tussen de beperking van het aantal marktdeelnemers en de daling van de invoer is zo al niet hypothetisch dan toch zo volstrekt indirect en eventueel, dat het geenszins een noodzakelijk verband betreft en dus niet bij wijze van vermoeden kan worden aangenomen. Bijgevolg heeft een nationale maatregel als de onderhavige geen werkelijke relatie met de invoer van de betrokken produkten en lijkt dus geen belemmering voor de intracommunautaire handel te kunnen vormen.
21.
Bijgevolg kan ook voor deze zaak de oplossing van het arrest Peralta worden gevolgd. Daarin heeft het Hof geoordeeld, dat artikel 30 van het Verdrag zich niet ertegen verzet, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat alle vaartuigen zonder onderscheid naar vlag verbiedt schadelijke chemicaliën in zijn territoriale wateren te lozen, dat dit verbod op volle zee enkel geldt voor onder nationale vlag varende vaartuigen en dat de kapiteins die onderdaan zijn van deze Lid-Staat, bij overtreding worden gestraft met schorsing van het recht van beroepsuitoefening. ( 23 ) In dat arrest heeft het Hof verklaard, dat „volstaan kan worden met vast te stellen, dat een wettelijke regeling als de onderhavige, geen onderscheid maakt naar de herkomst van de vervoerde goederen, dat zij niet tot doel heeft, het handelsverkeer met de andere Lid-Staten te regelen, en dat de beperkingen die zij voor het vrije verkeer van goederen teweeg zou kunnen brengen, zo onzeker en indirect zijn, dat men van de in de regeling vervatte verplichting niet kan zeggen, dat zij de handel tussen de Lid-Staten belemmert”. ( 24 )
22.
De verwijzende rechter stelt voorts de vraag aan de orde, of de bestreden bepaling, zo zij als maatregel van gelijke werking is te kwalificeren, als een geoorloofde beperking kan worden aangemerkt op grond van artikel 36 van het Verdrag of van de Cassis de Dijon-rechtspraak van het Hof die beperkende maatregelen toelaat indien ze hun rechtvaardiging vinden in dringende behoeften van algemeen belang. Gelet op het bovenstaande, behoeft op deze vraag niet te worden ingegaan.
23.
Ook al zou men echter oordelen dat de bestreden nationale bepaling binnen de werkingssfeer van artikel 30 valt, kan het vereiste van bevoorrading van minstens vier eilanden van de Canarische archipel nochtans op grond van de openbare veiligheid gerechtvaardigd worden geacht. De bestreden bepaling die dit vereiste oplegt in het kader van de distributieregeling voor aardolieprodukten, komt blijkens de verwijzingsbeschikking en de opmerkingen van de Commissie tegemoet aan de concrete noodzaak om de regelmatige voorziening met aardolieprodukten te verzekeren voor alle — en in het bijzonder voor de kleinere — eilanden van de archipel. Volgens de rechtspraak van het Hof kan de verzekering van de voorziening met aardolieprodukten van een Lid-Staat die niet over ruwe olie beschikt, beperkende maatregelen rechtvaardigen. In het arrest Campus Oil e. a. ( 25 ) heeft het Hof geoordeeld, dat „een Lid-Staat die voor zijn bevoorrading met aardolieprodukten geheel of nagenoeg geheel op importen is aangewezen, om redenen van openbare veiligheid in de zin van artikel 36 EG-Verdrag de importeurs de verplichting kan opleggen om een bepaald percentage van hun behoeften te dekken bij een op zijn grondgebied gevestigde raffinaderij door aankopen tegen prijzen die door de bevoegde minister zijn vastgesteld op basis van de exploitatiekosten van die raffinaderij, indien de produktie daarvan niet tegen concurrerende prijzen vrij op de betrokken markt kan worden afgezet”. Het heeft voorts geoordeeld, dat de bijzondere geopolitieke situatie van een Lid-Staat „maatregelen ter verzekering van een regelmatige voorziening van het land met ruwe olie en aardolieprodukten noodzakelijk maken”. ( 26 ) Bijgevolg kan het in de bestreden bepaling gestelde vereiste om redenen van algemeen belang en zeker van openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.
24.
Kortom, de verplichting voor de op de Canarische eilanden opererende groothandelaren in aardolieprodukten om minstens vier eilanden van die archipel te bevoorraden, levert mijns inziens geen schending op van artikel 30 van het Verdrag, enerzijds omdat zij geen enkel voorzienbaar beperkend gevolg voor de intracommunautaire handel heeft en anderzijds omdat — ook al zou dat wel zo zijn — de betrokken maatregel noodzakelijk is ter verzekering van de bevoorrading van dat gebied met aardolieprodukten.
De artikelen 3, sub c, 52, 53 en 56 van het Verdrag
25.
De verwijzende rechter vraag zich ook af, of het vereiste van bevoorrading van een minimumaantal eilanden verenigbaar is met de artikelen 3, sub c, 52 en 53 van het Verdrag. De artikelen 52 en 53 vormen de toepassing van het in artikel 3, sub c, van het Verdrag verankerde fundamentele beginsel, volgens hetwelk het optreden van de Gemeenschap in de zin van artikel 2 de afschaffing omvat van hinderpalen voor het vrij verkeer van personen. ( 27 ) Zij weerspiegelen twee verschillende aspecten van het verbod op beperkingen van het recht van vestiging van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Het verschil tussen deze twee artikelen is enkel hierin gelegen, dat artikel 52 de opheffing van bestaande beperkingen voorschrijft, terwijl artikel 53 de invoering van nieuwe beperkingen verbiedt. Dit onderscheid tussen beide artikelen is voor het antwoord op de betrokken prejudiciële vraag volstrekt irrelevant.
26.
Volgens de rechtspraak „kunnen de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging en de bepalingen van het afgeleide recht (...) uitsluitend ingeroepen worden door een onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap, die zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat wil vestigen, dan wel door een onderdaan van die staat die zich in een situatie bevindt die enig aanknopingspunt heeft met een van de in het gemeenschapsrecht bedoelde situaties”. ( 28 ) Zoals het Hof in het arrest Bekaert ( 29 ) heeft aangegeven, wanneer „de zaak in geen enkel opzicht buiten het nationale kader treedt, heeft dat met betrekking tot de vrijheid van vestiging tot gevolg, dat het gemeenschapsrecht niet van toepassing is”. Met andere woorden, de verdragsbepalingen inzake het recht van vestiging en, meer algemeen, inzake het vrij verkeer van personen zijn niet van toepassing op zuiver interne situaties van een Lid-Staat, dat wil zeggen wanneer het gaat om activiteiten die zich in al hun aspecten in één enkele Lid-Staat afspelen. ( 30 )
27.
Dat is het geval in de onderhavige zaak, die beperkt is tot het grondgebied van een enkele Lid-Staat. Uit het dossier blijkt niet van een of ander verband met omstandigheden die de toepassing van het gemeenschapsrecht kunnen rechtvaardigen. Blijkens het dossier is verzoekster opgericht naar Spaans recht en heeft zij haar maatschappelijke zetel in Spanje (Madrid). ( 31 ) Ook oefent zij haar werkzaamheden in dat land uit. Bovendien voert zij blijkens de verwijzingsbeschikking niet aan, dat de bestreden bepaling haar recht van vestiging in een andere Lid-Staat aantast, maar dat het vereiste van bevoorrading van minstens vier eilanden van de Canarische archipel een beletsel vormt voor de uitoefening van haar werkzaamheden in een ander gebied van dezelfde Lid-Staat. Bijgevolg bevindt zij zich in een uitsluitend door het nationale recht geregelde situatie en kan zij zich niet beroepen op de artikelen 52 en 53, die in casu niet van toepassing zijn.
28.
Hoe dan ook, gelet ook op het door de nationale rechter zelf in de verwijzingsbeschikking overwogene, is het aangevochten vereiste — bevoorrading van minstens vier eilanden van de archipel om op de Canarische eilanden de groothandel in aardolieprodukten te kunnen uitoefenen — niet in strijd met bovengenoemde artikelen, omdat het geen discriminatie op grond van nationaliteit teweegbrengt, nu het gelijkelijk van toepassing is op Spaanse onderdanen alsook op onderdanen van de overige Lid-Staten. Zoals bekend, „heeft artikel 52 tot doel, te verzekeren dat elke onderdaan van een Lid-Staat die zich, zij het ook secundair, in een andere Lid-Staat vestigt om aldaar werkzaamheden anders dan in loondienst te verrichten, aldaar als een eigen onderdaan wordt behandeld, en verbiedt het iedere discriminatie op grond van nationaliteit als een beperking van de vrijheid van vestiging”. ( 32 ) In de rechtspraak is dan ook erkend, dat het de Lid-Staten vrij staat om mits zij de regel van de gelijke behandeling in acht nemen, „waar het gaat om handelswerkzaamheden in de distributiesector, waarvoor nog geen gemeenschappelijke regels bestaan, regels vast te stellen voor respectievelijk de groot- en de kleinhandel en de criteria te bepalen voor het onderscheid tussen die twee distributievormen”. ( 33 )
29.
Het Hof heeft in een recente uitspraak weliswaar erkend, dat een nationale maatregel — ook indien toepasselijk zonder onderscheid naar nationaliteit — in strijd is met de artikelen 48 en 52, zodra hij de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden voor gemeenschapsonderdanen belemmert of minder aantrekkelijk maakt. ( 34 ) Dergelijke beperkende maatregelen kunnen slechts als verenigbaar met het vrije verkeer van personen worden beschouwd, indien zij een met het Verdrag verenigbaar doel nastreven en hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, voor zover dat belang niet reeds wordt gewaarborgd door de vigerende regeling van de Lid-Staat waar de gemeenschapsonderdaan is gevestigd en het zelfde resultaat niet door minder beperkende regels kan worden bereikt. ( 35 )
30.
Zelfs al zou de bestreden bepaling nu echter de vrije vestiging op de Canarische eilanden van ondernemingen van andere Lid-Staten die handel drijven in aardolieprodukten bemoeilijken, dan nog kan zij gelet op bovenstaande overwegingen niet in strijd met artikel 52 worden geacht. Zij vindt haar rechtvaardiging feitelijk immers in redenen van openbare veiligheid, in het bijzonder in de noodzaak de voorziening van het betrokken gebied met aardolieprodukten veilig te stellen.
De artikelen 5 en 85 van het Verdrag
31.
Met vraag 1b wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een nationale bepaling als de onderhavige al dan niet in overeenstemming is met de verplichtingen die voor een Lid-Staat voortvloeien uit artikel 5 en artikel 85 van het Verdrag. Om te beginnen wil ik erop wijzen, dat in de verwijzingsbeschikking niets wordt gezegd over de feitelijke achtergrond van de vraag, hetgeen twijfel oproept aangaande de ontvankelijkheid van deze vraag, bovenop de hiervoor reeds besproken twijfels. In dit verband heeft het Hof in zijn rechtspraak benadrukt, dat de noodzaak om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging te komen, vereist, dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst. Het Hof heeft zelfs onderstreept, dat deze eisen in het bijzonder gelden op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt. ( 36 )
32.
Vervolgens herinner ik eraan, dat artikel 85 van het Verdrag enkel ziet op de gedragingen van ondernemingen en geen betrekking heeft op de wettelijke of bestuurlijke bepalingen van de Lid-Staten. De gedragingen van laatstgenoemden kunnen enkel in bepaalde gevallen in de werkingssfeer komen van de mededingingsbepalingen van het Verdrag, namelijk in de gevallen bedoeld in de artikelen 90 en 92 van het Verdrag, waarvan de toepassingsvoorwaarden in casu kennelijk niet vervuld zijn. Niettemin brengen de artikelen 85 en 86 in combinatie met artikel 5 mee, dat de Lid-Staten geen maatregelen mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke concurrentieregels ongedaan kunnen maken. ( 37 )
33.
Dit kan het geval zijn, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt, of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen. ( 38 ) Blijkens de aangehaalde rechtspraak is voor de toepasselijkheid van artikel 85 juncto artikel 5, op de Lid-Staten vereist:
a)
een met artikel 85, lid 1, strijdige afspraak,
b)
een nationale bepaling die een dergelijke afspraak oplegt, vergemakkelijkt of begunstigt.
34.
In het onderhavige geval nu zijn deze voorwaarden niet vervuld. De verwijzingsbeschikking bevat namelijk niets dat erop zou wijzen, dat in de betrokken sector vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling afspraken of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestonden. Bovendien komt uit de verwijzingsbeschikking of de bij het Hof ingediende opmerkingen niet naar voren, dat de litigieuze bepaling tot doel had de totstandkoming van afspraken of de uitvoering van nieuwe onderling afgestemde feitelijke gedragingen op te leggen of te begunstigen. Integendeel, de bestreden bepaling vindt haar rechtvaardiging in redenen van openbare veiligheid. Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft bevestigd, werd geen enkele met de communautaire concurrentiebepalingen strijdige gedraging vastgesteld. Derhalve kunnen de artikelen 85 en 5 van het Verdrag niet in de weg staan aan een nationale bepaling als de onderhavige. Van deze bepaling kan niet worden gezegd, dat zij de gevolgen van een bestaande afspraak versterkt of concurrentiebeperkende gedragingen oplegt dan wel begunstigt.
35.
Men zou eventueel nog kunnen stellen, dat de bestreden bepaling de mededinging verhindert omdat zij, door diegenen uit te sluiten die technisch of financieel niet in staat zijn minstens vier eilanden te bevoorraden, het aantal marktdeelnemers dat op de Canarische eilanden de groothandel in aardolieprodukten mag uitoefenen, beperkt. Echter, behalve dat de bepaling zoals gezegd haar rechtvaardiging vindt in het veiligstellen van de energiebehoefte van de archipel, kan het bepaalde in artikel 85, lid 1, van het Verdrag alleen dan worden toegepast, wanneer de met de mededinging strijdige gedragingen die uit een nationale bepaling voortvloeien, de handel tussen de Lid-Staten nadelig kunnen beïnvloeden. ( 39 ) Het dossier bevat geen enkel element dat wijst op een eventuele nadelige beïnvloeding van de handel tussen de Lid-Staten in deze zaak.
36.
Bijgevolg moet op deze vraag worden geantwoord, dat een nationale bepaling als de in geding zijnde, volgens welke de handelaars in aardolieprodukten in een bepaald insulair gebied een minimumaantal eilanden moeten bevoorraden, in overeenstemming is met de verplichtingen die op de Lid-Staten rusten krachtens de artikelen 5 en 85 EG-Verdrag.
Artikel 102, lid 1, van het Verdrag
37.
Artikel 102, lid 1, bepaalt: „Wanneer er aanleiding bestaat te vrezen dat de vaststelling of de wijziging van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling een distorsie in de zin van het voorgaande artikel veroorzaakt, raadpleegt de Lid-Staat, die daartoe wil overgaan, de Commissie. Na de Lid-Staten te hebben geraadpleegd, beveelt de Commissie de betrokken staten passende maatregelen aan om deze distorsie te voorkomen.” Deze bepaling, die deel uitmaakt van het hoofdstuk „De aanpassing van de wetgevingen”, vult het correctiemechanisme van artikel 101 van het Verdrag aan met een preventieve procedure die ervoor moet zorgen, dat de dispariteiten tussen de nationale wetgevingen niet groter worden, om zodoende distorsies in de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt te vermijden.
De bij deze bepaling ingestelde procedure bestaat in de verplichting de Commissie te raadplegen. Het initiatief tot deze raadpleging berust bij de Lid-Staat die de betrokken maatregel wenst te nemen, en het verzuim van deze raadpleging kan als een inbreuk in de zin van artikel 169 van het Verdrag worden aangemerkt. De nationale rechter is bijgevolg niet bevoegd om een nationale regeling aan deze bepaling te toetsen.
38.
Voorts zij benadrukt, dat het Hof in het bekende arrest Costa ( 40 ) heeft uitgemaakt, dat artikel 102 niet rechtstreeks toepasselijk is, omdat het voor de burgers geen rechten schept die de nationale rechters moeten handhaven. Meer bepaald heeft het Hof geoordeeld, dat „de Lid-Staten [door deze bepaling] hun handelingsvrijheid hebben beperkt, door zich vrijwillig aan een consultatieve procedure te onderwerpen; dat de Lid-Staten door zich uitdrukkelijk te verplichten de Commissie vooraf te raadplegen in elk geval waarin hun ontwerpen van wetgeving een — zij het slechts gering — gevaar voor distorsies kunnen doen ontstaan, derhalve ten opzichte van de Gemeenschap een verbintenis op zich hebben genomen, die hen in hun hoedanigheid van staten bindt, doch die voor de burgers geen rechten schept, welker handhaving aan de nationale rechters kan worden gevraagd. Dat de Commissie harerzijds gehouden is op de naleving van dit artikel toe te zien, doch dat deze verplichting de burgers niet het recht geeft zich, in het kader van het gemeenschapsrecht, via artikel 177 op een verzuim van de betrokken staat of van de Commissie te beroepen.”
Ten overvloede wijs ik er nog op, dat het dossier niets bevat waaruit kan worden opgemaakt, dat de bestreden bepaling distorsies van de mededinging op de interne markt kan veroorzaken. Integendeel, de Commissie stipte in haar opmerkingen aan, dat volgens haar gegevens de bestreden bepaling geen distorsie schijnt te hebben teweeggebracht.
V — Conclusie
39.
Mitsdien geeft ik het Hof in overweging, de vraag van het Tribunal Superior de Justicia de Canarias als volgt te beantwoorden:
„De artikelen 3, sub c, 30, 52, 53, 85, gelezen in samenhang met de artikelen 5 en 102, lid 1, EG-Verdrag staan niet in de weg aan een wettelijke regeling van een Lid-Staat die voorschrijft, dat de handelaars in aardolieprodukten die in een bepaald insulair gebied van die Lid-Staat werkzaam zijn, een minimumaantal eilanden moeten bevoorraden.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) Verordening betreffende de toepassing van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht op de Canarische eilanden (PB 1991, L 171, biz. 1).
( 2 ) Boletín Oficiul de Canaries van 27 mei 1992.
( 3 ) Boletín Oficiat de Canarias van 17 mei 1991.
( 4 ) PB 1994, C 202, biz. 6.
( 5 ) Zie onder meer arresten van 21 april 1988 (zaak 338/85, Pardini, Jurispr. 1988, blz. 2041, r. o. 8) en 16 juni 1981 (zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r. o. 6).
( 6 ) Zìe in het bijzonder arresten van 16 juli 1992 (zaak C-67/91, Asociación Española de Banca Privada e. a., Jurispr. 1992, blz. I-4785, r. o. 25 en 26), 3 maart 1994 (gevoegde zaken C-332/92, C-333/92 en C-335/92, Euroco Italia e. a., Jurispr. 1994, blz. I-711, r. o. 17), 18 juni 1991 (zaak 0-369/89, Piagéme e. a., Jurispr. 1991, blz. I-2971, r. o. 10), 8 november 1990 (zaak C-231/89, Gmurzynska-Bsclier, Jurispr. 1990, blz. I-4003, r. o. 19), 16 juli 1992 (zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r. o. 15), 6 juli 1992 (zaak C-62/93, BP Soupergaz, Jurispr. 1995, blz. I-1883, r. o. 10) cn 15 juni 1995 fgevocgde zaken C-422/93, C-423/93 cn C-424/93, Zabaia Erasun c. a., Jurispr. 1995, blz. I-1567, r. o. 14).
( 7 ) Zic arrest Zabala Erasun e. a., reeds aangehaald (r. o. 16) cn arrest van 16 december 1981 (zaak 244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045, r. o. 19).
( 8 ) Zic de reeds aangehaalde arresten Žabala Erasun c. a. (r. o. 17) cn Foglia (r. o. 21).
( 9 ) Zic de reeds aangehaalde arresten Foglia (r. o. 17) cn Lourenço Dias (r. o. 19). Zie ook arrest van 12 juni 1986 (gevoegde zaken 98/85, 162/85 en 285/85, Bcrtini c. a., Jurispr. 1986, blz. 1885, r. o. 6).
( 10 ) Zie de reeds aangehaald arresten Pardini (r. o. 11) cn Zabala Erasun c. a. (r. o. 30). Zic ook arrest van 26 februari 1992 (zaak C-3/90, Bernini, Jurispr. 1992, blz. I-1071, r. o. 11).
( 11 ) Zìe de reeds aangehaalde arresten Foglia (r. o. 18) en Zabala Erasun e. a. (r. o. 29).
( 12 ) Zie a contrario het arrest Zabala Erasun e. a., reeds aangehaald, waarin het Hof verklaarde niet bevoegd te zijn om over prejudiciële vragen uitspraak te doen wanneer de verwijzende rechter niet heeft geverifieerd, of de bij hem aanhangige procedure al dan niet is doorgehaald.
( 13 ) Arrest Salonia, reeds aangehaald (r. o. 6).
( 14 ) Arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r. o. 5).
( 15 ) Arrest van 20 februari 1979 (zaak 120/78, Rewe-Zcntral of „Cassis de Dijon”, Jurispr. 1979, blz. 649).
( 16 ) Arrest van 24 november 1993 (gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Jurispr. 1993, blz. I-6097).
( 17 ) R. o. 15 van het arrest Keek en Mithouard, reeds aangehaald.
( 18 ) R. o. 16 van het arrest Keek en Mithouard.
( 19 ) R. o. 17 van het arrest Keek en Mithouard.
( 20 ) Zie onder meer de arresten van 14 juli 1981 (zaak 155/80, Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993), 31 maart 1982 (zaak 75/81, Blesgen, Jurispr. 1982, blz. 1211), 11 juli 1990 (zaak 23/89, Quietlynn en Richards, Jurispr. 1990, blz. I-3059) en 7 mei 1991 (C-350/89, Sheptonhurst, Jurispr. 1991, blz. I-2387).
( 21 ) Arrest van 7 maart 1990 (zaak C-69/88, Jurispr. 1990, blz. I-583).
( 22 ) Arrest Krantz, reeds aangehaald (r. o. 11).
( 23 ) Arrest van 14 juli 1994 (zaak C-379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. I-3453).
( 24 ) R. o. 24 van het arrest Peralta, reeds aangehaald. Zie ook arrest van 13 oktober 1993 (zaak C-93/92, CMC Motorradcenter, Jurispr. 1993, blz. I-5009, r. o. 12).
( 25 ) Arrest van 10 juli 1984 (zaak 72/83, Jurispr. 1984, blz. 2727, r. o. 51).
( 26 ) Arrest van 13 december 1990 (zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4747, r. o. 47).
( 27 ) Zie arresten van 15 oktober 1987 (zaak 222/86, Heylens e. a., Jurispr. 1987, blz. 4097, r. 0.8), 7 juli 1992 (zaak C-370/90, Singh, Jurispr. 1992, blz. I-4265, r. o. 15) en 31 maart 1993 (zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. I-1663, r. o. 29).
( 28 ) Arrest van 25 juni 1992 (zaak C-147/91, Ferrer Laderer, Jurispr. 1992, blz. I-4097, r. o. 7). Zie ook arresten van 7 februari 1979 (zaak C-115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399, r. o. 24) en 3 oktober 1990 (zaak C-61/89, Bouclioucha, Jurispr. 1990, blz. I-3551, r. o. 13), en het arrest Kraus, reeds aangehaald (r. o. 15).
( 29 ) Arrest van 20 april 1988 (zaak 204/87, Jurispr. 1988, blz. 2029, r. o. 12). Zie ook het arrest van 3 oktober 1990 (gevoegde zaken C-54/88, C-91/88 en C-14/89, Nino, Jurispr. 1990, blz. I-3537, r. o. 11).
( 30 ) Zie de rechtspraak betreffende artikel 48, zoals arresten van 27 oktober 1982 (gevoegde zaken 35/82 en 36/82, Morson en Jhanjan, Jurispr. 1982, blz. 3723, r. o. 16), 28 januari 1992 (zaak C-332/90, Steen, Jurispr. 1992, blz. I-341, r. o. 5, 9 en 10) en 15 januari 1986 (zaak 44/84, Hurd, Jurispr. 1986, blz. 29, r. o. 55 en 56), en de reeds aangehaalde arresten Kraus (r. o. 15 en 16) en Peralta (r. o. 27). Zie ook arrest van 28 maart 1979 (zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, blz. 637, r. o. 12).
( 31 ) Volgens de criteria van artikel 58 van het Verdrag moet verzoekster bijgevolg als een Spaanse vennootschap worden aangemerkt.
( 32 ) Arrest Bekaert (reeds aangehaald, r. o. 11). Zie ook arresten van 28 januari 1986 (zaak 270/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz.273, r. o. 14), 12 februari 1987 (zaak 221/85, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 719, r. o. 10) en 12 november 1987 (zaak 198/86, Conradi, Jurispr. 1987, blz. 4469, r. o. 9).
( 33 ) Zie arrest Conradi, reeds aangehaald (r. o. 10).
( 34 ) Zie arrest Kraus, reeds aangehaald (r. o. 32).
( 35 ) Arrest Kraus (r. o. 32). Zie ook arrest van 20 mei 1992 (zaak C-106/91, Ramrath, Jurispr. 1992, blz. I-3351, r. o. 29-32).
( 36 ) Zie arrest van 26 januari 1993 (gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo, Jurispr. 1993, blz. I-393, r. o. 6 en 7) en beschikkingen van 19 maart 1993 (zaak C-157/92, Banchere., Jurispr. 1993, blz. I-1085, r. o. 6 en 5) en 26 april 1993 (zaak C-386/92, Monin Automobiles, Jurispr. 1993, blz. I-2049, r. o. 7 en 8).
( 37 ) Zie onder meer de drie arresten van 17 november 1993 (zaak C-2/91, Meng, Jurispr. 1993, blz. I-5751, r. o. 14; zaak C-185/91, Reiff, Jurispr. 1993, blz. I-5801, r. o. 14, en zaak C-245/91, Ohra Schadeverzekeringen, Jurispr. 1993, blz. I-5851, r. o. 10). Zie ook arresten van 16 november 1977 (zaak 13/77, INNO, Jurispr. 1977, blz. 2115, r. 0.32, 33 en 42), 21 september 1988 (zaak 267/86, Van Eycke,, Jurispr. 1988, blz. 4769, r. o. 16), 23 april 1991 (zaak C-41/90, Höfner en Eiser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r. o. 26 en 27) en 19 maart 1992 (zaak C-60/91, Batista Morais, Jurispr. 1993, blz. I-2085, r. o. 11), en het arrest Peralta, reeds aangehaald.
( 38 ) Zie de in voetnoot 37 aangehaalde airesten.
( 39 ) Zie arrest Batista Morais, reeds aangehaald (r. o. 12).
( 40 ) Arrest van 15 juli 1961 (zaak 6/64, Jurispr. 1964, blz. 1199).
Full & Egal Universal Law Academy