CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 7 december 1995 ( *1 )
1.
De prejudiciële vragen van de High Court of Justice, Queen's Bench Division, betreffen de uitlegging van het arrest Lomas e. a. ( 1 ), waarin het Hof de toentertijd geldende berekeningsmethode voor de clawback ongeldig heeft verklaard, alsmede de geldigheid en de uitlegging van de nieuwe berekeningsmethode voor de clawback, die de Commissie naar aanleiding van voormeld arrest bij verordening (EEG) nr. 1922/92 ( 2 ) heeft vastgesteld.
Het Hof wordt dus nogmaals geconfronteerd met de berekeningsmethode voor de zogenoemde clawback, een heffing die de Britse exporteurs van schapen en geiten krachtens de gemeenschapsregeling bij uitvoer aan de Britse autoriteiten moeten betalen als compensatie voor de slachtpremie die de producenten tevoren hebben ontvangen.
2.
Tot 1992 berustte het clawback-systeem op verordening (EEG) nr. 1837/80 van de Raad ( 3 ) houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees, die later is vervangen door verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad ( 4 ) alsmede op verordening (EEG) nr. 1633/84 van de Commissie ( 5 ), waarin een aantal uitvoeringsbepalingen waren vastgesteld.
Krachtens verordening nr. 1837/80 mocht het Verenigd Koninkrijk de producenten van schape- en geitevlees een „variabele slachtpremie” toekennen voor dieren bestemd voor het slachthuis. Deze premie kon worden uitgekeerd, wanneer de op de representatieve markt van het Verenigd Koninkrijk geconstateerde prijzen onder een „richtni-veau” lagen dat overeenkwam met 85 % van de basisprijs. ( 6 )
3.
Werden de produkten waarvoor de premie was toegekend uitgevoerd (hetgeen kon gebeuren binnen 21 dagen na de datum waarop zij voor de eerste maal waren verhandeld), dan moesten de exporteurs aan de bevoegde nationale autoriteiten een aan deze premie gelijkwaardig bedrag terugbetalen. De bedoeling daarvan was, op liet ogenblik waarop de produkten op de gemeenschappelijke markt werden gebracht, de gevolgen van de niet langer gerechtvaardigde premie te neutraliseren. Meer bepaald diende de Commissie krachtens artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1837/80 de nodige maatregelen te nemen, opdat „een bedrag [werd] geheven dat gelijk [was] aan de werkelijk uitgekeerde premie”. ( 7 )
Ingevolge deze bepaling stelde de Commissie verordening nr. 1633/84 vast, waarin zij de berekeningsmethode voor de slachtpremie en de clawback neerlegde. De slachtpremie werd toegekend tegen het tarief vastgesteld voor de week waarin het dier voor de eerste maal werd verhandeld of tegen het tarief dat gold op de dag waarop het dier werd geslacht; de clawback werd berekend op basis van het tarief vastgesteld voor de week waarin de uitvoer plaatsvond. ( 8 )
4.
Zoals reeds gezegd, heeft het Hof in het arrest Lomas artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1633/84 ongeldig verklaard. Zijn vaste rechtspraak volgend, bevestigde het Hof om te beginnen het beginsel dat de clawback mag worden geheven in geval van uitvoer van produkten waarvoor eerder een premie was toegekend. ( 9 )
Vervolgens preciseerde het, dat de clawback aldus moet worden geheven, dat de premie wordt geneutraliseerd wanneer de produkten waarvoor zij was toegekend, de betrokken regio verlaten, zodat zij geen voordeel oplevert voor noch ongerechtvaardigde schade toebrengt aan de producenten. Daarop verklaarde het Hof de hierboven beschreven berekeningsmethoden ongeldig, omdat zij geen volstrekte gelijkheid tussen beide bedragen garandeerden. ( 10 )
5.
Het Hof overwoog evenwel, dat zo de clawback geheven voor tijdvakken gelegen vóór de datum van dat arrest zou kunnen worden teruggevorderd, dit ernstige financiële gevolgen zou hebben en organisatorisch tot grote moeilijkheden in het Verenigd Koninkrijk zou leiden; derhalve achtte het Hof het mede in het belang van de rechtszekerheid aangewezen, de werking in de tijd van de ongeldigverklaring te beperken. Het oordeelde dan ook, dat op de vastgestelde ongeldigheid niet met terugwerkende kracht een beroep kan worden gedaan, behalve door die handelaren die vóór de datum van het arrest een beroep in rechte hadden ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaar hadden doen gelden. ( 11 )
6.
De hierboven beschreven wettelijke bepalingen zijn intussen aanzienlijk gewijzigd. In de eerste plaats werd het Verenigd Koninkrijk gemachtigd om vanaf het begin van het verkoopseizoen 1992 de slachtpremie niet langer toe te kennen. ( 12 )
In de tweede plaats heeft de Commissie naar aanleiding van het arrest Lomas voormelde verordening nr. 1922/92 vastgesteld, waarbij een nieuwe berekeningsmethode voor de in de onderhavige zaak ter discussie staande clawback is ingevoerd. Zoals bepaald in artikel 3 van deze verordening, is zij van toepassing op alle gevallen waarin op 10 maart 1992 de clawback nog niet was betaald (de hypothese geregeld in artikel 1) ( 13 ) of waarin door de handelaren een proces strekkende tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde clawback was aangespannen (de hypothese geregeld in artikel 2).
7.
Ingevolge artikel 1 van verordening nr. 1922/92, waarbij artikel 4 van verordening nr. 1633/84 is gewijzigd, hebben de handelaren die nog clawback moeten betalen de keuze tussen twee varianten. Ofwel betalen zij een bedrag dat identiek is met de aan de producenten uitgekeerde premie (hierna: de „eerste variante”), en dan dienen zij tegelijkertijd de bevoegde autoriteiten „over de premie (...) die werkelijk is toegekend, de nodige bewijsstukken” te verstrekken; ofwel betalen zij een bedrag „dat gelijk is aan het gemiddelde bedrag van de premies die zijn vastgesteld voor de week van vertrek van de produkten en de drie daaraan voorafgaande weken” (hierna: de „tweede variante”).
8.
In artikel 2 van verordening nr. 1922/92 is bepaald, hoe de bedragen moeten worden berekend die als onverschuldigd betaalde clawback mogen worden teruggevorderd door de handelaren die daartoe ingevolge het arrest Lomas gerechtigd zijn. Ook deze handelaren hebben de keuze tussen twee berekeningsmethoden, die in wezen overeenkomen met de eerste, respectievelijk tweede variante van artikel 1.
Artikel 2 bepaalt immers, dat deze handelaren recht hebben op terugbetaling („binnen de termijnen en volgens de procedure die in de betrokken nationale wet zijn vastgesteld”) van het verschil tussen het door hen betaalde bedrag van de clawback en het voor dezelfde produkten werkelijk toegekende premiebedrag. Op verzoek van de handelaren zelf evenwel kan ook „het verschil tussen het werkelijk betaalde bedrag van de clawback en het gemiddelde bedrag van de premie die is vastgesteld voor de week van vertrek van de produkten en van die voor de drie daaraan voorafgaande weken worden terugbetaald”.
Krachtens artikel 2, lid 2, dienden de handelaren vóór 30 november 1992 aan de bevoegde nationale autoriteiten mee te delen: de begindatum van de periode waarop hun vordering betrekking had, het tot 10 maart 1992 aan clawback betaalde bedrag, en het werkelijk toegekende premiebedrag (uitgezonderd de handelaren die voor de tweede variante kozen); voorts moesten zij de bevoegde instanties van het Verenigd Koninkrijk „de nodige bewijsstukken ten aanzien van bovenstaande elementen verstrekken”.
9.
Verzoeksters in het hoofdgeding zijn ondernemingen die schapen en schapevlees uitvoeren. Voor de verwijzende rechter hebben zij een vordering ingesteld tot terugbetaling van de clawback die zij vanaf 1980 tot de datum van hun beroep (6 maart 1992) hebben betaald. Nadien hebben zij, zoals ter terechtzitting gepreciseerd, het petitum van hun vordering gereduceerd tot het (ongespecificeerde) verschil tussen het bedrag van de onverschuldigd betaalde clawback en de clawback die zij voor dezelfde periode op basis van een correcte toepassing van de gemeenschapsregeling hadden moeten betalen. ( 14 )
Tijdens de procedure in het hoofdgeding hebben verzoeksters, nadat voormelde verordening nr. 1922/92 in werking was getreden, de in die verordening voorziene berekeningsmethoden betwist. Zij achten de in de artikelen 1 en 2 aan de handelaren geboden keuzemogelijkheden in strijd met de basisverordening. De eerste variante zou in de praktijk onmogelijk kunnen werken, daar de Britse autoriteiten bewijzen verlangen met betrekking tot het bedrag van de premie, die de exporteur—die daarvan niet de beneficiant is-—materialiter niet kan leveren. De tweede variante is huns inziens onwettig, daar zij — zoals in het arrest Lomas gezegd — niet garandeert dat het bedrag van de door de producent ontvangen premie identiek is met het bedrag van de van de exporteur verlangde clawback.
10.
Om die redenen heeft de Britse rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof zes prejudiciële vragen voorgelegd.
Met zijn eerste en zijn vierde vraag verzoekt hij het Hof zich uit te spreken over de geldigheid van de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 1922/92, dus van de nieuwe berekeningsmethode voor de clawback, alsmede over de geldigheid van de berekeningsmethode voor de bedragen die aan de handelaars die (overeenkomstig het arrest Lomas) terugbetaling mogen vorderen, moeten v/orden terugbetaald.
Voor het geval dat de eerste en de vierde vraag ontkennend worden beantwoord, vraagt de verwijzende rechter het Hof welk soort bewijsstukken de bevoegde nationale autoriteiten dan in verband met de berekening van de clawback of de terug te betalen bedragen van de handelaren mogen verlangen (tweede en vijfde vraag).
De derde vraag strekt ertoe te vernemen, of de handelaren op grond van het arrest Lomas ook terugbetaling mogen vorderen van de clawback die zij vóór de instelling van het beroep in rechte of de indiening van een daarmee gelijk te stellen bezwaar hebben betaald.
Ten slotte wenst de verwijzende rechter met zijn zesde vraag te vernemen, of er gemeenschapsrechtelijke en nationale bepalingen bestaan waarmee de nationale rechter bij de berekening van het terug te betalen bedrag mag of moet rekening houden, inzonderheid wat betreft de bewijslast, de ongerechtvaardigde verrijking en de verjaringstermijnen van de vordering.
11.
In de onderhavige zaak gaat het dus om dezelfde vragen als die waarover het Hof zich in het arrest Lomas heeft uitgesproken.
In mijn conclusie in die zaak ben ik ervan uitgegaan, dat enkel wanneer het bedrag van de premie identiek was met dat van de clawback, het doel van de bepaling in de basisverordening werd bereikt. Ik heb het Hof dan ook in overweging gegeven de toentertijd toepasselijke berekeningsmethode voor de clawback ongeldig te verklaren. Zoals gezegd, ben ik daarin door het Hof gevolgd, dat artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1633/84 ongeldig heeft verklaard, zonder de machtigingsbepalingen van de basisverordening ter discussie te stellen.
12.
Een verschil met de zaak Lomas is echter, dat op het ogenblik waarop de onderhavige procedure wordt gevoerd, de premie, en dus de clawback, zijn afgeschaft. Het Hof dient dus een regeling uit te leggen die, ofschoon van kracht, situaties uit het verleden regelt die betrekking hebben op de berekening van de bedragen die nog verschuldigd zijn voor na het arrest Lomas hangende verrichtingen, dan wel op de berekening van de onverschuldigd betaalde bedragen.
In feite gaat het hier om de berekeningsmethode voor een bedrag (de clawback) dat de exporteur verschuldigd is ter neutralisering van een ander tevoren reeds aan de producent betaald bedrag (de premie). Meer in liet bijzonder moet worden bepaald, hoeveel clawback de exporteurs voor de nog hangende verrichtingen (hebben) moeten betalen, dan wel hoeveel hun moet worden terugbetaald omdat de door hen verrichte betaling op een ongeldig verklaarde wijze was berekend.
13.
Daarbij speelt nog een ander, mijns inziens fundamenteel gegeven een rol: de gemeenschapsregeling, de oorspronkelijke noch de gewijzigde, legt de producent die de premie heeft ontvangen en evenmin de autoriteit die ze heeft uitgekeerd de verplichting op, bewijzen met betrekking tot het bedrag te bewaren. Hoe merkwaardig dit ook kan lijken, het gevolg daarvan is, dat mogelijkerwijs op het ogenblik waarop de clawback wordt betaald, het bewijs van het juiste bedrag juridisch niet meer bestaat.
Met dat voor ogen lijkt het mij evident dat, tenzij het Hof bereid zou worden gevonden zijn rechtspraak betreffende de clawback te wijzigen en de geldigheid van het gehele systeem of van de machtigingsbepalingen van de basisverordening opnieuw ter discussie te stellen (wat in de huidige situatie niet tot concreet verschillende resultaten zou leiden), het aan de verwijzende rechter op de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde vraag te geven antwoord door overwegingen verband houdend met de concrete haalbaarheid moet zijn gedicteerd.
14.
Derhalve ben ik genoodzaakt de strekking van mijn vorige conclusie te wijzigen, daar thans ook de haalbaarheid van de voorgestelde oplossingen met betrekking tot situaties in het verleden in acht moet worden genomen: ad impossibilia nemo tenetur.
Vanuit dit oogpunt bezien, denk ik dat de door de nieuwe regeling aan de handelaar geboden mogelijkheid om tussen twee alternatieven te kiezen, zij het dat zij het doel van de basisverordening niet perfect realiseert, dit toch voldoende benadert: meer in het bijzonder voldoet zij in ieder geval aan het vereiste dat de gevolgen van een reeds betaalde premie, die in geval van uitvoer uit de betrokken regio elke economische rechtvaardiging verliest, in wezen worden geneutraliseerd.
15.
Immers, wanneer de exporteur bij machte is de desbetreffende bewijzen te leveren, kan hij (voor nog hangende verrichtingen) een clawback betalen die volstrekt identiek met het bedrag van de premie is, dan wel (in geval van vordering tot terugbetaling) terugbetaling verkrijgen van het exacte verschil tussen beide bedragen.
Kan hij die bewijzen niet leveren, dan wordt in ieder geval de referentie-clawback op zodanige wijze berekend, dat het bedrag ervan dat van de premie redelijk dicht benadert: de berekening is immers gebaseerd op de gemiddelde bedragen vastgesteld voor een periode van vier weken, die noodzakelijkerwijs zowel het ogenblik van de eerste verhandeling als dat van de uitvoer omvat.
16.
Voorts is het betekenisvol, dat verzoeksters weliswaar de wettigheid van de nieuwe berekeningsmethode betwisten, doch zelf niet in staat zijn een andere en in de praktijk haalbare oplossing voor te stellen om het exacte bedrag te berekenen van de premie die de producenten hebben ontvangen voor de produkten waarvoor verzoeksters verplicht zijn (geweest) clawback te betalen. Met betrekking tot in het verleden toegekende premies is die berekening, zo er geen bewijzen voorhanden zijn, eenvoudigweg onmogelijk.
17.
Vervolgens werpen verzoeksters in het hoofdgeding op, dat de eerste variante in de praktijk onmogelijk kan werken, daar zij een probatio diabolica impliceert, wat als zodanig volgens de rechtspraak van het Hof ( 15 ) onwettig is. Ook leiden zij daaruit af, dat nu de door hen betaalde clawback op ongeldige wijze is berekend, de bewijslast betreffende het bedrag van de premie veeleer moet worden gelegd op de autoriteit die ze heeft toegekend.
Ongeacht of deze argumenten gegrond zijn, wil ik mij beperken tot de opmerking, dat gelet op het voorgaande elke discussie over de bewijslast die is gebaseerd op documenten die in de meerderheid van de gevallen juridisch niet meer bestaan, zinloos dreigt te zijn. ( 16 )
18.
Mijns inziens kan de door verzoeksters aangehaalde rechtspraak waarin het Hof de grenzen aangeeft die het gemeenschapsrecht aan de toepassing van nationale bepalingen betreffende de bewijslast stelt ( 17 ), ter zake van het specifieke probleem van het bedrag van de premie niet worden toegepast, gezien de bijzondere aard van de ter discussie staande regeling.
In de eerste plaats mag niet uit het oog worden verloren, dat verordening nr. 1922/92 zelf een specifieke bepaling met betrekking tot het bewijs van de premie bevat, waarin uitdrukkelijk wordt gezegd dat de exporteurs, indien zij voor de berekeningsmethode volgens de eerste variante kiezen, de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de „nodige bewijsstukken” betreffende het premiebedrag moeten verstrekken.
19.
In de tweede plaats moet de mogelijkheid voor de handelaar om het bedrag van de premie nauwkeurig aan te tonen, en dus om toepassing van een volstrekt identieke clawback te verkrijgen, in ieder geval als slechts één van de twee mogelijkheden worden gezien waarover de handelaar beschikt, en waarvan hij slechts gebruik kan maken indien hij de nodige bewijzen kan overleggen. Kan hij dit laatste niet, dan is de door hem te betalen clawback in ieder geval redelijk, of kan hij, naargelang het geval, hoe dan ook terugbetaling van de onverschuldigde betaling verkrijgen op basis van de berekeningsmethode volgens de tweede variante.
Het spreekt vanzelf, dat in de eerste hypothese de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk in een geest van intelligente samenwerking de gepaste bewijskracht behoren te erkennen van elk document dat de handelaren kunnen overleggen en aan de hand waarvan het exacte bedrag van de premie kan worden bepaald.
20.
Concluderend zou ik op de eerste en de vierde vraag dan ook willen antwoorden, dat de nieuwe regeling niet ongeldig is, daar zij het ook wanneer het exacte bedrag van de premie niet kan worden aangetoond, mogelijk maakt de clawback te bepalen op een bedrag dat redelijkerwijs dicht bij het vermeende bedrag van de toegekende premie ligt. Zij moet dus worden geacht de functie te vervullen waarvoor zij bestemd is. Het antwoord op de tweede en de vijfde vraag dient mijns inziens te luiden, dat het volgens de betrokken regels aan de nationale autoriteiten staat de in voorkomend geval door de exporteur overgelegde bewijsstukken te beoordelen en daarbij na te gaan, of daaruit het exacte bedrag van de werkelijk uitgekeerde premie blijkt.
21.
Wat het antwoord op de derde vraag betreft, waarin de verwijzende rechter het Hof om toelichting verzoekt bij de beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest Lomas, dit om hem in staat te stellen nauwkeurig te bepalen voor welke periode de handelaren die vóór 10 maart 1992 een vordering hebben ingesteld, recht op terugbetaling van de onverschuldigd betaalde clawback hebben, kan ik kort zijn.
Het is thans vaste rechtspraak, dat de terugwerkende kracht van prejudiciële arresten van het Hof — de algemene regel — in buitengewone omstandigheden door het Hof zelf kan worden beperkt in het belang van de rechtszekerheid. Teneinde evenwel te voorkomen dat ook de justitiabelen die zich tijdig tot de nationale rechter hebben gewend, in geval van schending van het gemeenschapsrecht door de instellingen van rechtsbescherming verstoken blijven, kan het Hof beslissen dat het arrest althans ten aanzien van deze justitiabelen zijn terugwerkende kracht behoudt. ( 18 )
22.
Het Hof heeft daarbij nooit bijkomende beperkingen gesteld met betrekking tot de rechtsvordering van vorenbedoelde justitiabelen en nog minder gepreciseerd, vanaf wanneer dezen zich op de door het Hof uitgesproken ongeldigheid kunnen beroepen.
Daaruit volgt, dat bij gebreke van een uitdrukkelijke andersluidende uitspraak van het Hof en afgezien van eventuele nationale bepalingen inzake de verjaringstermijn van de vordering (welke evenwel van toepassing zijn binnen de hierna in de punten 24 e. v. aangegeven grenzen), de handelaren die vóór het arrest Lomas een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaar hebben doen gelden, strekkende tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde clawback, zich in hun vordering op de ongeldigheid van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1633/84 kunnen beroepen, en dit met terugwerkende kracht tot de datum waarop die bepaling in werking is getreden.
23.
Met zijn zesde en laatste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, op basis van welke bepalingen de bedragen moeten worden berekend waarvan verzoeksters zeggen dat zij ze onverschuldigd hebben betaald, en die zij terugvorderen.
Meer in het bijzonder vraagt hij het Hof aan te geven, welke materiële regels van gemeenschapsrecht (zo die bestaan) bij de vaststelling van die bedragen moeten worden toegepast, en voorts, of hij mag dan wel moet rekening houden met de volgende volgens het nationale recht relevante factoren: a) het algemene beginsel dat de verzoeker het bewijs van de onverschuldigde betaling dient te leveren; b) het feit dat de betalingen op grond van een rechtsdwaling en zonder protest zijn betaald; c) het feit dat de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen geen ongerechtvaardigde verrijking van de verzoeker mag opleveren; d) de bepalingen betreffende de verjaring van de vordering.
24.
Dienaangaande wil ik om te beginnen wijzen op de thans vaste rechtspraak, dat het bij het ontbreken van gemeenschapsbepalingen aan de nationale autoriteiten staat, te zorgen voor de terugbetaling van de bedragen die op grond van ongeldig verldaarde gemeenschapsverordeningen ten onrechte zijn geheven, en alle desbetreffende problemen overeenkomstig het geldende nationale recht op te lossen. De toepassing van het nationale recht is evenwel niet onbegrensd: de opgelegde procedurevoorschriften mogen de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet nagenoeg onmogelijk maken en niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden. ( 19 )
Wat de onderhavige zaak betreft, bevat verordening nr. 1922/92 zelf een aantal bepalingen die de nationale rechter niet buiten toepassing mag laten, waaronder de bepaling waarin is vermeld welke justitiabelen een vordering tot terugbetaling mogen instellen (namelijk de handelaren die vóór 10 maart 1992 de passende stappen in rechte hadden ondernomen) alsmede de bepalingen betreffende de vaststelling van het terugvorderbare bedrag en die welke betrekking hebben op de vóór 30 november 1992 mee te delen gegevens ter bepaling van de hoogte van dat bedrag (artikel 2, leden 1 en 2).
25.
Wat daarentegen de punten betreft die niet in de verordening zijn geregeld, verwijst datzelfde artikel 2 uitdrukkelijk naar de termijnen en de procedures die in het toepasselijke nationale recht gelden.
Niet alleen dus volgens de rechtspraak van het Hof, maar ook overeenkomstig de bewoordingen van de verordening is het nationale recht — wel te verstaan binnen de hierboven vermelde grenzen — bepalend voor de regels inzake de vorderingen voor de nationale gerechten, in het bijzonder wat de bewijslast, de constatatie van een eventuele ongerechtvaardigde verrijking en de verjaringstermijnen betreft.
26.
De stelling van de Commissie en de Britse regering betreffende dit laatste punt, namelijk dat in plaats van de relevante bepalingen van het nationale recht de in artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling van in- of uitvoerrechten ( 20 ) bepaalde verjaringstermijn van drie jaar op het onderhavige geval van overeenkomstige toepassing zou zijn, moet resoluut van de hand worden gewezen.
Aangezien de verordening een uitdrukkelijk voorbehoud maakt, zie ik niet in, waarom een met het oog op de regeling van vergelijkbare, doch niet identieke situaties vastgestelde verordening op analoge wijze zou moeten worden uitgelegd, nu de toepassing van het nationale recht — indien de door de rechtspraak van het Hof opgelegde grenzen worden nageleefd — een doeltreffende bescherming van de door het gemeenschapsrecht aan de particulieren verleende rechten kan garanderen.
27.
De sub b bedoelde omstandigheid, namelijk de vraag of rekening mag worden gehouden met een beginsel van nationaal recht op grond waarvan zij die de betrokken betaling niet voor de nationale autoriteiten hebben betwist, mogen worden uitgesloten van de handelaren die gerechtigd zijn een vordering in te stellen, verdient daarentegen een andere benadering.
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1922/92, zoals reeds gezegd, uitdrukkelijk bepaalt welke justitiabelen een vordering tot terugbetaling mogen instellen, zonder daarbij bijkomende voorwaarden in verband met hun gedrag ten tijde van de betaling te stellen. Het is dus volstrekt duidelijk, dat een dergelijk beginsel in casu niet mag worden toegepast.
28.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de High Court of Justice, Queen's Bench Division, gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Bij onderzoek van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1633/84 van de Commissie van 8 juni 1984, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1922/92 van de Commissie van 13 juli 1992, en van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1922/92 van de Commissie van 13 juli 1992, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze bepalingen kunnen aantasten.
2)
Artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1633/84 van de Commissie van 8 juni 1984, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1922/92 van de Commissie van 13 juli 1992, en artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1922/92 van de Commissie van 13 juli 1992 moeten aldus worden uitgelegd, dat het aan de nationale autoriteiten staat om overeenkomstig de nationale praktijk en wetgeving te beoordelen, of het werkelijk toegekende premiebedrag aan de hand van de door de handelaren overgelegde bewijsstukken met voldoende zekerheid kan worden bepaald.
3)
Rechtsoverweging 30 van het arrest van het Hof van 10 maart 1992 (gevoegde zaken C-38/90 en C-151/90, Lomas e. a.) moet aldus worden uitgelegd dat, onverminderd de nationale bepalingen betreffende de verjaringstermijnen, de handelaren of hun rechthebbenden die vóór 10 maart 1992 een beroep hebben ingesteld of een volgens het nationale recht daarmee gelijk te stellen bezwaar hebben doen gelden, zich kunnen beroepen op de ongeldigheid van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1633/84 van de Commissie van 8 juni 1984, in haar originele versie, en dit met terugwerkende kracht tot de datum waarop die bepaling in werking is getreden.
4)
Wat de niet in verordening (EEG) nr. 1922/92 van de Commissie van 13 juli 1992 geregelde punten betreft, en bij gebreke van gemeenschapsbepalingen, staat het aan de nationale autoriteiten, met name aan de nationale gerechten, de terugbetaling te garanderen van de bedragen die op grond van de door het Plof ongeldig verklaarde bepalingen van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1633/84 van de Commissie van 8 juni 1984 ten onrechte zijn geheven, en dienen deze autoriteiten ter zake van de bewijslast, de ongerechtvaardigde verrijking en de voor de vorderingen geldende verjaringstermijnen het nationale recht toe te passen. Het nationale recht mag evenwel niet op zodanige wijze worden toegepast, dat dergelijke beroepen ongunstiger worden behandeld dan soortgelijke nationale beroepen of dat de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten door de particulieren nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Arrest van 10 maart 1992 (gevoegde zaken C-38/90 en C-151/90, Jurispr. 1992, blz. I-1781).
( 2 ) Verordening nr. 1922/92 van de Commissie van 13 juli 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1633/84 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de variabele slachtpremie voor schapen en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2661/80, alsmede tot vaststelling, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-38/90 en C-151/90, van de voorwaarden voor de terugbetaling van de „clawback” (PD 1992, L 195, blz. 10).
( 3 ) Verordening (EEG) nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PD 1980, L 183, blz. 1).
( 4 ) Verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad van 25 september 1989 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1989, L 289, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1741/91 van de Raad van 13 juni 1991 (PB 1991, L 163, blz. 41).
( 5 ) Verordening (EEG) nr. 1633/84 van de Commissie van 8 juni 1984 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de variabele slachtpremie voor schapen en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2661/80 (PB 1981, L 154, blz. 27).
( 6 ) Voor zover echter door de interventiebureaus geen steunmaatregelen werden toegepast.
( 7 ) Verordening nr. 1837/80, artikel 9, lid 3, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 35). De reeds aangehaalde nieuwe basisverordening nr. 3013/89 bevat een nagenoeg identieke bepaling: artikel 24, lid 5, ervan bepaalt, dat wanneer de slachtpremie is betaald en de produkten nadien worden uitgevoerd, „de Commissie maatregelen vast[stelt] om ervoor te zorgen dat, wanneer [de produkten] Groot-Brittannië verlaten, een bedrag wordt geheven dat gelijk is aan de werkelijk uitgekeerde premie”.
( 8 ) Verordening nr. 1633/84, artikelen 3 en 4, lid 1.
( 9 ) Zie reeds, in die zin, arresten van 15 september 1982 (zaak 106/81, Kind, Jurispr. 1982, blz. 2885) en 2 februari 1988 (zaak 61/86, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 431).
( 10 ) Arrest Lomas (aangehaald in voetnoot 1), r. o. 22 en dictum, waarin het Hof oordeelde dat de Commissie, door de bestreden berekeningswijzen vast te stellen, de bevoegdheid had overschreden die haar bij artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1837/80 was verleend.
( 11 ) De zaak Lomas vond haar oorsprong in twee strafzaken tegen exporteurs van schape- en geitevlees die werden vervolgd omdat zij aan de bevoegde Britse autoriteiten valse verklaringen hadden afgelegd, onder meer met betrekking tot de berekening van hun referentie-clawback. Het Hof oordeelde, dat de ongeldigheid van de berekeningsmethode, die nochtans de „rechtsgrondslag” van de inbreuk vormde, het Verenigd Koninkrijk niet ontsloeg van de verplichting de handelaren die ze hadden geschonden, strafrechtelijk te vervolgen.
( 12 ) Verordening (EEG) nr. 3246/91 van de Commissie van 7 november 1991 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd niet langer in Groot-Brittannië een variabele slachtpremie voor schapen toe te kennen en waarbij wordt afgeweken van verordening (EEG) nr. 1633/84 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de variabele slachtpremie (PB 1991, L 307, blz. 16).
( 13 ) Zoals ik kom te zeggen, is de slachtpremie sedert het begin van het verkoopseizoen 1992 afgeschaft. Uit de stukken blijkt evenwel, dat de Britse autoriteiten in de periode 1991-1992, juist in afwachting van 's Hofs arrest in de zaak Lomas, de heffing van de clawback betreffende de uitvoer van produkten waarvoor tevoren een premie was toegekend, hadden geschorst, zodat de Commissie na dat arrest de regels diende vast te stellen voor de berekening van de clawback, die voor de nog hangende verrichtingen moesten worden toegepast.
( 14 ) Voorts zij opgemerkt, dat terwijl de zaak voor de verwijzende rechter hangende was, verzoeksters bij wege van aanslagen waartegen zij zich vruchteloos hebben verzet, gedwongen zijn geweest bijkomende bedragen aan clawback te betalen, deze keer berekend overeenkomstig de nieuwe gemeenschapsregeling; aangezien verzoeksters, zoals wij dadelijk zullen zien, de geldigheid van die regeling betwisten, vorderen zij eveneens wat die betalingen betreft terugbetaling van het verschil russen wat zij hebben betaald en wat zij verschuldigd waren.
( 15 ) Arrest van 9 november 1983 (zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz.. 3595).
( 16 ) Aangezien de regeling niet meer geldt, zijn opmerkingen waarin bewijsmethoden voor de toekomst worden voorgesteld, even overbodig.
( 17 ) Zie, bij voorbeeld, arrest van 21 september 1983 (gevoegde zaken 205/82-215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr. 1983, blz. 2633).
( 18 ) Zie ook arrest van 26 april 1994 (zaak C-228/92, Roquette Frères, Jurispr. 1994, blz. I-1445).
( 19 ) Arrest van 12 juni 1980 (-/.aak 130/79, Express Dairy Foods, Jurispr. 1980, blz. 1887, r. o. 12 en 14), alsmede het recentere arrest Roquette Frères, reeds aangehaald (voetnoot 18), r. o. 18. In verband niet de bewijslast, zie arrest San Giorgio, reeds aangehaald (voetnoot 15), r. o. 14 (opgemerkt zij, dat het om het bewijs van de onverschuldigde betaling gaat, en niet om het in de rechtsoverwegingen 14 en 15 hierboven besproken specifieke bewijs van het bedrag van de premie); met betrekking tot de ongerechtvaardigde verrijking, zie ook arrest van 10 juli 1980 (zaak 811/79, Ariete, Juris-Er. 1980, blz. 2545, r. o. 13); wat de verjaringstermijnen ctreft, zie arrest van 25 juli 1991 (zaak C-208/90, Emmott, Jurispr. 1991, blz. I-4269, r. o. 16).
( 20 ) PB 1979, L 175, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy