CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 9 november 1995 ( *1 )
1.
De High Court of Justice, Queen's Bench Division, stelt het Hof vijf prejudiciële vragen in het kader van een geschil over de douaneregeling inzake de invoer in het Verenigd Koninkrijk van garnalen van herkomst uit de Faeröer. Deze vragen betreffen de regels voor de bepaling van het oorsprongskarakter van de ingevoerde goederen alsmede de regeling inzake navordering van niet van de belastingschuldige opgeëiste invoerrechten.
2.
Kennelijk waren er eind 1994 in andere Lid-Staten (België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Nederland) ( 1 ) soortgelijke gedingen hangende tegen Føroya Fiskasøla, een van de verzoekers in het hoofdgeding.
3.
Vooraf wil ik in het kort de constitutionele situatie van de Faeröer en hun situatie ten opzichte van de Gemeenschap schetsen.
4.
In een Deense wet, de Hjemmestyrelov nr. 137 van 23 maart 1948, is bepaald, dat de Faeröer een zichzelf besturende gemeenschap vormen die banden heeft met het Koninkrijk Denemarken. De Faeröerers zijn Deense onderdanen, woonachtig op de Faeröer. De plaatselijke Faeröese regering is met name belast met al wat de douanerechten betreft. Voorts zijn de plaatselijke autoriteiten bevoegd voor de regeling voor het gebruik van de vlag van de Faeröer op de in die eilanden geregistreerde schepen.
5.
Krachtens artikel 227, lid 5, sub a, EEG-Verdrag in de versie voortvloeiend uit artikel 15, lid 2, van het besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 januari 1973 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Gemeenschappen ( 2 ), kon het Koninkrijk Denemarken de Gemeenschap uiterlijk op 31 december 1975 meedelen, dat het EEG-Verdrag op de Faeröer van toepassing was. Het Koninkrijk Denemarken heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, zodat het EG-Verdrag dus niet van toepassing is op de Faeröer.
De op het hoofdgeding toepasselijke wettelijke regeling
6.
Verordening (EEG) nr. 2051/74 van de Raad van 1 augustus 1974 betreffende de douaneregeling van toepassing op bepaalde produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer ( 3 ) behoort tot een geheel van maatregelen houdende geleidelijke afschaffing van de douanerechten op invoer uit de Faeröer.
7.
Ingevolge artikel 2, lid 2, en bijlage II bij die verordening worden schaal-, schelp- en weekdieren van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer vrij van douanerechten in het Verenigd Koninkrijk ingevoerd.
8.
In bijlage IV bij de verordening wordt het begrip „produkten van oorsprong” gedefinieerd voor de produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten voor visscrijprodukten vallen:
„I.
(...) worden als produkten van oorsprong uit de Faeröer beschouwd (...):
a)
(...)
b)
produkten van de zeevisserij door schepen van de Faeröer uit zee betrokken;
(...)
De uitdrukking ‚schepen van de Faeröer’ heeft uitsluitend betrekking op schepen:
—
die in de Faeröer zijn ingeschreven of geregistreerd;
—
die onder de vlag van de Faeröer varen;
—
die voor ten minste de helft eigendom zijn van onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap, die al dan niet op de Faeröer woonachtig zijn, of van een vennootschap waarvan het hoofdkantoor op het grondgebied van een Lid-Staat of op de Faeröer is gevestigd (...);
—
waarvan de kapitein en de officieren allen onderdaan van de Lid-Staten van de Gemeenschap zijn, al dan niet woonachtig op de Faeröer;
—
en waarvan de bemanning voor ten minste 75 % bestaat uit onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap, die al dan niet op de Faeröer woonachtig zijn.”
9.
Artikel 4 ( 4 ), lid 1, bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt het begrip produkten van oorsprong gedefinieerd volgens de procedure van artikel 14 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip ‚oorsprong van goederen’ ( 5 ), onder voorbehoud van de bijzondere regels opgenomen in bijlage IV, alsmede van de bepalingen van lid 2.”
10.
In artikel 14 van verordening nr. 802/68 is de procedure neergelegd die binnen het bij die verordening ingestelde Comité oorsprong van goederen wordt gevolgd.
11.
Krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2051/74 is de toepassing van de tariefverlagingen afhankelijk van de overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1, waarvan het model in bijlage V bij de verordening is opgenomen. Het certificaat wordt door de autoriteiten van de Faeröer afgegeven bij de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft.
12.
In verordening (EEG) nr. 3184/74 van de Commissie van 6 december 1974 betreffende de definitie van het begrip „produkten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking voor de toepassing van de douaneregeling welke geldt voor bepaalde produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer ( 6 ), zijn de regels neergelegd betreffende de voorwaarden waaronder de produkten het karakter van produkten van oorsprong verkrijgen, alsmede die betreffende de rechtvaardiging van dat karakter en de controlemodaliteiten.
13.
Ingevolge artikel 2, eerste alinea, sub la, van deze verordening worden als produkten van oorsprong uit de Faeröer beschouwd de „geheel en al in de Faeröer verkregen produkten”.
14.
Artikel 3 bepaalt:
„Als ‚geheel en al verkregen’ (...) in de Faeröer (...) worden beschouwd:
(...)
f)
produkten van de zeevisserij en andere door hun schepen uit de zee gewonnen produkten;
(...)”
15.
In de vierde verklarende aantekening in bijlage I bij verordening nr. 3184/74 worden in wezen de elementen van de definitie van de „schepen van de Faeröer” van bijlage IV bij verordening nr. 2051/74 overgenomen.
16.
Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3184/74 luidt als volgt:
„Het bewijs van het oorsprongskarakter van de produkten wordt geleverd door de overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 (...) dat is afgegeven door Føroya Gjaldstova ( 7 ) (...)”
17.
Artikel 9 voegt daaraan toe, dat het certificaat inzake goederenverkeer slechts wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur. Føroya Gjaldstova dient de nodige maatregelen te treffen voor de controle van de oorsprong van de goederen en van de andere op het certificaat vermelde gegevens (artikel 22, lid 2). De a posteriori controle van de certificaten EUR. 1 geschiedt door middel van steekproeven of telkens wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer gegronde twijfel koesteren over de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens betreffende de werkelijke oorsprong van het betrokken goed (artikel 46, lid 1). De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer zenden vervolgens het certificaat terug aan Føroya Gjaldstova en vermelden de materiele of formele redenen die een onderzoek rechtvaardigen (artikel 46, lid 2). De resultaten van de a posteriori controle worden ter kennis van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer gebracht; aan de hand daarvan moet kunnen worden vastgesteld of het certificaat inzake goederenverkeer voor de werkelijk uitgevoerde goederen geldt en of deze inderdaad het karakter van „produkten van oorsprong” hebben (artikel 46, lid 3).
18.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer dat wettelijk verschuldigd is, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure tot navordering van de niet-geheven rechten in, overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide. ( 8 )
19.
Ingevolge artikel 2, lid 1, tweede alinea ( 9 ) van deze verordening, kan de procedure tot navordering niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld betreffende de betrokken goederen is ontstaan.
20.
Artikel 5, lid 2, eerste alinea ( 10 ), luidt als volgt:
„De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer (...) dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte.”
21.
De uitvoeringsbepalingen van dit artikel zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 ( 11 ), afgeschaft en per 1 september 1989 vervangen door verordening (EEG) nr. 2380/89 van de Commissie van 2 augustus 1989 ( 12 ), op haar beurt per 1 september 1991 vervangen door verordening (EEG) nr. 2164/91 van de Commissie van 23 juli 1991. ( 13 )
22.
In artikel 4 van elk van deze verordeningen is de niet-navordering van douanerechten van een bedrag gelijk aan of groter dan 2000 ECU afhankelijk gesteld van een beschikking in die zin van de Commissie, gegeven na advies van een Comité douanevrijstellingen.
De feiten en de procedure in het hoofdgeding
23.
Faroe Seafood Co. Ltd (hierna: „Faroe Seafood”) is een naar Engels recht opgerichte vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en is een 100 % dochteronderneming van L/F Føroya Fiskasøla (hierna: „Føroya Fiskasøla”), welke laatstgenoemde ten tijde van de feiten een naar Faeröers-recht opgerichte coöperatie was ( 14 ), waarvan de leden eigenaar waren van in de Faeröer ingeschreven trawlers en van vis verwerkingsfabrieken aldaar. Faroe Seafood voerde garnalen en steurgarnalen in, die met name van Føroya Fiskasøla afkomstig waren.
24.
De echtgenoten John en Celia Smith, handeldrijvende onder firma Arthur Smith („a firm”, hierna: „Arthur Smith”), traden op als scheepsagent, stuwadoor en expediteur, en ( 15 ) als douane-expediteur.
25.
Na een voorafgaande afspraak met de douaneautoriteiten van de Faeröer brachten leden van directoraat-generaal XXI, vergezeld van een Britse en een Deense douaneambtenaar, van 16 september tot en met 4 oktober 1994 een bezoek aan die eilanden, teneinde te controleren of alle in de Gemeenschap onder dekking van certificaten EUR. 1 ingevoerde garnalen daadwerkelijk van oorsprong uit de Faeröer waren.
26.
Na dat bezoek werd op 3 oktober 1991 rapport uitgebracht aan de douaneautoriteiten van de Faeröer, waarin de volgende vaststellingen werden gedaan:
—
tot de bemanning van Faeröerse schepen die op grond van charterovercenkomsten in de uitsluitende economische zone van Canada hadden gevist, hadden Canadese vissers en soms Canadese officieren behoord, die aan de visserijactiviteiten hadden deelgenomen;
—
ten gevolge daarvan was bij een aantal visreizen het percentage onderdanen van derde landen hoger dan het op grond van verordening nr. 3184/74 toegestane maximum van 25 %;
—
van Faeröerse en vreemde schepen gekochte garnalen zijn geleverd aan twee Faeröerse fabrieken, waar zij tot hoofdzakelijk voor uitvoer naar de Gemeenschap bestemde gepelde garnalen zijn verwerkt, evenwel zonder bij de aanlanding of achteraf tijdens de opslag naar hun oorsprong te zijn gescheiden.
27.
De douaneadministratie van het Verenigd Koninkrijk was van oordeel, dat de ingevoerde produkten niet als van oorsprong uit de Faeröer in de zin van de geldende bepalingen waren aan te merken, en dat de betrokken ladingen bijgevolg niet in aanmerking kwamen voor een preferentiële behandeling bij invoer.
28.
Tussen 23 april en 11 mei 1992 werden door de douaneadministratie van het Verenigd Koninkrijk van Føroya Fiskasøla en van Faroe Seafood douanerechten nagevorderd ten bedrage van 493 888,44 UKL, en op 21 september van Arthur Smith ten bedrage van 1 158 030,14 UKL. Deze navorderingen waren gebaseerd op verordening nr. 1697/79.
29.
Tegen deze betaalbevelen is voor de verwijzende rechter beroep ingesteld.
30.
Voor de verwijzende rechter betogen verzoekers, dat:
—
de ingevoerde produkten van oorsprong uit de Faeröer waren;
—
de douaneautoriteiten van liet Verenigd Koninkrijk dienaangaande niet het bewijs gevormd door de certificaten EUR. 1 naast zich konden neerleggen, van welke certificaten de douaneautoriteiten ondanks het rapport van 3 oktober 1991 uitdrukkelijk bleven stellen dat zij geldig waren;
—
artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 op hen moest worden toegepast.
31.
Arthur Smith voert bovendien aan, dat de aan hem gerichte navordering in haar geheel ongeldig is, omdat een gedeelte van de douaneschuld overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 verjaard is. Zij betoogt, dat deze volledige ongeldigheid voortvloeit uit de toepassing van een nationale bepaling krachtens welke een vordering van een totaalbedrag in haar geheel ongeldig is, wanneer een deelbedrag ervan niet meer kan worden nagevorderd.
32.
Van oordeel dat de geschillen problemen van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpen, heeft de High Court of Justice, Queen's Bench Division, het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
„1.
a)
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat op grond van verordening nr. 1697/79 van de Raad de navordering van douanerechten op ingevoerde goederen gelasten, omdat deze niet van oorsprong zijn uit het in het betrokken certificaat EUR. 1 vermelde gebied, worden dan de regels die bepalen
—
op welke partij de bewijslast rust van het feit dat de goederen niet van oorsprong uit dat gebied zijn,
en
—
welke maatstaven in een dergelijk geval voor het bewijs gelden,
door het nationale recht dan wel door het gemeenschapsrecht beheerst?
b)
Wanneer deze regels door het gemeenschapsrecht worden bepaald, welke zijn deze dan?
2.
Mogen, bij een juiste uitlegging van verordening nr. 2051/74 van de Raad, verordening nr. 3184/74 van de Commissie en verordening nr. 1697/79 van de Raad, de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat overgaan tot navordering van douanerechten op uit de Faeröer ingevoerde goederen, wanneer:
—
die autoriteiten bij invoer geen douanerechten hebben geheven, omdat zij vertrouwden op certificaten EUR. 1, waarin werd verklaard dat de goederen van oorsprong uit de Facröcr waren;
—
die certificaten EUR. 1 te goeder trouw door de bevoegde autoriteiten van de Facröcr waren afgegeven;
—
een onderzocksmissie, bestaande uit ambtenaren van de Commissie, vergezeld van een Deense en een Britse ambtenaar, rapporteerde, dat de betrokken goederen niet aan de oorsprongsregels voldeden, omdat de fabrieken vanwaar zij afkomstig waren, produkten hadden verwerkt die wel en niet van oorsprong uit dat gebied waren, zonder ze van elkaar te scheiden, en omdat de bewijsstukken met betrekking tot de status van de gebruikte onbewerkte produkten niet bij de desbetreffende aanvraagformulieren waren gevoegd;
—
de missie concludeerde, dat ‚dezc certificaten EUR. 1 (...) geheel of gedeeltelijk zijn ingetrokken’;
—
de autoriteiten van de Facröcr de conclusies van de onderzocksmissic niet aanvaardden en er nog steeds van uitgaan, dat de certificaten geldig zijn;
—
de conclusies in het missierapport, die door de autoriteiten van de Facröcr worden aangevochten, niet aan het Comité oorsprong van goederen zijn voorgelegd;
—
op grond van het missicrapport andere problemen die uit het onderzoek voortvloeiden, wel aan het Comité oorsprong van goederen zijn voorgelegd?
3.
a)
Moeten de voorwaarden die in bijlage IV bij verordening nr. 2051/74 en in de vierde verklarende aantekening bij verordening nr. 3184/74 worden genoemd bij de definitie van schepen van de Facröer, wel of niet in samenhang met elkaar worden gelezen?
b)
Wanneer deze voorwaarden in onderlinge samenhang moeten worden gelezen, omvat dan de in dit verband gebruikte uitdrukking ‚bemanning’ mede personen die geen deel uitmaken van de normale bezetting van het schip, en die op grond van een joint venture overeenkomst met een onderneming uit een derde land voor een bepaalde reis of gedeelte van een reis zijn aangemonsterd om als leerling of als ongeschoolde kracht benedendeks te werken en door de exploitant van het schip of door de onderneming in het derde land worden betaald?
c)
Wanneer een visverwerkingsfabriek de onbewerkte produkten niet naar hun verschillende oorsprong sorteert, zoals verordening nr. 3184/74 bepaalt, mogen de douaneautoriteiten van een Lid-Staat dan invoerrechten heffen op uit die fabriek afkomstige goederen tot een bedrag, gelijk aan wat had moeten worden betaald, indien de oorsprong van de goederen in elke afzonderlijke partij verhoudingsgewijs had overeengestemd met de oorsprong van alle onbewerkte produkten die in het jaar waarin de invoer plaatsvond, door de fabriek zijn ingeslagen?
4.
a)
Wanneer de autoriteiten van een Lid-Staat één enkele navordering opleggen voor een totaalbedrag en een gedeelte van dit bedrag ingevolge artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 niet kan worden nagevorderd, moet dan volgens het nationale recht of volgens het gemeenschapsrecht worden bepaald, of de navordering in haar geheel ongeldig moet worden geacht?
b)
Wanneer ter zake het gemeenschapsrecht van toepassing is, onder welke omstandigheden (zo die er zijn) moet de navordering dan geacht worden in haar geheel ongeldig te zijn?
5.
Mogen, bij een juiste uitlegging van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 van de Raad en artikel 4 van verordening nr. 2164/91 van de Commissie, de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat overgaan tot navordering van invoerrechten die niet bij invoer zijn geheven, zonder de zaak eerst aan de Commissie voor te leggen, wanneer:
—
de exporteur te goeder trouw heeft verklaard, dat de goederen van oorsprong uit de Faeröer waren;
—
tenzij in verband met het voorgaande streepje eventueel het tegendeel zou blijken, de exporteur zich aan alle geldende voorschriften betreffende de douaneaangifte heeft gehouden;
—
de bevoegde autoriteiten van het gebied waaruit de goederen werden uitgevoerd, te goeder trouw in certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 verklaarden, dat de goederen van oorsprong uit dat gebied waren, en deze certificaten steeds als geldig bleven beschouwen;
—
de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer van de goederen te goeder trouw aanvankelijk aanvaardden, dat de oorsprong van de goederen overeenstemde met de verklaring in de certificaten inzake goederenverkeer;
—
de voor betaling aansprakelijke personen steeds te goeder trouw meenden, dat de oorsprong van de goederen overeenstemde met de verklaring in de certificaten inzake goederenverkeer;
—
de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer niet stellen, dat zij het verzoek om vrijstelling van douanerechten in overweging hebben genomen voordat de rechten werden nagevorderd;
—
die bevoegde autoriteiten besloten de zaak niet aan de Commissie voor te leggen, omdat huns inziens niet aan de in artikel 5, lid 2, gestelde voorwaarden voor niet-navordcring was voldaan, daar de importeur of de agent volgens hen het risico moet dragen wanneer de certificaten EUR. 1 blijken ten onrechte te zijn afgegeven, en een importeur die volledig in eigendom toebehoort aan een exporteur, alsmede de agent van een dergelijke exporteur in staat moeten zijn om de oorsprong van de betrokken goederen vast te stellen?”
Voorafgaande opmerkingen
Het in de loop van de procedure uitgesproken faillissement van Føroya Fiskasøla
33.
Uit het dossier blijkt, dat op 31 juli 1995, dus in de loop van de prejudiciële procedure, een faillissemcntsproccdurc tegen Føroya Fiskasøla is ingeleid.
34.
Dit heeft niet de minste invloed op het verloop van de procedure voor het Hof, in de eerste plaats omdat de verwijzende rechter het Hof niet officieel heeft meegedeeld dat het faillissement tot gevolg heeft, dat wat Føroya Fiskasøla betreft de procedure in het hoofdgeding beëindigd, geschorst of onderbroken is, en in de tweede plaats omdat er nog andere partijen in het hoofdgeding bij de procedure betrokken zijn; in het dossier is immers vermeld, dat het faillissement van Føroya Fiskasøla niet van invloed is op haar dochteronderneming Faroe Seafood.
Gestelde schending van het fundamentele eigendomsrecht
35.
Alvorens in te gaan op de prejudiciële vragen, stellen verzoekers in het hoofdgeding, dat de navordering van de litigieuze douanerechten schending oplevert van het fundamentele eigendomsrecht, dat is gewaarborgd in artikel 1 van het eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, zoals uitgelegd door de Europese Commissie en het Europees Hof voor de rechten van de mens.
36.
Huns inziens moet van de in dit artikel 1, tweede alinea, voorziene mogelijkheid om maatregelen vast te stellen teneinde met name de betaling van belastingen of andere heffingen te waarborgen, gebruik worden gemaakt met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
37.
In omstandigheden als die van het hoofdgeding nu, is het evenredigheidsbeginsel geschonden, daar:
—
de invoer te goeder trouw heeft plaatsgevonden op basis van door de autoriteiten van het gebied van uitvoer afgegeven certificaten, zonder dat de drie ondernemers er ooit aan hebben getwijfeld dat die autoriteiten de betrokken regeling juist uitlegden;
—
de rechten niet meer kunnen worden teruggevorderd van de koper van de ingevoerde goederen, die deze rechten had moeten betalen, waren zij normaal bij de invoer geheven, zodat de retroactieve navordering van deze rechten lastens verzoekers een zware belasting van hun patrimonium zou opleveren die, gezien de omvang van het gevorderde bedrag, tot het faillissement van Arthur Smith kon leiden;
—
verzoekers geen geldelijk belang bij deze of gene uitlegging van de gemeenschapsverordeningen hadden.
38.
In het kader van hun analyse van de vijfde vraag verwijzen zij nogmaals naar dit betoog.
39.
Zodoende verzoeken zij het Hof de voorgelegde problemen te onderzoeken vanuit een invalshoek die door de verwijzende rechter niet is gewild.
40.
In de regel wordt een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht in het kader van een verwijzing met het oog op de geldigheidsbeoordeling of een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring getoetst aan de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen de fundamentele rechten.
41.
Bij het Hof is een prejudiciële procedure met een verzoek om uitlegging aanhangig, niet een procedure strekkende tot toetsing van de geldigheid van de betrokken gemeenschapsverordeningen. Partijen in het hoofdgeding, de instellingen en de Lid-Statcn die bij het Hof opmerkingen indienen, kunnen niet de teneur van de vraag van de nationale rechter wijzigen, noch bijkomende vragen stellen.
42.
Het Hof kan evenwel ambtshalve een bepaling die het enkel diende te onderzoeken, ongeldig verklaren. ( 16 )
43.
Verzoekers in het hoofdgeding verzoeken het Hof niet uitdrukkelijk om een uitspraak over de geldigheid van een der betrokken gemeenschapsverordeningen. Hun argumentatie lijkt zich op het vlak van de uitlegging te bevinden, waar zij stellen ( 17 ), dat 's Hofs uitlegging van het gemeenschapsrecht „geen afbreuk mag doen aan” de rechten die zij ontlenen aan het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens alsmede aan de daarbij horende protocollen.
44.
Mijns inziens passen de eerste twee hierboven vermelde elementen die verzoekers in het hoofdgeding tot staving van hun argumentatie aanvoeren, in werkelijkheid in het onderzoek van de normale toepassingsvoorwaarden van verordening nr. 1697/79, waarover het in de vijfde prejudiciële vraag gaat. Ik zal ze dus in het kader van die vraag onderzoeken. Met betrekking tot het derde element, namelijk het ontbreken van een geldelijk belang bij deze of gene uitlegging van verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74, beperk ik mij ertoe er meteen al op te wijzen, dat een exporteur en een importeur ter zake van hun concurrentievermogen op de markt van de staat van invoer kennelijk een economisch voordeel hebben, wanneer zij goederen met vrijstelling van douanerechten in plaats van tegen de normale douanetarieven invoeren.
De eerste vraag
45.
Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of voor de toepassing van verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 de regels betreffende de bewijslast en het bewijs van het oorsprongskarakter van de goederen door het gemeenschapsrecht dan wel door het nationale recht worden beheerst. In de eerste hypothese verzoekt hij te preciseren, welke de toepasselijke regels zijn.
46.
Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten de bijzondere bepalingen en de algemene strekking van verordening nr. 2051/74 en haar toepassingsverordening nr. 3184/74 worden onderzocht.
47.
Verordening nr. 2051/74 heeft de geleidelijke afschaffing van douanerechten op de invoer van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer ten doel. Zij beoogt voor deze invoer een preferentiële regeling in het even te roepen, die afwijkt van het normale gemeenschapsrecht ter zake.
48.
Vereist is dus, dat wordt aangetoond dat aan de toepassingsvoorwaarden voor die afwijking voldaan is. Artikel 4 ( 18 ), lid 2, van die verordening stelt uitdrukkelijk als voorwaarde om voor de tariefverlaging voor de betrokken produkten in aanmerking te komen, dat een door de douaneautoriteit van de Faeröer afgegeven certificaat EUR. 1 wordt overgelegd. Dat betekent, dat de bewijslast inzake het oorsprongskarakter van de goederen noodzakelijkerwijs op de exporteur rust. In artikel 21 van verordening nr. 3184/74 wordt bevestigd, dat de exporteur of diens gevolmachtigde vertegenwoordiger om afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer dient te verzoeken en bij zijn verzoek elk dienstig bewijsstuk moet voegen waardoor kan worden aangetoond dat de uit te voeren goederen in aanmerking kunnen komen voor de afgifte van een dergelijk certificaat.
49.
Het gemeenschapsrecht regelt dus de bewijslast inzake het oorsprongskarakter van een goed. Het bepaalt eveneens hoe dit bewijs moet worden geleverd: het oorsprongskarakter kan door alle middelen („elk bewijsstuk”) aan de douaneautoriteit van de Faeröer worden aangetoond, waarop deze autoriteit een certificaat EUR. 1 afgeeft, dat voor de ondernemer die de invoerformaliteiten verricht de Faeröerse oorsprong van de produkten bewijst jegens de douaneautoriteiten van het land van invoer.
50.
Door in de mogelijkheid van controles te voorzien, ofwel bij het verzoek om afgifte van een certificaat EUR. 1, ofwel achteraf, leggen de artikelen 25 en 46 van verordening nr. 3184/74 de last van het bewijs van het tegendeel op de bevoegde douaneautoriteiten. Aangezien hieromtrent geen enkel bijzonder vereiste is gesteld, mag dit tegenbewijs eveneens door alle middelen worden geleverd.
51.
Uit het voorgaande volgt, dat:
—
de bewijslast inzake het oorsprongskarakter, de regeling voor het bewijs van het tegendeel en de wijze waarop deze bewijzen moeten worden geleverd, niet door het nationale recht, maar door het gemeenschapsrecht worden beheerst;
—
het oorsprongskaraktcr van de goederen moet worden aangetoond, jegens de douaneautoriteit van de Facröer door de exporteur, en jegens het land van invoer door de ondernemer die met de invoerformaliteiten is belast;
—
de Facröerse exporteur de oorsprong van de uitgevoerde goederen jegens de douaneautoriteit van de Facröer met alle middelen mag bewijzen;
—
jegens het land van invoer het oorsprongskaraktcr van de goederen wordt aangetoond door de overlegging van een door de autoriteit van de Facröer afgegeven certificaat EUR. 1;
—
het — door de bevoegde douaneautoriteiten te leveren — bewijs van het tegendeel door alle middelen mag worden geleverd.
52.
Gepreciseerd zij, dat het aan de nationale rechter staat de naleving van die regels te garanderen en de bewijskracht te beoordelen van de elementen die elke partij in het kader van de op haar rustende bewijslast aanvoert.
De tweede vraag
53.
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de douaneautoriteiten van een Lid-Staat van invoer zonder raadpleging van het in artikel 4 ( 19 ), lid 1, van verordening nr. 2051/74 bedoelde Comité oorsprong van goederen certificaten EUR. 1 mogen afwijzen, op grond dat zij zelf op basis van het missicrapport van een door de Commissie verrichte onderzocksmissic tot de overtuiging zijn gekomen, dat die certificaten niet geldig zijn, terwijl de douaneautoriteit van de Facröer de conclusies van het rapport betwist en de geldigheid van de afgegeven certificaten bevestigt.
54.
Anders gezegd, het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de vraag, of een Lid-Staat van invoer zonder de instemming van de douaneautoriteit van de Faeröer of, bij gebreke van die instemming, zonder de zaak aan het Comité oorsprong van goederen te hebben voorgelegd, een certificaat EUR. 1 als ongeldig mag beschouwen.
55.
In het arrest van 12 juli 1984, Les Rapides Savoyards e. a. ( 20 ) heeft het Hof bepalingen uitgelegd die goed vergelijkbaar zijn met die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn, betreffende de afgifte van certificaten EUR. 1 voor produkten van oorsprong, neergelegd in het Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 ( 21 ) (hierna: „overeenkomst EEG-Zwitserland”), zoals gewijzigd, met name, enerzijds bij het besluit nr. 10/73 van het Gemengd Comité EEG-Zwitserland van 12 december 1973, in de Gemeenschap ten uitvoer gelegd bij verordening (EEG) nr. 3600/73 van de Raad van 27 december 1973 ( 22 ), en, anderzijds, bij het besluit nr. 1/77 van het Gemengd Comité EEG-Zwitserland van 14 december 1977, in de Gemeenschap ten uitvoer gelegd bij verordening (EEG) nr. 2933/77 van de Raad van 20 december 1977. ( 23 )
56.
Het Hof heeft vastgesteld ( 24 ), dat blijkens de onderzochte bepalingen de bepaling van oorsprong van goederen overeenkomstig Protocol nr. 3 gebaseerd is op een verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten van partijen bij de vrijhandelsovereenkomst in die zin, dat de oorsprong wordt vastgesteld door de autoriteiten van het land van uitvoer, terwijl het toezicht op de goede werking van deze regeling verzekerd is dank zij de wederzijdse samenwerking tussen de betrokken diensten.
57.
Het Hof oordeelde ( 25 ), dat de goede werking van dit mechanisme evenwel eerst verzekerd is, wanneer de douanedienst van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkent. Het Hof baseerde deze deductie ( 26 ) op het feit, dat er geen grond bestaat voor de vrees, dat toepassing van deze bepaling misbruik in de hand werkt, daar de artikelen 16 en 17 van Protocol nr. 3, in hun redactie ten tijde van het geschil in het hoofdgeding, een nauwkeurige regeling bevatten van de samenwerking tussen de betrokken douanediensten in geval van betwistingen van de oorsprong of in geval van fraude van exporteurs of importeurs. Die deductie werd voorts ondersteund ( 27 ) door de opmerking dat de werking van deze regeling de fiscale autonomie zowel van de Gemeenschap en haar Lid-Staten als van de betrokken derde landen onverkort laat, daar de in Protocol nr. 3 neergelegde regeling gebaseerd is op wederzijdse verplichtingen, die partijen in hun onderlinge handelsbetrekkingen op voet van gelijkheid stellen.
58.
In het arrest van 7 december 1993, Huygen e. a. ( 28 ) betreffende Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk van 22 juli 1972 ( 29 ), welk protocol identiek is met dat bij de overeenkomst EEG-Zwitserland, bevestigde het Hof, dat de bepaling van de oorsprong van goederen gebaseerd is op een verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten van partijen bij de overeenkomst en dat de goede werking van deze regeling slechts verzekerd is, wanneer de douanedienst van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkent. Het Hof stelde gewoon vast ( 30 ), dat wanneer de douaneautoriteiten van het land van uitvoer niet in staat zijn de in het protocol bedoelde controle a posteriori naar behoren te verrichten, geen enkele bepaling van het protocol eraan in de weg staat, dat de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer ter bereiking van het doel van de controle — namelijk de verificatie van de echtheid en juistheid van het certificaat EUR. 1 — andere bewijzen van de oorsprong van de goederen in aanmerking nemen.
59.
Ondanks de grote gelijkenis tussen de regeling van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst EEG-Zwitserland en die van de verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74, zijn er een aantal fundamentele verschillen die mijns inziens eraan in de weg staan, dat in de onderhavige procedure de oplossing van voormeld arrest Les Rapides Savoyards wordt toegepast.
60.
In de eerste plaats is de regeling van Protocol nr. 3 neergelegd in een internationale overeenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land, die berust op verbintenissen.
61.
De verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 daarentegen zijn eenzijdige handelingen van de Gemeenschap; de Faeröer hebben geen enkele verbintenis aangegaan.
62.
In de tweede plaats voorziet artikel 17, lid 3, tweede alinea, van Protocol nr. 3, zoals gewijzigd bij voormeld besluit nr. 1/77 van het gemengd comité, uitdrukkelijk in een regeling voor eventuele geschillen tussen de douaneautoriteiten van het land van invoer en die van het land van uitvoer. Deze bepaling luidt als volgt: „Wanneer deze geschillen niet door de douaneautoriteiten van het land van invoer en die van het land van uitvoer kunnen worden geregeld, of wanneer zich daarbij een probleem betreffende de interpretatie van dit protocol voordoet, worden zij aan het Douanecomitć voorgelegd.” Dit Douanecomité is het gemengd comité dat bij artikel 29 van de overeenkomst is ingesteld. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de Gemeenschap, enerzijds, en vertegenwoordigers van Zwitserland, anderzijds (artikel 30), dus van het derde land dat partij bij de overeenkomst is. Het „is belast met het beheer van de overeenkomst en ziet toe op de juiste uitvoering daarvan (...) Het neemt besluiten in de gevallen, bedoeld in de overeenkomst” (artikel 29).
63.
Artikel 46 van verordening nr. 3184/74 neemt weliswaar in zeer grote mate de bepalingen van het gewijzigde artikel 17 van Protocol nr. 3 betreffende de administratieve samenwerking inzake de a posteriori controle over, doch niet het in lid 3, tweede alinea, van dat artikel neergelegde beginsel dat betwistingen door een Douanecomité worden geregeld. Het in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2051/74 bedoelde Comité oorsprong van goederen bestaat slechts uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en een vertegenwoordiger van de Commissie (artikel 12 van verordening nr. 802/68); het telt geen vertegenwoordigers van derde landen onder zijn leden. Volgens de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 802/68 is dat comité ingesteld met het oog op een communautaire procedure die het mogelijk maakt „de nodige uitvoeringsbepalingen” van de verordening vast te stellen, teneinde de uniforme toepassing van de bepalingen van deze laatste te waarborgen. In het kader van die activiteit verleent artikel 14 van de verordening het comité slechts een adviesbevoegdheid met betrekking tot de ontwerpen van de vast te stellen bepalingen die door de vertegenwoordiger van de Commissie worden voorgelegd; de uitvoeringsbepalingen worden vervolgens door de Commissie of door de Raad vastgesteld. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2051/74 verwijst voor de definitie van het begrip produkten van oorsprong slechts naar artikel 14 van verordening nr. 802/68 „onder voorbehoud van de bijzondere regels opgenomen in bijlage IV” ( 31 ), dat wil zeggen naar de regels die juist betrekking hebben op de „Definitie van het begrip ‚produkten van oorsprong’ voor de produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten voor visserijprodukten vallen”. ( 32 )
64.
De twee sleuteloverwegingen voor de in voormeld arrest Les Rapides Savoyards gegeven uitlegging, namelijk het bestaan van wederzijdse verbintenissen en een regeling voor de oplossing van geschillen, zijn dus niet terug te vinden in de verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74.
65.
Bij deze verordeningen is voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer weliswaar eenzijdig een mechanisme van administratieve samenwerking ingesteld dat het bewijs van de oorsprong van de produkten beoogt te vergemakkelijken en te uniformiseren, en dat het mogelijk moet maken a posteriori de echtheid van die certificaten te controleren, doch de verordeningen voorzien echter niet eenzijdig in een paritair systeem van arbitrage, geval per geval, van eventuele betwistingen. De adviesbevoegdheid van het Comité oorsprong van goederen, een zuiver communautair orgaan, geldt enkel voor de algemene definitie van het begrip oorsprong van goederen via de door de Commissie of de Raad vastgestelde uitvoeringsbepalingen, en onder uitdrukkelijk voorbehoud van de definitie van het oorsprongskarakter van de visserijprodukten, gesteld in bijlage IV bij verordening nr. 2051/74.
66.
In voormelde verordeningen is dus zelfs niet impliciet erkend, dat de door de douaneautoriteit van de Faeröer bij de afgifte van de certificaten EUR. 1 of bij de a posteriori controle daarvan gemaakte beoordelingen definitief onbetwistbaar zijn. Was dat wel het geval, dan zou de controle van de gegrondheid van een door de douaneautoriteit van de Faeröer gemaakte bijzondere beoordeling, in welke zin dan ook, onmogelijk zijn. De Gemeenschap zou dan gedwongen zijn voor elke betwisting de oplossing in een wijziging van de gemeenschapsteksten zelf te zoeken. Zulks kan niet de bedoeling van de gemeenschapswetgever geweest zijn.
67.
De verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 maken het mogelijk, dat de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer tot een andere beoordeling komen dan de douaneautoriteit van de Faeröer, zulks op grond van de resultaten van de door die autoriteit verrichte a posteriori controle of, zoals in het hoofdgeding het geval is, op grond van een rapport van een communautaire onderzoeksmissie ingevolge toepassing van artikel 15 van verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften ( 33 ), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 945/87 van de Raad van 30 maart 1987. ( 34 )
68.
De door mij voorgestelde oplossing vrijwaart de mogelijkheid om eventuele betwistingen zonder systematische wijziging van de teksten op te lossen: tegen de beslissingen van de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer kan door de belanghebbende worden opgekomen voor de bevoegde nationale rechter, en vervolgens kan de uniformiteit van het gemeenschapsrecht in het kader van een prejudiciële procedure worden verzekerd.
69.
Opgemerkt zij, dat het in de tweede prejudiciële vraag opgeworpen uitlcggingsprobleem sedert 1 januari 1992, datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de landsregering van de Faeröer, anderzijds, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 91/668/EEG van de Raad van 2 december 1991 ( 35 ), van de baan is. Bij artikel 30 van deze overeenkomst is een gemengd comité ingesteld dat belast is met het beheer van de overeenkomst en dat toeziet op de juiste uitvoering ervan. Het comité neemt besluiten in de gevallen bedoeld in de overeenkomst. Het is samengesteld uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen en spreekt zich uit in onderlinge overeenstemming (artikel 31 van de overeenkomst), Bij artikel 25 van het Protocol nr. 3 bij de overeenkomst is een sluitend systeem van administratieve samenwerking ingesteld. Dit artikel neemt in zeer grote mate de bepalingen van de gewijzigde artikelen 16 en 17 van het Protocol nr. 3 bij de overeenkomst EEG-Zwitscrland over, en vooral bepaalt lid 5 ervan: „Geschillen die niet tussen de douaneautoriteiten van de staat of het gebied van invoer en de douaneautoriteiten van de staat of het gebied van uitvoer kunnen worden geregeld of waarbij zich een probleem in verband met de interpretatie van dit protocol voordoet, worden aan het Douanccomité voorgelegd.” Het arrest Les Rapides Savoyards kan dus enkel op die overeenkomst van toepassing zijn.
De derde vraag
70.
Met deze vraag verzoekt de nationale rechter het Hof in de eerste plaats te preciseren of, in de zin van bijlage IV bij verordening nr. 2051/74 en de vierde verklarende aantekening bij bijlage I bij verordening nr. 3184/74, de criteria voor de definitie van „schepen van de Faeröer” cumulatief zijn. Zo dat het geval is, verzoekt hij het Hof in de tweede plaats de inhoud van een van die criteria, namelijk dat betreffende het begrip „bemanning”, nader te omschrijven. In de derde plaats vraagt hij impliciet, of de door de schepen van de Faeröer geviste garnalen bij hun verwerking moeten worden gescheiden van de garnalen uit derde landen, dan wel of een gezamenlijke verwerking geoorloofd is en een boekhoudkundige separatie volstaat. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter in de vierde plaats of, in de hypothese van een gezamenlijke verwerking zonder fysieke separatie van de garnalen, de douanerechten mogen worden geheven alsof de oorsprong van de goederen in elke afzonderlijke partij verhoudingsgewijs had overeengestemd met de oorsprong van de onbeperkte produkten die in het jaar waarin de invoer plaatsvond, door de fabriek zijn ingeslagen.
71.
Ik zal deze vier punten achtereenvolgens onderzoeken.
De cumulatieve dan wel alternatieve aard van de criteria voor de definitie van „schepen van de Faeröer”
72.
Bijlage IV bij verordening nr. 2051/74 en de vierde verklarende aantekening bij bijlage I bij verordening nr. 3184/74, waarin de term „schepen” wordt omschreven, stellen vijf voorwaarden, die ik hierboven in punt 8 in herinnering heb gebracht.
73.
Uit de navolgende, door de Commissie ( 36 ) en het Verenigd Koninkrijk ( 37 ) gegeven voorbeelden blijkt, dat alternatieve toepassing van de voorwaarden bizarre gevolgen zou hebben:
—
alle communautaire schepen zouden als schepen van de Faeröer aan te merken zijn;
—
een schip dat slechts aan één der voorwaarden voldoet, zou als een schip van de Faeröer aan te merken zijn, ongeacht zijn nationaliteit;
—
meer in het bijzonder zou een in Canada ingeschreven schip, dat de Canadese vlag voert, en waarvan de eigenaar en de bemanning de Griekse nationaliteit bezitten, een schip van de Faeröer zijn.
74.
Zich beroepend op artikel 4 van het Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ( 38 ), alsmede op artikel 227, lid 5, sub a, van het Verdrag, stellen verzoekers in het hoofdgeding nochtans, dat de voorwaarden alternatief moeten worden toegepast. Uit gecombineerde lectuur van die teksten zou blijken, dat de Deense onderdanen die op de Faeröer wonen, geen onderdanen van een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn, met als gevolg dat geen enkel schip met Faeröerse bemanning ooit kan voldoen aan de in de vierde verklarende aantekening bij bijlage I bij verordening nr. 3184/74 gestelde voorwaarde, dat de bemanning „voor ten minste 75 % uit al dan niet op de Faeröer wonende onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap” moet bestaan. ( 39 )
75.
Artikel 4 van voormeld Protocol nr. 2 luidt inderdaad als volgt: „De Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een Lid-Staat in de zin van de oorspronkelijke verdragen beschouwd vanaf de datum waarop deze oorspronkelijke verdragen op deze eilanden van toepassing worden.”
76.
Ook is het zo, dat — zoals hierboven in punt 5 gezegd — het Koninkrijk Denemarken de Commissie niet vóór de fatale datum van 31 december 1975 heeft meegedeeld, dat het EEG-Vcrdrag op de Faeröer van toepassing was, met als gevolg dat de Deense onderdanen die op die eilanden wonen, geen onderdanen van een Lid-Staat zijn.
77.
Deze onmiskenbare moeilijkheid houdt echter wellicht verband met het feit, dat de verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 zijn vastgesteld vóór 31 december 1975, de uiterste datum voor een eventuele mededeling
78.
Dit rcdactieproblecm kan niet worden aangevoerd als steun voor de opvatting dat de voorwaarden voor kwalificatie als „schip van de Faeröer” alternatief zijn.
79.
Ik concludeer dan ook, dat de criteria voor de definitie van „schepen van de Faeröer” cumulatief zijn.
De definitie van de term „ bemanning”
80.
De term „bemanning” moet aldus worden verstaan, dat daarmee wordt gedoeld op alle personen die instaan voor de vaart van en de dienst op een schip, daaronder begrepen de op dat schip verrichte economische activiteit.
81.
De bemanning omvat personen die, om het met de woorden van de verwijzende rechter te zeggen, zijn aangemonsterd om als leerling of als ongeschoolde kracht benedendeks „op het schip te werken”. Al deze personen zijn tot op zekere hoogte betrokken bij de vaart van en de dienst op het schip. Daarbij is van weinig belang, of zij door de exploitant van het schip dan wel door een onderneming van een derde land worden betaald. Eveneens is van weinig belang, of zij permanent dan wel tijdelijk aan het schip verbonden zijn. Doorslaggevend is de werkelijk op het schip verrichte activiteit, niet de juridische kwalificaties die bij de totstandkoming van de arbeidsrelatie zijn gekozen.
82.
De betrokken gemeenschapsbepalingen beogen de geleidelijke afschaffing van de douanerechten, doch uitsluitend voor de vangst door vaartuigen die zeer nauwe banden met de Faeröer hebben. Een ruime uitlegging van de definitie van het schip voortvloeiend uit een restrictieve uitlegging van het begrip bemanning zou in strijd zijn met het doel van de verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74.
83.
De uitsluiting van leerlingen en ongeschoolde krachten die benedendeks werken, zou het in werkelijkheid makkelijk maken de door het gemeenschapsrecht opgelegde voorwaarden te ontwijken. Het zou volstaan een beroep te doen op personen die men wat te vlug in die categorieën onderbrengt.
84.
Het begrip bemanning mag niet, zoals verzoekers in het hoofdgeding voorstellen, beperkt worden tot de „normale bezetting van het schip”. De term „bemanning” doelt op een functionele realiteit, namelijk de daadwerkelijke deelneming aan de activiteit van het schip. De definitie van dat begrip hangt niet af van het aantal bemanningsleden. Dat de bezetting is afgestemd op de behoeften van het schip, is een economisch dictaat, dat van verschillende objectieve parameters afhangt, of zelfs van subjectieve overwegingen die het oorspronkelijke begrip bemanning niet kunnen beperken.
De wijze van verwerking van garnalen van verschillende oorsprong
85.
Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2051/74 reserveert de preferentiële douaneregeling voor „produkten (...) van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer”. Artikel 4, lid 2, stelt de toepassing van die regeling afhankelijk van de overlegging van een certificaat waaruit de Faeröerse oorsprong van de produkten blijkt. Volgens bijlage IV, punt I, sub b, bij dezelfde verordening worden als produkten van oorsprong uit de Faeröer beschouwd de „produkten van de zeevisserij door schepen van de Faeröer uit de zee betrokken”. ( 40 )
86.
Ingevolge artikel 2, eerste alinea, punt 1, sub a, van verordening nr. 3184/74 worden als produkten van oorsprong uit de Faeröer beschouwd „geheel en al in de Faeröer verkregen produkten”. ( 41 )
87.
Ingevolge dezelfde bepaling, sub b, worden eveneens als produkten van oorsprong uit de Faeröer beschouwd in de Faeröer verkregen produkten bij de vervaardiging waarvan produkten uit derde landen zijn gebruikt, mits deze produkten bewerkingen of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 4.
88.
Lid 3, sub e, van dit artikel 4 bepaalt, dat „het eenvoudig mengen van produkten, zelfs van verschillende soorten” steeds ontoereikend wordt beschouwd om het eindprodukt het oorsprongskarakter te verlenen wanneer een of meer bestanddelen van het mengsel niet als van oorsprong uit de Faeröcr zijn aan te merken.
89.
Bijgevolg verlenen garnalen van oorsprong uit derde landen die voorkomen in een mengsel dat ook garnalen van oorsprong uit de Faeröcr bevat, aan het geheel niet het karakter van produkt van oorsprong in de zin van artikel 2, eerste alinea, punt 1, sub b, van verordening nr. 3184/74, dat wil zeggen het karakter van produkten die in de Faeröer zijn vervaardigd op basis van elementen van verschillende oorsprong.
90.
A fortiori kunnen zij het geheel niet het karakter van een produkt van oorsprong in de zin van artikel 2, eerste alinea, punti, sub a, verlenen, dat wil zeggen het karakter van geheel en al in de Faeröcr verkregen produkten.
91.
Ook de bewerkingen bestaande in het louter bereiden of conserveren van niet uit de Faeröer herkomstige schaaldieren, zoals de bewerkingen die in de in het hoofdgeding bedoelde fabrieken gebeuren op basis van produkten die onder hoofdstuk 3 van het gemeenschappelijk douanetarief vallen, verlenen de verwerkte produkten evenmin het karakter van produkten van oorsprong (zie bijlage II, lijst A, post 16.05, bij verordening nr. 3184/74). Dergelijke bewerkingen hebben slechts een wijziging van tariefpost tot gevolg, namelijk van post 03.03 naar post 16.05.
92.
Ten slotte wil ik erop wijzen, dat artikel 19, lidi, van verordening nr. 3184/74 bepaalt, dat voor bewerkte of verwerkte produkten niet van oorsprong uit de Faeröcr of de Gemeenschap geen teruggave van douanerechten kan plaatsvinden of vrijstelling van douanerechten in welke vorm dan ook worden verleend.
93.
Uit het voorgaande volgt dus, dat de gemeenschapswetgever via een reeks uitdrukkelijke beperkende aanwijzingen het voordeel van de preferentiële regeling heeft willen beperken tot garnalen die werkelijk van oorsprong uit de Faeröer zijn in de zin van de door hem vastgestelde bepalingen. De exporteur, op wie de bewijslast rust, moet de Facröersc oorsprong van de produkten onomstootbaar aantonen.
94.
De fysieke separatie van de garnalen van Facröersc oorsprong tijdens hun verwerking is ongetwijfeld de meest doeltreffende handelwijze om deze oorsprong te garanderen.
95.
Verzoekers in het hoofdgeding betogen, dat een onderneming tijdens een bepaald jaar produkten van oorsprong én andere produkten kan verwerken zonder dat dit noodzakelijkerwijs betekent, dat zij de twee categorieën gezamenlijk verwerkt.
96.
In feite betreft deze overweging het probleem van de bewijslast. Het is de exporteur die, op het ogenblik waarop hij om afgifte van een certificaat EUR. 1 verzoekt, dient aan te tonen dat een bepaalde lading uit garnalen van oorsprong uit de Faeröer bestaat. De wijze waarop de verwerkende fabriek werkt, kan bij hem geen vermoeden wekken dat de in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde produkten van Faeröerse oorsprong zijn; zij wijzigt de bewijslast niet.
97.
Wanneer garnalen van oorsprong uit de Faeröer en andere garnalen door een zelfde fabriek op verschillende tijdstippen, dus afzonderlijk, worden verwerkt, staat het aan de exporteur om met alle middelen aan te tonen dat de in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde garnalen van oorsprong uit de Faeröer zijn.
98.
Indien garnalen van verschillende oorsprong gelijktijdig worden verwerkt, zodat vermenging ontstaat, dient hij eveneens met alle middelen, en in het bijzonder op boekhoudkundige wijze, het juiste percentage en dus de hoeveelheid garnalen van Faeröerse oorsprong in het eindprodukt aan te tonen. In dat geval strekt het gebruik van de boekhouding er niet toe, aan de in de uitgevoerde ladingen aanwezige garnalen die niet van oorsprong uit de Faeröer zijn het oorsprongskarakter te verlenen; het is slechts een middel om te bewijzen hoeveel garnalen van Faeröerse oorsprong werkelijk in de ladingen voorkomen en heeft tot gevolg, dat de produkten die rechtmatig voor de preferentiële regeling in aanmerking komen, worden geïsoleerd.
99.
De verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 vormen een uitzondering op de douaneregeling van gemeen recht en moeten derhalve strikt worden uitgelegd. Zij kennen geen systeem — het zogeheten systeem van de boekhoudkundige separatie ( 42 ) —, op grond waarvan een oorsprongskarakter kan worden toegekend aan de totaliteit van ladingen waarin mengsels van door schepen van de Faeröer geviste produkten en produkten van andere derde landen voorkomen.
De gevolgen van een gezamenlijke verwerking van de onbewerkte produkten
100.
De gelijktijdige verwerking van de garnalen in een fabriek maakt het apriori onmogelijk voor een bepaalde lading vast te stellen, dat de produkten die zij bevat „geheel en al” in de Faeröer „zijn verkregen” en bijgevolg het oorsprongskarakter hebben.
101.
Wanneer de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 zonder passende bewijsstukken zijn afgegeven, en bij een a posteriori blijkt, dat de lading een mengsel van produkten van verschillende oorsprong bevat, vindt een omkering van de bewijslast plaats. Plet certificaat volstaat niet meer als bewijs van het oorsprongskarakter van de produkten. De ondernemer moet dan voor elke betwiste lading aan de hand van boekhoudkundige bewijsstukken aantonen, hoeveel door de schepen van de Faeröer geviste garnalen die lading daadwerkelijk bevat.
102.
Indien de Faeröerse oorsprong van een bepaald gedeelte van elke lading niet wordt aangetoond, komt de marktdeelnemer wat dat gedeelte betreft in beginsel niet in aanmerking voor de preferentiële regeling. Ik wil er hier op wijzen, dat het Hof in het arrest Huygen ( 43 ) heeft geoordeeld, dat wanneer bij een a posteriori controle de in het certificaat EUR. 1 vermelde oorsprong niet kan worden bevestigd, moet worden geconcludeerd dat het goed niet in aanmerking komt voor de preferentiële regeling.
103.
Alsdan mogen de bevoegde douaneautoriteiten over alle ladingen douanerechten tegen het volle tarief heffen.
104.
In omstandigheden als die in het hoofdgeding (a posteriori controle die op gehele jaren betrekking heeft) mogen de bevoegde autoriteiten op grond van het evenredigheidsbeginsel evenwel rechten heffen tot een bedrag, gelijk aan wat had moeten worden betaald, indien de oorsprong van de goederen in elke afzonderlijke partij verhoudingsgewijs had ovcrcengcstcmd met de oorsprong van alle onbewerkte produkten die in het jaar waarin de invoer plaatsvond, door de fabriek zijn ingeslagen. Die voor de belastingschuldige gunstige oplossing is mijns inziens, en ik wil daar de nadruk op leggen, slechts mogelijk, indien de autoriteiten zelf of via de belastingschuldige over betrouwbare inlichtingen over de verschillende betrokken hoeveelheden beschikken. Is dat niet het geval, dan brengen de regels betreffende de gevolgen van de bewijslast immers mee, dat van de belastingschuldige rechten over de gehele ladingen worden geëist.
De vierde vraag
105.
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter zakelijk weergegeven in de eerste plaats te vernemen, of de voorwaarden voor de geldigheid van de handelingen die door de nationale autoriteiten zijn vastgesteld met het oog op de navordering van invoerrechten ter uitvoering van verordening nr. 1697/79, door het gemeenschapsrecht dan wel door het nationale recht worden beheerst. Voor het geval dat die voorwaarden door het nationale recht worden beheerst, vraagt hij in de tweede plaats, of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat een nationale regel bepaalt dat een betaalbevel betreffende een schuld waarvan slechts een gedeelte ingevolge toepassing van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 verjaard is, in haar geheel ongeldig is.
106.
In het arrest van 27 maart 1980, Salumi e. a. ( 44 ), oordeelde het Hof, dat het een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke Lid-Staat is om, voor zover dienaangaande in het gemeenschapsrecht niets is bepaald, de modaliteiten en de voorwaarden voor de inning van de communautaire financiële lasten vast te stellen, alsmede de met de inning belaste autoriteiten en de voor de oplossing van de uit die inning voortvloeiende geschillen bevoegde rechter aan te wijzen, met dien verstande evenwel dat die modaliteiten en voorwaarden de regeling voor de inning van de communautaire heffingen en rechten niet minder doeltreffend mogen maken dan die voor de inning van gelijksoortige nationale heffingen en rechten. Het Hof voegde daaraan toe ( 45 ), dat bij toepassing van de nationale wettelijke regeling geen verschil mag worden gemaakt met procedures ter oplossing van soortgelijke, doch zuiver nationale geschillen, en dat de formele procesregels de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen maken. Met betrekking tot deze door de communautaire rechtsorde verleende rechten had het Hof tevoren met name gewezen ( 46 ) op de rechten die de overheidsinstanties ontlenen aan de rechtstreekse werking van een voorschrift van gemeenschapsrecht, inzonderheid de bevoegdheid om in rechte op te treden teneinde betaling te vorderen van de communautaire heffingen en rechten die hadden moeten worden geïnd.
107.
Artikel 2, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1697/79 legt de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat die constateren dat bij invoer verschuldigde rechten niet zijn geheven, de verplichting op een procedure tot navordering van die rechten in te leiden. In de tweede alinea van die bepaling is een verjaringstermijn van drie jaar bepaald. In lid 2 is bepaald, dat de procedure tot navordering wordt ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer dat hij verschuldigd is. Artikel 4 bepaalt in het algemeen, dat de vordering „met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen” geschiedt.
108.
In het gemeenschapsrecht is dus alleen het beginsel van de verjaringstermijn van drie jaar neergelegd, alsook het beginsel dat een navorderingsprocedure door middel van een „kennisgeving” wordt ingeleid; andere procedurevoorschriften zijn er niet.
109.
De regeling voor de navordering wordt dus door het nationale recht beheerst, binnen de in voormeld arrest Salumi gestelde grenzen.
110.
De gronden voor ongeldigheid van de navorderingshandelingen vallen onder die regeling.
111.
Een nationale bepaling die inhoudt dat een betaalbevel in zijn geheel ongeldig is, wanneer een gedeelte van de in die titel vastgestelde schuld niet meer kan worden nagevorderd, maakt de regeling voor de inning van de communautaire heffingen en rechten weliswaar minder doeltreffend, maar aangezien zij niet de minste discriminatie tot gevolg heeft, maakt zij die regeling niet minder doeltreffend dan de overeenkomstige regeling voor de inning van de nationale belastingen, daar zij ook voor deze laatste geldt. Voorts maakt zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rech-ten niet nagenoeg onmogelijk. De autoriteiten kunnen de totale ongeldigheid van een bctaalbevel voorkomen door de verjaarde elementen van de schuld er niet in op te nemen; in geval van ongeldigheid kunnen zij aan de verjaring van de nog niet verjaarde schuldvorderingen ontsnappen door een nieuw bctaalbevel uit te vaardigen, mits het volgens het nationale recht ook voor nationale belastingen mogelijk is, een ongeldige handeling a posteriori te regulariseren.
112.
In het arrest van 28 juni 1977, Balkan-Import-Export ( 47 ), heeft het Hof de toepassing van een nationale regel uitgesloten, zodra daardoor in de draagwijdte van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen betreffende de grondslag, de heffingsvoorwaarden en het bedrag van een door dat gemeenschapsrecht voorziene belasting wijziging wordt gebracht. Het Hof preciseerde daarbij ( 48 ), dat meer in het bijzonder cen nationaal gezagsorgaan op een verzoek om vrijstelling — om redenen van billijkheid — niet mag ingaan wanneer het berust op overwegingen welke de economische gerechtvaardigdheid der betrokken belasting betreffen.
113.
Mijns inziens wijzigt een nationale regel als de door de verwijzende rechter bedoelde, niet de draagwijdte van het gemeenschapsrecht betreffende de grondslag, de heffingsvoorwaarden of het bedrag van de litigieuze douanerechten.
114.
In het arrest van 5 maart 1980, Fcrwerda ( 49 ), beklemtoonde het Hof voorts, dat moet worden nagegaan of cen algemeen beginsel of een bijzondere bepaling van gemeenschapsrecht in de weg staat aan de toepassing van een nationale regel die zich verzet tegen de inning van een gemeenschapsschuld.
115.
Mij komt voor, dat in cen geval als het voor de verwijzende rechter aanhangige, geen enkel beginsel van gemeenschapsrecht in de weg staat aan de ingeroepen nationale regel.
116.
Artikel 4 van verordening nr. 1697/79, krachtens welk de navordering door de bevoegde autoriteiten „met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen” geschiedt, is kennelijk geen „bijzondere bepaling” in de zin van voormeld arrest Fcrwerda, waarvoor de verwijzing naar het nationale recht niet geldt en die daarvoor een communautaire regel in de plaats stelt die een „onvoorwaardelijke verplichting voor de betrokken marktdeelnemer” inhoudt. ( 50 )
117.
Samenvattend concludeer ik dus, dat de voorwaarden voor de geldigheid van de wettelijke handelingen die de nationale autoriteiten met het oog op de navordering van invoerrechten vaststellen, door het nationale recht worden beheerst, en dat het gemecnschapsrceht er niet aan in de weg staat, dat een nationale regel bepaalt dat een betaalbevel betreffende een schuld waarvan slechts een gedeelte ingevolge toepassing van artikel, lid 1, van verordening nr. 1697/79 verjaard is, in haar geheel ongeldig is.
De vijfde vraag
118.
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 4 van verordening nr. 2164/91 ( 51 ) aldus moet worden uitgelegd, dat zo het bedrag van de niet geïnde rechten gelijk is aan of groter dan 2 000 ECU, de nationale autoriteiten niet verplicht zijn de Commissie om een beslissing te verzoeken over de mogelijkheid om niet tot navordering van douanerechten over te gaan, indien huns inziens niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79. Voorts verzoekt hij de toepassingsvoorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 te preciseren in het licht van de omstandigheden in de hoofdgedingen, teneinde te kunnen nagaan of verzoekers in het hoofdgeding er recht op hadden dat niet tot navordering werd overgegaan, en dus of de bevoegde nationale autoriteiten gehouden waren zich tot de Commissie te wenden.
119.
Deze vraag rijst uiteraard slechts indien de certificaten inzake goederenverkeer EUR. 1 bij een a posteriori controle ongeldig zijn bevonden.
Het verzoek aan de Commissie
120.
Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, waarvan ik de inhoud hierboven in punt 20 heb weergegeven, lijkt de nationale autoriteiten een discretionaire bevoegdheid te verlenen om de rechten niet na te vorderen wanneer aan de drie in die bepaling gestelde voorwaarden voldaan is. Het bepaalt immers: „De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering.”
121.
Volgens vaste rechtspraak moet deze bepaling evenwel aldus worden uitgelegd, dat wanneer aan de gestelde voorwaarden voldaan is, de belastingplichtige er recht op heeft, dat niet tot navordering wordt overgegaan. ( 52 ) Zij verleent de bevoegde nationale autoriteiten dus een gebonden bevoegdheid. ( 53 )
122.
Ingevolge artikel 4, eerste alinea, van verordening nr. 2164/91 moet de Commissie om een beslissing worden verzocht, zo het niet geïnde bedrag gelijk is aan of groter dan 2 000 ECU. Deze bepaling luidt als volgt:
„Wanneer de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing is begaan, van mening is dat aan alle voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening is voldaan, of twijfel heeft omtrent de juiste draagwijdte van de criteria van deze bepaling ten aanzien van het betrokken geval, draagt deze autoriteit het geval over aan de Commissie om overeenkomstig de in de artikelen 5 tot en met 7 vastgestelde procedure te worden geregeld.”
123.
Dit artikel bevat de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, krachtens welk het in bepaalde gevallen toegelaten is, van navordering af te zien. Conform 's Hofs rechtspraak ( 54 ) over artikel 4 van verordening nr. 1573/80 ( 55 ), welke verordening achtereenvolgens is vervangen door verordening nr. 2380/89 ( 56 ) en, met dezelfde bewoordingen, door verordening nr. 2164/91, volgt uit dit artikel, dat niet het geval betreft waarin de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn, dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 en zij dus menen tot navordering te moeten overgaan.
124.
Anders gezegd, wanneer de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn, dat zij tot navordering moeten overgaan, op grond dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de verschuldigde rechten, dienen zij zich niet tot de Commissie te wenden. In een dergelijk geval kan de betrokkene tegen hun beslissing voor de nationale rechterlijke instanties opkomen en kan de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht door het Hof worden verzekerd in het kader van de prejudiciële procedure. ( 57 )
Voorwaarden voor niet-navordering van douanerechten
125.
Ik wil er op wijzen dat, gelijk het Hof in voormeld arrest Foto-Frost ( 58 ) en in het arrest van 1 april 1993, Hewlett Packard France ( 59 ), heeft gedaan, in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 voor de nictnavordering door de bevoegde autoriteiten drie cumulatieve voorwaarden worden gesteld:
—
de niet-heffing van de rechten moet te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf;
—
de belastingschuldige moet te goeder trouw gehandeld hebben, dat wil zeggen dat het hem onmogelijk moet zijn geweest de vergissing van de bevoegde autoriteiten te ontdekken;
—
hij moet aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake zijn douaneaangifte hebben voldaan.
126.
Wanneer bij het Hof een verzoek is ingediend om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van een beslissing van de Commissie, genomen in het kader van artikel 6 van verordening nr. 2164/91 houdende toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, kan het Hof de feiten waarop de handeling berust, verifiëren alsook de juridische kwalificaties welke de gemeenschapsinstelling uit die feiten heeft afgeleid, wanneer de juistheid daarvan wordt betwist. ( 60 )
127.
In de hypothese van een prejudicieel verzoek om uitlegging in gevallen waarin de Commissie niet tevoren om een beslissing is verzocht, wijst het Hof, dat de inhoud van de drie in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 reeds ruimschoots heeft gepreciseerd, er regelmatig op, dat het aan de nationale rechter staat om te beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, aan deze criteria is voldaan. ( 61 )
128.
In de onderhavige procedure staat het dus aan de nationale rechter te beoordelen of, gelet op de relevante omstandigheden van de bij hem aanhangige zaak, aan de drie in de arresten Foto-Frost en Hewlett Packard France gestelde voorwaarden voldaan is.
129.
Ik wil deze drie voorwaarden een na een onderzoeken tegen de achtergrond van de door de nationale rechter gestelde vraag.
a) Vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf
130.
In voormeld arrest Mecanarte wees het Hof erop ( 62 ), dat artikel 5, lid 2, van verordening 1697/79 de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan.
131.
Het Hof leidde daar in de eerste plaats uit af ( 63 ), dat het begrip vergissing niet kan worden beperkt tot gewone rekenfouten of foutieve boekingen, maar elke soort vergissing omvat die het genomen besluit onwettig maakt, zoals met name het geval is bij een onjuiste uitlegging of toepassing van de geldende rechtsregels.
132.
In de tweede plaats leidde het Hof daaruit af ( 64 ), dat elke autoriteit die in het kader van zijn bevoegdheden gegevens verstrekt die in aanmerking worden genomen bij de navordering van douanerechten en bij de belastingschuldige dus het gewettigd vertrouwen kan opwekken, moet worden beschouwd als „bevoegde autoriteit”. Het Hof voegde daaraan toe, dat dit in het bijzonder geldt voor de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer die optreden ten aanzien van de douaneaangifte.
133.
In de derde plaats leidde het Hof daaruit af ( 65 ), dat het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige de in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 voorziene bescherming slechts kan genieten, indien het de bevoegde autoriteiten „zelf” zijn die de grondslag hebben gecreëerd waarop het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige berustte, dus indien de vergissingen aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven.
134.
Verzoekers in het hoofdgeding beroepen zich op een vergissing in de uitlegging of de toepassing, die zowel door de douaneautoriteit van de Faeröer als door de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk zou zijn begaan.
135.
Mijns inziens kan men niet zeggen, dat de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer een dergelijke vergissing begaan, wanneer zij op de enkele overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 het voordeel van de preferentiële behandeling toekennen, dit in onwetendheid omtrent bijzondere omstandigheden die de kwalificatie van produkten van oorsprong uitsluiten, zoals de samenstelling van de bemanning van bepaalde schepen en de gelijktijdige verwerking van garnalen van verschillende oorsprong. Het certificaat EUR. 1 wordt hoe dan ook slechts aanvaard onder voorbehoud van de a posteriori controles die in de gemeenschapsbepalingen zijn voorzien.
136.
Wat de bevoegde autoriteiten van een derde land of gebied betreft, is de bij de afgifte van de certificaten EUR. 1 begane vergissing, ongeacht het gebrek aan overlegging door een exporteur van documenten betreffende de status van de onbewerkte produkten (een situatie waarop in het rapport van de communautaire onderzoeksmissie is gewezen), daadwerkelijk een vergissing in de uitlegging en de toepassing, wanneer die autoriteiten, zelfs nadat zij kennis hebben genomen van de vaststellingen van een onderzocksmissie, bij hun standpunt blijven dat de afgegeven certificaten geldig zijn, dus dat de produkten als produkten van oorsprong zijn aan te merken.
137.
In haar antwoord op de vragen van het Hof wijst de Commissie ( 66 ) op een nota van 5 juli 1990 waarin de algemene directie van de douane van de Faeröer de Faeröerse ondernemingen eraan zouden hebben herinnerd, dat deze geen certificaten EUR. 1 mochten aanvragen voor garnalen verkregen op basis van uit derde landen herkomstige grondstoffen. Zo dat waar is, zou dat mijns inziens het bewijs kunnen zijn, dat de bevoegde autoriteiten geen vergissing hebben begaan, zodat toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 uitgesloten zou zijn.
138.
De belangrijkste vraag in een geval als het hoofdgeding is, of de douaneautoriteit van een derde land of gebied als een „bevoegde autoriteit” in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 is aan te merken.
139.
In voormeld arrest Mecanarte lijkt het Hof het begrip bevoegde autoriteit ruim te hebben gedefinieerd, waar het in het algemeen spreekt van „elke autoriteit”, zonder dit begrip uitdrukkelijk te beperken tot de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat. Immers, daarna citeerde het Hof „in het bijzonder” de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer als voorbeeld.
140.
Het valt dus niet in beginsel uit te sluiten, dat een douaneautoriteit van een derde land of gebied die ingevolge precieze bepalingen van een gemeenschapstekst door de Gemeenschap betrokken is bij het verstrekken van gegevens die in aanmerking worden genomen bij de navordering van douanerechten, als een bevoegde autoriteit in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 wordt aangemerkt. Zelfs het feit dat het gemeenschapsrecht het mogelijk maakt, dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer na afloop van een a posteriori controle niet definitief gebonden zijn dooide door de autoriteit van het derde land of gebied gemaakte beoordelingen, doet niets af aan die conclusie. Het blijft immers zo, dat in de eerste fase van de douaneprocedure laatstgenoemde autoriteit ingevolge het gemeenschapsrecht belast is met de juridische kwalificatie van de produkten ten aanzien van de betrokken douaneregeling, welke beoordeling, onder voorbehoud van een latere controle, wordt erkend en geëerbiedigd en als grondslag voor de toepassing van de regeling geldt.
b) Vergissing die door de belastingschuldige redelijkerwijs moet kunnen worden ontdekt
141.
Het onderzoek van deze voorwaarde dekt de eerste twee elementen die verzoekers in het hoofdgeding hebben aangevoerd tot staving van de door hen gestelde schending van het fundamentele eigendomsrecht. ( 67 )
142.
In voormeld arrest Deutsche Fernsprecher ( 68 ) beklemtoonde het Hof, dat alle omstandigheden van het geval concreet dienen te worden beoordeeld, om te beslissen of een vergissing door de betrokken ondernemer al dan niet kon worden ontdekt, en dat daarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de ondernemer, en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid.
143.
Wat de aard van de vergissing betreft, moet worden nagegaan of de betrokken regeling ingewikkeld is. ( 69 ) Alleen al uit lezing van verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 blijkt, dat ter zake van de definitie van het begrip „bemanning” geen enkel categorie personeelsleden uitgesloten is. Voorts blijkt, dat geen enkele bepaling van die verordeningen het systeem van de boekhoudkundige separatie, dat aan het geheel van een lading die een onbepaalde hoeveelheid garnalen van oorsprong uit andere derde landen bevat, het oorsprongskarakter zou verlenen, toestaat of zelfs maar vermeldt. Aangezien de gemeenschapsteksten volstrekt duidelijk zijn, maakt het mijns inziens geen verschil uit, of de vergissing van de bevoegde autoriteit al dan niet verband houdt met vermeldingen in nationale circulaires, zoals de door verzoekers in het hoofdgeding vermelde Deense circulaires van 1981 en 1989, waarvan de zin en de draagwijdte overigens in het lang en het breed tijdens de schriftelijke procedure zijn besproken. Ten overvloede wil ik nog opmerken, dat verzoekers in het hoofdgeding in hun opmerkingen ( 70 ) preciseren, dat zij zeventien jaar eerder een standpunt hadden ingenomen en tot de praktijk van de boekhoudkundige separatie waren overgegaan, dus lang vóór de betrokken circulaires en de inwerkingtreding van de gemcenschapsteksten. Ten slotte zij in ieder geval opgemerkt, dat op de circulaires een beroep wordt gedaan met betrekking tot het probleem van de boekhoudkundige separatie, doch niet met betrekking tot dat van de samenstelling van de bemanning.
144.
Met betrekking tot de beroepservaring van de ondernemer moet worden nagegaan of hij beroepsmatig voornamelijk op het gebied van de in- en uitvoer werkzaam is en of hij al een zekere ervaring heeft met de handel in de betrokken goederen. ( 71 )
145.
Wat de zorgvuldigheid van de ondernemer betreft, zij opgemerkt, dat ervaren en oplettende ondernemers, wanneer zij hun systeem van onder een bijzondere regeling vallende douaneaangiften organiseren, interpretatieve vergissingen als die waarover het in het hoofdgeding gaat, kunnen ontdekken, door via lectuur van de nummers van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen waarin de verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74 zijn gepubliceerd, kennis te nemen van de volstrekt duidelijke termen van het positief recht. Het Hof heeft reeds geoordeeld, dat een professionele ondernemer zich door lezing van de desbetreffende Publikaticbladen dient te vergewissen van het gemeenschapsrecht dat op zijn transacties van toepassing is. ( 72 )
146.
Voorts staat het buiten kijf, dat een coöperatie die zich met uitvoer bezighoudt, ofwel alle relevante feiten met betrekking tot de oorsprong van de garnalen kent, ofwel deze feiten zonder moeite kan achterhalen. Daar zij ingevolge artikel 21 van verordening nr. 3184/74 instaat voor de formaliteiten voor afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer, moet zij van haar leveranciers alle bewijsstukken inzake de — gehele of gedeeltelijke — Faeröerse oorsprong van de geleverde produkten eisen, zo nodig door middel van boekhoudkundige middelen. Nadat zij de relevante feiten aan de toepasselijke gemeenschapsteksten heeft getoetst, moet zij er in voorkomend geval van afzien de afgifte van certificaten EUR. 1 te vragen voor ladingen die niet aan de gestelde voorwaarden voldoen.
147.
Een importeur die een 100 % dochteronderneming van de exporteur is, kan evenzeer de feitelijke informatie verkrijgen die noodzakelijk is voor de toepassing van de verordeningen nrs. 2051/74 en 3184/74.
148.
Ten slotte stelt een douane-expediteur zich door het uitoefenen van zijn werkzaamheden op zichzelf reeds aansprakelijk zowel voor de betaling van de invoerrechten als voor de regelmatigheid van de door hem aan de douane-instanties voorgelegde documenten. ( 73 ) Het feit dat de certificaten van oorsprong ten onrechte zijn afgegeven, is een van de bedrijfsrisico's waaraan een douaneexpediteur blootstaat. ( 74 )
149.
Met dat risico dient hij ofwel rekening te houden in de tarieven die hij toepast, ofwel moet hij bijzondere bepalingen opnemen in het contract met zijn opdrachtgever, teneinde tegen deze een verhaal te hebben wanneer het risico zich voordoet.
150.
Wat er ook van zij, verordening nr. 1697/79 is, evenmin als verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten ( 75 ), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 ( 76 ), bedoeld om douane-expediteurs in alle omstandigheden te beschermen tegen het faillissement van hun cliënten ( 77 ) of tegen de loutere onmogelijkheid om nagevorderde rechten op dezen af te wentelen.
151.
Verordening nr. 1697/79 is niet bedoeld om een importeur of een exporteur in alle omstandigheden te beschermen tegen de onmogelijkheid om nagevorderde rechten op zijn cliënten af te wentelen; tegen dit risico kunnen de betrokkenen zich tot op zekere hoogte beschermen door middel van bijzondere contractuele bepalingen.
152.
Deze verordening beoogt de belastingschuldigen zelf slechts tegen een aantasting van hun patrimbniële rechten te beschermen in de gevallen waarin zij de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs niet konden ontdekken.
153.
In ieder geval zij eraan herinnerd, dat het Hof zich in voormeld arrest Hewlett-Packard France ( 78 ) ook heeft moeten uitspreken over de uitlegging van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79.
154.
Dit artikel bepaalt:
„1.
Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in situaties die het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden.”
155.
Het Hof oordeelde, dat deze bepaling en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 hetzelfde doel hebben, te weten betaling achteraf van in- of uitvoerrechten te beperken tot de gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een fundamentcel beginsel als het vertrouwensbeginsel. Het Hof leidde daaruit af, dat de omstandigheid dat de vergissing kan worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, overeenkomt met klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79.
156.
Artikel 4, punt 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten ( 79 ) nu bepaalt met betrekking tot artikel 13 van verordening nr. 1430/79:
„2.
(er is) op zichzelf geen sprake van cen bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de betrokkene inhouden:
(...)
c)
wanneer, met het oog op het verkrijgen van een preferentiële tariefregeling voor voor het vrije verkeer aangegeven goederen, zelfs indien dit te goeder trouw geschiedt, bescheiden worden overgelegd waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vals, vervalst of voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefregeling ongeldig waren”.
157.
Deze bepaling, gelezen in samenhang met het arrest Hewlett Packard France, belet dus dat men in beginsel aanneemt dat de afgifte van ongeldige certificaten van oorsprong tot gevolg heeft, dat de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs niet te ontdekken is.
158.
Nog alvorens in te gaan op de inhoud van de derde toepassingsvoorwaarde van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, kan ik reeds uit mijn opmerkingen afleiden, dat de suggestie om het probleem vanuit de invalshoek van het fundamentele eigendomsrecht te benaderen, niet ter zake is.
159.
Op basis van de door het Hof verstrekte uitleggingsgegevens en de omstandigheden van de voor hem aanhangige zaak, zal een nationale rechter:
—
ofwel oordelen dat de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs kon worden ontdekt, wat meebrengt dat de eerste twee stellingen van verzoekers in het hoofdgeding ( 80 ) ongegrond waren;
—
ofwel oordelen dat de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs niet kon worden ontdekt, met als gevolg dat de belastingschuldigen er recht op hadden dat niet tot navordering werd overgegaan ( 81 ), in welk geval de stelling van schending van het fundamentele eigendomsrecht zonder voorwerp raakt.
c) Naleving van alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte
160.
Deze derde voorwaarde houdt in, dat de aangever verplicht is de bevoegde douaneautoriteiten alle nodige inlichtingen te verschaffen met het oog op de toepassing van de betrokken douaneregeling.
161.
Wanneer de toepassing van een preferentiële regeling afhangt van het oorsprongs-karakter van de goederen, dient de ondernemer die om afgifte van certificaten inzake goederenverkeer verzoekt, in het bijzonder alle bewijsstukken betreffende de oorsprong van de goederen over te leggen.
162.
Indien een lading zowel uit produkten van oorsprong als uit andere produkten bestaat, moet de ondernemer de verschillende bestanddelen van de lading signaleren en onderscheidend rechtvaardigen.
Conclusie
163.
Gelet op het voorgaande geef ik in overweging de prejudiciële vragen van de High Court of Justice, Queen's Bench Division, te beantwoorden als volgt:
„1)
Ter zake van de toepassing van verordening (EEG) nr. 2051/74 van de Raad van 1 augustus 1974 betreffende de douaneregeling van toepassing op bepaalde produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer en van verordening (EEG) nr. 3184/74 van de Commissie van 6 december 1974 betreffende de definitie van het begrip ‚produkten van oorsprong’ en de methoden van administratieve samenwerking voor de toepassing van de douaneregeling welke geldt voor bepaalde produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer, worden de regels betreffende de bewijslast en de wijze waarop moet worden aangetoond dat de goederen al dan niet het oorsprongskarakter hebben, door het gemeenschapsrecht beheerst.
Het gaat om de volgende regels:
—
het bewijs van het oorsprongskarakter van de goederen moet jegens de douaneautoriteit van de Faeröer worden geleverd door de exporteur, en jegens het land van invoer door de ondernemer die met de invoerformaliteiten is belast;
—
jegens de douaneautoriteit van de Faeröer mag de Facröerse exporteur de oorsprong van de uitgevoerde goederen met alle middelen bewijzen;
—
jegens het land van invoer wordt het oorsprongskarakter van de goederen bewezen door middel van een door de douaneautoriteit van de Faeröer afgegeven certificaat EUR. 1;
—
het — door de bevoegde douaneautoriteiten te leveren — tegenbewijs mag met alle middelen worden geleverd.
De nationale rechter dient de naleving van die regels te garanderen en de bewijskracht te beoordelen van de elementen die elke partij in het kader van de op haar rustende bewijslast verstrekt.
2)
De douaneautoriteiten van een Lid-Staat van invoer mogen zonder raadpleging van het in artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2051/74 bedoelde Comité oorsprong van goederen certificaten EUR. 1 afwijzen, op grond dat zij zelf op basis van het missierapport van een door de Commissie verrichte onderzoeksmissie tot de overtuiging zijn gekomen, dat die certificaten niet geldig zijn, terwijl de douaneautoriteit van de Faeröer de conclusies van het rapport betwist en de geldigheid van de afgegeven certificaten bevestigt.
3)
a)
De criteria voor de definitie van ‚schepen van de Faeröer’ in bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 2051/74 en in de vierde verklarende aantekening bij bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3184/74, moeten cumulatief worden gelezen.
b)
De term ‚bemanning’ in die teksten moet aldus worden verstaan, dat daarmee wordt gedoeld op alle personen die instaan voor de vaart van en de dienst op een schip, en voor de op dat schip verrichte economische activiteit. De bemanning omvat de personen die krachtens een overeenkomst met een onderneming van een derde land zijn aangemonsterd om als leerling of als ongeschoolde kracht benedendeks op het schip te werken, ongeacht of zij door de exploitant van het schip dan wel door een onderneming van een derde land worden betaald, en ongeacht of zij permanent dan wel tijdelijk aan het schip verbonden zijn.
c)
Wanneer onbewerkte visserijprodukten niet afzonderlijk naar hun oorsprong worden verwerkt, staat het aan de exporteur om met alle middelen, en in het bijzonder op boekhoudkundige wijze, het juiste percentage en dus de hoeveelheid produkten van oorsprong in het eindprodukt aan te tonen, daar alleen die hoeveelheid rechtmatig in aanmerking komt voor de preferentiële behandeling. Indien bij een a posteriori controle blijkt, dat dat bewijs niet voor iedere lading is geleverd, mogen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer rechten heffen tot een bedrag, gelijk aan wat had moeten worden betaald, indien de oorsprong van de goederen in elke afzonderlijke partij verhoudingsgewijs had overeengestemd met de oorsprong van alle onbewerkte produkten die in het jaar waarin de invoer plaatsvond, door de fabriek zijn ingeslagen.
4)
De voorwaarden voor de geldigheid van de handelingen die door de nationale autoriteiten zijn vastgesteld met het oog op de navordering van invoerrechten ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, worden door het nationale recht beheerst. Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg, dat een nationale regel bepaalt dat een betaalbcvel betreffende een schuld waarvan slechts een gedeelte ingevolge toepassing van artikel 2, lid 1, van voormelde verordening (EEG) nr. 1697/79 verjaard is, in haar geheel ongeldig is.
5) a)
Artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2164/91 van de Commissie van 23 juli 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 moet aldus worden uitgelegd, dat zo het niet geïnde bedrag gelijk is aan of groter dan 2 000 ECU, de nationale autoriteiten niet verplicht zijn de Commissie om een beslissing te verzoeken over de mogelijkheid om niet tot navordering van douanerechten over te gaan, indien huns inziens niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79.
b)
Artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 moet aldus worden uitgelegd:
—
dat de vergissing van de bevoegde autoriteiten een rekenfout, een foutieve boeking of een vergissing in de uitlegging of toepassing kan zijn, in voorkomend geval begaan door de douaneautoriteiten van een derde land of gebied die door de Gemeenschap betrokken zijn bij het verstrekken van gegevens die in aanmerking worden genomen bij de navordering van die rechten;
—
dat om na te gaan of de belastingschuldige redelijkerwijs de vergissing kon ontdekken:
—
moet worden onderzocht, of de betrokken regeling ingewikkeld is, dan wel of daarentegen haar bewoordingen volstrekt duidelijk zijn;
—
rekening moet worden gehouden met de beroepservaring van de betrokken ondernemer;
—
de zorgvuldigheid van de ondernemer moet worden beoordeeld, in voorkomend geval rekening houdend met de mogelijkheid die hij had om kennis te nemen van de toepasselijke gemeenschapsbepalingen en om zelf kennis te nemen van de aan die bepalingen onderworpen relevante feiten, dan wel om deze feiten zonder moeite te achterhalen, of nog moet worden onderzocht, of deze ondernemer wegens de aard van zijn werkzaamheden aansprakelijk is zowel voor de betaling van de rechten als voor de regelmatigheid van de door hem aan de douaneautoriteiten voorgelegde documenten;
—
de belastingschuldige moet alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben nageleefd, dat wil zeggen dat hij in het bijzonder de bevoegde douaneautoriteiten alle nodige inlichtingen met het oog op de toepassing van de betrokken douaneregeling moet hebben verstrekt, zo nodig afzonderlijk voor elk gedeelte van een lading die produkten bevat die onder verschillende bepalingen vallen.
Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of, op basis van die uitleggingselementen, voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) Zie de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, punt 11 (Franse versie).
( 2 ) PB 1973, L 2, biz. 1.
( 3 ) PB 1974, L 212, blz. 33.
( 4 ) Het oude artikel 5, thans artikel 4 ingevolge wijziging bij artikeli, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2612/79 van de Raad van 23 november 1979 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2051/74 betreffende de douaneregeling van toepassing op bepaalde produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer (PB 1979, L 301, blz. 1).
( 5 ) PB 1968, L 148, blz. 1. Na codificatie is deze verordening afgeschaft bij artikel 251 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, in werking getreden op 1 januari 1994 (PB 1994, L 302, blz. 1).
( 6 ) PB 1974, L 344, blz. 1.
( 7 ) Naam van de douaneautoriteit van de Facröer ten tijde van de vaststelling van de verordening.
( 8 ) PB 1979, L 197, blz. 1. Na codificatie is deze verordening afgeschaft bij artikel 251 van voormelde verordening nr. 2913/92, in werking getreden op 1 januari 1994.
( 9 ) In wezen overgenomen in artikel 221, lid 3, van het huidige communautair douanewetboek.
( 10 ) In wezen overgenomen in artikel 220, lid 2, sub b, van het huidige communautair douanewetboek.
( 11 ) PB 1980, L 161, blz. 1.
( 12 ) PB 1989, L 225, blz. 30.
( 13 ) PB 1991, L 201, blz. 16.
( 14 ) Sedert 31 december 1993 zou Føroya Fiskasøla een holdingmaatschappij zijn die slechts de activa bezit van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die de naam P/F Føroya Fiskasøla draagt (zie punt 18, voetnoot 16, van de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, Franse versie).
( 15 ) Zie punt 44 van de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding.
( 16 ) Zie arresten van 3 februari 1977 (zaak 62/76, Strehl, Jurispr. 1977, blz. 211) en 15 oktober 1980 (zaak 145/79, Roquette Frères, Jurispr. 1980, blz. 2917).
( 17 ) Punt 45 van hun schriftelijke opmerkingen.
( 18 ) Zie voetnoot 4 hierboven.
( 19 ) Ibidem.
( 20 ) Zaak 218/83, Jurispr. 1984, blz. 3105.
( 21 ) Verordening (EEG) nr. 2840/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 300, blz. 188).
( 22 ) PB 1973, L 365, blz. 135.
( 23 ) PB 1977, L 342, blz. 27.
( 24 ) R. o. 26.
( 25 ) R. o. 27.
( 26 ) R. o. 28.
( 27 ) R. o. 29.
( 28 ) Zaak C-12/92, Jurispr. 1993, blz. I-6381, r. o. 24 en 25.
( 29 ) PB 1972, L 300, blz. 1.
( 30 ) R. o. 27.
( 31 ) Eigen cursivering.
( 32 ) Eigen cursivering.
( 33 ) PB 1981, L 144, blz. 1.
( 34 ) PB 1987, L 90, blz. 3.
( 35 ) PB 1991, L 371, blz. 1.
( 36 ) Punt 4 van haar opmerkingen.
( 37 ) Punt 6.1.2 van zijn opmerkingen.
( 38 ) PB 1972, L 73, blz. 5.
( 39 ) Eigen cursivering. door het Koninkrijk Denemarken. De verordeningen zijn geredigeerd ervan uitgaande, dat het EEG-Vcrdrag op de eilanden van toepassing zou worden, vanwaar de uitdrukking „onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap, die al dan niet op de Faeröer woonachtig zijn” in bijlage IV bij verordening nr. 2051/74 en de vierde verklarende aantekening bij bijlage I bij verordening nr. 3184/74. Deze ongelukkige formulering moet niet letterlijk worden opgevat, maar moet aldus worden verstaan, dat zij enerzijds slaat op de onderdanen van de Lid-Staten, en anderzijds op de op de Faeröer wonende Deense onderdanen.
( 40 ) Eigen cursivering.
( 41 ) Eigen cursivering.
( 42 ) Dat overigens niet in detail in de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen is beschreven.
( 43 ) Reeds aangehaald ín r. o. 17.
( 44 ) Gevoegde zaken 66/79, 127/79 en 128/79, Jurispr. 1980, blz. 1237, r. o. 18.
( 45 ) R. o. 20.
( 46 ) R. o. 13.
( 47 ) Zaak 118/76, Jurispr. 1977, blz. 1177, r. o. 5.
( 48 ) Ibidem.
( 49 ) Zaak 265/78, Jurispr. 1980, blz. 617, r. o. 14.
( 50 ) Ibidem, r. o. 18 en 20.
( 51 ) Reeds aangehaald in punt 21.
( 52 ) Zie de arresten van 22 oktober 1987 (zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr. 1987, blz. 4199, r. o. 22): 23 mei 1989 (zaak 378/87, Top-Hit Holzvertrieb, Jurispr. 1989, blz. 1359, r. o. 18); 12 juli 1989 (zaak 161/88, Binder, Jurispr. 1989, blz. 2415, r. o. 16); 27 juni 1991 (zaak C-348/89, Mccanartc, Jurispr. 1991, blz. I-3277, r. o. 12), en 4 mei 1993 (zaak C-292/91, Weis, Jurispr. 1993, blz. I-2219, r. o. 15).
( 53 ) Arrest Mccanartc, reeds aangehaald, r. o. 14.
( 54 ) Zie arrest van 26 juni 1990 (zaak C-64/89, Deutsche Fernsprecher, Jurispr. 1990, blz. I-2535, r. o. 12) en arrest Mecanarte, reeds aangehaald, r. o. 32.
( 55 ) Reeds aangehaald in punt 21.
( 56 ) Ibidem.
( 57 ) Zie arresten Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r. o. 13, en Mecanarte, eveneens reeds aangehaald, r. o. 33.
( 58 ) R. o. 24, 25 en 26.
( 59 ) Zaak C-250/91, Jurispr. 1993, blz. I-1819, r. o. 13.
( 60 ) Arrest Foto-Frost, reeds aangehaald, r. o. 23.
( 61 ) Arrest Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r. o. 23; arresten van 8 april 1992 (zaak C-371/90, Bcirafrio, Jurispr. 1992, blz. I-2715, r. o. 21) en 16 juli 1992 (zaak C-187/91, Bclovo, Jurispr. 1992, blz. I-4937, r. o. 17 en 20), en arrest Hewlett Packard France, reeds aangehaald, r. o. 22.
( 62 ) R. o. 19.
( 63 ) Ibidem, r. o. 20.
( 64 ) Ibidem, r. o. 22.
( 65 ) Ibidem, r. o. 23.
( 66 ) Antwoord op vraag 2, sub c.
( 67 ) Zie punt 37 hierboven.
( 68 ) R. o. 18 en 19.
( 69 ) 69 — Ibidem, r. o. 20.
( 70 ) l'uni 20.
( 71 ) Arrest Deutsche Fernsprecher, reeds aangehaald, r. o. 21.
( 72 ) Zie hel arresi Binder, reeds aangehaald, r. o. 22, en het arresi van 28 juni 1990 (zaak C-80/89, Helm Verpackungsbedarf, Jurispr. 1990, blz. I-2659, r. o. 14).
( 73 ) Arrest van 13 november 1984 (gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Van Gend & Loos, Jurispr. 1984, blz. 3763, r. o. 16).
( 74 ) Ibidem, r. o. 17.
( 75 ) PB 1979, L 175, blz. 1. Deze verordening is, na codificatie, afgeschaft bij artikel 251 van verordening nr. 2913/92.
( 76 ) PB 1986, L 286, blz. 1.
( 77 ) Ibidem, r. o. 16, met betrekking tot verordening nr. 1430/79.
( 78 ) II. o. 46.
( 79 ) PB 1986, I-352, blz. 19.
( 80 ) Zie punt 37 hierboven.
( 81 ) Indien voorts ook aan de derde toepassingsvoorwaarde van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 voldaan is.
Full & Egal Universal Law Academy