CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 24 oktober 1995 ( *1 )
1.
In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank van koophandel te Luik (België) het Hof prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag en van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften ( 1 ) (hierna: „richtlijn”), in verband met nationale bepalingen die de goedkeuring van alarmsystemen en -centrales voorschrijven.
De relevante nationale rechtsregels
2.
De Belgische regels over de goedkeuring van alarmsystemen zijn neergelegd in de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (hierna: „wet”) en in het koninklijk besluit van 14 mei 1991 tot vaststelling van de procedure van de goedkeuring van de alarmsystemen en alarmcentrales, bedoeld in de wet van 10 april 1990 (hierna: „koninklijk besluit van 1991”).
3.
Volgens artikeli, §4, ervan heeft de wet betrekking op de alarmsystemen en -centrales die zijn bestemd om misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen of vast te stellen.
Ingevolge artikel 4 van de wet mag niemand een beveiligingsonderneming exploiteren zonder voorafgaande erkenning door het Ministerie van Binnenlandse zaken. De erkenning wordt slechts verleend indien de onderneming voldoet aan de voorschriften van de wet en aan de door de Koning bepaalde voorwaarden betreffende de financiële middelen en de technische uitrusting.
Artikel 12 luidt:
„De alarmsystemen en alarmcentrales bedoeld in artikel 1, § 4, en de componenten daarvan mogen niet in de handel worden gebracht of op enige andere wijze ter beschikking van de gebruikers worden gesteld dan nadat zij tevoren volgens een door de Koning vast te stellen procedure zijn goedgekeurd.
De Koning bepaalt eveneens de voorwaarden voor de installatie, het onderhoud en het gebruik van de in artikel 1, §4, bedoelde alarmsystemen en alarmcentrales en hun componenten.”
4.
Het koninklijk besluit van 1991 is gebaseerd op artikel 12 van de wet. Ingevolge artikel 2 van dit koninklijk besluit mag geen fabrikant, invoerder, groothandelaar of andere natuurlijke of rechtspersoon nieuw materieel in België in de handel brengen of op enige andere wijze ter beschikking van de gebruikers stellen, als dit materieel niet is goedgekeurd door de „commissie materieel”. Goedgekeurd materieel moet een zichtbaar kenmerk dragen van diegene die de aanvraag tot goedkeuring heeft gedaan en moet melding maken van de goedkeuring zelf.
Krachtens artikel 4, §1, van het koninklijk besluit van 1991 stelt de minister van Binnenlandse zaken de lijst op van de instellingen die gespecialiseerd zijn in het uitvoeren van de tests die aan de eventuele goedkeuring van het materieel voorafgaan. De aanvragen tot goedkeuring dienen rechtstreeks te worden gericht tot één van deze instellingen, die bij uitsluiting bevoegd zijn om de tests uit te voeren.
Artikel 5 luidt:
„Vooraleer tot de eigenlijke testen over te gaan, onderzoeken de laboratoria het materieel.
Dit onderzoek bestaat uit:
1.
de identificatie van het materieel;
2.
het nazicht van de clectronische circuits in vergelijking met de door de fabrikant geleverde documenten;
3.
het nazicht van de minimale vereiste functies zoals beschreven in bijlage 4 van dit besluit.”
Artikel 6 bepaalt:
„De op het materieel uitgevoerde testen betreffen:
1.
de functionele geschiktheid;
2.
het mechanische aspect;
3.
de betrouwbare mechanische en/of clectronische werking;
4.
de ongevoeligheid voor vals alarm;
5.
de beveiliging tegen fraude of pogingen om het materieel buiten gebruik te stellen.
Daartoe wordt het materieel onderworpen aan de testen die opgenomen zijn in de bijlagen 3 en 4 van dit besluit. Een gedetailleerde beschrijving van deze testen kan tegen schriftelijke aanvraag bekomen worden bij de in artikel 4, § 1, bedoelde instellingen. Deze testen zijn toepasselijk op de verschillende types van componenten.”
Artikel 7 luidt:
„De specifieke testen uitgevoerd op de componenten waarborgen geenszins de compatibiliteit van de componenten onderling. De verantwoordelijkheid voor die compatibiliteit blijft ten volle bij de ontwerper van het alarmsysteem.”
Artikel 8 van het koninklijk besluit van 1991 bepaalt dat, indien de aanvrager van de goedkeuring „door middel van de nodige documenten bewijst dat zijn materieel reeds aan minstens evenwaardige testen als die beschreven in artikel 7 onderworpen werd in een volgens de EEG-normen erkend laboratorium in een andere EEG-Lid-Staat en aldaar ten hoogste 3 jaar voor de datum van de huidige aanvraag goedgekeurd is, de in artikel 4, § 1, bedoelde instelling op het materieel enkel nog die testen uitvoert die nog niet in de andere EEG-Lid-Staat uitgevoerd werden”.
De feiten van de zaak
5.
Verzoekster in het hoofdgeding, CIA Security International SA (hierna: „CIA”), is een Belgische onderneming die in 1993 het bedrijf van SPRL CIA Security, in liquidatie, heeft overgenomen. Tot de overgenomen activa behoorde het inbraakbeveiligingssysteem „Andromede”, dat een prijs ontving op het 42e „Salon mondial de l'invention, de la recherche et de l'innovation industrielle — Bruxelles-Eureka 93”. Na deze overname zette CIA de verkoop voort van het Andromede-systeem, dat, aldus CIA, in België wordt geassembleerd uit in Duitsland, Italië en België vervaardigde onderdelen. In casu staat vast, dat voor dit alarmsysteem in België geen goedkeuring is aangevraagd.
6.
Verweersters in het hoofdgeding, Signalson SA (hierna: „Signalson”) en Securitel SPRL (hierna: „Securitel”), zijn concurrenten van CIA. In het kader van hun handelsactiviteiten hebben deze ondernemingen met name verklaard, dat de hierboven genoemde prijs voor het Andromede-systeem was toegekend op basis van onjuiste gegevens, dat het systeem niet functioneerde en dat de onderneming door de Belgische overheid niet was erkend. Deze verklaringen werden gedaan in januari 1994.
7.
Dit was voor CIA aanleiding om op 21 januari 1994 de zaak voor de Rechtbank van koophandel te Luik te brengen, waar zij betoogde, dat het gedrag van Signalson en Securitel in strijd was met de eerlijke handelsgebruiken en dus met de artikelen 93 en 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken (hierna: „Belgische wet betreffende de handelspraktijken”). CIA vorderde bovendien, dat Signalson en Securitel zouden worden veroordeeld tot een geldboete en dat het vonnis zou worden gepubliceerd. CIA betoogde tijdens de procedure, dat de Belgische voorschriften over de goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales neergelegd in de wet en in het koninklijk besluit van 1991 een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormen en dus strijdig zijn met artikel 30 van het Verdrag, en dat deze voorschriften ongeldig zijn, aangezien zij de Commissie niet zijn meegedeeld overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn, hetgeen niet wordt betwist.
8.
Signalson en Securitcl hebben in het hoofdgeding een aantal tegenvordcringen ingediend die er met name toe strekken vast te stellen, dat CIA in strijd met de goede handelsgcbruikcn heeft gehandeld, door een nict-goedgekeurd alarmsysteem te verkopen en een activiteit uit te oefenen zonder daarvoor een erkenning te hebben ontvangen; zij vragen de rechtbank CIA te verbieden het Andromedc-systcem nog te verkopen en haar een dwangsom op te leggen. Zij hebben voorts geconcludeerd tot veroordeling van CIA om elke vorm van publiciteit te beëindigen waarin het Andromedc-systcem wordt beschreven als een Belgisch produkt, terwijl het volgens hen in werkelijkheid uit Duitsland of Frankrijk komt.
De relevante gemeenschapsrechtelijke regels
9.
Volgens artikel 30 van het Verdrag zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking verboden.
10.
De richtlijn bevat een informatieprocedure, op grond waarvan de Lid-Staten verplicht zijn elk ontwerp voor een technisch voorschrift bij de Commissie aan te melden.
Artikel 1, punten 1, 5 en 6, van de richtlijn bevat de definitie van de begrippen „technische specificatie”, „technisch voorschrift” en „ontwerp voor een technisch voorschrift”. Deze bepalingen luiden als volgt:
„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
Technische specificatie: specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een produkt, zoals kwaliteitsniveaus, prestatie, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, zoals die op het produkt van toepassing zijn, alsmede produktiemethodes en -procédés voor landbouwprodukten in de zin van artikel 38, lid 1, van het Verdrag, voor produkten bestemd voor menselijke of dierlijke voeding en voor geneesmiddelen als omschreven in artikel 1 van richtlijn 65/65/EEG, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 87/21/EEG.
(...)
5.
Technisch voorschrift: technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een Lid-Staat of in een groot deel van deze Staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld.
6.
Ontwerp voor een technisch voorschrift: de tekst van een technische specificatie, met inbegrip van de bestuursrechtelijke bepalingen, uitgewerkt met de bedoeling deze uiteindelijk als technisch voorschrift vast te stellen of te doen vaststellen, en zich bevindend in een zodanig stadium van voorbereiding dat er nog ingrijpende wijzigingen in kunnen worden aangebracht.”
11.
Ingevolge artikel 5 wordt een permanent comité opgericht, samengesteld uit door de Lid-Staten aangewezen vertegenwoordigers, die zich kunnen laten bijstaan door deskundigen of adviseurs, en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.
12.
Artikel 8, lid 1, van de richtlijn luidt:
„De Lid-Staten delen de Commissie onmiddellijk ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede, tenzij het een volledige omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval met een eenvoudige vermelding van de betrokken internationale of Europese norm kan worden volstaan; zij doen de Commissie tevens in beknopte vorm mededeling van de redenen die de vaststelling van een dergelijk technisch voorschrift noodzakelijk maken, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp blijken. In voorkomend geval doen de Lid-Staten tegelijkertijd mededeling van de tekst van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de draagwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te beoordelen.
De Commissie stelt de overige Lid-Staten onverwijld in kennis van het ontvangen ontwerp; zij kan dit tevens voor advies voorleggen aan het in artikel 5 bedoelde Comité en, in voorkomend geval, aan het Comité dat bevoegd is op het betrokken gebied.”
13.
Na mededeling van een ontwerp kunnen de Commissie en de Lid-Staten opmerkingen over dit ontwerp indienen, waarmee de betrokken Lid-Staat, bij de verdere uitwerking van het technisch voorschrift, zoveel mogelijk rekening dient te houden (artikel 8, lid 2).
14.
Op grond van artikel 8, lid 4, zijn de uit hoofde van dit artikel verstrekte inlichtingen vertrouwelijk. Het comité en de nationale overheidsdiensten kunnen echter, met inachtneming van de nodige voorzorg, natuurlijke of rechtspersonen die tot de particuliere sector kunnen behoren, om deskundigenadvics verzoeken. ( 2 )
15.
Overeenkomstig artikel 9, lid 1, moeten de Lid-Staten de goedkeuring van een ontwerp voor een technisch voorschrift zes maanden uitstellen, te rekenen vanaf de datum van de mededeling, indien de Commissie of een andere Lid-Staat binnen een termijn van drie maanden na die datum de uitvoerig gemotiveerde mening te kennen geeft, dat de beoogde maatregel moet worden gewijzigd teneinde eventuele belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die uit die maatregel kunnen voortvloeien op te heffen of te beperken. De betrokken Lid-Staat doet de Commissie verslag over het gevolg dat hij voornemens is te geven aan een dergelijke uitvoerig gemotiveerde mening. De Commissie voorziet deze reactie van commentaar. Krachtens artikel 9, lid 2, wordt de termijn verlengd van zes tot twaalf maanden, indien de Commissie binnen een termijn van drie maanden na de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling haar voornemen te kennen geeft een richtlijn over dit onderwerp voor te stellen of vast te stellen.
Uit artikel 9, lid 1, volgt a contrario, dat een Lid-Staat de aangemelde regel kan vaststellen, indien de Commissie noch een Lid-Staat binnen de termijn van drie maanden bezwaar heeft gemaakt.
16.
In een mededeling van 1 oktober 1986 betreffende de niet-nakoming van bepaalde voorschriften van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, heeft de Commissie zich uitgesproken over de juridische consequenties van het verzuim van de aanmeldingsplicht. ( 3 )
De laatste twee alinea's van de mededeling luiden als volgt:
„Het is duidelijk dat de niet-nakoming van hun verplichtingen door de Lid-Statcn ingevolge deze informatieprocedure zou leiden tot de schepping van ernstige leemten in de interne markt, met potentieel schadelijke gevolgen voor de handel.
Dc Commissie is derhalve van oordeel dat, indien een Lid-Staat een technisch voorschrift treft, dat onder het toepassingsgebied van richtlijn 83/189/EEG valt, zonder het ontwerp mede te delen aan de Commissie en de standstill-verplichting na te komen, de aldus getroffen regeling niet kan worden toegepast jegens derden in het rechtsstelsel van de betrokken Lid-Staat. De Commissie is derhalve van oordeel dat partijen het recht hebben van de nationale rechterlijke instanties te verwachten dat zij weigeren nationale technische voorschriften toe te passen die niet ingevolge de vereisten van het gemeenschapsrecht zijn aangemeld.”
17.
Blijkens de mededeling van de Commissie betreffende de bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van de titels van de ontwerpen van technische voorschriften waarvan uit hoofde van richtlijn 83/189/EEG van de Raad, gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG, door de Lid-Staten mededeling is gedaan ( 4 ), heeft de Commissie, teneinde de aandacht van de Europese industrie op de ontwerpen voor nationale voorschriften te vestigen, besloten een lijst van de ingekomen aanmeldingen bekend te maken, hetgeen volgens de Commissie „een extra middel vormt om het mechanisme van de communautaire informatieprocedure van de richtlijnen 83/189/EEG en 88/182/EEG, waarmee nieuwe handelsbelemmeringen moeten worden voorkomen, doeltreffender te maken”.
Voorts blijkt uit die mededeling, dat de bekendmaking vanaf maart 1989 wekelijks zou plaatsvinden en naast de titel van het ontwerp, de vervaldatum van de standstill-termijn van drie maanden bevat. De mededeling wijst voorts in elke Lid-Staat een instantie aan, waarbij de economische subjecten aanvullende informatie kunnen verkrijgen over de inhoud van een aangemeld ontwerp.
Ten slotte verwijst de Commissie naar de mededeling van 1 oktober 1986 voor de juridische consequenties van het achterwege blijven van een aanmelding.
18.
In concrete bekendmakingen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen verwijst de Commissie naar bovengenoemde mededelingen en citeert zij de laatste alinea van de mededeling van 1986 die, zoals gezegd, betrekking heeft op de juridische gevolgen die volgens de Commissie verbonden zijn aan het ontbreken van aanmelding. ( 5 )
De prejudiciële vragen
19.
Bij vonnis van 20 juni 1994 heeft de Rechtbank van koophandel te Luik het Hof de volgende vragen voorgelegd:
„1)
Brengt de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsonderncmingen en de interne bewakingsdiensten, en meer in het bijzonder de artikelen 4 en 12 ervan, kwantitatieve invoerbeperkingen mee of behelst zij bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking?
2)
Is het koninklijk besluit van 14 mei 1991 tot vaststelling van de procedure van de goedkeuring van de alarmsystemen en alarmcentrales, bedoeld in de wet van 10 april 1990, en in het bijzonder de artikelen 2 en 8 ervan, verenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag, dat kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking verbiedt?
3)
Bevat genoemde wet van 10 april 1990, en meer in het bijzonder de artikelen 4 en 12 ervan, technische voorschriften die ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG vooraf aan de Commissie moesten worden meegedeeld?
4)
Bevat het koninklijk besluit van 14 mei 1991, en meer in het bijzonder de artikelen 2 en 8 ervan, technische voorschriften die ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG vooraf aan de Commissie moesten worden meegedeeld?
5)
Zijn de bepalingen van richtlijn 83/189/EEG van de Raad betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, en meer in het bijzonder de artikelen 8 en 9 ervan, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen?
6)
Vereisen het gemeenschapsrecht en de bescherming die een particulier uit hoofde hiervan toekomt, dat een nationale rechter weigert toepassing te geven aan een nationaal technisch voorschrift dat door de Lid-Staat die het heeft vastgesteld, niet overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad aan de Commissie is meegedeeld?”
De eerste en de tweede vraag
20.
Met de eerste en de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking van toepassing is op nationale bepalingen als die van de wet, en meer in het bijzonder de artikelen 4 en 12 ervan, en van het koninklijk besluit van 1991, in het bijzonder de artikelen 2 en 8 ervan, op grond waarvan beveiligingsondernemingen vooraf moeten worden erkend en alarmsystemen en alarmcentrales vooraf moeten worden goedgekeurd. Aangezien beide vragen de artikelen 30 en volgende van het Verdrag betreffen, zal ik ze te zamen beantwoorden.
21.
Volgens CIA was voldaan aan de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Lid-Staten.
22.
Signalson heeft naar voren gebracht, dat de wet en het koninklijk besluit van 1991 niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag vielen, aangezien het om een situatie gaat als bedoeld in het arrest van het Hof van 24 november 1993, Keek en Mithouard. ( 6 )
23.
De Belgische regering is van mening, dat de prejudiciële vragen door de vaststelling van het nieuwe koninklijk besluit van 31 maart 1994 zonder voorwerp zijn geraakt.
24.
De Commissie heeft uiteengezet, dat artikel 4 van de wet betrekking heeft op de vestiging van ondernemingen, en het vrije verkeer van goederen onvoldoende beïnvloedt om de toepassing van artikel 30 te rechtvaardigen. Evenmin lijkt er in casu een zodanig verband te bestaan met het vrije verkeer van goederen, dat de in artikel 12 van de wet en in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1991 vereiste goedkeuring onverenigbaar zou worden met artikel 30. Bovendien beogen deze voorschriften een rechtmatig doel en gaan zij niet verder dan hetgeen hiervoor noodzakelijk en geschikt is. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 1991 daarentegen, is in strijd met het beginsel van wederzijdse erkenning. De verwijzing in dit artikel naar artikel 7 van het koninklijk besluit doet twijfel ontstaan over de tests waarvoor de wederzijdse erkenning geldt. Bovendien komen enkel de tests die zijn verricht door volgens de EEG-normen erkende laboratoria voor wederzijdse erkenning in aanmerking. Er wordt geen rekening gehouden met tests die zijn verricht door volgens het nationale stelsel erkende laboratoria. Daarnaast geldt bovendien als voorwaarde, dat het produkt ten hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag om goedkeuring in België, is goedgekeurd in een andere Lid-Staat.
25.
Mijns inziens betreft artikel 4 van de wet de voorafgaande erkenning van beveiligingsondernemingen, en derhalve de voorwaarden voor de vestiging van ondernemingen in België. Een dergelijk voorschrift moet in beginsel worden beoordeeld in het licht van de artikelen 52 en 58 van het Verdrag. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen de verdragsbepalingen inzake het recht van vestiging niet van toepassing zijn op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in een enkele Lid-Staat afspelen. ( 7 ) CIA is een Belgische vennootschap, die haar activiteiten in België uitoefent, waardoor het mijns inziens een louter interne aangelegenheid betreft, die dus niet onder de toepassing van de artikelen 52 en 58 valt. Om die reden heeft de verwijzende rechtbank het waarschijnlijk niet nodig geacht vragen te stellen over de uitlegging van deze verdragsartikelen.
26.
Wat artikel 30 van het Verdrag betreft, wil ik erop wijzen, dat men op grond van de in deze zaak verstrekte inlichtingen niet mag concluderen, dat het vereiste van erkenning zoals opgenomen in artikel 4 van de wet, voor de Belgische ondernemingen aanleiding zou kunnen zijn om meer dan anders het geval zou zijn, Belgische produkten te kopen en te gebruiken. De eventuele indirecte gevolgen van nationale bepalingen van dit type op het vrije verkeer van goederen lijken mij veel te onzeker en vooral te indirect om ze te kunnen beschouwen als maatregelen die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten kunnen belemmeren. ( 8 ) Ik ben daarom van mening, dat artikel 30 aldus moet worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een regeling als die welke is voorzien in artikel 4 van de wet.
27.
Artikel 12 van de wet en het koninklijk besluit van 1991 hebben betrekking op de goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales. De Commissie heeft met betrekking tot de eerste twee vragen, en dus ook met betrekking tot deze bepalingen, in het algemeen uiteengezet, dat de voorwaarde van het verband met het vrij verkeer van goederen niet vervuld lijkt. Onderzocht moet dus worden, of dit zo is.
28.
In zijn arrest van 15 december 1982, Oosthoek ( 9 ), heeft het Hof geoordeeld, dat de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling op de verkoop in Nederland van aldaar geproduceerde encyclopedieën geen verband hield met de in- of uitvoer van de goederen en dus niet onder de artikelen 30 en 34 viel. Voorts zij verwezen naar het arrest van 14 juli 1988, Smanor ( 10 ), in welke zaak het voor de nationale rechter ging om de toepassing van het Franse recht op een Franse vennootschap die op Frans grondgebied diepgevroren yoghurt produceerde en verkocht. Het Hof oordeelde, dat het aan de nationale rechter stond om aan de hand van de feiten van het hoofdgeding de relevantie van de prejudiciële vragen te beoordelen. ( 11 )
Het Hof gaat dus zeer omzichtig te werk alvorens vast te stellen, dat er sprake is van een louter interne aangelegenheid, die niet onder artikel 30 van het Verdrag valt. Deze omzichtigheid lijkt mij terecht. Een goed bestaat dikwijls uit talrijke onderdelen. Het bestaat gewoonlijk uit een hele reeks onderdelen of bestanddelen, die uit een andere Lid-Staat kunnen zijn ingevoerd, waardoor de herkomst van een goed veel moeilijker is te bepalen dan, bij voorbeeld, die van een dienst. Dit betekent voorts, dat de toepassing door de Lid-Staat van een nationale regel op een in de betrokken Lid-Staat geassembleerd goed dikwijls, althans indirect en potentieel, de invoer van goederen kan beïnvloeden. ( 12 )
29.
In casu gaat het volgens CIA om een produkt dat is samengesteld uit onderdelen uit Duitsland, Italië en België. Voorts hebben Signalson en Securitel, zoals bekend, in het hoofdgeding gevorderd, dat CIA zou worden gedwongen de verkoop van het Andromede-systeem als Belgisch produkt te beëindigen, omdat het produkt volgens hen in werkelijkheid uit Duitsland of Frankrijk komt. Volgens de verstrekte inlichtingen mag de toepassing van artikel 30 van het Verdrag dus niet worden uitgesloten op grond dat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarde van beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten.
30.
Volgens vaste rechtspraak zijn als door artikel 30 van het Verdrag verboden maatregelen van gelijke werking aan te merken, belemmeringen van het vrije goederenverkeer, die, bij gebreke van harmonisatie van de wettelijke regelingen, voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere Lid-Staten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen (zoals voorschriften met betrekking tot hun benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling, aanbiedingsvorm, etikettering of verpakking), ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle produkten van toepassing zijn, wanneer die toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer. ( 13 )
31.
Volgens artikel 12 van de wet en artikel 2 van het koninklijk besluit van 1991, is de voorafgaande goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales een voorwaarde om deze produkten in België rechtmatig te kunnen verkopen. Het doel van een dergelijke goedkeuringsregeling is voorwaarden te stellen betreffende de samenstelling van de produkten, hun aanbiedingsvorm enzovoort. De maatregel valt dus onder artikel 30 van het Verdrag, tenzij de goedkeuring gebaseerd is op een doel van algemeen belang, dat voorgaat boven de eisen van het vrije goederenverkeer. Volgens artikel 36 van het Verdrag en de rechtspraak van het Hof, kunnen dergelijke belangen onder meer bestaan in de bescherming van de gebruikers en in redenen van openbare orde. Wanneer de Lid-Staten regels invoeren die met dergelijke belangen rekening moeten houden, hebben zij het recht om, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, het gewenste beschermingsniveau vast te stellen en, overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning, de voorafgaande goedkeuring voor te schrijven van in een andere Lid-Staat reeds toegelaten produkten. ( 14 )
32.
Alarmsystemen zijn gecompliceerde technische produkten, waarvan het daadwerkelijk functioneren in ruime mate afhangt van hun betrouwbaarheid, wat door de consument, die het alarm juist in werking stelt wanneer hij de bewaakte plek verlaat, moeilijk kan worden vastgesteld. Het is van belang te verzekeren, dat het systeem in geval van inbraak daadwerkelijk werkt en dat het door derden niet buiten werking kan worden gesteld; ook, en vooral, van belang is, dat het alarmsysteem beschermd is tegen vals alarm. Deze laatste voorzorgsmaatregel is essentieel, niet alleen ter vermijding van het hinderen van buren of anderen, maar eveneens om te vermijden dat de alarmcentrales van de politic, etcetera door vals alarm onnodig worden overbelast. Bovendien kan vals alarm tot gevolg hebben, dat er niet wordt gereageerd wanneer het alarm daadwerkelijk afgaat. Ten slotte kan het nodig zijn de gebruiker te beschermen tegen schade die voortvloeit uit het gebruik van het systeem, In dergelijke omstandigheden moet men ervan uitgaan, dat de eisen betreffende de technische kenmerken van alarmcentrales en alarmsystemen gerechtvaardigd kunnen zijn uit hoofde van de openbare orde en de bescherming van de consument.
33.
Vervolgens moet men zich afvragen, of een regeling inzake de voorafgaande goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel, dan wel of er doeltreffende alternatieven bestaan met minder nadelige gevolgen. Men zou zich een regeling kunnen voorstellen, waarin de verplichting is opgenomen om aan bepaalde eisen op het gebied van de produktie te voldoen en die achteraf steekproefsgewijze controles mogelijk maakt. Ofschoon een dergelijke regeling tot de mogelijkheden behoort, zal de overeenstemming van de systemen met de gestelde verplichtingen moeilijk even goed kunnen worden gegarandeerd als door een voorafgaande controle. Een goedkeuringsregeling zal waarschijnlijk efficiënter zijn om vals alarm en andere gebreken in het functioneren te vermijden, en dus om de openbare orde en de consumenten een betere bescherming te garanderen. De communautaire wetgever heeft op een reeks van gebieden goedkeuringsregelingcn ingevoerd. Ik denk daarbij onder meer aan richtlijn 93/33/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie wielen. ( 15 ) Onder deze omstandigheden ben ik van mening, dat de in de artikelen 30 en volgende van het Verdrag opgenomen bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen zich niet verzetten tegen een gocdkeuringsregeling voor alarmsystemen en alarmcentrales, als voorzien in artikel 12 van de wet en in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1991.
34.
De verwijzende rechtbank vraagt voorts, of een nationale regel als die welke is opgenomen in artikel 8 van het koninklijk besluit van 1991, verenigbaar is met artikel 30 van het Verdrag.
35.
Op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning, moeten de Lid-Staten de ingevoerde goederen toelaten, indien deze in een andere Lid-Staat voldoen aan voorwaarden die, zelfs al zijn zij niet identiek, een overeenkomstig (gelijkwaardig) beschermingsniveau verzekeren. De Lid-Staten moeten bovendien bijdragen tot een verlichting van de controles, door rekening te houden met gelijkwaardige tests die in een andere Lid-Staat zijn verricht. ( 16 )
36.
Mccr in het algemeen wil ik beklemtonen, dat het vereiste van gelijkwaardigheid op gemeenschapsrechtelijk vlak aanzienlijke verplichtingen meebrengt, zowel wat de kwaliteit van de tests als de laboratoria die de tests uitvoeren betreft. Op het eerste gezicht is moeilijk in te zien waarom tests worden afgewezen enkel op grond van de datum waarop zij werden uitgevoerd, wanneer er in de tussentijd geen wijzigingen zijn geweest die de beoordeling van de gelijkwaardigheid kunnen beïnvloeden. Een nationale regeling inzake de erkenning van laboratoria heeft bovendien tot doel, de kwaliteit van de laboratoria te onderzoeken en te controleren en hun geschiktheid om op de juiste wijze tests uit te voeren op bepaalde specifieke gebieden te toetsen. Het beginsel van wederzijdse erkenning sluit noodzakelijkerwijs uit, dat een door een aldus erkend laboratorium uitgevoerde test wordt afgewezen zonder voorafgaande concrete beoordeling van de gelijkwaardigheid ervan. Een test kan niet worden afgewezen op de enkele grond dat hij niet is uitgevoerd door een laboratorium dat niet volgens eventuele communautaire regels is erkend. Ten slotte creëert de verwijzing in artikel 8 van het koninklijk besluit van 1991 naar artikel 7 daarvan, dat geen betrekking heeft op de vereiste tests, onzekerheid over de tests die onder deze bepaling vallen. Het is daarom begrijpelijk, dat de Commissie twijfels heeft geuit over de verenigbaarheid van artikel 8 van het koninklijk besluit van 1991 met artikel 30 van het Verdrag.
37.
De mogelijkheid om zich op het beginsel van wederzijdse erkenning van gelijkwaardige tests te beroepen, moet in een concreet geval evenwel ervan afhangen, of het betrokken produkt in een andere Lid-Staat daadwerkelijk is getest. In casu wijst niets erop, dat het Andromede-systeem aan dergelijke tests werd onderworpen. Het valt daarom moeilijk in te zien, op welke wijze dit gedeelte van de prejudiciële vragen verband houdt met de vraag die in het hoofdgeding moet worden beslecht, namelijk of CIA zich kon onttrekken aan de verplichting de goedkeuring van het Andromede-systeem te vragen. Het antwoord zou daarom een zeer algemeen en hypothetisch karakter hebben, en het Hof zou mijns inziens dit gedeelte van de vraag beter niet beantwoorden.
38.
Mijn conclusie luidt dus, dat op de eerste twee vragen moet worden geantwoord, dat de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich niet verzetten tegen een goedkeuringsregeling voor alarmsystemen en alarmcentrales als voorzien in de artikelen 4 en 12 van de wet of in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1991.
De derde en de vierde vraag
39.
Met de derde en de vierde vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de vraag, of artikel 8 van richtlijn 83/189 aldus moet worden uitgelegd, dat de aanmeldingsplicht betrekking heeft op nationale voorschriften als opgenomen in de wet, in het bijzonder in de artikelen 4 en 12 ervan, en in het koninklijk besluit van 1991, in het bijzonder de artikelen 2 en 8 ervan. Mijns inziens kunnen deze beide vragen te zamen worden beantwoord.
40.
CIA heeft betoogd, dat een alarmsysteem in België niet mag worden verkocht zonder te voldoen aan de voorwaarden van de wet en het koninklijk besluit van 1991. Het betreft dus technische voorschriften in de zin van de richtlijn. In dit verband doet het er weinig toe, dat het goedkeuringsvereiste is opgenomen in een kaderwet.
41.
Signalson, de Belgische regering en het Verenigd Koninkrijk hebben onder meer betoogd, dat de wet het karakter van een kaderwet heeft, en dat de artikelen 4 en 12 geen technisch voorschrift in de zin van de definitie van de richtlijn bevatten, aangezien in deze bepalingen geen vereisten zijn opgenomen voor de vorm van het produkt, de samenstelling ervan, enzovoort.
42.
De Commissie heeft uiteengezet, dat artikel 4 van de wet geen technische voorschriften bevat, doch enkel de kwestie van de vestiging van ondernemingen regelt. Gelijk CIA is de Commissie evenwel van mening, dat artikel 12 van de wet en het koninklijk besluit van 1991, waarbij voor alarmsystemen en alarmcentrales een verplichte goedkeuringsprocedure is ingevoerd, het karakter hebben van technische voorschriften waarvoor de aanmeldingsplicht geldt.
43.
Ingevolge artikel 4 van de wet mag niemand een beveiligingsonderneming exploiteren zonder voorafgaande erkenning van de minister van Binnenlandse zaken. Deze bepaling stelt regels voor de vestiging van ondernemingen, terwijl de richtlijn betrekking heeft op technische voorschriften voor produkten. Nationale bepalingen inzake de vestiging van ondernemingen kunnen enkel worden beschouwd als bepalingen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, wanneer zij verplichtingen inzake produkten bevatten. Artikel 4 van de wet lijkt geen dergelijke verplichting te bevatten. Mijns inziens valt deze bepaling dus niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn.
44.
De aanmeldingsplicht waarin artikel 8, lid 1, van de richtlijn voorziet, geldt voor elk ontwerp voor een technisch voorschrift. Volgens artikel 1, punt 5, vallen onder dit begrip de technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een Lid-Staat. Technische specificaties zijn volgens punt 1 van dit artikel specificaties ter omschrijving van de kwaliteit van het produkt, de prestatie, de veiligheid, de proefnemingen en proefnemingsmethoden alsmede het merken. De Commissie moet bovendien op de hoogte worden gebracht van de tekst van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen. De richtlijn garandeert dus, dat de Commissie en de andere Lid-Staten de technische voorschriften kunnen beoordelen in hun context, en met een juist begrip van de werkelijke draagwijdte van het ontwerp.
45.
De wet en het koninklijk besluit van 1991 hebben een goedkeuringsprocedure voor alarmsystemen en alarmcentrales ingevoerd. Zoals gezegd, is in artikel 12 van de wet zelf het vereiste van een voorafgaande goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales neergelegd. Ter terechtzitting heeft de Belgische regering gesteld dat, zelfs indien het koninklijk besluit van 1991 niet bestond, artikel 12 van de wet zijn rechtsgevolgen zou behouden. Deze bepaling heeft dus niet
louter het karakter van een machtigingsbepaling ( 17 ), doch is een belangrijke basisbepaling. Mijns inziens kan artikel 8 van de richtlijn, moeilijk aldus worden uitgelegd, dat een dergelijk algemeen vereiste van voorafgaande goedkeuring niet onder de aanmeldingsplicht zou vallen; dit vereiste kan namelijk op zichzelf bestaan. Een dergelijk vereiste heeft, ongeacht het algemene karakter ervan, betrekking op de kenmerken van een produkt. Bovendien kan de toepassing ervan grote onzekerheid doen ontstaan bij de marktdeelnemers en dus niet te verwaarlozen belemmeringen van het handelsverkeer meebrengen. Volgens mij is een bepaling als die van artikel 12 van de wet dus een technisch voorschrift waarvoor de aanmeldingsplicht geldt.
46.
Het koninklijk besluit van 1991 impliceert, dat een installatie een reeks tests ondergaat teneinde vast te stellen, of zij aan de ter zake geldende technische voorschriften voldoet. Deze voorschriften hebben onder meer betrekking op de mechanische aspecten, de betrouwbaarheid, de tests en de bescherming tegen misbruik. Dergelijke voorschriften, die de kenmerken vastleggen van een groep produkten die de alarmcentrales en alarmsystemen omvat, hebben mijns inziens het karakter van technische voorschriften in de zin van de richtlijn, die juist betrekking heeft op vereisten inzake de kwaliteit, gebruikseigenschappen en veiligheid. Bovendien kan volgens de geldende regels een installatie in België enkel wettig worden verkocht, indien zij aan deze voorschriften voldoet. Een reeks voorschriften als die van het koninklijk besluit van 1991 vormt dus een technisch voorschrift in de zin van artikel 1, punt 5, van de richtlijn.
47.
Mijns inziens dient het antwoord op de derde en de vierde vraag dus te luiden, dat artikel 8 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de aanmeldingsplicht van artikel 8 geldt voor bepalingen en specificaties betreffende de voorafgaande goedkeuring van alarmsystemen en alarmcentrales als die welke zijn opgenomen in artikel 12 van de wet en in het koninklijk besluit van 1991.
De vijfde en de zesde vraag
48.
Met deze vragen wenst de verwijzende rechtbank te vernemen, of de bepalingen van de richtlijn, en in het bijzonder de artikelen 8 en 9 ervan, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om door particulieren voor een nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, en of de nationale rechter moet weigeren toepassing te geven aan een nationaal technisch voorschrift, dat niet overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn is aangemeld.
49.
CIA en de Commissie hebben betoogd, dat de richtlijn, en in het bijzonder de artikelen 8 en 9 ervan, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, en dat niet-aangemelde technische voorschriften niet mogen worden toegepast (zie de mededeling van de Commissie van 1986).
De Commissie heeft bovendien gesteld, dat het haars inziens mogelijk was om te redeneren naar analogie van artikel 93, lid 3, van het Verdrag, betreffende steunmaatregelen van staten. Deze bepaling voert een procedure in die de aanmelding van voorgenomen steunmaatregelen aan de Commissie voorschrijft, zodat zij deze kan onderzoeken en opmerkingen kan maken. De betrokken Lid-Staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid. Het systeem van artikel 8 van de richtlijn, dat aanmelding van ontwerpen van technische voorschriften verplicht stelt, en van artikel 9, dat de Lid-Statcn verplicht in afwachting van het verstrijken van bepaalde termijnen de vaststelling van die voorschriften op te schorten, komt overeen met dat van artikel 93 van het Verdrag.
Naar eigen zeggen heeft CIA niet aangevoerd, dat de richtlijn verplichtingen oplegt aan particulieren. De Commissie heeft op een vraag ter zake geantwoord, dat het in casu ging om de rechtspositie van een marktdeelnemer ten opzichte van de staat, in het licht van nationale regels die zijn vastgesteld in strijd met de in de richtlijn neergelegde aanmeldingsprocedure.
50.
Signalson is in haar opmerkingen op deze vraag niet ingegaan.
51.
De Duitse en de Nederlandse regering en die van het Verenigd Koninkrijk hebben uiteengezet, dat de richtlijn enkel procedureregels bevat voor de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Lid-Statcn. Bovendien zijn de bepalingen van de richtlijn niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Bij een eventueel verzuim van de aanmeldingsplicht moet de Commissie de procedure van artikel 169 van het Verdrag inleiden, en moeten particulieren worden aangespoord om zich voor de nationale rechterlijke instanties op artikel 30 van het Verdrag te beroepen. In dit verband hebben het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse regering opgemerkt, dat de Commissie in haar voorstel voor een tweede wijziging van de richtlijn ( 18 ), in de zestiende overweging had voorgesteld om de vermelding in te voegen, dat de richtlijn de Lid-Statcn duidelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen oplegde en dat particulieren voor de rechterlijke instanties aanspraak konden maken op de naleving van die verplichtingen. Bij de definitieve vaststelling van richtlijn 94/10 ( 19 ) is dit gedeelte echter geschrapt. In de richtlijn is niets gezegd over de gevolgen van het ontbreken van aanmelding, en ook verleent zij aan particulieren geen rechten. De richtlijn laat het recht van de Lid-Statcn onverlet om het technisch voorschrift na aanmelding definitief vast te stellen. Volgens het Verenigd Koninkrijk is een analogie met artikel 93, lid 3, van het Verdrag ongegrond, omdat in geval van staatssteun de definitieve uitvoering van een maatregel door de Lid-Statcn afhangt van de voorafgaande, uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring door de Commissie. Dat de aanmeldingsplicht niet in acht is genomen betekent niet noodzakelijkerwijs, dat de inhoud van het voorschrift in strijd is met het Verdrag. Zou dus geen uitvoering kunnen worden gegeven aan nict-aangemelde voorschriften, dan zouden daardoor dikwijls bepalingen worden getroffen die, wat de inhoud betreft, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. Dit zou een verzwakking van de controle van gevaarlijke produkis
ten kunnen meebrengen, wat indruist tegen de belangen van de particulieren.
52.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen particulieren, na afloop van de termijn voor omzetting van een richtlijn, tegenover een staat een beroep doen op die bepalingen van de richtlijn die, inhoudelijk gezien, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, mits die bepalingen particulieren rechten verlenen die zij tegenover de staat kunnen doen gelden. ( 20 ) Bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking hebben, hebben voorrang op daarmee strijdige bepalingen van de nationale wetgeving. ( 21 ) Een richtlijn kan evenwel niet uit zichzelf verplichtingen voor een particulier scheppen, en kan dus niet als zodanig tegenover hem worden ingeroepen. ( 22 ) Hiermee heeft het Hof aangegeven, dat de rechtspraak inzake het inroepen van richtlijnen tegenover de overheid gebaseerd is op het dwingende karakter dat ingevolge artikel 189 van het Verdrag aan de richtlijn toekomt, doch uitsluitend ten aanzien van „elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is”. ( 23 )
53.
Artikel 8, lid 1, van de richtlijn behelst voor de Lid-Staten de verplichting om kennis te geven van de in de richtlijn omschreven technische voorschriften. Artikel 9, leden 1 en 2, bevat een reeks bepalingen inzake opschortende werking. Zo beschikken de Commissie en de andere Lid-Staten over een onderzoekstermijn van drie maanden om een gemotiveerde mening te kennen te geven, dat de beoogde maatregel moet worden gewijzigd teneinde eventuele belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die uit die maatregel kunnen voortvloeien op te heffen of te beperken. Wordt een dergelijke mening te kennen gegeven, dan moet de definitieve vaststelling van het voorschrift zes maanden worden uitgesteld, te rekenen vanaf de datum van aanmelding. Indien de Commissie haar voornemen te kennen geeft een richtlijn over dit onderwerp voor te stellen of vast te stellen, bedraagt de periode van uitstel twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van aanmelding. Mijns inziens zijn deze verplichtingen onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om rechtstreekse werking te kunnen hebben. De vraag is dus, of de bepalingen van de artikelen 8 en 9 rechten toekennen aan particulieren.
54.
In bepaalde gevallen heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om te beoordelen in welke mate particulieren zich op gemeenschapsrechtelijke procedureregels konden beroepen. In het arrest van 18 februari 1986, Bulk Oil ( 24 ), ging het om een bepaling van een beschikking van de Raad, volgens welke Lid-Staten die het niveau van liberalisatie van de handel met derde landen wilden wijzigen, daarvan kennis moesten geven aan de andere Lid-Staten en de Commissie. Indien een van hen daarom verzocht, moest de definitieve vaststelling van de maatregel worden voorafgegaan door overleg. Hiervoor was echter geen procedureregeling of specifieke termijn vastgesteld. Het Hof heeft geoordeeld, dat de betrokken bepaling enkel betrekking had op de institutionele betrekkingen van een Lid-Staat met de Gemeenschap en met de andere Lid-Staten en dat deze voor particulieren geen rechten in het leven riep, die de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen. ( 25 )
55.
Het arrest van 13 juli 1989, Enichem Base e. a. ( 26 ), betrof artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442/EEG ( 27 ), volgens hetwelk de Lid-Staten verplicht zijn om de Commissie in kennis te stellen van iedere ontwerpregeling die met name bedoeld is ter voorkoming van afvalvorming, en ter bevordering van recycling en verwerking van afvalstoffen.
In zijn conclusie heeft advocaat-generaal Jacobs uiteengezet dat, om de gevolgen van het ontbreken van een mededeling te beoordelen, richtlijn 75/442 betreffende afvalstoffen moet worden vergeleken met de thans in geding zijnde richtlijn (punt 14 van zijn conclusie). Anders dan richtlijn 75/442, bevat richtlijn 83/189 een reeks precieze bepalingen op grond waarvan de Commissie en de andere Lid-Staten opmerkingen kunnen maken over het aangemelde ontwerp, en die de Lid-Staten in bepaalde omstandigheden verplichten, de goedkeuring van een ontwerp gedurende zekere tijd uit te stellen. De advocaat-generaal heeft beklemtoond, dat richtlijn 75/442 geen procedure bevatte voor de opschorting van de invoering van een maatregel of voor een communautaire toetsing, zodat niet kan worden gesteld dat het verzuim van de verplichte mededeling aan de Commissie, waarin deze richtlijn voorziet, tot onwettigheid van de maatregelen kon leiden.
Het Hof heeft zich bij de zienswijze van de advocaat-generaal aangesloten, en verklaard, dat de Lid-Staten enkel verplicht waren de Commissie tijdig in kennis te stellen van de betrokken ontwerp-rcgclingcn. De in geding zijnde bepaling stelde echter geen communautaire procedure voor de controle van die ontwerpen vast, en deed de inwerkingtreding van de beoogde regeling niet afhangen van de omstandigheid dat de Commissie ermee instemt of er althans geen bezwaar tegen heeft. ( 28 ) Uit de tekst noch uit het doel van de betrokken bepaling kon dus worden afgeleid, dat zij rechten verleende aan particulieren. ( 29 )
56.
Anderzijds kan worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof over artikel 93, lid 3, van het Verdrag dat als volgt luidt: „De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 92 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken Lid-Staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”
Het Hof heeft geoordeeld, dat het in de laatste zin van deze bepaling opgenomen verbod rechtstreekse werking had en rechten verleende aan particulieren. ( 30 ) In het arrest Lorenz ( 31 ) heeft het Hof verklaard, dat de doelstelling van artikel 93, lid 3, namelijk de inwerkingtreding voorkomen van met het Verdrag strijdige steunmaatregelen, meebrengt dat een Lid-Staat de uitkomst moet afwachten van het voorafgaande onderzoek van de Commissie naar de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt. De aanmelding heeft dus een schorsende werking. Het Hof heeft voorts verklaard, dat de rechtstreekse werking van het verbod zich uitstrekte tot iedere steunmaatregel die zonder aanmelding tot uitvoering is gebracht. ( 32 )
57.
Uit deze rechtspraak volgt, dat een regel die enkel een verplichting oplegt om kennis te geven van een ontwerp van een nationaal voorschrift, zonder daar een latere formele procedure aan te verbinden, op zich geen rechten verleent aan particulieren. Is aan de aanmeldingsplicht echter een procedure verbonden volgens welke het ontwerp op communautair niveau wordt onderzocht en de Lid-Staten het aangemelde ontwerp niet voor de afloop van deze procedure in werking mogen laten treden, dan zou men kunnen zeggen dat rechten worden gecreëerd waarop particulieren zich kunnen beroepen. Hiervoor is niet vereist, dat de betrokken procedurele bepalingen uitdrukkelijk rechten verlenen aan particulieren. Beslissend zijn de inhoud en de doelstelling van de betrokken bepaling.
58.
Volgens de vijfde overweging van de considerans moet de richtlijn de Commissie en de Lid-Staten de nodige tijd geven om een wijziging van de beoogde maatregel voor te stellen, met het doel de belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die hieruit kunnen voortvloeien op te heffen of te beperken. Indien de Commissie of de andere Lid-Staten over een ontwerp opmerkingen indienen, dient de Lid-Staat bij de verdere uitwerking van het technisch voorschrift met deze opmerkingen zoveel mogelijk rekening te houden (zie artikel 8, lid 2). De daadwerkelijke uitvoering van dit gedeelte van de procedure wordt verzekerd door de verplichting, voor de Lid-Staten, om de goedkeuring van het voorschrift drie maanden uit te stellen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving. Verder uitstel, van respectievelijk zes en twaalf maanden vanaf dezelfde datum, vindt plaats, wanneer de Commissie of een Lid-Staat de uitvoerig gemotiveerde mening te kennen geeft, dat de maatregel moet worden gewijzigd of wanneer de Commissie haar voornemen te kennen geeft een richtlijn over hetzelfde onderwerp voor te stellen of vast te stellen. Is een uitvoerig gemotiveerde mening te kennen gegeven, dan moet de Lid-Staat die het voorschrift heeft aangemeld ingevolge artikel 9, lid 1, de Commissie verslag doen over het gevolg dat hij voornemens is te geven aan deze mening. De Commissie voorziet deze reactie van commentaar. De richtlijn voert dus een communautaire procedure in, op grond waarvan de vaststelling van de nationale bepalingen, indien nodig, gedurende een termijn van maximaal twaalf maanden kan worden uitgesteld. De communautaire wetgever heeft het nodig geacht deze opschortende bepaling op te nemen, ofschoon de Commissie, indien zij van mening is dat een aangemeld technisch voorschrift onverenigbaar is met het vrije verkeer van goederen, op basis van artikel 30 de procedure van artikel 169 kan inleiden of een voorstel voor een richtlijn kan indienen.
59.
Anders dan de regels waar het in de reeds aangehaalde arresten Bulk Oil en Enichem Base om ging, voert de richtlijn een formele procedure in voor de periode volgend op de aanmelding, om te vermijden, dat een voor het handelsverkeer belemmerende maatregel in werking treedt. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in het arrest Enichem Base uitdrukkelijk heeft verklaard, dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 75/442 niet in een procedure voorzag voor het onderzoek van de ontwerpen op communautair niveau. Gezien de verklaringen van de advocaat-generaal, die de in casu in geding zijnde richtlijn juist gebruikte als vergelijkingspunt, kan men ervan uitgaan, dat het Hof dus van tevoren heeft gezegd, dat de procedure van de artikelen 8, lid 1, en 9 van de onderhavige richtlijn rechtstreekse werking heeft.
60.
Verschillen tussen nationale technische voorschriften blijven een belangrijke bron voor belemmeringen van het vrije goederenverkeer vormen. Dergelijke belemmeringen kunnen uit de weg worden geruimd door harmoniserende maatregelen of worden beperkt door een effectievere uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het belang van de richtlijn in dit verband mag niet worden onderschat. Dat de richtlijn verplicht tot geformaliseerde voorafgaande onderhandelingen tussen de Lid-Staten en de Commissie, vormt een specifieke basis voor de effectievere toepassing van de wederzijdse erkenning. Dit maakt het eveneens mogelijk dat een Lid-Staat, op basis van de hem voorgelegde opmerkingen, een regel wijzigt die, al is hij in overeenstemming met de artikelen 30 en volgende van het Verdrag, het vrije verkeer van goederen ongunstig beïnvloedt. Dat een belemmering voor de handel niet op basis van artikel 30 van het Verdrag kan worden opgeheven, staat er dus niet aan in de weg dat zulks wel kan via de procedure waarin de richtlijn voorziet.
61.
Het verslag van de Commissie van 14 maart 1993 over de interne markt van de Gemeenschap bevat de hierna volgende tabel over het aantal kennisgevingen en opmerkingen in het kader van de aanmeldingsprocedure van 1990 tot 1993 ( 33 ):
Jaar
Aanmeldingen
Opmerkingen
Met redenen omkleed advies
Doel van de richtlijn
EM
COM
EM
COM
9.2
9.2 Bis
1990
386
224
172
104
168
14
5
1991
435
167
176
119
139
47
7
1992
362
184
165
65
121
19
25
1993
385
104
80
64
88
4
5
Hieruit blijkt, dat het aantal aanmeldingen gedurende deze periode tamelijk constant is geweest, ongeveer 380 per jaar. Voorts blijkt hieruit, dat zowel de Commissie als de Lid-Staten dikwijls opmerkingen maken of gemotiveerde meningen formuleren over aangemelde ontwerpen. Het aantal is in deze periode evenwel afgenomen. Dit kan eventueel te wijten zijn aan het feit, dat de Lid-Staten meer oog hebben gekregen voor de uit de verdragsbepalingen inzake het vrije goederenverkeer voortvloeiende verplichtingen. In 1993 zijn 385 ontwerpen aangemeld. De Commissie heeft in 80 gevallen opmerkingen ingediend en in 88 gevallen een gemotiveerde mening geformuleerd, de Lid-Staten 104 respectievelijk 64. Uit de tabel blijkt niet, in welke mate die opmerkingen en gemotiveerde meningen hetzelfde ontwerp betroffen.
62.
Er is goede grond om ervan uit te gaan, dat de bedrijfsorganisaties en de ondernemingen een belangrijke rol spelen, vooral bij de door dc Lid-Statcn ingediende opmerkingen. Het zijn immers zij die, eventueel, met een aangemeld voorschrift zullen moeten leven en die het best in staat zijn om de draagwijdte en de gevolgen ervan te beoordelen. De bedrijfsorganisaties en de ondernemingen worden vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden van het bestaan van het ontwerp op de hoogte gesteld via de mededelingen van de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Dit garandeert particulieren een reële mogelijkheid om opmerkingen in te dienen bij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar zij zijn gevestigd. Wordt een voorschrift niet aangemeld, dan ontneemt men hen ten onrechte de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de regeling waarmee zij op de uitvoermarkten zullen worden geconfronteerd. Aanvaardt men dat de artikelen 8, lid 1, en 9 van de richtlijn geen rechtstreekse werking hebben, dan zou de ondernemingen elke mogelijkheid worden ontnomen om een dergelijke inbreuk op hun rechten te voorkomen. Opgemerkt zij, dat de bepalingen betreffende de vertrouwelijkheid in artikel 8, lid 4, van de richtlijn, de Lid-Staten niet beletten om natuurlijke of rechtspersonen van de particuliere sector te raadplegen. Bovendien wordt deze bepaling in de praktijk blijkbaar niet erg strikt nageleefd. Zo blijkt uit de bekendmaking van de Commissie van 1989 ( 34 ), dat de ondernemingen bij met name genoemde instanties, gedetailleerde inlichtingen kunnen krijgen over de aangemelde ontwerpen.
63.
Praktische overwegingen, verband houdende met de bescherming van de rechten van particulieren en de eerbiediging van de richtlijn door de Lid-Staten, zijn mijns inziens beslissend om de rechtstreekse werking van de richtlijn te erkennen. Natuurlijk kunnen particulieren voor de nationale rechter stellen dat een technisch voorschrift in strijd is met artikel 30 van het Verdrag. Deze mogelijkheid garandeert evenwel niet, dat de belemmerende werking van een maatregel voor het handelsverkeer vóór de tenuitvoerlegging ervan teniet wordt gedaan. Dit wordt evenmin gegarandeerd door de inleiding, door de Commissie, van een nietnakomingsprocedure wegens ontbreken van kennisgeving. Is een met het Verdrag strijdig voorschrift eenmaal ingevoerd, dan zullen de ondernemingen de gevolgen ervan moeten dragen totdat in een eventuele procedure een arrest wordt gewezen. De schade, die voor de marktdeelnemers moeilijk te vergoeden is, zal dus dikwijls tot stand zijn gekomen voordat het arrest is gewezen. Mijns inziens zullen enkel om deze reden veel particulieren afzien van beroep op de nationale rechter, en zich liever aan de betrokken regel aanpassen. Aldus vermijden de marktdeelnemers eveneens het risico van problemen met de nationale autoriteiten. Daarbij komt nog, dat de kennisgevingsprocedure van de richtlijn in de praktijk eveneens kan bijdragen tot de vermindering of de verwijdering van met het Verdrag strijdige belemmeringen van het handelsverkeer.
64.
Met het oog op een preciezere uitlegging kan niet worden ingegaan op de veronderstellingen van sommige Lid-Staten over de redenen voor wijzigingen van de ontwerprichtlijn tijdens de behandeling door de Raad. Volgens vaste rechtspraak van het Hof hebben standpunten en verklaringen die in de vastgestelde tekst niet uitdrukkelijk zijn overgenomen, geen enkele juridische waarde voor de uitlegging door het Hof van de betrokken tekst. ( 35 ) Dit geldt des te meer wanneer men, zoals in casu, verwijst naar een rechtshandeling die na de voor het hoofdgeding relevante periode is vastgesteld. Overigens is het mijns inziens vanuit het oogpunt van de wetgevingstechniek terecht om in een richtlijn geen opmerkingen op te nemen over een moeilijke uitleggingsvraag, waarvan de beantwoording toekomt aan het Hof.
65.
Het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse regering hebben eveneens gesteld, dat het in strijd is met de belangen van particuliere consumenten, dat een niet-aangcmeld voorschrift niet kan worden toegepast. Meer in het bijzonder zijn zij van mening, dat een dergelijk gevolg de bescherming van de consument kan ondermijnen, aangezien een niet-aangcmeld voorschrift inhoudelijk niet noodzakelijk in strijd is met het gemeenschapsrecht. Dienaangaande moet ik beklemtonen, dat een voorschrift dat wel is aangemeld, inhoudelijk evenmin in strijd met het gemeenschapsrecht behoeft te zijn. De aanmeldingsplicht betreft namelijk alle ontwerpen van technische voorschriften. Zij strekt ertoe de publikatie van die ontwerpen verplicht te stellen. Het kan voorkomen, dat de aanmelding gewoon vergeten is. Het achterwege blijven van de aanmelding kan er evenwel ook op wijzen, dat de betrokken autoriteiten weinig voelen voor een voorafgaand onderzoek van het ontwerp, omdat zij weten dat het niet voldoet. De waarschijnlijkheid van een materiele onverenigbaarheid van een niet-aangemeld ontwerp met het gemeenschapsrecht is dus niet kleiner dan die van een wel aangemeld ontwerp, integendeel. Het standpunt van het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse regering leidt tot een situatie waarin Lid-Staten die zich niet aan de regels houden, worden bevoordeeld. Waarom zou men Lid-Statcn belonen die verkapte belemmeringen van het handelsverkeer creëren? De rechtspraak van het Hof moet er integendeel toe bijdragen, dat dergelijke belemmeringen zo veel mogelijk aan het licht worden gebracht.
66.
Indien aanmelding heeft plaatsgevonden, biedt artikel 9, lid 3, van de richtlijn in geval van spoedeisendheid de mogelijkheid om aan de toepassing van de bepalingen betreffende de schorsende werking te ontsnappen. ( 36 ) Een Lid-Staat zal zich dus niet kunnen beroepen op het belang van de gebruiker van de produkten ter rechtvaardiging van de niet-aanmelding van het voorschrift. Dat een produkt niet overeenkomstig een niet-aangcmeld voorschrift is goedgekeurd, betekent overigens geenszins, dat het voor de consument gevaarlijk is. De Lid-Staat waarin het produkt is vervaardigd of in het vrije verkeer is gebracht, zal in het algemeen zelf veiligheidsnormen hebben vastgesteld. Gaat het om produkten voor rechtstreekse consumptie, dan volgt uit de richtlijn inzake algemene produktveiligheid, dat de Lid-Statcn ervoor moeten zorgen, dat alleen veilige produkten op de markt worden gebracht. ( 37 ) Indien de veiligheid van produkten voor rechtstreekse consumptie een concreet risico oplevert, kan bovendien op basis van die richtlijn worden ingegrepen. ( 38 ) Op andere gebieden zijn concrete maatregelen mogelijk in het kader van artikel 36 van het Verdrag en uit hoofde van de door het Hof erkende algemene belangen.
67.
Samengevat ben ik van mening, dat de in de artikelen 8, lid 1, en 9 van dc richtlijn opgenomen regels inzake kennisgeving en de bepalingen betreffende uitstel, particulieren rechten verlenen en onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om door particulieren voor de nationale rechter te worden ingeroepen, zodat niet-aangcmclde technische voorschriften niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen. Op basis van een niet-aangemeld voorschrift kan een marktdeelnemer dus niet worden veroordeeld, en kan de verkoop van een daarmee niet conform produkt niet worden verboden.
68.
Wel moet worden onderzocht, of de rechtstreekse werking van de kennisgevingsprocedure van de richtlijn kan worden ingeroepen in een geval als het onderhavige, waarin het om een geding tussen particulieren gaat. Volgens de rechtspraak van het Hof ( 39 ) kan immers, zoals gezegd, een richtlijn op zich voor particulieren geen verplichtingen in het leven roepen. Tegenover particulieren kan dus geen beroep worden gedaan op de bepaling van een richtlijn; overigens kan de Gemeenschap ook niet in de vorm van een richtlijn regels uitvaardigen die voor de particulieren rechtstreekse verplichtingen in het leven roepen. ( 40 ) Bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht moet de nationale rechter deze evenwel zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het door de richtlijn beoogde doel te bereiken. ( 41 ) Deze verplichting geldt zowel voor bepalingen van een wet die specifiek is vastgesteld om te voldoen aan een richtlijn als voor bepalingen van een andere wettekst ( 42 ), ongeacht of het daarbij gaat om de regeling die van eerdere of latere datum is. ( 43 )
69.
In het hoofdgeding hebben Signalson en Securitel gevorderd, dat CIA wordt gelast de verkoop van het Andromede-systeem te beëindigen, omdat het niet is goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van de wet en van het koninklijk besluit van 1991. Zij hebben voorts gevorderd, dat CIA een dwangsom wordt opgelegd. Deze vorderingen zijn gebaseerd op nationale bepalingen die niet overeenkomstig de richtlijn zijn aangemeld, te weten de wet en het koninklijk besluit van 1991. De toepassing van deze niet-aangemelde bepalingen, in de vorm van een verbod en een dwangsom, op een marktdeelnemer, wordt gevorderd op basis van de Belgische wet betreffende de handelspraktijken. Mijns inziens is een dergelijke toepassing noodzakelijkerwijs onverenigbaar met de rechtstreekse werking van de aanmeldingsprocedure van de artikelen 8, lid 1, en 9 van de richtlijn. Dit zou onmiddellijk blijken uit de vroegere rechtspraak van het Hof, indien de staat als openbaar ministerie, ter behartiging van de belangen van de consumenten of anderszins, CIA voor de rechter had gebracht. Mijns inziens kan de omstandigheid dat de vraag in casu is gesteld naar aanleiding van een beroep van een particulier, hieraan niets veranderen. De staat stelt regels op over boetes, verboden en andere aspecten, en eventueel kan ook de rechter dergelijke sancties opleggen, ongeacht de partij die overeenkomstig de nationale procesregels de procedure heeft ingeleid.
70.
In het hoofdgeding heeft CIA tot veroordeling van Signalson en Securitel tot een geldboete geconcludeerd, op grond dat hun gedrag in strijd is geweest met de eerlijke handelsgcbruiken, doordat zij hebben gesteld, dat het Andromede-systeem niet was goedgekeurd overeenkomstig de regels van de wet en van het koninklijk besluit van 1991. Deze conclusie is hierop gebaseerd, dat CIA geen goedkeuring moest vragen, aangezien de Belgische voorschriften niet conform de richtlijn waren aangemeld. De vraag is, of de toewijzing van de vordering van CIA zou betekenen, dat de richtlijn verplichtingen kan opleggen aan particulieren (in casu Signalson en Securitel).
71.
De aanmeldingsprocedure van de richtlijn legt een aantal verplichtingen op aan de Lid-Staten. Daartegenover staat, dat de richtlijn, volgens haar inhoud, geen verplichtingen wil opleggen aan particulieren, zodat de vraag van de eventuele rechtstreekse werking van de richtlijn, wat verplichtingen voor particulieren betreft, niet aan de orde is. Hierdoor onderscheidt de richtlijn zich duidelijk van richtlijn 85/577/EEG, waarover het ging in het arrest Faccini Dori. ( 44 )
72.
Het beroep van CIA zelf is gebaseerd op het nationale recht. Gezien de vorderingen van CIA lijkt de prejudiciële vraag tot doel te hebben, de noodzakelijke basis te verschaffen voor de uitlegging door de nationale rechter van de Belgische wet betreffende de handelspraktijken. Ik verwijs naar hetgeen hierboven is gezegd over de verplichting voor de nationale rechter om het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van het gemeenschapsrecht. Een dergelijke uitlegging van het nationale recht in het licht van het gemeenschapsrecht kan natuurlijk indirect van belang zijn voor de conclusies betreffende Signalson en Securitel, maar dit was ook het geval in andere zaken waarin het Hof aanwijzingen heeft gegeven over de toepassing van de uitleggingsregels (zie, bij voorbeeld, het arrest van 13 november 1990, zaak C-106/89, Marleasing, Jurispr. 1990, biz. I-4135).
73.
Gaat men ervan uit, dat CIA in haar conclusies betreffende Signalson en Securitel geen beroep kon doen op de onverenigbaarheid van de Belgische voorschriften met het gemeenschapsrecht, dan zou dit mijns inziens tot een onbevredigende en onbegrijpelijke rechtssituatie voeren, waarin het gemeenschapsrecht een Lid-Staat belet een onderdaan te vervolgen wegens schending van een niet-aangemeld technisch voorschrift, en tegelijkertijd diezelfde onderdaan belet een beroep te doen op dezelfde omstandigheid in een zaak tegen een concurrent die heeft verklaard dat de betrokkene onwettig heeft gehandeld, door het (onregelmatige) nationale voorschrift niet in acht te nemen.
De gevolgen van een dergelijke rechtssituatie kunnen worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld ontleend aan een standaardarrest van het Hof over de rechtstreekse werking van bepalingen van richtlijnen. ( 45 ) Een dergelijke situatie zou betekenen, dat Ursula Becker, die als zelfstandig kredietbemiddelaar werkzaam was, met een beroep tegenover de Duitse Staat op de rechtstreekse werking van artikel 13 van de Zesde BTW-richtlijn ( 46 ), zich wel zou kunnen verzetten tegen de onwettige BTW-heffing door die staat, doch zich niet zou kunnen beroepen op het recht om geen BTW te betalen in een zaak tegen een concurrent die haar ervan had beschuldigd, dat zij in strijd met de goede handelsgebruiken, niet de door de Duitse wetgeving verlangde BTW had betaald.
74.
Het staat natuurlijk uitsluitend aan de nationale rechter om te beoordelen of, uitgaande van zijn uitlegging van het nationale recht in het licht van het gemeenschapsrecht, de vorderingen van CIA jegens Signalson en Securitel moeten worden toegewezen. Het is, bij voorbeeld, het nationale recht dat de strafrechtelijke en andere gevolgen bepaalt van eventuele rechtsdwalingen betreffende de verhouding tussen de Belgische nationale voorschriften en de richtlijn.
75.
Concluderend ben ik van mening, dat op de vijfde en de zesde vraag moet worden geantwoord, dat de bepalingen van de artikelen 8, lid 1, en 9 van de richtlijn rechten ten gunste van particulieren creëren en onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om door particulieren voor de nationale rechter te worden ingeroepen, zodat het aan de nationale rechter staat om de toepassing te weigeren van een nationaal technisch voorschrift dat niet overeenkomstig voormelde bepalingen is aangemeld.
Conclusie
76.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Rechtbank van koophandel te Luik te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een goedkeuringsregeling voor alarmsystemen en alarmcentrales als voorzien in de artikelen 4 en 12 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, of in artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 mei 1991 tot vaststelling van de procedure van de goedkeuring van de alarmsystemen en alarmcentrales, bedoeld in de wet van 10 april 1990.
2)
Artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, moet aldus worden uitgelegd, dat de aanmeldingsplicht waarin dit artikel voorziet, geldt voor bepalingen en specificaties zoals opgenomen in artikel 12 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, en in het koninklijk besluit van 14 mei 1991 tot vaststelling van de procedure van de goedkeuring van de alarmsystemen en alarmcentrales, bedoeld in de wet van 10 april 1990.
3)
De bepalingen van de artikelen 8, lid 1, en 9 van richtlijn 83/189 creëren rechten ten gunste van particulieren en zijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door particulieren voor de nationale rechter te worden ingeroepen, zodat het aan de nationale rechter staat om de toepassing te weigeren van een nationaal technisch voorschrift dat niet overeenkomstig voormelde bepalingen is aangemeld.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1983, L 109, blz. 8, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB 1988, L 81, blz. 75).
( 2 ) Artikel 8, lid 4, is bij richtlijn 94/10/EG van 23 maart 1994 (PB 1994, L 100, blz. 30) overigens in die zin gewijzigd, dat de verstrekte inlichtingen niet langer als vertrouwelijk worden beschouwd, tenzij de Lid-Staat die mededeling doel een gemotiveerd verzoek daartoe indient. Deze richtlijn is evenwel niet van toepassing op de onderhavige zaak.
( 3 ) PB 1986, C 245, biz. 4.
( 4 ) PB 1989, C 67, biz. 3.
( 5 ) Als voorbeelden van dergelijke bekendmakingen betreffende dc mededeling kunnen worden genoemd PB 1994, C 3, biz. 2, en C 8, blz. 2.
( 6 ) Gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Jurispr. 1993, blz. i-6097.
( 7 ) Zie, bij voorbeeld, arresten van 16 februari 1995 (gevoegde zaken C-29/94 lot en met C-35/94, Aubertin e. a., Jurispr. 1995, blz. I-301, r. o. 9) en 28 januari 1992 (gevoegde zaken C-330/90 en C-331/90, López Brea en Hidalgo Palacios, Jurispr. 1992, blz. I-323, r. o. 7).
( 8 ) Zie arresi van 14 juli 1994 (zaak C-379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. I-3453, r. o. 24).
( 9 ) Zaak 286/81, Jurispr. 1982, blz. 4575, r. o. 9. Het I lof is blijkbaar niel op de ingeslagen weg voortgegaan.
( 10 ) Zaak 298/87, Jurispr. 1988, blz. 4489, r. o. 8 en 9.
( 11 ) Anders dan in de zaak Oosthoek, was in de prejudiciële vragen niet aan de orde, of het om een interne aangelegenheid ging. In andere arresten, die betrekking hadden op het vrij verkeer van personen, heeft het Hof deze vraag echter ambtshalve behandeld.
( 12 ) Volgens vaste rechtspraak is iedere maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking (zie, bij voorbeeld, arrest van 9 februari 1995, zaak C-412/93, Leclere-Siplec, Jurispr. 1995, blz. I-179, r. o. 18).
( 13 ) Zie, bij voorbeeld, arrest Keek en Mithouard, reeds aangehaald in voetnoot 6, r. o. 15.
( 14 ) Zie, bij voorbeeld, arrest van 28 januari 1986 (zaak 188/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 419, r. o. 13-17).
( 15 ) PB 1993, L 188, blz. 32.
( 16 ) Zic, bij voorbeeld, arrest van 17 december 1981 (zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten, Jurispr. 1981, blz. 3277, r, o. 14 en 15).
( 17 ) Zie de situatie in het arrest van 1 juni 1994 (zaak C-317/92, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1994, blz. I-2039, r. o. 26).
( 18 ) Voorstel van 27 november 1992 voor een richtlijn van de Raad lot tweede wijziging van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1992, C 340, biz. 7).
( 19 ) Zie voetnoot 2.
( 20 ) Zie, bij voorbeeld, arrest van 19 januari 1982 (zaak 8/81, Becker, Jurispr. 1982, blz. 53, r. o. 24 en 25).
( 21 ) Zie, bij voorbeeld, arrest van 20 september 1988 (zaak 190/87, Moormann, Jurispr. 1988, blz. 4689, r. o. 23).
( 22 ) Zie het meest recente arrest, van 14 juli 1994 (zaak C-91/92, Faccini Dori, Jurispr. 1994, blz. I-3325, r. o. 20).
( 23 ) Zie arrest Faccini Dori, aangehaald in voetnoot 22, r. o. 22.
( 24 ) Zaak 174/84, Jurispr. 1986, blz. 559.
( 25 ) R. o. 62 van het arrest.
( 26 ) Zank 380/87, Junspr. 1989, blz. 2491.
( 27 ) Richtlijn van dc Raati van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39 ).
( 28 ) R. o. 20 van het arrest.
( 29 ) R. o. 22 en 23 van hel arrest.
( 30 ) Zie, bij voorbeeld, arresten van 9 augustus 1994 (zaak C-44/93, Namur-Les assurances du crédit, Jurispr. 1994, blz. I-3829, r. o. 16 en 171, 11 december 1973 (zaak 120/73, Lorenz, Junspr. 1973, blz. 1471, r. o. 8) en 15 juli 1964 (zaak 6/64, Costa, Jurispr. 1964, blz. 1255).
( 31 ) Aangehaald in voetnoot 30, r. o. 4.
( 32 ) R. o. 8 van het arrest.
( 33 ) COM(94) 55 def., blz. 58.
( 34 ) Zie voetnoot 4.
( 35 ) Zie arresten van 10 december 1991 (zaak C-306/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-5863, r. o. 8), 26 februari 1991 (zaak 292/89, Antonissen, Jurispr. 1991, blz. I-745, r. o. 18) en 30 januari 1985 (zaak 143/83, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1985, blz. 427, r. o. 12).
( 36 ) Ter terechtzitting heeft de Commissie gesteld, dat in ongeveer 10 % van de aanmeldingen van deze afwijking gebruik is gemaakt.
( 37 ) Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 (PB 1992, I. 228, blz. 24, artikel 5).
( 38 ) Op grond van artikel 6, lid 1, sub h, van deze richtlijn kunnen de Lid-Statcn zelfs verlangen, dal produkten uit de handel worden genomen.
( 39 ) Zie laatstelijk het arrest Faccini Dori, reeds aangehaald in voetnoot 22, r. o. 20.
( 40 ) Zie arrest Faccini Dori, aangehaald in voetnoot 22, r. o. 24 en 25.
( 41 ) Zie, bij voorbeeld, arrest Faccini Dori, aangehaald in voetnoot 22, r. o. 26, en het arrest van 16 december 1993 (zaak C-334/92, Wagner Miret, Jurispr. 1993, biz. I-6911, r. o. 20).
( 42 ) Zie arrest van 8 oktober 1987 (zaak 80/86, Kolpinghuis Nijmegen, Jurispr. 1987, blz. 3969, r. o. 12).
( 43 ) Zie arrest Faccini Dori, aangehaald in voetnoot 22, r. o. 26.
( 44 ) Aangehaald in voetnoot 22.
( 45 ) Arrest Becker, zie voetnoot 20.
( 46 ) Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy