CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. FENNELLY
van 26 oktober 1995 ( *1 )
I — Inleiding
1.
De vraag of een tamme Canadese gans, een soort die aanvankelijk als siervogel in Engeland is ingevoerd, ingevolge de Europese richtlijn inzake het behoud van de vogelstand ( 1 ) is beschermd en of de vogel in kwestie moet behoren tot een in Europa niet in het wild voorkomende dwergvariëteit, vormt de ongewone achtergrond van de onderhavige prejudiciële verwijzing door een Franse rechter. Voor de eerste keer wordt het Hof verzocht om een uitspraak over de toepassing van de richtlijn op in gevangenschap opgekweekte vogels en over de bevoegdheid van een Lid-Staat om strengere beschermingsmaatregelen vast te stellen dan de richtlijn voorschrijft.
II — De feiten en het procesverloop in het hoofdgeding
2.
Volgens de verklaring van zijn raadsman ter terechtzitting is D. Vergy, verweerder in het hoofdgeding, een landbouwer die is gespecialiseerd in de kweek van eendachtigen, waaronder siervogels die hij levert aan openbare en particuliere parken, met name aan de stad Parijs; deze vogels zijn allemaal geboren en opgekweekt op zijn boerderij. Uiteraard kan de nationale rechter deze en andere relevante feiten verifiëren. Vergy wordt ervan verdacht op 17 maart 1992 te Landes-sur-Ajonc een levende vogel van een bij de Franse Code rural en het ministerieel besluit van 17 april 1981 beschermde soort te koop te hebben aangeboden en te hebben verkocht. Volgens de verwijzingsbeschikking was de betrokken vogel een Canadese zwarte gans („bernache noir du Canada”), hoewel twijfel is gerezen over de bepaling van de soort door de nationale rechter; vaststaat in elk geval, dat de betrokken Canadese gans in gevangenschap is geboren en opgekweekt.
3.
De Canadese gans of Branta canadensis behoort tot de Anatidae-familie, beter bekend als eendachtigen. Naast de Canadese gans komen in Europa nog drie andere soorten Branta in het wild voor: de brandgans (Branta leitcopsis), de rotgans {Branta bermela) en de roodhalsgans {Branta ruficollis). ( 2 ) Volgens een gezaghebbende bron heeft
de Canadese gans de volgende kenmerken: „(zeer) vatbaar voor invloed van de mens. Ontdekt snel waar het veilig is, en gaat zich daar vestigen. Tamme of verwilderde dieren vestigen zich gemakkelijk midden in grootsteden als Londen of bij vijvers in landelijke parken.” ( 3 ) Het is de grootste gans die in Europa voorkomt, met een zeer kenmerkende kleur; de soort komt voor in verschillende Lid-Staten, waaronder Frankrijk. ( 4 )
4.
De bepaling van de soort waartoe de vogel behoort, leek wel wat op een zoektocht naar een witte raaf, ware het niet dat het hier om een zwarte gans gaat. De omschrijving als „bernache noir (sic) du Canada” in de verwijzingsbeschikking beantwoordt aan geen enkele in de vogeltaxonomie bekende ondersoort; ofschoon zij verschillende mogelijke alternatieven aanbrengen, zijn zowel de Franse regering als de Commissie van mening, dat het in het onderhavige geval voor de uitlegging van de richtlijn niet nodig is te bepalen, tot welke ondersoort de in beslag genomen vogel behoort. Ter terechtzitting stelde verweerders raadsman, dat de verkochte vogel een Canadese dwerggans (Branta canadensis minima) was, een ondersoort van de Canadese gans die nergens op het Europese grondgebied van de Lid-Staten in het wild voorkomt. Hij stelde — en dit is mijns inziens aannemelijk — dat het woord „noir” in de verwijzingsbeschikking (dat, wellicht, ten minste „noire” had moeten zijn) een tikfout is, en dat het juiste woord „naine” is.
5.
In een dergelijke procedure is de bepaling van de soort waartoe de vogel behoort, natuurlijk een feitenkwestie, waarvoor de nationale rechter bevoegd is; daarentegen moet het Hof uitmaken, welke verplichtingen krachtens de richtlijn op de Lid-Staten rusten. Als ik het goed begrijp, is de Canadese gans (Branta canadensis) een polytypische soort, d. w. z. een soort die een zodanige geografische variatie vertoont, dat twee of meer ondersoorten worden erkend. ( 5 ) Als een van de „op het Europese grondgebied van de Lid-Staten natuurlijk in het wild levende vogelsoorten” is de Canadese gans in beginsel door de richtlijn beschermd. ( 6 )
6.
Volgens verweerder in het hoofdgeding is de betrokken nationale regeling onverenigbaar met de richtlijn, artikel 30 EG-Verdrag, de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dieren plantesoorten van 3 maart 1973 (hierna: „de Overeenkomst van Washington”) ( 7 ) en verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dieren plantesoorten (hierna: „verordening nr. 3626/82”). ( 8 )
7.
Bij beschikking van 22 maart 1994 stelde het Tribunal de grande instance de Caen het Hof de volgende prejudiciële vragen:
„1)
Moet richtlijn 79/409 van de Raad van 2 april 1979, met name de artikelen 1, 2, 5 en 6 daarvan, aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten toestaat een regeling in te voeren die de verhandeling beperkt of verbiedt van vogels van een soort die in de bijlagen bij die richtlijn niet wordt genoemd?
2)
Is het voor het antwoord op die vraag van belang, dat bedoelde vogels in gevangenschap zijn geboren en opgekweekt en dat bedoelde soort zijn natuurlijk leefgebied niet heeft in het betrokken land?”
III — De nationale regeling
8.
Artikel L. 211-1 van de Code rural verbiedt onder meer het vervoer, de colportage, het gebruik, het te koop aanbieden, de koop en de verkoop van dieren die geen huisdieren zijn en waarvan een bijzonder wetenschappelijk belang of de noodzaak om het nationaal biologisch erfgoed te bewaren, het behoud rechtvaardigt. Overeenkomstig artikel R. 211-1 van de Code rural wordt de lijst van beschermde diersoorten gezamenlijk opgesteld door de voor natuurbescherming bevoegde minister en de minister van Landbouw. De betrokken lijst is vastgesteld bij het ministerieel besluit van 17 april 1981 ( 9 ), dat onder meer de vangst, het te koop aanbieden, de koop en de verkoop van „Bernache (Branta sp.)” verbiedt. De Franse regering deelde het Hof mee, dat de term „Branta sp.” alle Branta-soorten omvat.
IV — Richtlijn 79/409
9.
De richtlijn gaat er volgens de tweede overweging van de considerans vanuit, dat „een groot aantal in het wild levende soorten op het grondgebied van de Gemeenschap een achteruitgang van hun populatie vertonen” ( 10 ), en dat deze achteruitgang „een ernstige bedreiging vormt voor het behoud van het natuurlijk milieu, met name wegens het biologisch evenwicht dat hierdoor wordt bedreigd”. Een doeltreffende vogelbescherming wordt gezien als „een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk (...) dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid impliceert”, in het bijzonder met betrekking tot trekvogels, die een „gemeenschappelijk erfgoed” vormen (derde overweging van de considerans). Als doelstelling van dit behoud wordt genoemd „de bescherming op lange termijn en het beheer van de natuurlijke bronnen als integrerend deel van het erfgoed van de Europese volkeren” en „het behoud en de aanpassing van het natuurlijke evenwicht van de soorten binnen de grenzen van hetgeen redelijkerwijze mogelijk is” (achtste overweging van de considerans).
10.
De werkingssfeer van de richtlijn wordt omschreven in artikel 1, lid 1:
„Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.”
11.
De richtlijn geeft geen opsomming van de in het wild levende vogelsoorten die onder haar bepalingen vallen, maar strekt haar bescherming uit tot „alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten” in Europa, behoudens bepaalde uitzonderingen (zie de artikelen 6, leden 2-4, 7 en 9). De aldus beschermde vogelsoorten zal ik aanduiden als „beschermde soorten”. ( 11 )
12.
De richtlijn legt een aantal algemene verplichtingen op betreffende de handhaving van de populatieniveaus van beschermde soorten en de bescherming, de instandhouding en het herstel van hun leefgebieden (artikelen 2 en 3). De daarna volgende bepalingen bevatten meer specifieke verplichtingen betreffende de bescherming van bedreigde soorten en trekvogelsoorten (artikel 4) en de bescherming van in het wild levende vogels en hun eieren in het algemeen, met inbegrip van een verbod op het verhandelen van in het wild levende vogels en beperkingen van de jacht op vogels van beschermde soorten (artikelen 5-8).
13.
In het bijzonder verplicht artikel 5 de Lid-Staten „de nodige maatregelen [te nemen] voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name (...) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen” (artikel 5, sub e). Artikel 6 verbiedt de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van herkenbare delen van deze vogels, behoudens bepaalde uitzonderingen. De Lid-Staten mogen, „indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat”, om de redenen en onder de restrictieve voorwaarden genoemd in artikel 9 afwijken van de verbodsbepalingen van de artikelen 5 en 6; één van de redenen is de teelt van wilde vogels „voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten” (artikel 9, lid 1, sub b).
14.
De richtlijn heeft vijf bijlagen, waarvan er drie verder zijn onderverdeeld, bijlagen II en IV in twee delen, bijlage III in drie; alleen de bijlagen II en III zijn hier van belang. Bijlage II vermeldt de soorten waarop overeenkomstig de bepalingen van de nationale wetgeving mag worden gejaagd, hetzij in de gehele geografische zone waar de richtlijn van toepassing is (bijlage II/1), hetzij in bepaalde Lid-Staten (bijlage II/2). De handel in vogelsoorten die anders krachtens artikel 6, lid 1, verboden is, is toegestaan voor de in bijlage III/1 vermelde soorten, „indien de vogels op geoorloofde wijze zijn gedood of gevangen of op andere geoorloofde wijze zijn verkregen” (artikel 6, lid 2). De Lid-Staten kunnen die handel in beperktere omstandigheden toestaan voor de soorten genoemd in bijlage III/2 (artikel 6, lid 3). De Commissie moet studies verrichten over de biologische status van de in bijlage III/3 genoemde soorten, met het oog op de eventuele opname ervan in bijlage III/2; in afwachting van een besluit dienaangaande van het Comité voor de aanpassing van de richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang kunnen de Lid-Staten de bestaande nationale regelingen toepassen, onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 3.
15.
Volgens het op zichzelf staande artikel 14 kunnen de Lid-Staten „beschermingsmaatregelen treffen die strenger zijn dan in deze richtlijn wordt voorgeschreven”. Geen van de overwegingen van de considerans werpt enig licht op de bedoeling of werkingssfeer van dit artikel.
V — Behandeling van de prejudiciële vragen
16.
De Franse regering en de Commissie hebben schriftelijke en mondelinge opmerkingen gemaakt, terwijl verweerder in het hoofdgeding ter terechtzitting mondelinge opmerkingen heeft gemaakt.
1) De eerste vraag — de werkingssfeer van de richtlijn
17.
De eerste vraag van de nationale rechter betreft de toepassing van de beschermingsbepalingen van de richtlijn op vogels van niet in de bijlagen genoemde soorten. De bedoeling van deze vraag is niet meteen duidelijk, daar alle vermelde artikelen in de eerste plaats verplichtingen opleggen. Alleen artikel 6 houdt een toelating in. Voorts houden deze verbodsbepalingen geen verband met een van de lijsten in de bijlagen en wordt niet naar artikel 14 verwezen. Het Hof dient de prejudiciële vragen evenwel aldus op te vatten, dat het een antwoord kan geven dat de nationale rechter kan helpen om de bij hem aanhangige zaak te beslechten.
18.
De Franse regering merkt allereerst op, dat anders dan uit de verwijzingsbeschikking blijkt, de Canadese gans wel voorkomt in de bijlagen bij de richtlijn, namelijk in bijlage II/1, en dat de vraag derhalve aldus moet worden geherformuleerd, dat wordt gevraagd, of de artikelen 1, 2, 5 en 6 van de richtlijn een Lid-Staat toestaan een regeling in te voeren die de verhandeling van Canadese ganzen beperkt of verbiedt. Volgens artikel 1 beschermt de richtlijn alle in Europa natuurlijk in het wild levende vogelsoorten, en de Canadese gans is onbetwistbaar een van die soorten. Bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling dat de bijlagen enkel betrekking hebben op een bepaalde ondersoort, ras of populatie, concludeert de regering, dat zij zien op de gehele soort, met inbegrip van alle ondersoorten, rassen en populaties. Hoewel de omschrijving „Canadese zwarte gans” niet beantwoordt aan enige in de gespecialiseerde literatuur erkende ondersoort, heeft de nationale rechter wellicht willen verwijzen naar de Branta canadensis fulva. Dit is hoe dan ook van geen belang voor het antwoord op de vraag, daar alle in het wild levende of gevangen Canadese ganzen door de richtlijn worden beschermd.
19.
Voorts wijst de Franse regering erop, dat de Canadese gans niet voorkomt op de lijsten van bijlage III bij de richtlijn en dus valt onder het in artikel 6, lid 1, gestelde verbod om wilde vogels te verhandelen. Dat deze soort voorkomt in bijlage II/1 maar niet in bijlage III, toont duidelijk aan, dat de richtlijn de handel in vogels van deze soort wil verbieden. Uit de rechtspraak van het Hof, en met name het arrest van 8 juli 1987 ( 12 ), blijkt duidelijk, dat de in artikel 2 van de richtlijn bedoelde economische en recreatieve eisen elders in de richtlijn in aanmerking worden genomen en geen afwijkingen van de bij artikel 6 opgelegde specifieke verplichtingen kunnen rechtvaardigen. Al deze argumenten van de Franse regering moeten uiteraard worden gezien tegen de achtergrond van haar opvatting in verband met de tweede vraag, namelijk dat de richtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels.
20.
De Commissie stelt, dat de werkingssfeer van de richtlijn niet beperkt is tot de in de bijlagen vermelde soorten, maar dat zij is bepaald in artikel 1, dat het heeft over alle in het wild levende soorten, met inbegrip van ondersoorten van onder de richtlijn vallende soorten. Daar er geen ondersoort „Canadese zwarte gans” bestaat, vermoedt de Commissie, dat de nationale rechter de Branta bermcla nigricans of de Branta canadensis occidentalis bedoelde; de vogel behoort in beide gevallen tot een soort die de Lid-Staten volgens de richtlijn moeten beschermen.
Conclusie betreffende de eerste vraag
21.
De vraag, of de richtlijn alle ondersoorten van een bepaalde beschermde soort beoogt te beschermen, ongeacht of de ondersoort in Europa in het wild voorkomt, vormt de kern van de zaak Van der Feesten; in de conclusie die ik vandaag in die zaak neem, geef ik het Hof in overweging te verklaren, dat de richtlijn slechts van toepassing is op tot beschermde soorten behorende ondersoorten die op het Europese grondgebied van de Lid-Staten in het wild leven. ( 13 ) Indien het Tribunal de grande instance van oordeel is, dat de vogel waarvan de verkoop tot de onderhavige procedure heeft geleid, behoort tot een ondersoort die in Europa niet in het wild voorkomt, en het Hof mijn conclusie in de zaak Van der Feesten volgt, is de richtlijn niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding. In dat geval moeten de Franse bepalingen worden getoetst aan artikel 30 van het Verdrag. ( 14 ) Dienaangaande heeft de nationale rechter in deze zaak evenwel geen vragen gesteld.
22.
Aangenomen dat de richtlijn relevant is voor de uitkomst van het hoofdgeding, kan het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter, die niet enkel over de Canadese gans gaat, maar in algemene termen is gesteld, kort zijn. De definitie van de door artikel 1 beschermde soort is te vinden in de uitdrukking „alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten” en niet in een van de bijlagen. De verplichting om de handel te verbieden, geldt dus voor vogels van al die soorten. Dit volgt uit de bewoordingen en de structuur van de richtlijn zelf, die, anders dan bij voorbeeld sommige internationale overeenkomsten over de bescherming van in het wild levende dieren ( 15 ), geen opsomming geeft van de beschermde soorten, maar alle Europese wilde vogels beoogt te beschermen. Artikel 1, lid 1, is ook bepalend voor de werkingssfeer van de nadere beschermingsverplichtingen neergelegd in de artikelen 2, 3, 5, 6, lid 1, en 10 van de richtlijn. Daarentegen gelden de door de artikelen 6 en 7 toegestane afwijkingen en uitzonderingen enkel voor de in de betrokken bijlagen genoemde soorten en ondersoorten, terwijl de nationale afwijkende bepalingen die krachtens artikel 9 mogen worden vastgesteld, onder meer uitdrukkelijk moeten bepalen voor welke soorten mag worden afgeweken (artikel 9, lid 2, eerste streepje).
23.
De Canadese gans is opgenomen in bijlage II/1 bij de richtlijn; op deze soort mag derhalve worden gejaagd op het grondgebied van de Lid-Staten waarop de richtlijn van toepassing is, voor zover dat volgens de nationale wetgeving is toegestaan (artikel 7, leden 1 en 2).
24.
Op de Canadese gans mag worden gejaagd, maar aangezien zij niet voorkomt in de lijsten van bijlage III bij de richtlijn, mag zij niet worden verkocht. ( 16 ) Deze uitlegging van de werkingssfeer van de richtlijn wordt bevestigd door vaste rechtspraak van het Hof. In de zaak Commissie/België overwoog het Hof, dat voor zover bepaalde voorwaarden in acht worden genomen, „voor de in bijlage III vermelde soorten de handel en voor de in bijlage II vermelde soorten de jacht [kan] worden toegestaan, [hetgeen] betekent dat de algemene verbodsbepalingen van toepassing blijven voor de niet in die bijlagen vermelde vogelsoorten of wanneer de in [artikel 6, leden 2 tot en met 4] gestelde voorwaarden en beperkingen niet in acht worden genomen”. ( 17 ) In die zaak was het Hof van oordeel, dat de verwerende Lid-Staat de krachtens artikel 6 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen, onder meer doordat hij de handel in vogels van verschillende niet in bijlage III bij de richtlijn opgenomen wilde soorten toestond.
25.
Deze uitkomst is niet abnormaal of onlogisch: zoals het Hof in de zaak Commissie/Italië opmerkte, wil de door de richtlijn geboden bescherming voorkomen, „dat soorten waarop mag worden gejaagd, ook verhandeld kunnen worden, dit in verband met de druk die van de handel kan uitgaan op de jacht en, bijgevolg, op het populatiepeil van de betrokken soorten”. ( 18 )
26.
Op de eerste vraag moet mijns inziens derhalve worden geantwoord, dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten verplicht de handel in vogels van alle in Europa natuurlijk in het wild levende soorten te verbieden, ongeacht of deze in de bijlagen bij de richtlijn worden genoemd en onder voorbehoud van de bij artikel 6 toegestane afwijkingen en van de mogelijkheid van een uitzonderlijke afwijking onder de voorwaarden van artikel 9.
2) Het eerste deel van de tweede vraag — in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels
27.
Met het eerste deel van de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de door de richtlijn geboden bescherming ook geldt voor in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels en of de Lid-Staten derhalve een regeling mogen invoeren die de verhandeling van dergelijke vogels beperkt of verbiedt. Het Hof heeft zich daarover nog niet uitdrukkelijk uitgesproken, hoewel advocaat-generaal Da Cruz Vilaça in zijn conclusie in de zaak Commissie/België duidelijk als zijn mening te kennen gaf, dat de richtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap gekweekte vogels. ( 19 ) Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, zijn het daarmee eens.
28.
Hoewel zij toegeeft, dat de richtlijn niet uitdrukkelijk onderscheid maakt tussen in gevangenschap gekweekte vogels en andere, is de Franse regering van mening, dat de richtlijn er algemeen naar streeft de in het wild levende en gevangen vogels te beschermen, maar niet degene die in gevangenschap werden geboren en opgekweekt. Blijkens de tiende overweging van de considerans wil de richtlijn een overexploitatie van in het wild levende vogels vermijden door de handel in die vogels te verbieden, en is artikel 6, lid 1, derhalve niet van toepassing op in gevangenschap gekweekte vogels. De regering maakt een vergelijking met artikel 13, lid 1, sub b, van de habitatrichtlijn van 21 mei 1992 ( 20 ), die onder meer de handel in aan de natuur onttrokken specimens verbiedt, waarbij in gevangenschap geboren specimens uitdrukkelijk worden uitgesloten; de Raad zou voor andere groepen uit het dierenrijk geen radicaal verschillende oplossing hebben gekozen dan voor in het wild levende vogels. De Franse regering concludeert, dat de richtlijn niet ziet op de bescherming van in gevangenschap geboren vogels van beschermde soorten.
29.
De Commissie merkt op, dat de richtlijn de instandhouding van in het wild levende vogelpopulaties beoogt, en dat de uitbreiding van de bescherming tot in gevangenschap levende vogels van wilde soorten niet in overeenstemming is met deze milieudoelstelling. Dit deel van de vraag zou dan ook ontkennend moeten worden beantwoord.
30.
Ook verweerder in het hoofdgeding is van mening, dat de richtlijn enkel de wilde fauna wil beschermen en niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels.
Conclusie betreffende de toepassing van de richtlijn op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels
31.
Ik ben het eens met de unanieme opmerkingen over dit punt. Hoewel de richtlijn een vogelsoort beschermt op de enkele grond dat zij in Europa „natuurlijk in het wild leeft”, mag artikel 1 niet zo letterlijk of mechanisch worden uitgelegd, dat het elke vogel, wild of niet, beschermt zolang een aantal vogels van die soort in het wild voorkomen. Een dergelijk resultaat zou weinig bijdragen tot „het behoud van het natuurlijk milieu” (tweede overweging van de considerans) of tot „de bescherming (...) en het beheer van de natuurlijke bronnen als integrerend deel van het erfgoed van de Europese volkeren” (achtste overweging van de considerans). Het zou absurd zijn, dat het nastreven van deze wenselijke doelstellingen zou leiden tot het verdwijnen van een traditionele en nuttige handel in tamme vogels of siervogels, en misschien zelfs tot de verschraling van onze parken.
32.
De soorten waarvan „de bescherming, het beheer en de regulering” volgens artikel 1, lid 1, tweede zin, door de richtlijn wordt geregeld, zijn enkel de „natuurlijk in het wild levende” soorten. Deze uitdrukkingen, die in licht verschillende vorm in de considerans voorkomen, dwingen tot de conclusie, dat de richtlijn niet betrekking heeft op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels.
33.
Deze opvatting wordt geenszins ontkracht door de kernbepalingen van de artikelen 2 tot en met 8, de „tanden” van de richtlijn. Ik zal deze niet uitputtend behandelen, maar enkel de aandacht vestigen op de karakteristieke bepalingen van de artikelen 3 en 4, inzake de instandhouding van de leefgebieden, artikel 5, dat onder andere elke verstoring van nesten en eieren verbiedt, en de artikelen 7 en 8, die de jacht regelen. Er is daarin geen sprake van vogels in gevangenschap en, mijns inziens veelzeggend, evenmin van een kweekverbod. Uit dit laatste punt alleen reeds blijkt mijns inziens duidelijk, dat het in artikel 6 geformuleerde verbod op de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop niet van toepassing zijn op in gevangenschap gekweekte vogels.
34.
Mijns inziens is ook artikel 5, sub e, verhelderend. Het aldaar geformuleerde verbod „om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen”, geldt„onverminderd de artikelen 7 en 9”. Deze artikelen bevatten verschillende afwijkingen van het bij artikel 5, sub a, gestelde algemene verbod om vogels te doden of te vangen. De werkingssfeer van het verbod om vogels te „houden” (artikel 5, sub e) is evenwel beperkter dan die van artikel 1, lid 1, hetgeen de opvatting staaft, dat er geen algemeen_verbod bestaat om vogels te houden die tot een beschermde soort behoren.
35.
Het Hof heeft ook impliciet erkend, dat de richtlijn het in gevangenschap kweken van vogels van beschermde soorten niet verbiedt. In de zaak Commissie/België was het Hof van oordeel, dat de Belgische regeling die de vangst van bepaalde beschermde vogels toestond, niet gerechtvaardigd was op grond van artikel 9 van de richtlijn, onder meer omdat de regering niet had aangetoond, dat „er geen andere bevredigende oplossing bestond, met name de mogelijkheid van voortplanting in gevangenschap van de betrokken vogelsoorten”. ( 21 )
36.
Ik heb er dan ook geen moeite mee te concluderen, dat de richtlijn geen bescherming biedt aan in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels van in het wild levende soorten.
3) Beperkingen van de verhandeling van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels: artikel 14 van de richtlijn en artikelen 30 en 36 van het Verdrag
37.
De in het vorige punt geformuleerde conclusie geeft evenwel geen volledig antwoord op het eerste deel van de tweede vraag, voor zover daarin wordt gevraagd, of een Lid-Staat de handel in vogels waarop de richtlijn niet van toepassing is, kan beperken of verbieden. Hoewel de verwijzende rechter zijn vraag niet aldus heeft geformuleerd, werpt de tweede vraag, gelezen in samenhang met de eerste vraag, het probleem op van de toelaatbaarheid van een regeling die „de verhandeling beperkt of verbiedt”. Daar de richtlijn volgens mij niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, en de Franse regering zowel naar artikel 14 van de richtlijn als naar de artikelen 30 en 36 van het Verdrag verwijst, moet de relevantie van deze bepalingen worden onderzocht. In het belang van de proceseconomie en overeenkomstig de door het Hof in een aantal recente zaken gevolgde benadering ( 22 ) zou het Hof zich mijns inziens in casu daarover moeten uitspreken.
38.
Volgens de Franse regering geldt het verhandelingsverbod van artikel L. 211-1 van de Code rural zowel voor in gevangenschap geboren vogels als voor vogels die aan de natuur werden onttrokken; dit wordt gemotiveerd door de eisen van de instandhouding van de natuurlijk in het wild levende vogelsoorten, hetgeen in overeenstemming is met het doel van de richtlijn. Zij merkt tevens op, dat geen enkele bepaling van verordening nr. 3626/82 ( 23 ) in de weg staat aan een nationale regeling die de verhandeling van de Canadese zwarte gans in Frankrijk verbiedt; enkel de Aleoeten-gans (Branta canadensis leucopareia) en de Hawaii-gans (Branta sandvicensis) worden genoemd in bijlage I, en de roodhalsgans (Branta mficollis) in bijlage II. ( 24 ) De Canadese zwarte gans valt dus noch onder de verordening noch onder de Overeenkomst van Washington; de verordening regelt hoe dan ook niet de handel binnen de Lid-Staten in vogels van de soorten die zij beschermt. Hoewel artikel 6, lid 1, van de verordening de Lid-Staten uitdrukkelijk machtigt om voor specimens van een diersoort die in gevangenschap zijn gefokt, en voor specimens van een plantesoort die kunstmatig zijn gekweekt, een afwijking op het verhandeiingsverbod toe te staan, kan deze mogelijkheid — die niet bestaat voor de Canadese zwarte gans — niet aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten belet de verhandeling van in gevangenschap opgekweekte exemplaren van beschermde diersoorten te verbieden. Wat er ook van zij, artikel 15 van die verordening machtigt de Lid-Staten strengere maatregelen te nemen, met name voor „de instandhouding van inheemse soorten”, waaronder ook een verbod kan vallen om in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels van niet-inheemse soorten te verhandelen.
39.
Voorts stelt de regering, dat de nationale wettelijke regeling gerechtvaardigd is op grond van artikel 14 van de richtlijn, artikel 36 van het Verdrag en de rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van artikel 36, met name het arrest in de „Waalse-afvalstoffenzaak”. ( 25 )
40.
Frankrijk rechtvaardigt zijn nationale regeling met de volgende overwegingen van feitelijke aard:
—
de handel in gekweekte vogels kan een dekmantel zijn voor de handel in frauduleus in het wild gevangen exemplaren;
—
een dergelijke handel impliceert dat de stamouders in het wild worden gevangen, en
—
het uitzetten van gekweekte vogels, een uitvloeisel van de handel in die vogels, kan om gedrags- en genetische redenen de instandhouding van de soort ongunstig beïnvloeden (verlies van de genetische diversiteit van de soort door kruising van plaatselijke ondersoorten of genotypes).
41.
In haar schriftelijke opmerkingen nam de Commissie geen standpunt in over de toepasselijkheid van artikel 30 van het Verdrag op het Franse verbod om niet onder de richtlijn vallende wilde vogels te verhandelen. Ter terechtzitting stelde de gemachtigde van de Commissie, dat dit niet relevant is in deze zaak, een „affaire franco-française”.
42.
Ter terechtzitting suggereerde de raadsman van verweerder, dat aangezien de Franse bepalingen geen onderscheid maken tussen in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels en in het wild levende vogels, de nationale rechter deze bepalingen conform de richtlijn zou kunnen uitleggen en zou kunnen oordelen, dat het verhandelingsverbod enkel geldt voor in het wild levende vogels. Anders zou de toepassing van het in de Code rural en het ministerieel besluit van 17 april 1981 geformuleerde verhandelingsverbod volgens hem een belemmering vormen van het vrije verkeer van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels die in België en Nederland vrij worden verkocht; een dergelijke regeling druist in tegen artikel 30 van het Verdrag. Tot staving van zijn standpunt verwees hij naar de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad houdende bepalingen inzake het bezit van en de handel in specimens van in het wild levende dier- en plantesoorten, waarin de Commissie verklaart, dat de „Lid-Staten met betrekking tot de handel in heel wat soorten, die al dan niet onder de verordening [nr. 3626/82] vallen, steeds meer striktere maatregelen [hebben] gehandhaafd of genomen, zodat tussen de Lid-Staten onderling handelsbarrières zijn ontstaan die niet in overeenstemming zijn met de goede werking van de interne markt en derhalve niet in stand kunnen worden gehouden”. ( 26 )
43.
Verweerder in het hoofdgeding merkte ook op, dat een dergelijk verhandelingsverbod in één Lid-Staat een resultaat zou hebben dat lijnrecht ingaat tegen de doelstellingen van de richtlijn. Het ontbreken van een wettige handel in siervogels zou de parkeigenaars dwingen tot onwettige handel in niet in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, of tot het vangen van wilde vogels. Het gestelde gevaar dat de handel in vogels die in gevangenschap zijn geboren en opgekweekt, een dekmantel zou zijn voor frauduleuze handel in beschermde vogels, kan het verhandelingsverbod niet rechtvaardigen, daar alle sinds 1979 in gevangenschap gekweekte vogels van jongsaf aan zijn geringd. Het kweken van dergelijke vogels in gevangenschap is evenmin afhankelijk van de vangst van stamouders in het wild, daar deze in andere Lid-Staten beschikbaar zijn. Dat het verbod gerechtvaardigd zou zijn om redenen van genetische zuiverheid wordt weerlegd door het feit dat het bezit van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels niet verboden is. Ten slotte kunnen de Franse bepalingen niet worden gerechtvaardigd op grond van artikel 14 van de richtlijn, daar in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
Conclusie betreffende de beperking van de verhandeling van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels
44.
Indien de richtlijn van toepassing zou zijn op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, zou artikel 6, lid 1, van de richtlijn mijns inziens, ongeacht de door de Franse regering aangevoerde redenen, een verbod op de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop niet enkel toestaan, maar zelfs vereisen. Indien een anderszins rechtmatige handel in in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels in een Lid-Staat zou worden gebruikt als dekmantel voor de handel in door de richdijn beschermde wilde vogels, zou de betrokken Lid-Staat verplicht zijn in te grijpen om die onrechtmatige handel te bestrijden. Zo zijn de Lid-Staten ook verplicht in te grijpen om het vangen van Canadese ganzen of het roven van hun eieren te verhinderen. Een dergelijk ingrijpen levert geen „strengere maatregelen” in de zin van artikel 14 van de richtlijn op, maar vormt slechts de correcte uitvoering van de artikelen 6, lid 1, en 5.
45.
Als mijn opvatting, dat de richtlijn niet geldt voor in gevangenschap gekweekte vogels, juist is, kan een Lid-Staat zich dan toch nog op artikel 14 beroepen? Het Hof heeft verklaard, dat de richtlijn „een uitputtende regeling van de bevoegdheden van de Lid-Staten op het gebied van het behoud van in het wild levende vogels” bevat. ( 27 ) Daar de richtlijn er mijns inziens niet op gericht is, in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels te beschermen, kan het Franse verbod om in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels te verhandelen mijns inziens niet op grond van artikel 14 worden gerechtvaardigd. Ik zie niet in, hoe een bepaling van een richtlijn die strengere maatregelen toestaat, kan worden toegepast op een casuspositie die niet binnen haar werkingssfeer valt.
46.
Ook het door de Franse regering aangehaalde artikel 15 van verordening nr. 3626/82 lijkt mij niet relevant. Artikel 15, lid 1, machtigt de Lid-Staten om onder bepaalde voorwaarden strengere beschermingsmaatregelen te nemen „ten aanzien van de soorten waarop deze verordening van toepassing is”; zoals de Franse regering heeft erkend, is de Canadese gans evenwel geen bedreigde soort waarop de verordening van toepassing is. Daarmee weten wij nog niet, of die machtiging ook geldt voor vogels die niet onder de verordening vallen. Die vraag wordt beantwoord in artikel 15, lid 3, waarin duidelijke taal wordt gebruikt, die niet voorkomt in artikel 14 van de richtlijn.
47.
Volgens artikel 15, lid 3, van de verordening kunnen de Lid-Staten „ter bescherming van de gezondheid en het leven van dieren of planten (...) ten aanzien van niet onder deze verordening vallende soorten soortgelijke maatregelen nemen als bedoeld in deze verordening”. Artikel 6 van de verordening verbiedt de verkoop van vogels van beschermde soorten en men kan de verorden_ng aldus lezen, dat een verhandelingsverbod als het onderhavige als een soortgelijke maatregel kan worden aangemerkt. Opgemerkt moet evenwel worden, dat volgens de considerans van de verordening „de toepassingsbepalingen van de Overeenkomst betreffende de handel niet van invloed mogen zijn op het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap en slechts mogen gelden voor de handel met derde landen” (vijfde overweging). Een maatregel die het intracommunautaire vrije verkeer van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels beperkt, is dus uitgesloten. Zoals duidelijk blijkt uit de negende overweging van de considerans, moet elke krachtens de verordening genomen „strengere maatregel” hoe dan ook worden getoetst aan de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen. Bovendien heeft de Franse regering niet aangetoond, hoe het verbod om dergelijke vogels te verkopen, kan bijdragen tot de bescherming van de gezondheid en het leven van wilde Canadese ganzen, laat staan van in gevangenschap geboren en opgekweekte Canadese ganzen, zoals artikel 15, lid 3, vereist, aangezien zowel de vogelstandrichtlijn als de habitatrichtlijn —net als de Franse wettelijke regeling trouwens — het kweken van vogels in gevangenschap ( 28 ) toestaat.
48.
In haar opmerkingen in deze zaak ontkent de Franse regering niet — mijns inziens terecht—, dat het verhandelingsverbod van artikel L. 211-1 van de Code rural een nationale maatregel is „die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, [en die] als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is te beschouwen” ( 29 ), noch dat verweerder in het hoofdgeding zich op artikel 30 van het Verdrag kan beroepen.
49.
Het staat buiten kijf, dat in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels ( 30 ) binnen de werkingssfeer van artikel 30 vallen, daar „voorwerpen die in het kader van handelstransacties over een grens worden vervoerd, binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag [vallen], ongeacht de aard van die transacties”. ( 31 ) Dit standpunt werd impliciet ingenomen door het Hof in het arrest Van den Burg ( 32 ) en expliciet door de Commissie (zij het niet in haar opmerkingen in deze zaak) en het Europees Parlement bij de indiening en het onderzoek van het voorstel voor een verordening van de Raad houdende bepalingen inzake het bezit van en de handel in specimens van in het wild levende dier- en plantesoorten. ( 33 )
50.
Bovendien erkende het Hof uitdrukkelijk, dat „een wettelijke regeling inzake de verhandeling van produkten, zelfs indien ze niet rechtstreeks de invoerregeling betreft, naar gelang van de omstandigheden, de mogelijkheid tot invoer van deze produkten uit andere Lid-Staten ongunstig [kan] beïnvloeden, en daardoor onder het verbod van artikel 30 van het Verdrag [kan] vallen”. ( 34 ) In de onderhavige zaak kan het verhandelingsverbod, dat een verbod op het vervoer van dergelijke vogels inhoudt, worden geacht neer te komen op een volledig verbod op de invoer van dergelijke goederen in Frankrijk; dit is duidelijk geen „verkoopmodaliteit” waarop artikel 30 van het Verdrag volgens de door het Hof in het arrest Keek en Mithouard ( 35 ) ontwikkelde leer niet van toepassing is. De betrokken Franse bepalingen moeten derhalve worden beoordeeld tegen de achtergrond van de door het Hof in het arrest Cassis de Dijon ( 36 ) ontwikkelde „rule of reason” en van artikel 36 van het Verdrag.
51.
Het is vaste rechtspraak, dat „wanneer een gemeenschappelijke regeling inzake de verhandeling van de betrokken [goederen] ontbreekt, belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen moeten worden aanvaard, voor zover een dergelijke regeling, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, haar rechtvaardiging vindt in dwingende eisen van het gemeenschapsrecht, [dat die regeling] evenredig [moet] zijn aan het beoogde doel”, en dat de bescherming van het milieu een dergelijk dwingend vereiste is. ( 37 ) Er is niet gesteld, dat het kweken van wilde ganzen voor gebruik als siervogels onder een gemeenschappelijke marktordening valt. Verder kan worden aangenomen, dat de Franse regels zonder onderscheid van toepassing zijn, daar zij de verkoop van wilde vogels verbieden, ongeacht of deze in Frankrijk of elders in de Gemeenschap zijn geboren en opgekweekt. Derhalve moeten de rechtvaardiging en de evenredigheid van die regeling worden onderzocht.
52.
Hoewel het Verdrag het behoud van de wilde fauna niet uitdrukkelijk als één van de doelstellingen van het milieubeleid van de Gemeenschap noemt, wordt algemeen aanvaard, dat dit bijdraagt tot het in artikel 130 R, lid 1, eerste streepje, genoemde „behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu”. ( 38 ) De door de Franse regering gegeven rechtvaardiging, die ik in punt 40 heb samengevat, bestaat uit weinig meer dan louter beweringen. De Franse regering heeft bij voorbeeld niet gesteld, dat verdoken handel (hetgeen niet hetzelfde is als illegale handel) of liet onrechtmatig vangen van vogels in het wild voorkomt op haar grondgebied, of dat de activiteiten van verweerder in het hoofdgeding in feite indruisen tegen de richtlijn.
53.
Het belangrijkste gevolg van de betrokken nationale regeling is, dat de verkoop van in Frankrijk rechtmatig gekweekte vogels wordt belet. De bescherming van in het wild levende vogels lijkt in het beste geval slechts een indirect, en misschien zelfs slechts hypothetisch, gevolg; de regeling kan op lange termijn immers het kweken van dergelijke vogels ontmoedigen, hetgeen de instandhouding van die soorten in gevaar kan brengen. Indien de vrij kleine populatie Canadese ganzen in Frankrijk bij voorbeeld door ziekte of veranderingen in het leefgebied zou worden bedreigd, lijkt het bij een letterlijke uitlegging van de Franse bepalingen onmogelijk die populatie aan te vullen door uit andere Lid-Staten nieuwe vogels in te voeren en daar in gevangenschap uit te kweken. Zoals verweerder heeft opgemerkt, zal een verbod om gekweekte vogels te verhandelen de frauduleuze handel wellicht eerder bevorderen dan beletten.
54.
Wat de noodzakelijkheid betreft, heeft de Franse regering niet trachten aan te tonen, dat andere maatregelen, die de handel minder belemmeren, de in het wild levende soorten minder goed zouden beschermen. Zij heeft niet aangetoond, hoe de handel in gekweekte vogels in feite zou leiden tot de vangst van stamouders in het wild. De mogelijkheid om te fokken uit in gevangenschap levende vogels kan immers het tegengestelde resultaat hebben. Het is ook mogelijk, dat het verbod op deze handel de eigenaars van siervogels in heel Frankrijk ertoe brengt in het wild levende vogels te vangen of dergelijke vogels frauduleus te verhandelen. Er is ook op gewezen, dat dergelijke vogels in andere Lid-Staten verkrijgbaar zijn.
55.
In haar schriftelijke opmerkingen stelde de Franse regering, dat het uitzetten van gefokte vogels „funeste gevolgen kan hebben voor het behoud van de soort, om gedrags-en vooral genetische redenen”; jammer genoeg heeft geen van de partijen die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, details verstrekt over de waarschijnlijkheid of de omvang van die gevolgen, of enige uitleg gegeven over die gedrags- of genetische redenen. Ondanks die terughoudendheid lijkt het duidelijk dat, wat de gevolgen van het uitzetten van gekweekte vogels ook mogen zijn, eigenlijk niet de verkoop van dergelijke vogels die gevolgen veroorzaakt, maar veeleer het fokken van die vogels; het betoog van de regering ware overtuigender geweest, indien het fokken was verboden. Hoe dan ook, het milieubeleid van de Gemeenschap bevordert het fokken van diersoorten in gevangenschap wanneer dat in het belang is van de biologische diversiteit; overeenkomstig besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit ( 39 ), dient de Gemeenschap, „voor zover mogelijk en passend, en hoofdzakelijk ter aanvulling van de maatregelen voor behoud in situ (...), maatregelen aan te nemen voor het behoud ex situ van bestanddelen van de biologische diversiteit” (artikel 9, sub a, Biodiversiteitverdrag). Er is gesuggereerd, dat het kweken van beschermde diersoorten onder passende controle kan worden aangewend voor „de aanleg van een genetisch reservoir van hoogwaardige kwaliteit met het oog op de overleving van deze diersoorten in de natuur”. ( 40 )
56.
Met betrekking tot hetgeen tijdens de terechtzitting in de zaak Van der Feesten „genetische verontreiniging” werd genoemd — hetgeen ook hier zou kunnen voorkomen, indien de nationale rechter zou vaststellen, dat de vogel in kwestie behoort tot een ondersoort die in Europa niet inheems is —, verklaarde de eigen deskundige van de Franse regering tijdens die terechtzitting, dat de introductie van vogels van een nieuwe ondersoort kan worden toegestaan, indien de ondersoort volledig kan worden geïdentificeerd, en de internationale wetenschappelijke gemeenschap het eens is over het onderscheid tussen de betrokken ondersoorten. Er is niet gesteld, dat het onderscheid tussen de betrokken ondersoorten in deze zaak moeilijkheden heeft opgeleverd; in die omstandigheden kan de Franse regering het gevaar van genetische verontreiniging niet aanvoeren ter rechtvaardiging van een beperking van de handel van in gevangenschap geboren en opgekweekte Canadese ganzen.
57.
Het argument van de Franse regering, dat het verbod is gebaseerd op de „bescherming van (...) het leven van (...) dieren” in de zin van artikel 36 van het Verdrag, overtuigt mij evenmin. Volgens artikel L. 211-1 van de Code rural geldt voor de instandhouding van dieren die geen huisdieren zijn, als vereiste, het bestaan van een specifiek wetenschappelijk belang of de noodzaak het nationaal biologisch erfgoed te bewaren; geen van deze voorwaarden kan een afwijking van artikel 30 van het Verdrag op grond van artikel 36 rechtvaardigen. In zijn arrest van 31 januari 1984 oordeelde het Hof trouwens, dat artikel 36 geen rechtvaardiging vormt voor maatregelen ter voorkoming van risico's voor de gezondheid van dieren, wanneer die risico's zo gering zijn dat zij nagenoeg onbestaande zijn ; ( 41 ) de regering heeft het risico voor de gezondheid van dieren noch de omvang daarvan aangegeven, en heeft evenmin aangetoond, hoe het verbod om in gevangenschap geboren en opgekweekte wilde vogels te verkopen, dat risico wegneemt of vermindert.
58.
Gelet op hetgeen voorafgaat, ben ik van mening, dat de Franse regering geen afdoende bewijzen of argumenten heeft aangevoerd voor haar stelling, dat de betrokken bepalingen de bescherming van het milieu tot doel of tot gevolg hebben. Ook al kunnen deze bepalingen worden geacht enige beschermende werking te hebben, er is niet aangetoond, dat zij daarvoor noodzakelijk zijn. In die omstandigheden is het Franse verbod om in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels van beschermde soorten te verkopen, niet gerechtvaardigd uit hoofde van de richtlijn of enige andere bepaling van gemeenschapsrecht, en levert het een met artikel 30 van het Verdrag onverenigbare handelsbelemmering op.
4) Het tweede deel van de tweede vraag — de plaats van bet natuurlijk leefgebied van de betrokken soort
59.
Het tweede deel van de tweede vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of een Lid-Staat de door de richtlijn geboden bescherming mag uitbreiden tot wilde vogels wier natuurlijk leefgebied niet op zijn grondgebied is gelegen. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt evenwel, dat een klein aantal Canadese ganzen — een paar duizend — op het Europese grondgebied van Frankrijk in het wild voorkomen. Zo de vogel in kwestie tot die soort behoort, is de relevantie van de vraag dan ook niet meteen duidelijk. Zo hij behoort tot een ondersoort die in Europa (en a fortiori in Frankrijk) niet natuurlijk in het wild voorkomt, kan, zoals ik al zei, worden verwezen naar de zaak Van der Feesten. Het is evenwel mogelijk een duidelijk antwoord te geven op de vraag van de nationale rechter.
60.
De Franse regering merkt op, dat in artikel 1 van de richtlijn sprake is van „natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten” (cursivering van mij), en zij verwijst naar het arrest van 27 april 1988, waarin het Hof overwoog, dat een „nationale wettelijke regeling die de bescherming van in het wild levende vogels doet afhangen van het begrip nationaal erfgoed, onverenigbaar [is] met de richtlijn”. ( 42 ) De regering concludeert daaruit, dat het feit dat liet grondgebied van de betrokken Lid-Staat niet tot het natuurlijke leefgebied van de soort behoort, de Lid-Staat niet ontslaat van zijn verplichting de betrokken soort te beschermen. De Commissie merkt op, dat de richtlijn ook geldt voor soorten die niet natuurlijk of gewoonlijk op het grondgebied van een Lid-Staat voorkomen, maar op het grondgebied van een andere Lid-Staat in het wild leven en in de eerste Lid-Staat worden vervoerd, gehouden of verkocht. Verweerder in het hoofdgeding sluit zich bij deze opvatting aan.
61.
Ik ben het daarmee eens.
VI — Conclusie
62.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Tribunal de grande instance de Caen te beantwoorden als volgt:
„1)
Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, moet aldus worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat verplicht de handel in vogels van alle natuurlijk in het wild levende soorten te verbieden, ongeacht of deze in de _ijlagen bij de richtlijn worden genoemd, behoudens de uitzonderingen toegestaan bij artikel 6, leden 2 tot en met 4, en de mogelijkheid van een uitzonderlijke afwijking onder de voorwaarden van artikel 9.
2)
De richtlijn is niet van toepassing op in gevangenschap geboren en opgekweekte wilde vogels. Artikel 14 kan derhalve geen rechtvaardiging opleveren voor nationale bepalingen die dergelijke vogels beschermen.
3)
Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een verbod op de verhandeling van in gevangenschap geboren en opgekweekte wilde vogels als in het hoofdgeding aan de orde.
4)
Ingevolge de richtlijn moet een Lid-Staat alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is, beschermen, ongeacht of de soort natuurlijk op zijn grondgebied voorkomt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB 1979, L 103, blz. 1; hierna: „de richtlijn”).
( 2 ) Cramp en Simmons (ed.): Handbook of tbc Birds of Europe thc Middle East and Nortb Africa — The Birds of thc Western Palaearctic, Oxford University Press, Oxford, 1977, deel I, blz. 424-1.
( 3 ) Cramp en Simmons, o. c, blz. 425.
( 4 ) Tweede verslag over de tenuitvoerlegging van richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand [COM(93) 572 def. van 24 november 1993], blz. 162.
( 5 ) Cramp en Simmons, o. c, Inleiding, blz. 2.
( 6 ) Zie evenwel punt 21 en mijn conclusie van vandaag in zaak C-202/94, Van der Feesten.
( 7 ) PB 1982, L 384, blz. 7.
( 8 ) PB 1982, L 384, blz. 1.
( 9 ) Journal officiel de la République Française, N. C. van 19.5.1981, blz. 4758.
( 10 ) Hierna zal ik kortheidshalve steeds spreken van Europa in plaats van, nauwkeuriger, „het Europese grondgebied van de Lid-Staten”.
( 11 ) Een lijst van die soorten, gewoonlijk aangeduid als „IRSNB 1988”, is gepubliceerd in het eerste verslag van de Commissie over de toepassing van de richtlijn, EUR 12835 (1990).
( 12 ) Zaak 262/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz.3073.
( 13 ) De conclusie heeft ook betrekking op de vraag, of beperkingen van de handel in vogels van niet-Europese ondersoorten van beschermde soorten verenigbaar zijn met artikel 30 van het Verdrag.
( 14 ) Zie hieronder, punten 48-58.
( 15 ) De Overeenkomst van Washington (reeds aangehaald in voetnoot 7) is daarvan een goed voorbeeld.
( 16 ) Blijkens het tweede verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de richtlijn staan sommige Lid-Staten de handel in de Canadese gans evenwel toe; o. c., reeds aangehaald in voetnoot 4, blz. 51.
( 17 ) Arrest van 8 juli 1987, zaak 247/85, Jurispr. 1987, blz. 3029, r. o. 7 (cursivering van mij).
( 18 ) Zaak 262/85, reeds aangehaald in voetnoot 12, r. o. 18.
( 19 ) Zank 247/85, reeds aangehaald in voetnoot 17, blz. 3054.
( 20 ) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7). De vergelijking is mijns inziens niet correct, daar artikel 13 enkel betrekking heeft op planten.
( 21 ) Zaak 247/85, reeds aangehaald in voetnoot 17, r. o. 41 (cursivering van mij).
( 22 ) In de zaak Délavant) bij voorbeeld beantwoordde het Hof de vraag die de nationale rechter eigenlijk had moeten stellen, in plaats van zich gebonden te achten aan een onjuiste veronderstelling ten aanzien van de toepasselijke bepalingen (arrest van S juni 1995, zaak C-451/93, Jurispr. 1995, blz. I-1545, r. o. 12). In de zaak SCAC) beantwoordde het Hof een vraag die niet strikt noodzakelijk was „teneinde [de nationale rechter] een nuttig antwoord te geven” (arrest van 29 juni 1995, zaak C-56/91, Jurispr. 1995, blz. I-1769, r. o. 26).
( 23 ) Reeds aangehaald in voetnoot 8.
( 24 ) Eigenlijk staan de drie soorten in de bijlagen I en II bij de Overeenkomst van Washington, en niet in de bijlagen bij de verordening.
( 25 ) Arrest van 9 juli 1992, zaak C-2/90, Commissie/België, Jurispr. 1992, blz. I-4431.
( 26 ) COM(91) 448 def., punt 2.5, blz. 4; zie ook PD 1992, C 26, blz. 1. Een gewijzigd voorstel werd gepubliceerd in PB 1991, C 131, blz. 1.
( 27 ) Arrest van 23 mei 1990, zaak C-169/89, Van den Burg, Jurispr. 1990, blz. I-2143, r. o. 9.
( 28 ) Zie hierover de punten 31 en 36 hierboven, en artikel M, lid 2, van richtlijn 92/43, reeds aangehaald ín voetnoot 20.
( 29 ) Arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r. o. 5.
( 30 ) Zoals ik al zei, gelden de volgende overwegingen mutatis mutandis ook voor vogels van niet-Europese ondersoorten van beschermde soorten.
( 31 ) Arrest van 28 maart 1995, zaak C-324/93, Evans Medical en Macfarlan Smith, Jurispr. 1995, blz. I-563, r. o. 20.
( 32 ) Reeds aangehaald in voetnoot 27, r. o. 6.
( 33 ) Reeds aangehaald in punt 42 van deze conclusie.
( 34 ) Arrest van 31 maart 1982, zaak 75/81, Blesgen, Jurispr. 1982, blz. 1211, r. o. 7.
( 35 ) Arrest van 24 november 1993, gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Jurispr. 1993, blz. 1-6097, r. o. 16 en 17.
( 36 ) Arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649, r. o. 8.
( 37 ) Arrest van 20 september 1988, zaak 302/86, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1988, blz. 4607, r. o. 6 en 9; gelet op de aard van de goederen in kwestie verkies ik het woord „goederen” boven „produkten”.
( 38 ) Zie bij voorbeeld de eerste overweging van de considerans van de habitatrichtlijn, reeds aangehaald in voetnoot 20.
( 39 ) PB 1993, L 309, blz. 1.
( 40 ) Europees Parlement, schriftelijke vraag E-259/95 van J.-P. Raffarin; in zijn antwoord vermeldt de Raad een aantal gemeenschapsrechtelijke bepalingen „die overeenkomen met het voorstel van de geachte Afgevaardigde” (PB 1995, C 213, blz. 9).
( 41 ) Zaak40/82, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1984, blz. 283.
( 42 ) Zaak 252/85, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 2243, r. o. 15.
Full & Egal Universal Law Academy