CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 28 september 1995 ( *1 )
1.
Is een producent aan wie twee individuele referentiehoeveelheden zijn toegewezen (één voor levering en één voor rechtstreekse verkoop), bij overschrijding van één van die twee hoeveelheden de extra heffing op melk verschuldigd, wanneer in dezelfde periode van toepassing van de regeling de som van de twee desbetreffende totale hoeveelheden die de betrokken Lid-Staat zijn toegewezen, niet is overschreden? Dat is in wezen het probleem dat in de prejudiciële vraag van de Luxemburgse Conseil d'État aan de orde wordt gesteld.
I — De relevante regelgeving
2.
Bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 ( 1 ), ingevoegd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 ( 2 ), werd ter beheersing van de groei van de melkaanvoer een extra heffing ingevoerd, die verschuldigd is over de ter be- of verwerking aan een koper geleverde dan wel rechtstreeks aan de consument verkochte hoeveelheden melk of andere zuivelprodukten die een bepaalde referentiehoeveelheid te boven gaan. ( 3 )
3.
Voor wat betreft de heffing over de ter be- of verwerking aan een koper geleverde hoeveelheden, wordt de regeling in de Lid-Staten toegepast volgens een van de twee alternatieve formules, genoemd in lid 1 van genoemd artikel 5 quater. Volgens formule A is de heffing verschuldigd door de producenten van melk of zuivelprodukten over de door hen aan een koper geleverde hoeveelheden die gedurende het betrokken tijdvak van 12 maanden een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden. In formule Β is de heffing verschuldigd door de kopers van melk of andere zuivelprodukten over de hun door de producenten geleverde hoeveelheden die een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden; in het kader van deze tweede alternatieve mogelijkheid wordt de door de koper verschuldigde heffing afgewenteld op die producenten, die aan de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper hebben bijgedragen.
4.
In artikel 5 quater, lid 2, is voorts bepaald, dat de heffing eveneens door iedere producent verschuldigd is over de hoeveelheden melk en/of melkequivalent „die hij rechtstreeks voor consumptie heeft verkocht” en die gedurende het betrokken tijdvak van 12 maanden een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden.
5.
De algemene regels voor de toepassing van de extra heffing zijn vervat in verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 ( 4 ); artikel 2, lid 1, daarvan regelt de wijze van berekening van de referentiehoeveelheid voor leveringen van melk aan kopers voor be- of verwerking (hierna: „referentiehoeveelheid voor levering”) en artikel 6, lid 1, de wijze van berekening van de referentiehoeveelheid voor rechtstreeks aan de consument verkochte melk (hierna: „referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop”).
6.
Volgens het bepaalde in artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 mag de som van de referentiehoeveelheden voor levering die in een bepaalde Lid-Staat aan de heffingplichtigen worden toegewezen, niet meer bedragen dan een voor iedere Lid-Staat verschillende, gegarandeerde totale hoeveelheid, die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in de betrokken Lid-Staat in het kalenderjaar 1981 zijn geleverd aan bedrijven die melk of andere zuivelprodukten be- of verwerken, verhoogd met 1 %.
7.
Voor de individuele referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop is een soortgelijke bepaling ingevoerd bij artikel 6, lid 2, van verordening nr. 857/84: het totaal van deze referentiehoeveelheden mag eveneens niet uitkomen boven de hoeveelheid die in de bijlage bij de verordening voor iedere Lid-Staat op een verschillend niveau is vastgesteld.
8.
Bij artikel 6 bis van verordening nr. 857/84, ingelast bij artikel 1, sub 3, van verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 ( 5 ), is voorts bepaald dat de producenten die over twee referentiehoeveelheden beschikken, voor levering en voor rechtstreekse verkoop, op hun verzoek, om het hoofd te bieden aan een wijziging in hun afzetbehoeften, een verhoging verkrijgen van één van de twee referentiehoeveelheden. Die verhoging wordt toegestaan voor een periode van 12 maanden en mits de andere referentiehoeveelheid gedurende dezelfde periode met dezelfde hoeveelheid wordt verlaagd.
9.
Ten slotte is in de eerste alinea van artikel 5 quater, lid 7, van verordening nr. 804/68 bepaald, dat de bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30 van dezelfde verordening, en in de tweede alinea, die is ingelast bij artikel 1, sub 3, van verordening (EEG) nr. 1298/85 van de Raad van 23 mei 1985 ( 6 ), dat de in lid 3, tweede en derde alinea, aangegeven hoeveelheden (die — zoals gezegd — niet hoger mogen zijn dan de som van de in de betrokken Lid-Staat toegekende individuele referentiehoeveelheden voor levering) volgens dezelfde procedure „worden aangepast op de grondslag van naar behoren gemotiveerde objectieve statistische gegevens om rekening te houden met de structurele wijzigingen die enerzijds de levering aan kopers en anderzijds de rechtstreekse verkoop aan de consument beïnvloeden”. De derde alinea van lid 7, eveneens ingevoegd bij genoemde bepaling van verordening nr. 1298/85, bepaalt dat „deze aanpassingen voor elke betrokken Lid-Staat niet mogen leiden tot een verhoging van de som van de in lid 3 vermelde globale gegarandeerde hoeveelheid en de voor de rechtstreekse verkoop vastgestelde totale hoeveelheid”.
II — Het hoofdgeding —De prejudiciële vraag
10.
C. Schiltz-Thilmann exploiteert een melkveebedrijf. Een gedeelte van haar produktie levert zij aan een koper voor verdere bewerking, terwijl zij het restant zelf gebruikt voor de produktie van kaas en het op díe wijze rechtstreeks aan de consument verkoopt. Om die reden beschikt zij over twee referentiehoeveelheden, één voor levering aan een koper en één voor rechtstreekse verkoop.
11.
In het melkprijsjaar 1991/1992 bedroegen de aan Schiltz-Thilmann toegewezen referentiehoeveelheden 175805 kg voor levering en 152654 kg voor rechtstreekse verkoop. In totaal leverde zij in die periode 160594 kg aan een koper, terwijl zij 198044 kg rechtstreeks aan de consument verkocht. De hoeveelheid die na aftrek van de geleverde hoeveelheden van de referentiehoeveelheid voor levering overbleef, 15211 kg (175805 kg - 160594 kg), werd overeenkomstig artikel 6 bis van verordening nr. 857/84 toegevoegd aan de referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop, die zo op 167865 kg kwam (152654 kg +15211 kg). Daardoor viel een overschrijding van laatstbedoelde referentiehoeveelheid te constateren van 30179 kg (198044 kg - 167865 kg). De minister van Landbouw stelde, na het verschil met 5000 kg te hebben teruggebracht (die volgens de verwijzingsbeschikking om uiteenlopende redenen niet meer kon worden afgezet), de overschrijding bij beschikking van 8 juli 1992 vast op 25179 kg en vorderde van Schiltz-Thilmann betaling van een bedrag van 245865 LFR aan extra heffing.
12.
Tegen deze beschikking stelde Schiltz-Thilmann (hierna: „verzoekster in het hoofdgeding”) beroep in bij de Conseil d'État, waar zij betoogde dat er geen verplichting tot betaling van de extra heffing ontstaat wanneer, zoals in Luxemburg in de relevante periode 1991/1992 het geval was, geen overschrijding plaatsvindt van de som van de gegarandeerde totale hoeveelheid die niet mag worden overschreden door het totaal van de voor levering toegewezen referentiehoeveelheden enerzijds en de totale hoeveelheid die niet mag worden overschreden door het totaal van de voor rechtstreekse verkoop toegewezen referentiehoeveelheden anderzijds. Aangezien niet werd bestreden dat het „nationale quotum ‚koper’ voor de betrokken periode niet was opgebruikt en dat het nationale quotum ‚rechtstreekse verkoop’ was overschreden,” achtte de Conseil d'État het nodig het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Mogen volgens de gemeenschapsbepalingen, inzonderheid de artikelen 6 bis van verordening nr. 857/84 en 5 quater, zevende alinea, van verordening nr. 804/68, voor het onderzoek of er sprake is van overproduktie op nationaal vlak, de referentiehoeveelheden ‚koper’ en ‚rechtstreekse verkoop’ worden opgeteld, of staan deze hoeveelheden los van elkaar en kunnen zij derhalve, behoudens overdracht van de ene naar de andere referentiehoeveelheid binnen de grenzen van artikel 6 bis van verordening nr. 857/84, niet worden opgeteld?” ( 7 )
III — Antwoord op de prejudiciële vraag
13.
De feitelijke omstandigheden in het voor de Conseil d'État aanhangige geding voeren tot de conclusie, dat de vraag die de nationale rechter in wezen bezighoudt is, of in de zin van de bepalingen die op het relevante tijdstip het stelsel van de extra heffing uitmaakten, de heffing verschuldigd wordt wanneer de heffingplichtige één van de twee hem toegewezen individuele referentiehoeveelheden heeft overschreden, maar in diezelfde periode in de betrokken Lid-Staat geen overschrijding van de som van de gegarandeerde totale hoeveelheid voor levering enerzijds en de totale hoeveelheid voor rechtstreekse verkoop anderzijds heeft plaatsgevonden.
14.
Ik herinner eraan, dat het stelsel van de extra heffing is bedoeld om het evenwicht op de door structurele overschotten gekenmerkte zuivelmarkt te herstellen door beperking van de produktie. ( 8 ) Om de regeling zoveel mogelijk aan dat doel, dat het Hof in overeenstemming heeft bevonden met artikel 39 van het Verdrag ( 9 ), te doen beantwoorden, zijn twee parallelle beheersingsinstrumenten ingevoerd, waarvan het ene de beperking beoogt van de aan een koper voor verdere be- of verwerking geleverde hoeveelheden melk (zie met name artikel 5 quater, lid 1, van verordening nr. 804/68) en het andere de beperking van de rechtstreeks aan de consument verkochte hoeveelheden melk (zie met name artikel 5 quater, lid 2, van verordening nr. 804/68).
15.
Beide instrumenten draaien om het kernbegrip „referentiehoeveelheid”. In het kader van het instrument ter beheersing van de levering van melk wordt onder „referentiehoeveelheid” verstaan de hoeveelheid melk die representatief is voor de hoeveelheid die in een door de Lid-Staat te kiezen referentiejaar door de producent is geleverd (formule A) of door de koper, in de regel een melkfabriek, is gekocht (formule B) (zie artikel 2 van verordening nr. 857/84). In het kader van het instrument ter beheersing van de rechtstreekse verkoop wordt onder „referentiehoeveelheid” verstaan de hoeveelheid melk die representatief is voor de hoeveelheid die in het referentiejaar rechtstreeks aan de consument is verkocht (zie artikel 6, lid 1, van verordening nr. 857/84).
16.
Beide instrumenten kennen voorts het begrip „totale hoeveelheid”, die voor iedere Lid-Staat verschillend is (zie voor levering artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 en voor rechtstreekse verkoop artikel 6, lid 2, van verordening nr. 857/84) en de strikte grens vormt waarbinnen de Lid-Staat moet blijven wanneer hij de referentiehoeveelheden toewijst, hetzij volgens de algemene voorschriften voor de vaststelling van die hoeveelheden, bedoeld in de artikelen 2 en 6, lid1, van verordening nr. 857/84, hetzij volgens de uitzonderingsbepalingen van de artikelen 3, 3 bis en 4 van die verordening, die voorzien in de mogelijkheld van toewijzing van extra of speciale referentiehoeveelheden aan bepaalde concrete categorieën van producenten. Binnen de door de respectieve totale hoeveelheden getrokken grenzen hebben de Lid-Staten voorts nog de mogelijkheid (ingevolge artikel 4 bis, leden 1 en 3, van verordening nr. 857/84, ingelast bij verordening nr. 590/85 ( 10 )) om de door de rechthebbende niet-gebruikte referentiehoeveelheden voor dezelfde periode of eventueel over andere perioden aan andere producenten of kopers toe te kennen, waarbij zij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken. ( 11 )
17.
Uit het bovenstaande zijn naar mijn mening twee grondbeginselen af te leiden:
a)
Voor het ontstaan van de verplichting tot betaling van de extra heffing is nodig, maar ook voldoende, dat er overschrijding plaatsvindt van de aan de heffingplichtige toegewezen individuele referentiehoeveelheid voor levering of voor rechtstreekse verkoop, welke hoeveelheid eventueel is aangepast doordat de bevoegde nationale instanties de heffingplichtige een speciale of extra hoeveelheid hebben toegekend krachtens de specifieke bepalingen ter zake, dan wel hem een extra, door een andere rechthebbende ongebruikt gelaten referentiehoeveelheid hebben overgedragen uit hoofde van de door artikel 4 bis van verordening nr. 857/84 aan de Lid-Staten gelaten discretionaire bevoegdheid. In geval van overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid is dus (behoudens toepassing van het genoemde artikel 4 bis van verordening nr. 857/84) een heffing verschuldigd, ook al vindt geen overschrijding plaats van de desbetreffende totale hoeveelheid waarover de betrokken Lid-Staat beschikt. ( 12 ) Veelzeggend in dit verband is het bepaalde in artikel 9, lid 4, van verordening nr. 857/84, ingelast bij artikel 1, sub 8, van verordening (EEG) nr. 1305/85 van de Raad. ( 13 ) In de eerste alinea van deze bepaling (die oorspronkelijk voor de eerste twee perioden van twaalf maanden van toepassing van de extra-heffingregeling was bedoeld, maar uiteindelijk voor de gehele toepassingsperiode is gehandhaafd ( 14 )) wordt de Lid-Staten toegestaan de geïnde extraheffing te bestemmen voor de financiering van nationale maatregelen ter aanmoediging van de definitieve beëindiging van de melkproduktie. De twee volgende alinea's van de bepaling maken duidelijk, dat de heffing ook moet worden geïnd wanneer de desbetreffende totale hoeveelheid waarover de Lid-Staat beschikt niet is overschreden: volgens die alinea's is de bestemming van de heffing voor het voornoemde doel alleen toegestaan „voorzover de werkelijke aan de kopers geleverde hoeveelheden en de hoeveelheden van de rechtstreekse verkoop die werkelijk heeft plaatsgevonden onderscheidenlijk de globale gegarandeerde hoeveelheid bedoeld in artikel 5 quater, lid 3, van verordening (EEG) nr. 804/68 en de totale hoeveelheid bedoeld in artikel 6, lid 2, van de onderhavige verordening voor de betrokken Lid-Staat niet overschrijden” (cursivering van mij). ( 15 )
b)
Beide instrumenten ter beheersing van de melkproduktie kennen dezelfde opzet, maar functioneren zelfstandig van elkaar. Afgezien van andere verschillen (zoals bij voorbeeld de wijze van betaling van de heffing), die toe te schrijven zijn aan de verschillende omstandigheden waaronder de twee activiteiten worden uitgeoefend (levering voor bewerking of verwerking — rechtstreekse verkoop aan de consument), is hier vooral van belang, dat binnen het kader van elk van beide instrumenten afzonderlijk wordt vastgesteld, of aan de voorwaarden voor ontstaan van de verplichting tot betaling van de heffing is voldaan. Wanneer dus een producent recht heeft op twee individuele referentiehoeveelheden, één voor levering en één voor rechtstreekse verkoop, is overschrijding van één van deze twee hoeveelheden, bij voorbeeld die voor rechtstreekse verkoop, voldoende om de verplichting tot betaling van de daarmee corresponderende heffing te doen ontstaan: het ontstaan van deze verplichting, die, zoals ik hierboven onder a) reeds uiteenzette, in beginsel niet afhangt van overschrijding van de totale hoeveelheid voor rechtstreekse verkoop, hangt evenmin af van overschrijding van de totale hoeveelheid voor levering of van overschrijding van de som van beide totale hoeveelheden.
18.
Voor een tegengestelde conclusie is volgens mij in geen enkele bepaling steun te vinden. ( 16 ) Ondanks de zelfstandige werking van de twee instrumenten ter beheersing van de melkproduktie zijn er in een aantal specifieke bepalingen —waarvan de belangrijkste zijn de door de nationale rechter genoemde artikelen 5 quater, lid 7, van verordening nr. 804/68 en 6 bis van verordening nr. 857/84 ( 17 ) — weliswaar „raakpunten” tussen beide instrumenten aan te wijzen, maar die bepalingen zijn zo specifiek, dat het mijns inziens om niet meer dan uitzonderingen op het beginsel van de zelfstandigheid van de twee instrumenten gaat. Er valt derhalve geen algemene regel uit af te leiden ( 18 ), inhoudende dat overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid geen verplichting tot betaling van de heffing doet ontstaan, wanneer in de betrokken Lid-Staat in dezelfde periode geen overschrijding heeft plaatsgevonden van de som van de totale hoeveelheid voor levering enerzijds en de totale hoeveelheid voor rechtstreekse verkoop anderzijds.
19.
Ik wijs met name op het volgende:
a)
Artikel 5 quater, lid 7, van verordening nr. 804/68, zoals aangevuld bij artikel 1, sub 3, van verordening nr. 1298/85, biedt de mogelijkheid tot wijziging, volgens een bepaalde procedure (de procedure van artikel 30 van verordening nr. 804/68) en onder bepaalde voorwaarden (de betrokken Lid-Staat moet „naar behoren gemotiveerde objectieve statistische gegevens” kunnen aanwijzen), van de totale hoeveelheid voor levering, om rekening te houden met de structurele wijzigingen die enerzijds de levering aan een koper en anderzijds de rechtstreekse verkoop aan de consument kunnen beïnvloeden. Een soortgelijke wijzigingsmogelijkheid, onder dezelfde voorwaarden, van de totale hoeveelheid voor rechtstreekse verkoop biedt artikel 6, lid 2, van verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij artikel 1, sub 4, van verordening nr. 1305/85. Beide bepalingen zien derhalve op blijvende (en niet tot slechts één periode beperkte) wijzigingen in de hoogte van de totale hoeveelheden ter aanpassing aan duurzame structurele veranderingen. ( 19 ) Men kan daarom in die bepalingen niet de regel lezen, dat overschrijding van de ene totale hoeveelheid automatisch uit het niet-op gebruikte gedeelte van de andere hoeveelheid zou kunnen worden gecompenseerd, en nog wel om tegemoet te komen aan tijdelijke behoeften (ontstaan in een bepaalde periode van toepassing van het stelsel) die niet samenhangen met algemene veranderingen van structurele aard op de zuivelmarkt, maar met de behoeften van bepaalde individuele producenten.
b)
Artikel 6 bis van verordening nr. 857/84 biedt een producent die over twee individuele referentiehoeveelheden beschikt, één voor levering en één voor rechtstreekse verkoop, de mogelijkheid te verzoeken om verhoging van een van de twee hoeveelheden, wat leidt tot vermindering van de andere hoeveelheid; deze mogelijkheid geldt voor een periode van toepassing van het stelsel en is bedoeld om het hoofd te kunnen bieden aan problemen in verband met wijzigingen in de afzetbehoeften van de betrokkene. ( 20 ) Uit deze bepaling valt dus niet de regel af te leiden, dat een overschrijding bij van een van de twee individuele referentiehoeveelheden als gevolg van een conjuncturele verhoging van de produktie die niet gepaard gaat met een gewijzigde afzetbehoefte, zou mogen worden gecompenseerd, niet uit het eventuele niet-opgebruikte gedeelte van de andere individuele referentiehoeveelheid waarover de betrokkene beschikt, maar uit het niet-opgebruikte gedeelte van desbetreffende totale hoeveelheid waarover de betrokkene Lid-Staat beschikt. ( 21 )
20.
Uit de veertiende paragraaf van de verwijzingsbeschikking valt af te leiden dat verzoekster in het hoofdgeding voor de nationale rechter had aangevoerd, dat een verband tussen een verplichting tot betaling van de heffing en de overschrijding van de som van de totale hoeveelheden waarover de betrokken Lid-Staat beschikt, niet zou ingaan tegen de logische opzet van de regeling van de extra heffing, omdat wanneer er geen overschrijding van bedoelde som plaatsvindt, er uiteindelijk ook geen toename van de totale hoeveelheid in die Lid-Staat geproduceerde melk is.
21.
Deze opmerking is in beginsel juist. Niettemin kan het doel dat de gemeenschapswetgever bij de invoering van de extra-heffingregeling voor ogen heeft gestaan, evengoed — zij het wellicht in ander opzicht — zijn gediend, wanneer de overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid als enig en uitsluitend ontstaansfeit voor de verplichting tot betaling van de heffing wordt aangemerkt: de individuele referentiehoeveelheid zou haar produktieremmende werking gedeeltelijk of wellicht zelfs in aanmerkelijke mate verliezen, wanneer degene die zijn hoeveelheid heeft overschreden, aan betaling van de heffing zou kunnen hopen te ontsnappen, indien de som van de totale hoeveelheden waarover de Lid-Staat beschikt uiteindelijk misschien niet wordt overschreden.
22.
Het ware wellicht dienstig geweest wanneer een volledig en coherent stelsel van bepalingen was ingevoerd, waarin enerzijds de verplichting tot betaling van de heffing was gerelateerd aan overschrijding van de som van de totale hoeveelheden en anderzijds de nodige veiligheidskleppen waren voorzien om te voorkomen dat deze relatie averechtse effecten heeft op het met de extra heffing beoogde doel. Ik meen evenwel dat de elementen die voor het functioneren van een zodanig stelsel nodig zijn (de invoering daarvan blijft uiteraard een zaak van de gemeenschapswetgever, die op het gebied van de landbouwpolitiek over een bijzonder ruime beoordelingsvrijheid beschikt ( 22 )), niet af te leiden zijn uit de bijzondere bepalingen van artikel 5 quater, lid 7, van verordening nr. 804/68 en artikel 6 bis van verordening nr. 857/84, noch uit enige ander onderdeel van de regelingen die in de hier relevante periode het stelsel van de extra heffing uitmaakten.
IV — Conclusie
23.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van de Luxemburgse Conseil d'État als volgt te beantwoorden:
„Noch uit artikel 5 quater, lid 7, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968, noch uit artikel 6 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, noch uit enige andere bepaling van het stelsel van de extra heffing op melk kan worden afgeleid, dat een verplichting van de houder van een individuele referentiehoeveelheid tot betaling van de extra heffing eerst zou ontstaan, wanneer in de relevante toepassingsperiode van het stelsel de som van de totale hoeveelheid voor levering waarover de betrokken Lid-Staat beschikt, en van de totale hoeveelheid voor rechtstreekse verkoop waarover die Lid-Staat beschikt, is overschreden.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprotluktcn (PB 1968, L 148, blz. 13).
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 (PB 1984, L 90, biz. 10).
( 3 ) De extra heffing werd oorspronkelijk ingevoerd voor vijf perioden van 12 maanden (vanaf 1 april 1984), uiteindelijk verlengd tot 9 perioden [zie artikel 1, sub 1, van verordening (EEG) nr. 816/92 van de Raad van 31 maart 1992 (PB 1992, L 86, blz. 83)]. Het stelsel van de extra heffing bleef dus geregeld in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, zoals nadien gewijzigd en aangevuld, tot 31 maart 1993. Bij artikel 1, sub 3, van verordening (EEG) nr. 2071/92 van de Raad van 30 juni 1992 (PB 1992, L 215, biz. 64), in werking getreden op 1 april 1993, werd artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 vervangen door de eenvoudige bepaling dat de prijsregeling van verordening nr. 804/68 „wordt vastgesteld onverminderd de tenuitvoerlegging van de regeling inzake de extra heffing”. Die regeling is reeds sinds 1 april 1993, en wel voor zeven perioden van 12 maanden, neergelegd in verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 (PB 1992, L 405, biz. 1).
( 4 ) Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13). Deze verordening is sinds 1 april 1993 afgeschaft bij de artikelen 12 en 13 van de reeds genoemde (voetnoot 3) verordening nr. 3950/92.
( 5 ) Verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1985, L 68, biz. 1).
( 6 ) Verordening (EEG) nr. 1298/85 van de Raad van 23 mei 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1985, L 137, biz. 5).
( 7 ) Waar de prejudiciële vraag spreekt van alinea, wordt kennelijk lid 7 van artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoeld.
( 8 ) Zie arresten van 17 mei 1988 (zaak 84/87, Erpelding, Jurispr. 1988, blz. 2647, r. o. 26), 27 mei 1993 (zaak C-290/91, Peter, Jurispr. 1993, blz. I-2981, r. o. 13) en 14 juli 1991 (zaak C-351/92, Graff, Jurispr. 1994, blz. I-3361, r. o. 26).
( 9 ) Zie het in de vorige voetnoot aangehaalde arrest Erpclding, r. o. 26.
( 10 ) Reeds aangehaald in voetnoot 5. De regeiing van artikel 4 bis van verordening nr, 857/84, die oorspronkelijk was ingevoerd voor de eerste periode van 12 maanden van toepassing van de regeling van extra heffing, is uiteindelijk na achtereenvolgende verlengingen gehandhaafd tot 31 maart 1993 [zie artikel 1, sub 1, van verordening (EEG) nr. 817/92 van de Raad van 31 maart 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 (PB 1992, L 86, blz. 85)].
( 11 ) Zie in dit verband het arrest van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321, r. o. 18).
( 12 ) In de verwijzingsbeschikking (§ 12) wordt vermeld dat in het melkprijsjaar 1991/1992 de totale hoeveelheid voor levering in Luxemburg niet was overschreden, maar wel die voor rechtstreekse verkoop, en dat daarom de producenten die de referentiehoeveelheid „koper” hadden overschreden niet werden beboet, in tegenstelling tot degenen die hun referentiehoeveelheid „rechtstreekse verkoop” hadden overschreden. Aangezien, zoals hierboven uiteengezet, de verplichting tot betaling van de heffing ontstaat wanneer de heffingplichtige zijn individuele referentiehoeveelheid overschrijdt, ook wanneer de desbetreffende totale hoeveelheid niet wordt overschreden, kan deze passage in de verwijzingsbeschikking niet anders worden begrepen dan dat cíe marktdeelnemers die in de relevante periode hun oorspronkelijk toegewezen individuele referentiehoeveelheid voor levering hebben overschreden, uiteindelijk geen heffing hebben hoeven betalen omdat hun door de bevoegde nationale instantie krachtens artikel 4 bis van verordening nr. 857/84 referentiehoeveelheden zijn toebedeeld die door andere marktdeelnemers ongebruikt zijn gelaten.
( 13 ) Verordening (EEG) nr. 1305/85 van de Raad van 23 mei 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 (PB 1985, L 137, blz. 12).
( 14 ) Zie artikel 1, sub 4, van verordening nr. 817/92.
( 15 ) Dal een betalingsverplichting reeds ontstaat bij overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid, ongeacht of de desbetreffende totale hoeveelheid al dan niet is overschreden, valt ook op te maken uit lid 3 bis van artikel 4 bis van verordening nr. 857/84. De leden 1 en 3 van dat artikel geven de Lid-Staten de bevoegdheid om de nict-gebruikte referentiehoeveelheden van bepaalde producenten of kopers toe te kennen aan de producenten of kopers van hetzelfde gebied of van andere gebieden. Lid 3 bis [toegevoegd bij artikel 1, sub 2, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 774/87 van de Raad, van 16 maart 1987 (PB 1987, L 78, blz. 3) en aangevuld bij artikel 1, sub 2, van verordening (EEG! nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2)] luidt als volgt: „De heffing wordt geïnd op alle hoeveelheden boven de individuele referentiehoeveelheden, na eventuele correctie. Voor de eerste twee periodes waarin de regeling van de extra heffing in de Lid-Statcn wordt toegepast, zijn aan de Gemeenschap echter alleen heffingen verschuldigd over de hoeveelheaen boven de in artikel 5 quater, lid 3, van verordening (EEG) nr. 804/68 en/of de in artikel 6, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde totale gegarandeerde hoeveelheid” (cursivering van mij).
( 16 ) Ik wijs erop, dat het door mij meermaals genoemde artikel 4 bis van verordening nr. 857/84 de toewijzing van ongebruikt gebleven referentiehoeveelheden alleen m het kader van hetzelfde produktiebeheersingsinstrument toestaat. De formulering van de leden 1 en 3 van de bepaling laat volgens mij geen ruimte voor de opvatting, dat het mogelijk zou zijn om de producent, teneinde diens voor rechtstreekse verkoop toegekende referentiehoeveelheid te verhogen, een ongebruikte referentiehoeveelheid toe te wijzen die oorspronkelijk voor levering was toegekend. Veelzeggend is dat de tweede overweging in de considerans van verordening nr. 590/85, waarbij de uit te leggen regeling werd ingevoerd, vermeldt dat de regeling voor toewijzing van ongebruikt gebleven referentiehoeveelheden „slechts op afzonderlijke wijze ten uitvoer kan worden gelegd in het kader van de leveringen en de rechtstreekse verkoop”.
( 17 ) Zie eveneens de leden 5 en 6 van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12).
( 18 ) Voorbeelden van een enge uitlegging van bepalingen die afwijkingen bevatten van de algemene regels voor de regeling van de extra heffing, zijn het reeds aangehaalde (voetnoot 8) arrest Erpelding, r. o. 18 en 19, het eveneens reeds aangehaalde (voetnoot 11) arrest Mulder, r. o. 15, en de arresten van 27 juni 1989 (zaak 113/88, Leukhardt, Jurispr. 1989, blz. 1991, r. o. 12-14), 10 januari 1992 (zaak C-177/90, Kühn, Jurispr. 1992, blz. I-35, r. o. 8-11) en 27 januari 1994 (zaak C-189/92, Le Nan, Jurispr. 1994, blz. I-261, r. o. 19-21).
( 19 ) Artikel 6 van verordening nr. 1546/88 bepaalt bovendien dat in geval van toepassing van het bepaalde in artikel 5 quater, lid 7, tweede alinea, van verordening nr. 804/68 en in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 857/84, de hoeveelheden waarmee de totale hoeveelheid wordt verhoogd, ofwel worden toegewezen aan de in artikel 5, lid 5 of lid 6, bedoelde producenten of, in voorkomend geval, opgenomen in de reserve die iedere Lid-Staat overeenkomstig de artikelen 5 en 6, lid 3, van verordening nr. 857/84 binnen elk van de twee totale hoeveelheden waarover hij beschikt aanhoudt, om toewijzing van extra hoeveelheden mogelijk te maken aan de categorieën van marktdeelnemers, bedoeld in de artikelen 3, 3 bis en 4 van verordening nr. 857/84.
( 20 ) Zie voor het doel van de regeling het arrest van 7 november 1991 (zaak C-22/90, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-5285, r. o. 15).
( 21 ) Een geheel bijzondere status hebben ook de reeds genoemde (zie voetnoot 17) bepalingen van de leden 5 en 6 van artikel 5 van verordening nr. 1546/88, die andere „raakpunten” bevatten tussen de twee instrumenten ter beheersing van de melkproduktie. Volgens de eerstgenoemde regeling kunnen producenten aan wie een referentiehoeveelheid is toegewezen voor rechtstreekse verkoop en die deze rechtstreekse verkoop geheel of gedeeltelijk beëindigcn, een referentiehoeveelheid voor levering verkrijgen wanneer de Lid-Staat hun een dergelijke individuele referentiehoeveelheid kan toewijzen binnen de grenzen van de desbetreffende totale hoeveelheid. De andere genoemde bepaling betreft de tegengestelde situatie: producenten die een referentiehoeveelheid voor levering hadden en die hun leveringen geheel of gedeeltelijk beëindigen, kunnen een referentiehoeveelheid krijgen voor rechtstreekse verkoop, wanneer de Lid-Staat hun een dergelijke individuele hoeveelheid kan toewijzen zonder overschrijding van de desbetreffende totale hoeveelheid.
( 22 ) Zie onder meer de arresten van 9 juli 1985 (zaak 179/84, Bozzetti Jurispr. 1985, blz. 2301, r. o. 30), 11 juli 1989 (zaak 265/87, Schröder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r. o. 22) en 21 februari 1990 (gevoegde zaken C-267/88 — C-285/88, Wuidart, Jurispr. 1990, blz. I-435, r. o. 14).
Full & Egal Universal Law Academy