CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 30 april 1996 ( *1 )
A — Inleiding
1.
In de onderhavige zaak en in zaak C-11/95, waarin ik vandaag ook conclusie neem, zal het Hof zich voor het eerst kunnen uitspreken over kernproblemen van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten ( 1 ) (hierna: de „televisierichtlijn”).
Relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen
2.
Televisie-uitzendingen, met inbegrip van reclameboodschappen, moeten volgens vaste rechtspraak van het Hof worden aangemerkt als diensten in de zin van de artikelen 59 en 60 EG-Verdrag. ( 2 ) Van de door deze bepalingen beschermde vrijheid van dienstverrichting kan ook gebruik worden gemaakt door een in een Lid-Staat gevestigde kabelexploitant die televisieprogramma's van uitzenders uit andere Lid-Staten verspreidt. ( 3 )
3.
De televisierichtlijn heeft in hoofdzaak tot doel, op het gebied van de televisie de beperkingen op het vrij verrichten van diensten op te heffen. ( 4 ) In de considerans wordt hierover het volgende opgemerkt:
[9]
„Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in de Lid-Staten met betrekking tot de werkzaamheden van televisieomroeporganisaties en kabelbedrijven verschillen vertonen waarvan sommige een belemmering kunnen zijn voor het vrije verkeer van televisie-uitzendingen in de Gemeenschap en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt kunnen vervalsen;
[10]
Overwegende dat al deze beperkingen van de vrijheid om omroepdiensten te verrichten in de Gemeenschap op grond van het Verdrag moeten worden opgeheven;
[11]
Overwegende dat deze opheffing gepaard moet gaan met een coördinatie van de van toepassing zijnde wetgevingen; dat deze coördinatie ten doel moet hebben, de uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden, en meer in het algemeen de vrije stroom van inlichtingen en denkbeelden in de Gemeenschap te vergemakkelijken;
[12]
Overwegende dat het derhalve noodzakelijk en toereikend is dat alle uitzendingen voldoen aan de wettelijke voorschriften van de Lid-Staat van waaruit zij worden uitgezonden.” ( 5 )
Volgens de door de Raad gegeven motivering regelt de televisierichtlijn „het noodzakelijke minimum (...) om het vrije verkeer van radio-en televisie-uitzendingen tot stand te brengen”. De Lid-Staten blijven bevoegd om de organisatie en financiering van de uitzendingen en de inhoud van de programma's te regelen. ( 6 ) De considerans vervolgt:
[14]
„Overwegende dat in het kader van de gemeenschappelijke markt alle radio- en televisie-uitzendingen die afkomstig zijn uit en bedoeld zijn voor ontvangst in de Gemeenschap, met name die welke bedoeld zijn voor ontvangst in een andere Lid-Staat, moeten voldoen aan de wettelijke voorschriften van de Lid-Staat van uitzending die gelden voor televisie-uitzendingen die bedoeld zijn voor ontvangst door het publiek in die Lid-Staat, en aan de bepalingen van deze richtlijn;
[15]
Overwegende dat de verplichting voor de Lid-Staat van uitzending toe te zien op de naleving van het nationale recht, zoals dit door deze richtlijn is gecoördineerd, voldoende is om, voor wat het gemeenschapsrecht betreft, het vrije verkeer van uitzendingen te waarborgen, zonder tweede controle op dezelfde gronden in elke Lid-Staat van ontvangst; dat de Lid-Staat van ontvangst bij uitzondering en onder bepaalde voorwaarden de doorgifte van televisie-uitzendingen echter voorlopig mag schorsen.” ( 7 )
4.
Artikel 1 van de televisierichtlijn, dat tevens hoofdstuk I vormt, bevat een aantal definities. Onder meer wordt hierin het begrip „televisie-omroepen” voor de toepassing van de richtlijn gedefinieerd. „Televisie-omroepen” is volgens deze definitie „het oorspronkelijke uitzenden via de kabel of draadloos, via de ether of via satelliet, in al dan niet gecodeerde vorm van voor ontvangst door het publiek bestemde televisieprogramma's”.
5.
Hoofdstuk II van de richtlijn („Algemene bepalingen”) bestaat uit de artikelen 2 en 3, die luiden als volgt:
„Artikel 2
1. Elke Lid-Staat ziet erop toe dat alle televisie-uitzendingen:
—
van televisieomroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen of
—
van televisieomroeporganisaties die van een door hem verleende frequentie of capaciteit van een satelliet of een in deze Lid-Staat gelegen verbinding naar een satelliet toe gebruik maken, maar niet onder de bevoegdheid van een van de Lid-Staten vallen,
voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in die Lid-Staat.
2. De Lid-Staten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de doorgifte op hun grondgebied van televisieuitzendingen uit andere Lid-Staten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen. De Lid-Staten mogen de doorgifte van televisie-uitzendingen voorlopig schorsen indien:
a)
een televisie-uitzending uit een andere Lid-Staat een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk vormt op artikel 22;
b)
de omroeporganisatie in de twaalf voorgaande maanden al ten minste tweemaal inbreuk heeft gemaakt op dezelfde bepaling;
c)
de betrokken Lid-Staat de omroeporganisatie en de Commissie schriftelijk kennis heeft gegeven van de ten laste gelegde inbreuken en van zijn voornemen beperkingen aan de doorgifte op te leggen indien nogmaals zo'n inbreuk wordt gemaakt;
d)
overleg met de uitzendende Staat en de Commissie niet binnen 15 dagen te rekenen vanaf de onder c) bedoelde kennisgeving tot een minnelijke schikking heeft geleid, en de ten laste gelegde inbreuk blijft doorgaan.
De Commissie ziet erop toe dat de schorsing verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Zij kan de betrokken Lid-Staat verzoeken een schorsing die strijdig is met het gemeenschapsrecht onmiddellijk ongedaan te maken. Deze bepaling vormt in de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken omroeporganisatie valt geen beletsel om ongeacht welke procedure, maatregel of sanctie op de betrokken inbreuken toe te passen.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op televisie-uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere landen dan de Lid-Staten en die niet direct of indirect in een of meer Lid-Staten worden ontvangen.
Artikel 3
1. Het staat de Lid-Staten vrij, voor de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties strengere of meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen op de gebieden die onder de onderhavige richtlijn vallen.
2. De Lid-Staten zien er met passende middelen in het kader van hun wetgeving op toe dat de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties zich houden aan de bepalingen van deze richtlijn.” ( 8 )
6.
Hoofdstuk III („Bevordering van de verspreiding en produktie van televisieprogramma's”) bevat in de artikelen 4 tot en met 9 voorschriften die moeten verzekeren „dat Europese produkties het grootste aandeel krijgen in de televisieprogramma's van alle Lid-Staten”. ( 9 ) Door een deel van het programmabudget of zendtijd van de omroeporganisaties te reserveren voor onafhankelijke producenten, moet bovendien het ontstaan van „nieuwe bronnen van televisieprodukties” ( 10 ) in de Gemeenschap worden bevorderd.
7.
Artikel 4 verplicht de Lid-Staten daarom om „voor zover mogelijk (...) met passende middelen” erop toe te zien, dat de omroeporganisaties het grootste gedeelte van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame of teletekst gewijde zendtijd reserveren voor Europese produkties ( 11 ) (lid 1). Kan dit gedeelte niet worden bereikt, dan mag het in ieder geval niet kleiner zijn dan het gedeelte dat in 1988, respectievelijk 1990, gemiddeld in de betrokken Lid-Staat is vastgesteld (lid 2).
Artikel 5 van de richtlijn verplicht de Lid-Staten om „telkens wanneer dat mogelijk is (...) met passende middelen” erop toe te zien, dat de omroeporganisaties ten minste 10 % van hun zendtijd of 10 % van hun programmabudget reserveren voor Europese produktics die door van de televisieomroeporganisaties onafhankelijke producenten zijn vervaardigd.
8.
Hoofdstuk IV (artikelen 10 tot en met 21) van de richtlijn bevat bepalingen over televisiereclame en sponsoring.
9.
Hoofdstuk V (artikel 22) van de richtlijn is gewijd aan de bescherming van minderjarigen. Op grond hiervan dienen de Lid-Staten ervoor te zorgen, dat in de televisieuitzendingen van de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties geen programma's voorkomen „die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, inzonderheid programma's met pornografische scènes of met nodeloos geweld”.
10.
Hoofdstuk VI (artikel 23) van de richtlijn regelt het recht van weerwoord. Hoofdstuk VII (artikelen 24 tot en met 27) bevat slotbepalingen, Ingevolge artikel 25, lid 1, dienden de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 3 oktober 1991 aan deze richtlijn te voldoen. Op grond van artikel 25, lid 2, dienden zij de Commissie de tekst mee te delen van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij op het onder de richtlijn vallende gebied zouden vaststellen.
Het verdrag van de Raad van Europa
11.
De Raad van Europa heeft op 5 mei 1989 het Europees Verdrag over grensoverschrijdende televisie vastgesteld. ( 12 ) De televisierichtlijn verwijst in haar vierde overweging naar dit verdrag. ( 13 )
12.
Het verdrag bevat onder meer de volgende bepalingen:
„Artikel 2: Gebruikte begrippen
In dit verdrag wordt verstaan onder:
a)
‚Uitzending’, het oorspronkelijke uitzenden via de ether, via de kabel of via ieder type satelliet, in al dan niet gecodeerde vorm van voor ontvangst door het publiek bestemde televisieprogramma's. Hieronder zijn niet begrepen communicatiediensten op individueel verzoek;
(...)
c)
‚Omroeper’, de natuurlijke of rechtspersoon die voor ontvangst door het publiek bestemde televisieprogramma's samenstelt en deze in hun geheel en zonder enige wijziging uitzendt of door een derde laat uitzenden;
d)
‚Programma’, alle elementen van een bepaalde dienst die door een omroeper in de zin van het vorige lid wordt verstrekt;
(...)
Artikel 3: Werkingssfeer
Dit verdrag is van toepassing op alle programma's die worden uitgezonden of doorgegeven door organisaties of met behulp van technische middelen die onder de bevoegdheid van een verdragsluitende partij vallen, ongeacht of dit via de kabel, via de ether of via satelliet gebeurt, en die direct of indirect in een of meer andere partijen kunnen worden ontvangen.
(...)
Artikel 5: Plichten van de partij van uitzending
1.
Iedere partij van uitzending ziet er met passende middelen en via haar bevoegde instanties op toe, dat alle programma's die worden uitgezonden door organisaties of met behulp van technische middelen in de zin van artikel 3 die onder haar bevoegdheid vallen, voldoen aan de voorschriften van dit verdrag.
2.
In dit verdrag wordt onder partij van uitzending verstaan:
a)
in het geval van uitzendingen via de ether, de partij waarin de oorspronkelijke uitzending plaatsvindt;
b)
in het geval van uitzendingen via satelliet:
i)
de partij waarin de verbinding naar de satelliet toe zich bevindt;
ii)
de partij die het recht toekent om van een frequentie of capaciteit van een satelliet gebruik te maken wanneer de verbinding naar de satelliet toe zich bevindt in een staat die geen partij bij het Verdrag is;
iii)
de partij waarin de omroeper gevestigd is, wanneer de bevoegdheid krachtens i en ii, niet is. vastgesteld.
(...)
Artikel 27: Andere internationale akkoorden of overeenkomsten
1.
In hun onderlinge betrekkingen passen de partijen die lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap de gemeenschapsregels toe en zullen zij de uit dit verdrag voortvloeiende regels bijgevolg enkel toepassen voor zover geen enkele gemeenschapsregel het betrokken onderwerp regelt.
(...)”
Wettelijk kader in het Verenigd Koninkrijk
13.
De verrichting van televisicdienstcn („television services”) door onafhankelijke omroepen is in het Verenigd Koninkrijk geregeld in deel I van de Broadcasting Act (Omroepwet) 1990. ( 14 ) Voor dit doel voorziet de wet in de instelling van een commissie — de Independent Television Commission (hierna: „ITC”) —, waaraan belangrijke taken zijn opgedragen.
De wet bevat ook de bepalingen die op dit terrein uitvoering moeten geven aan de televisierichtlijn. Zo zijn bij voorbeeld de in Section 16(2)(g) en (h) vervatte voorschriften bedoeld als omzetting van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn.
14.
Ingevolge Section 13 van de wet is het onafhankelijke omroepen slechts toegestaan om televisiediensten te verrichten, indien zij in het bezit zijn van een desbetreffende vergunning. Die vergunning wordt door de ITC verleend.
15.
Hoofdstuk III (Sections 43 tot en met 45) van deel I van de Broadcasting Act 1990 bevat bepalingen over televisieuitzendingen via satelliet. Section 43 onderscheidt daarbij twee soorten televisieuitzendingen. Aangezien beide soorten worden aangemerkt als „television services” in de zin van de wet, is voor beide een vergunning vereist. De bepaling bevat ook de criteria voor de beslissing of een televisieuitzending onder de ene dan wel de andere categorie valt:
—
volgens Section 43(1) is er sprake van een binnenlandse satellietdienst („domestic satellite service”, hierna: „DSS”), indien de televisieprogramma's vanuit het Verenigd Koninkrijk via satelliet a) op een aan het Verenigd Koninkrijk toegekende frequentie worden uitgezonden en b) zij voor ontvangst door de gehele bevolking van het Verenigd Koninkrijk bestemd zijn;
—
volgens Section 43(2) is een niet-binnenlandse satellietdienst („nondomestic satellite service”, hierna: „NDSS”) een dienst die via satelliet
a)
vanuit het Verenigd Koninkrijk, maar niet op een aan het Verenigd Koninkrijk toegekende frequentie, televisieprogramma's uitzendt die voor ontvangst door de gehele bevolking van het Verenigd Koninkrijk of van een andere Lid-Staat bestemd zijn, of
b)
vanuit een plaats buiten in het Verenigd Koninkrijk of een andere Lid-Staat, televisieprogramma's uitzendt die voor ontvangst door de gehele bevolking van het Verenigd Koninkrijk of van een andere Lid-Staat bestemd zijn, indien en voorzover de programma's worden geleverd door iemand in het Verenigd Koninkrijk die bij machte is, te bepalen wat in het programma wordt opgenomen.
16.
De verlening van vergunningen voor DSS respectievelijk NDSS is uiteenlopend geregeld. Voor de verlening van DSSvergunningen geldt Section 44. Section 44(3) verklaart onder meer Section 16(2)(g)en (h), van toepassing. Volgens laatstgenoemde bepaling moeten de programma's waarop zij van toepassing is, onder meer voldoen aan de volgende voorwaarden:
„(g)
dat een behoorlijk aandeel van de inhoud van deze programma's van Europese oorsprong is; en
(h)
dat elk jaar niet minder dan 25 % van de totale zendtijd voor [programma's die aan de gestelde voorwaarden voldoen], bestemd is voor de uitzending van een scala van uiteenlopende onafhankelijke produkties”.
Voor de NDSS geldt Section 45. Deze bepaling bevat geen voorschrift dat analoog is aan Section 44(3).
17.
Hoofdstuk IV van deel I van de Broadcasting Act 1990 heeft betrekking op „aan vergunning onderworpen programma-diensten” (Iicensable programme services). Volgens de Britse regering zijn dit diensten bestaande in het klaarmaken van programma's voor uitzending via de kabel, die niet onder andere bepalingen van de Broadcasting Act 1990 vallen.
Section 47(2) van de Act regelt de verlening van vergunningen voor deze diensten.
18.
Deel II (Sections 72 e. v.) van de Broadcasting Act 1990 regelt de zogenaamde „plaatselijke diensten” („local delivery services”), die eveneens een vergunning van de ITC nodig hebben. Section 79(2) van de Act heeft in dat verband betrekking op dergelijke diensten die geheel of gedeeltelijk bestaan in het uitzenden van satcllietprogramma's uit het buitenland.
19.
Ten slotte verdient Section 188 nog vermelding. Deze bepaling machtigt de bevoegde minister om de ITC op te dragen, al datgene te doen wat voor de nakoming van de internationale verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk noodzakelijk is.
Procesverloop
20.
Een onderzoek van de bepalingen van de Broadcasting Act 1990 bracht de Commissie tot de conclusie, dat het Verenigd Koninkrijk een aantal bepalingen van de televisierichtlijn niet deugdelijk in nationaal recht had omgezet. Op 3 november 1992 zond de Commissie het Verenigd Koninkrijk een brief waarin zij dit overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag uitnodigde, zijn opmerkingen kenbaar te maken over de verwijten van de Commissie. Bij brief van 10 februari 1993 reageerde het Verenigd Koninkrijk op deze verwijten.
21.
Op 30 september 1993 bracht de Commissie een met redenen omkleed advies uit aan het Verenigd Koninkrijk, waarop dit bij schrijven van 25 januari 1994 antwoordde.
22.
Op 28 juli 1994 stelde de Commissie op grond van artikel 169 van het Verdrag beroep in bij het Hof, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure. In dit beroep verzoekt de Commissie het Hof, vast te stellen, dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, lid 2, van de televisierichtlijn niet is nagekomen:
a)
door inzake de televisie-uitzendingen via satelliet de in Section 43 van de Broadcasting Act 1990 genoemde criteria vast te stellen om te bepalen welke satellietomroeporganisaties onder de bevoegdheid van het Verenigd Koninkrijk vallen, en in het kader van deze bevoegdheid verschillende regelingen toe te passen op binnenlandse en niet-binnenlandse satellietdiensten,
en
b)
door op de uitzendingen van een omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere Lid-Staat valt, toezicht uit te oefenen wanneer deze uitzendingen door een niet-binnenlandse satellietdienst worden uitgezonden of aan het publiek als een vergunningsplichtig programma of door een plaatselijke dienst worden aangeboden.
Bovendien vordert de Commissie de verwijzing van het Verenigd Koninkrijk in de kosten van het geding.
23.
Verweerder concludeert tot verwerping van het beroep. Frankrijk is in de procedure geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
Β — Standpunt
Omvang van het beroep
24.
In zijn verweerschrift stelt het Verenigd Koninkrijk, dat het beroep van de Commissie op een onjuiste lezing van de nationale bepalingen berust, voor zover het betrekking heeft op de in Section 79 van de Broadcasting Act 1990 genoemde plaatselijke diensten. Section 79(2) spreekt in dit verband weliswaar van satellictprogramma's uit het buitenland, maar uit een in Section 79(5) van de wet en een in een uitvoeringsbepaling ( 15 ) neergelegde regeling wordt duidelijk, dat dit niet geldt voor programma's die vanuit andere Lid-Staten via satelliet worden uitgezonden.
25.
De Commissie heeft deze verklaring geaccepteerd en heeft ter terechtzitting voor het Hof bevestigd, dat dit punt dientengevolge niet meer in geding is.
Overzicht van de grieven van de Commissie
26.
Tussen partijen is niet in geding, dat het volgens de opzet van de televisierichtlijn „noodzakelijk en toereikend” is, dat televisie-uitzendingen „voldoen aan de wettelijke voorschriften van de Lid-Staat van waaruit zij worden uitgezonden”. ( 16 ) Evenmin is in geding, dat het antwoord op de vraag, welke. Lid-Staat als Lid-Staat van uitzending ( 17 ) in deze zin moet worden aangemerkt, voortvloeit uit artikel 2, lid 1, van de richtlijn. Ook zijn partijen het erover eens, dat artikel 2, lid 2, van de richtlijn de Lid-Staten verplicht, de vrijheid van ontvangst van televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten te waarborgen en de doorgifte daarvan, behoudens de in artikel 2, lid 2, tweede volzin genoemde uitzonderingen, niet te belemmeren om redenen die binnen de door de richtlijn gecoördineerde gebieden vallen. Zij zijn het er dientengevolge over eens, dat een Lid-Staat (de „Lid-Staat van ontvangst”) de doorgifte van uitzendingen uit andere Lid-Staten in zoverre niet van een vergunning afhankelijk mag stellen. ( 18 )
Zoals uit mijn conclusie in zaak C-11/95 blijkt, ben ik het met bovenstaande standpunten van partijen in de onderhavige zaak eens.
27.
Het voornaamste punt van geschil in deze zaak is de vraag, hoe de in artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 2, van de richtlijn vervatte regeling moet worden uitgelegd, die spreekt van televisieomroeporganisaties die onder de „bevoegdheid” van de Lid-Staat van uitzending vallen. Volgens de Commissie wordt hiermee gedoeld op televisieomroeporganisaties die in de betrokken Lid-Staat zijn gevestigd. De regeling van Section 43 van de Broadcasting Act 1990 zou dus in strijd zijn met genoemde bepalingen van de richtlijn, omdat zij van andere criteria uitgaat. Het Verenigd Koninkrijk is daarentegen van oordeel, dat onder televisieomroeporganisaties die onder de „bevoegdheid” van een Lid-Staat vallen, die organisaties zijn te verstaan die vanuit plaatsen op het gebied van de betrokken Lid-Staat televisieprogramma's uitzenden.
28.
De Commissie stelt, dat de regeling van Section 43 van de Broadcasting Act 1990 ook nog om andere redenen in strijd is met artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 2, van de televisierichtlijn. In de eerste plaats zou het in Section 43 gehanteerde criterium „ontvangst” irrelevant zijn voor de vraag, welke Lid-Staat ingevolge de televisierichtlijn voor een televisieomroeporganisatie bevoegd is. In de tweede plaats zou de nationale regeling niet waarborgen, dat uitzendingen uit derde landen, die bestemd zijn voor ontvangst door het publiek in een andere Lid-Staat en die daarbij gebruik maken van een aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen frequentie, voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in het Verenigd Koninkrijk. Ten slotte zou ook het onderscheid tussen DSS en NDSS in strijd zijn met artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn, dat de Lid-Staten verplicht erop toe te zien, dat alle televisieuitzendingen van televisieomroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen, voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die voor het publiek in de betrokken Lid-Staat bestemd zijn.
29.
Het Verenigd Koninkrijk betwist deze grieven. Met betrekking tot de eerste grief stelt het, dat Section 43(1) van de Act geen praktisch belang meer heeft. Met de verwijzing naar het criterium „ontvangst” in Section 43 werd enkel beoogd de werkingssfeer van de Act overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 3, van de televisierichtlijn te beperken. Met betrekking tot de tweede grief zet verweerder uiteen, dat een dergelijke schending zich enkel zou voordoen in het hypothetische en niet-realistische geval, dat het Verenigd Koninkrijk een televisieomroeporganisatie uit een derde land zou toestaan om van een dergelijke frequentie gebruik te maken, zonder tegelijkertijd controle uit te oefenen.
Met betrekking tot de laatste grief stelt het Verenigd Koninkrijk zich op het standpunt, dat de televisierichtlijn hem toestaat om voor NDSS een minder strenge regeling te treffen. Het voegt hier echter aan toe, dat de bevoegde minister op grond van Section 188 van de Broadcasting Act 1990 de ITC kan opdragen, NDSS tot naleving van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn te verplichten. Of daadwerkelijk van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, is in deze procedure niet aan de orde.
30.
Ten slotte verwijt de Commissie het Verenigd Koninkrijk, dat Section 44 en Section 45 van de Broadcasting Act 1990 inbreuk maken op het door artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn beschermde recht van vrije ontvangst en vrije doorgifte van televisie-uitzendingen, voor zover de definitie van Section 43 ook televisieomroeporganisaties omvat die onder de bevoegdheid van andere Lid-Staten vallen. Ook met betrekking tot de „aan vergunning onderworpen programmadiensten” is volgens haar sprake van schending van artikel 2, lid 2, van de richtlijn, daar deze ook programma's kunnen bevatten die oorspronkelijk zijn uitgezonden door televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van andere Lid-Staten vallen.
31.
Het Verenigd Koninkrijk is daarentegen van oordeel, dat artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn steun biedt aan de door hem voorgestane uitlegging van artikel 2, lid 1. De nationale bepalingen zijn gericht op de verspreiding van televisie-uitzendingen in het Verenigd Koninkrijk, terwijl artikel 2, lid 2, betrekking heeft op televisie-uitzendingen „uit andere Lid-Staten”.
Uitlegging van artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn
32.
Artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de televisicrichtlijn bepaalt, dat de voor het toezicht op televisie-uitzendingen bevoegde Lid-Staat van uitzending de Lid-Staat is onder wiens „bevoegdheid” de betrokken televisieomroeporganisatie valt. Enkel voor het geval, dat een televisieomroeporganisatie niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt, voorziet het tweede streepje van die bepaling in andere aanknopingspunten. Nagegaan dient dus te worden, wat in dit verband onder „bevoegdheid” van een Lid-Staat moet worden verstaan.
Bewoordingen
33.
In de televisicrichtlijn zelf wordt dit begrip niet nader gedefinieerd. Ook uit de bewoordingen van de bepalingen en van de considerans van de richtlijn kunnen in dit verband geen eenduidige conclusies worden getrokken. Dit geldt in het bijzonder voor de overwegingen van de richtlijn. Kijkt men naar de twaalfde, de veertiende en de vijftiende overweging in de verschillende taalversies, dan moet worden vastgesteld, dat overwegend uitdrukkingen worden gebruikt die verwijzen naar de oorsprong ( 19 ) of de herkomst ( 20 ) van de uitzendingen. Verweerder moet worden nagegeven, dat deze uitdrukkingswijze zeer goed verenigbaar is met een opvatting die uitgaat van de Lid-Staat van waaruit de betrokken televisie-uitzendingen de facto voor het eerst, via de ether, kabel of satelliet, worden uitgezonden. Vindt uitzending in die zin bij voorbeeld in Frankrijk plaats, dan zou in België en de andere Lid-Staten van ontvangst in de woorden van artikel 2, lid 2, sprake zijn van „televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten”. Anders dan verweerder meent, laat de door de Commissie voorgestane uitlegging zich echter ook verenigen met deze uitdrukkingswijze, zonder dat de betekenis van de betrokken uitdrukkingen hiertoe geweld behoeft te worden aangedaan. Indien — om een voorbeeld van partijen zelf over te nemen — een uitzending van een in Frankrijk gevestigde televisieomroeporganisatie vanuit België wordt verspreid, dan kan zonder meer de opvatting worden verdedigd, dat deze uitzendingen van Franse oorsprong of herkomst zijn.
34.
Bij vergelijking van de verschillende taalversies komen echter ook een aantal uitdrukkingen aan het licht, die duidelijk de door het Verenigd Koninkrijk verdedigde opvatting lijken te steunen. ( 21 ) Hierbij dient te worden opgemerkt, dat het daar om uitzonderingen lijkt te gaan en dat er goede gronden zijn om te betwijfelen, dat deze uitdrukkingen de bedoeling van de Raad juist weergeven. ( 22 )
35.
Ook uit de formulering van de definitie van „televisie-omroepen” („Fernsehsendung”) in artikel 1 van de richtlijn, waaraan het Verenigd Koninkrijk in dupliek grote betekenis toekent, volgt niet dwingend dat de door verweerder verdedigde stelling juist is. Weliswaar staat het begrip „oorspronkelijke uitzending” in deze definitie centraal en kan hieronder feitelijke uitzending worden verstaan, maar mijns inziens valt hieruit voor de vraag die hier aan de orde is, niets wezenlijks af te leiden. In artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn staan namelijk niet de televisie-uitzendingen als zodanig centraal, maar de televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van een Lid-Staat vallen.
36.
Het ontwerp tot wijziging van de televisierichtlijn, dat de Commissie vorig jaar heeft ingediend ( 23 ), laat mijns inziens evenmin een conclusie toe. In dit ontwerp stelt de Commissie onder meer voor om de litigieuze bepaling te wijzigen. De voorgestelde nieuwe versie verwijst uitdrukkelijk naar de staat van vestiging van de televisie--omroeporganisatie. ( 24 ) Dit ontwerp is nog niet door de Raad aangenomen en is daarom voor de uitlegging van het geldende recht irrelevant. Anderzijds kan uit dit ontwerp niet de conclusie worden getrokken, dat het inhoudelijk van het geldende recht afwijkt, nu als reden voor het ontwerp wordt gegeven, dat het geldende recht enkel moet worden „verduidelijkt”. ( 25 )
Verband met de rechtspraak inzake het vrij verrichten van diensten
37.
De Commissie wijst erop, dat volgens de rechtspraak van het Hof televisie-uitzendingen als diensten moeten worden aangemerkt en de tclevisierichtlijn het vrij verrichten van diensten op dit terrein beoogt te verzekeren. ( 26 ) De artikelen 59 en volgende van het Verdrag hebben betrekking op de rechten van onderdanen van de Lid-Staten, die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan die waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Het Hof heeft dan ook beslist, dat de plaats van vestiging van de dienstverrichter en van de ontvanger van de diensten bepalend is voor de werkingssfeer van de artikelen 59 en 60. ( 27 ) De Commissie concludeert hieruit, dat aan het begrip „bevoegdheid” in artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn geen uitlegging kan worden gegeven die sterk afwijkt van die welke het Hof in zijn rechtspraak aan het begrip „vestiging” in de zin van de artikelen 52, 59 en 60 van het Verdrag heeft gegeven. Indien de gemeenschapswetgever bij de opheffing van de belemmeringen van het vrij verrichten van diensten op het gebied van de televisie anders te werk had willen gaan dan op de overige terreinen, dan had hij dat door middel van specifieke en nauwkeurige bepalingen tot uitdrukking gebracht, aldus de Commissie.
38.
Ik vind dit argument niet overtuigend. De verwijzing naar artikel 52 van het Verdrag is — zoals verweerder terecht heeft opgemerkt — hoe dan ook irrelevant, daar het hier gaat om het vrij verrichten van diensten en niet om de door artikel 52 beschermde vrijheid van vestiging. Ook met betrekking tot de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag komt het betoog van de Commissie mij alles behalve dwingend voor. In de televisierichtlijn heeft de Raad voor een bevordering van het vrij verrichten van diensten op het gebied van de televisie gekozen, door in beginsel nog slechts te verlangen dat de uitzendingen van een televisieomroeporganisatie aan het recht van één Lid-Staat (de Lid-Staat van oorsprong) voldoen. Het ligt inderdaad voor de hand om aan te nemen, dat dit de Lid-Staat moet zijn waar de televisieomroeporganisatie is gevestigd. De Raad kan echter mijns inziens net zo goed hebben beslist om aan de hand van een ander criterium — bij voorbeeld de plaats van waaruit de oorspronkelijke uitzending plaatsvindt — te bepalen welke de bevoegde Lid-Staat is, wanneer het nagestreefde doel, de verzekering van het vrij verrichten van diensten, ook op die manier kan worden bereikt.
Of dit inderdaad het geval was, moet nog worden nagegaan. ( 28 ) In deze context kan worden volstaan met de opmerking, dat de Raad niet verplicht was om de Lid-Staat van vestiging van de betrokken televisieomroeporganisatie bevoegd te verklaren. Daarom is het verband van de onderhavige regeling met het terrein van het vrij verrichten van diensten op zich niet voldoende voor de conclusie, dat de door de Commissie voorgestane uitlegging van artikel 2, lid 1, zich onvermijdelijk opdringt.
Opbouw van de in artikel 2, lid 1, van de richtlijn vervatte regeling
39.
Veel zwaarwichtiger is het argument dat de Commissie ontleent aan de opbouw van de litigieuze bepaling. Volgens het Verenigd Koninkrijk is voor de vraag welke Lid-Staat bevoegd is, beslissend, waar de oorspronkelijke uitzending (in de zin van de definitie van „televisie-omroepen” in artikel 1) plaatsvindt. Bij satellietuitzendingen betekent dit, dat bevoegd is de Lid-Staat die de verbinding naar de satelliet toe ter beschikking stelt of die het recht verleent om van een bepaalde frequentie of capaciteit van een satelliet gebruik te maken. Al deze aanknopingspunten worden echter in artikel 2, lid 1, tweede streepje van de televisierichtlijn genoemd. Zou een van deze criteria al voldoende grondslag bieden voor de „bevoegdheid” van een Lid-Staat, dan zou de betrokken televisieomroeporganisatie al onder het eerste streepje van artikel 2, lid 1, vallen. Het tweede streepje zou dan, gelijk de Commissie terecht opmerkt, overbodig zijn. Het valt echter niet aan te nemen, dat de gemeenschapswetgever in zijn regelingen overbodige bepalingen opneemt.
40.
De pogingen van het Verenigd Koninkrijk om deze tegenstrijdigheid te verklaren, hebben mij niet overtuigd. Volgens verweerder moet de onderlinge verhouding tussen beide streepjes niet worden gezien als een „ondergeschiktheidsverhouding”, zoals de Commissie doet, maar veeleer als een „tweedeling”. Naar mijn gevoel is dit haarkloverij over woorden, waaraan geen bijzonder gewicht moet worden toegekend. Het is immers duidelijk, dat een televisieomroeporganisatie niet tegelijkertijd onder beide streepjes kan vallen, nu de organisaties waarop het tweede streepje betrekking heeft, televisieomroeporganisaties zijn die (...) niet onder de bevoegdheid van een van de Lid-Staten vallen. Daaruit volgt noodzakelijkerwijze, dat de in het eerste streepje genoemde „bevoegdheid” niet gebaseerd kan zijn op de omstandigheden die in het tweede streepje worden genoemd.
Op dit punt is de regeling van artikel 2, lid 1, van de tclevisierichtlijn mijns inziens duidelijk en ondubbelzinnig. Van een onnauwkeurige formulering, die verweerder meent te bespeuren, kan dan ook geen sprake zijn.
41.
Ook de opvatting van verweerder, dat het tweede streepje van artikel 2, lid 1, van de richtlijn duidelijk betrekking heeft op de verspreiding van televisie-uitzendingen per satelliet en dat het eerste streepje dus betrekking moet hebben op een andere situatie, verandert niets aan mijn conclusie. Zelfs indien het eerste streepje namelijk betrekking zou hebben op de verspreiding van televisieuitzendingen via de ether, zoals verweerder vermoedt, dan neemt dat niet weg, dat in beide streepjes het begrip „bevoegdheid” wordt gebruikt. De kritiek van het Verenigd Koninkrijk zou alleen dan relevant zijn, indien het begrip „bevoegdheid” in de twee streepjes een verschillende betekenis zou hebben. Voor die hypothese bestaan echter geen aanknopingspunten. Veeleer wil ik nogmaals erop wijzen, dat het tweede streepje duidelijk naar het eerste verwijst, waar het spreekt van televisieomroeporganisaties die voor hun uitzendingen gebruik maken van een bepaalde frequentie, satellietcapaciteit of verbinding naar een satelliet toe, „maar niet onder de bevoegdheid van een van de Lid-Staten vallen”.
42.
Alleen al om deze reden kan de door verweerder verdedigde opvatting mijns inziens geen stand houden. Daarmee is echter nog niet beslist of de opvatting van de Commissie juist is, dat de Lid-Staat onder wiens bevoegdheid de televisieomroeporganisatie valt, de Lid-Staat is waarin deze is gevestigd.
Ontstaansgeschiedenis van de richtlijn
43.
Ter ondersteuning van haar opvatting beroept de Commissie zich ook op de ontstaansgeschiedenis van de televisierichtlijn. Zij vestigt de aandacht op het feit, dat artikel 1, lid 1, van het door haar in 1986 ingediende voorstel voor de richtlijn ( 29 ) als volgt was geformuleerd:
„Elke Lid-Staat ziet erop toe dat alle binnenlandse uitzendingen die op zijn grondgebied hun oorsprong hebben, voldoen aan zijn wettelijke voorschriften voor uitzendingen, bestemd voor het publiek in die Lid-Staat.”
Verder wijst zij op de toelichting die zij met dit ontwerp heeft ingediend. ( 30 ) Deze omvat onder meer de volgende toelichting op de zojuist aangehaalde bepaling:
„43.
Dit artikel stelt als beginsel dat al wat met omroepen te maken heeft en bestemd is voor ontvangst binnen het grondgebied van de Gemeenschap moet voldoen aan de wettelijke voorschriften van het land van waaruit wordt uitgezonden, d. w. z, de Lid-Staat waarin de uitzendende instelling is gevestigd (...)
44.
Hierdoor wordt aan de Lid-Staat de verantwoordelijkheid toegekend om te waarborgen dat op zijn grondgebied vervaardigde radio- en televisie-uitzendingen voldoen aan de wetten van die Lid-Staat en, mitsdien, aan de in de richtlijn vastgestelde normen. Aldus wordt voor de gecoördineerde gebieden gewaarborgd dat de mogelijkheid van een cumulatieve toepassing van de wetten van de ontvangende landen alsmede de uitoefening van welke controle ook door de instanties van die landen kan worden uitgesloten.” ( 31 )
44.
Uit deze documenten wordt duidelijk, dat de Commissie bij de indiening van haar voorstel ervan uitging, dat de uitzendingen van een televisieomroeporganisatie onderworpen zouden zijn aan het recht en de controle van de Lid-Staat waar die organisatie was gevestigd. Zij tonen tevens aan, dat de Commissie van mening was, dat deze bedoeling adequaat tot uiting kwam door de verwijzing naar de Lid-Staat waar deze uitzendingen hun oorsprong hadden.
45.
Indien deze opvatting juist is, dan zou de Commissie aan de ontstaansgeschiedenis inderdaad een sterk argument kunnen ontlenen voor de door haar verdedigde uitlegging van artikel 2, lid 1, van de tclevisierichtlijn. Zoals de Commissie terecht opmerkt, bevat de considerans van de richtlijn namelijk formuleringen die naar de oorsprong of herkomst van de betrokken uitzendingen verwijzen. ( 32 ) Die formuleringen kunnen worden gezien als bewijs, dat de wetgever heeft willen vasthouden aan de inhoud van het door de Commissie ingediende voorstel van artikel 1, lid 1. Uit de door de Commissie overgelegde produktics zou dan niet alleen blijken dat, anders dan verweerder meent, de opvatting van de Commissie ongewijzigd is gebleven, maar ook, dat de Raad deze opvatting heeft overgenomen.
De omstandigheid dat de televisierichtlijn in haar definitieve vorm niet de oorsprong van de betreffende uitzending tot uitgangspunt neemt maar de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan de televisieomroeporganisatie valt, zou hieraan niet in de weg staan. Gelijk de Commissie overtuigend en door verweerder onweersproken heeft aangetoond, was deze wijziging bedoeld om een concreet probleem op te lossen. Men wilde namelijk vermijden, dat de richtlijn van toepassing zou zijn op bepaalde geallieerde radiozenders ( 33 ) in Berlijn, die weliswaar in Duitsland waren gevestigd, maar niet onder de bevoegdheid van deze Lid-Staat vielen.
46.
Het argument dat de Commissie aan de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn ontleent, lijkt op het eerste gezicht erg plausibel. Maar de overtuigingskracht hiervan moet niet worden overschat. Beslissend is daarbij voor mij de simpele overweging, dat de formulering die de Commissie in haar voorstel hanteert, geenszins ondubbelzinnig is. Zoals reeds gezegd, verdraagt het begrip Lid-Staten waar de betrokken uitzendingen hun oorsprong hebben, zich zowel met het door de Commissie als met het door het Verenigd Koninkrijk verdedigde standpunt. ( 34 ) Het feit dat de Commissie deze uitdrukking in de door haar met het voorstel ingediende toelichting op een bepaalde manier heeft uitgelegd, kan het Hof bijgevolg bij de uitlegging niet binden.
Overigens dringt zich hoe dan ook de vraag op, waarom de Commissie in haar voorstel het vage begrip Lid-Staat van oorsprong gebruikt en niet eenvoudigweg spreekt van de Lid-Staat waar de televisieomroeporganisatie is gevestigd. Het is wellicht niet ver gezocht om aan te nemen, dat bewust voor een onnauwkeuriger en meerduidige uitdrukking is gekozen om een aanvaardbare oplossing te vinden voor een politiek controversieel punt. Dat zou ook verklaren, waarom de richtlijn geen definitie bevat van het begrip „bevoegdheid”. Indien dit vermoeden juist is, dan hebben de Commissie en de Raad de beantwoording van deze voor de televisierichtlijn centrale vraag aan het Hof willen overlaten.
47.
Ook uit de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn — althans voor zover ik deze kan overzien — valt dus niet met zekerheid af te leiden, dat de opvatting van de Commissie juist is, dat de Lid-Staat waar de televisieomroeporganisatie gevestigd is, de „bevoegdheid” over die organisatie uitoefent in de zin van artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn.
Verdrag van de Raad van Europa
48.
Zowel de Commissie als het Verenigd Koninkrijk beroepen zich voor hun respectieve standpunt ten aanzien van de litigieuze vraag op het reeds vermelde verdrag van de Raad van Europa betreffende grensoverschrijdende televisie.
49.
Verweerder wijst erop, dat dit verdrag, waarbij alle Lid-Staten partij zijn, slechts enkele maanden eerder is vastgesteld dan de richtlijn en dat de richtlijn uitdrukkelijk naar het Verdrag verwijst. De Gemeenschap is weliswaar zelf geen partij bij dit verdrag en dus ook niet rechtstreeks aan de bepalingen ervan gebonden, maar het zou absurd zijn om aan te nemen, dat de Gemeenschap voor het betrokken terrein een regeling heeft willen treffen die radicaal afwijkt van de oplossing waartoe de Lid-Staten in het kader van het verdrag van de Raad van Europa zijn gekomen. Anders zou men de Lid-Staten dwingen om hetzij hun gemeenschapsrechtelijke verplichtingen niet na te komen, hetzij het verdrag te schenden.
Het Verenigd Koninkrijk beroept zich ook op de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad op Rhodos van 2 en. 3 december 1988, waarin het volgende wordt verklaard:
„De Europese Raad verzoekt de Raad zijn werkzaamheden met het oog de richtlijn ‚televisie zonder grenzen’te bespoedigen waarbij hij er nota van neemt dat de Commissie haar voorstel in het licht van de Conventie van de Raad van Europa zal aanpassen.” ( 35 )
Daar uit de televisierichtlijn niet valt op te maken, dat zij op het onderhavige terrein van het verdrag heeft willen afwijken, kan en moet artikel 2, lid 1, gelijk worden uitgelegd als de overeenkomstige bepaling van het verdrag. Artikel 5, lid 2, van het verdrag richt zich echter bij voorrang tot de staat van waaruit de uitzending wordt verbreid.
50.
Deze argumenten zijn niet overtuigend. Ik ben het veeleer met de Commissie eens, dat de in dit verdrag getroffen regeling overtuigende argumenten biedt voor het standpunt van de Commissie met betrekking tot de uitlegging van artikel 2, lid 1, van de televisicrichtlijn.
51.
Bij vergelijking van de in artikel 2, lid 1, van de televisicrichtlijn vervatte regeling met de inhoud van artikel 5, lid 2, sub b, van het verdrag stelt men grote verschillen vast. Terwijl de richtlijn in het eerste streepje van artikel 2, lid 1, primair de televisieomroeporganisaties tot uitgangspunt neemt, hebben de punten i en ii van letter b [evenals letter a] van de betrokken bepaling van het verdrag betrekking op de televisieuitzendingen. Alleen artikel 5, sub b-iii, dat duidelijk als vangnet fungeert, verwijst naar de televisieomroeporganisatie. Daarbij is duidelijk, dat het criterium „plaats waar de omroeper gevestigd is”, in grote lijnen overeenkomt met het vestigingscriterium dat volgens de Commissie in artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de televisierichtlijn is neergelegd.
Zoals reeds gezegd, wordt in artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de richtlijn de Lid-Staat onder wiens bevoegdheid de televisieomroeporganisatie valt, bevoegd verklaard. De criteria frequentie, capaciteit van een satelliet of verbinding naar een satelliet toe vanuit een Lid-Staat, zijn volgens het tweede streepje enkel beslissend indien de betrokken televisieomroeporganisatie niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt. Het verdrag gaat daarentegen bij uitzending per satelliet primair van deze criteria uit. Enkel indien op grond van deze criteria geen bevoegdheid kan worden vastgesteld, moet op grond van artikel 5, lid 2, sub b-iii, subsidiair worden gekeken naar de plaats van vestiging van de televisieomroeporganisatie.
52.
Deze principiële verschillen bestaan ook, wanneer men enkel het tweede streepje van artikel 2, lid 1, van de richtlijn vergelijkt met het bepaalde in artikel 5, lid 2, sub b. Analyseert men deze verschillen, dan blijkt dat de richtlijn primair de Lid-Staat bevoegd verklaart onder wiens bevoegdheid de televisieomroeporganisatie valt, en subsidiair kijkt naar de Lid-Staat van waaruit de uitzending plaatsvinden. Het verdrag verklaart primair de staat bevoegd van waaruit de uitzending plaatsvindt en kijkt subsidiair naar de staat waar de televisieomroeporganisatie is gevestigd.
Het primaire criterium van het verdrag komt dus overeen met het subsidiaire van de richtlijn. Het vermoeden ligt dan ook voor de hand, dat evenzo het subsidiaire criterium van het verdrag overeenstemt met het primaire criterium van de richtlijn. Daarvoor pleit ook, dat er naast het criterium vestiging of zetel geen ander objectief criterium is dat een zinvol aanknopingspunt biedt voor de bevoegdheid. Hieruit volgt, dat met de in artikel 2, lidi, van de televisierichtlijn genoemde Lid-Staat onder wiens bevoegdheid de televisieomroeporganisatie valt, inderdaad de Lid-Staat bedoeld moet zijn waar deze organisatie is gevestigd.
53.
Dit wordt mijns inziens overigens ook bevestigd door het betoog van het Verenigd Koninkrijk zelf. In dupliek heeft verweerder namelijk verklaard, dat hij geen problemen ziet voor het aanhouden van het criterium „zetel” of „vestiging” als restcriterium voor de bevoegdheid van een staat, zowel op grond van het verdrag als op grond van de richtlijn. Daarmee erkent verweerder, dat dit criterium ook in het kader van de televisierichtlijn relevant is. Volgt men zijn opvatting, dan moet echter worden aangenomen, dat dit criterium in de richtlijn nergens uitdrukkelijk wordt genoemd, daar het criterium „bevoegdheid” in artikel 2, lid 1, een andere inhoud heeft. Verweerder kon echter geen bevredigend antwoord geven op de vraag, welke andere inhoud dit criterium kon hebben. Een zinvolle uitlegging is inderdaad enkel mogelijk indien men, met de Commissie, aanneemt dat de Lid-Staat waar de televisieomroeporganisatie is gevestigd, de bevoegdheid over die organisatie heeft.
54.
Zoals verweerder zelf heeft beklemtoond, is de televisierichtlijn slechts enkele maanden na het verdrag van de Raad van Europa vastgesteld. Bovendien staat vast, dat de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van de richtlijn rekening heeft gehouden met dit verdrag. ( 36 ) Partijen bij het onderhavige geding hebben echter beide opgemerkt, dat het voorstel voor de richtlijn op het onderhavige punt niet is gewijzigd om haar aan te passen aan de regeling van het verdrag. ( 37 ) Uit artikel 2, lid 1, van de richtlijn kan derhalve enkel worden geconcludeerd, dat de gemeenschapswetgever bewust heeft gekozen voor een regeling die aanzienlijk afwijkt van die van het verdrag van de Raad van Europa.
55.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, behoeven inhoudelijke verschillen tussen de televisierichtlijn en het verdrag ons niet te verbazen, daar deze twee regelingen niet hetzelfde doel nastreven. Terwijl de televisierichtlijn met het oog op de verwezenlijking van de interne markt streeft naar opheffing van de belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten ( 38 ), en met het oog hierop de „kaderregeling voor de totstandbrenging van een cengemaakte audiovisuele ruimte” vaststelt ( 39 ), heeft het verdrag van de Raad van Europa tot doel om „de grensoverschrijdende uitzending en doorgifte van televisieprogramma's te vergemakkelijken”. ( 40 ) De Commissie heeft terecht opgemerkt, dat bij voorbeeld een bepaling als artikel 16 van het verdrag (reclame die zich specifiek tot één verdragsluitende partij richt) niet zou passen in een regeling voor de verwezenlijking van de interne markt.
56.
Deze verschillen tussen de televisierichtlijn en het verdrag van de Raad van Europa leiden ook geenszins tot de nadelige gevolgen waarvan het Verenigd Koninkrijk spreekt. Een conflict tussen beide regelingen is alleen al uitgesloten, omdat artikel 27, lid 1, van het verdrag de Lid-Staten van de Gemeenschap uitdrukkelijk toestaat om in hun onderlinge betrekkingen gemeenschapsbepalingen als de televisierichtlijn toe te passen en om het verdrag enkel toe te passen „voor zover geen enkele gemeenschapsregel het betrokken onderwerp regelt”. Voor het vraagstuk van de bevoegdheidsverdeling, waar het hier om gaat, bevat artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn echter een uitdrukkelijke regeling.
De op het verdrag gebaseerde argumenten van verweerder gaan alle hieraan mank, dat zij ofwel helemaal geen rekening houden met artikel 27, lid 1, van het verdrag, ofwel deze bepaling — in strijd met de duidelijke bewoordingen ervan — eng trachten uit te leggen, door de toepasselijkheid ervan te beperken tot gevallen waarin een bepaling van de televisierichtlijn ondubbelzinnig afwijkt van een in het verdrag getroffen regeling. In casu is overigens — zo zij relevant mocht zijn — ook deze voorwaarde vervuld.
57.
Ik ben daarom van oordeel, dat artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de televisierichtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan een televisieomroeporganisatie valt, de Lid-Staat is waar die organisatie is gevestigd.
Doeltreffendheid van het gekozen criterium
58.
Ten slotte moet nog worden ingegaan op een hele reeks argumenten ontleend aan de doeltreffendheid van de criteria die door partijen respectievelijk worden voorgestaan. Zowel de Commissie als het Verenigd Koninkrijk trachten namelijk aan te tonen, dat de door de tegenpartij verdedigde opvatting tot inadequate en met de richtlijn onverenigbare resultaten zou leiden. Hiertoe hebben zij een hele reeks theoretische voorbeelden gegeven en ook op concrete gevallen gewezen.
De Commissie stelt in dit verband in het bijzonder, dat de hantering van twee onderling tegenstrijdige criteria voor de vaststelling van de bevoegde Lid-Staat in de Gemeenschap tot overlappingen en lacunes leidt. Overigens zou het door het Verenigd Koninkrijk verdedigde criterium zelfs tot rechtsonzekerheid leiden, indien het door alle Lid-Staten werd toegepast.
59.
Aan de televisierichtlijn ligt, zoals gezegd, de gedachte ten grondslag, dat de hieronder vallende televisie-uitzendingen in beginsel slechts aan het recht van één LidStaat onderworpen zijn. ( 41 ) Het in het kader van artikel 2, lid 1, van de richtlijn toe te passen criterium moet daarom geschikt zijn voor een eenduidige aanwijzing van de bevoegde Lid-Staat. Even evident is het, dat dit criterium door alle Lid-Staten op uniforme wijze moet worden toegepast.
60.
Het Verenigd Koninkrijk is van mening, dat de „vestiging” van de televisieomroeporganisatie in dit verband een ongeschikt uitgangspunt is. Uit de rechtspraak blijkt namelijk, dat een onderneming in meer dan één Lid-Staat gevestigd kan zijn. Een televisieomroeporganisatie kan dus naast de vestiging in een bepaalde Lid-Staat nog secundaire vestigingen in andere Lid-Staten hebben. Het door de Commissie voorgestane criterium is daarom te vaag en niet geschikt om een eenduidige aanwijzing van de bevoegde Lid-Staat te garanderen. Volgens verweerder is het door hem verdedigde criterium anderzijds eenvoudig te hanteren, daar het enkel op technische aspecten berust. Het strookt daarom ook met het fundamentele doel van de televisierichtlijn en van artikel 59 EG-Verdrag.
61.
Dat de door de Commissie voorgestane uitlegging tot moeilijkheden kan leiden, valt niet te ontkennen. De Commissie heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook openlijk toegegeven. Een voorbeeld kan volstaan om dit te verduidelijken. Het Zweite Deutsche Fernsehen (hierna: „ZDF”) heeft zijn zetel in Duitsland. Maar het heeft ook kantoren in het buitenland, onder meer — als ik mij niet vergis — in Parijs. Het lijdt nauwelijks twijfel, dat dergelijke kantoren vestigingen zijn in de zin van artikel 52 EG-Verdrag. Maar dit zal toch haast niemand op de gedachte brengen, aan te nemen, dat het ZDF dientengevolge op grond van artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de televisierichtlijn onder de bevoegdheid van Frankrijk valt. Het is bijgevolg evident, dat het voor de toepassing van de televisierichtlijn niet volstaat om eenvoudig af te gaan op de aanwezigheid van een vestiging. Doet men dit wel, dan bestaat het risico dat, in strijd met de gedachte die aan de richtlijn ten grondslag ligt, verschillende Lid-Staten ten aanzien van dezelfde televisieomroeporganisatie bevoegd kunnen zijn.
62.
De Commissie heeft tijdens de procedure getracht deze moeilijkheden op te lossen door het door haar voorgestane criterium te preciseren en te verfijnen. Zo heeft zij er onder meer op gewezen, dat men beslissend zou kunnen achten, waar de centrale administratie van de televisieomroeporganisatie ligt. In repliek heeft zij aangevoerd, dat beslissend is of de betrokken organisatie in een Lid-Staat daadwerkelijk als televisieomroeporganisatie is gevestigd. De Lid-Staten hebben volgens haar een zekere speelruimte bij de vaststelling van hun bevoegdheid ten aanzien van televisieomroeporganisaties, maar de begrippen of criteria die zij hanteren moeten wel in ieder geval principieel en naar hun aard uitgaan van het begrip vestiging.
Met betrekking tot het probleem van onderling verbonden ondernemingen stelt de Commissie, dat beslissend is of dit „zichtbaar te onderscheiden” („recognizably different”) televisieomroeporganisaties zijn of niet. Zij heeft getracht dit te illustreren aan de hand van het Canal-Plus-concern. De in Frankrijk gevestigde moedervennootschap, Canal Plus, die daar als televisieomroeporganisatie werkzaam is, valt onder de bevoegdheid van die staat. De met deze vennootschap verbonden ondernemingen die in andere Lid-Staten zijn gevestigd, zoals Canal Plus TVCF (België), Canal Plus Espana (Spanje) en Premiere (Duitsland) zijn televisieomroeporganisaties die zichtbaar te onderscheiden zijn van de moedervennootschap en bijgevolg onderworpen zijn aan het recht van hun respectieve Lid-Staat van vestiging.
63.
Verweerder moet worden toegegeven, dat deze argumenten van de Commissie nogal algemeen zijn gehouden en geen uitdrukkelijke steun vinden in de televisierichtlijn. Deze moeilijkheden hangen echter samen met de aard der zaak. Gaat men uit van het criterium „vestiging”, dan moet men noodzakelijkerwijs reeds een antwoord hebben op de vraag, hoe in geval van verscheidene vestigingen de bevoegde Lid-Staat moet worden bepaald. Hoe deze vraag volgens de Commissie moet worden beantwoord, blijkt mijns inziens duidelijk genoeg uit haar betoog. In geval van verscheidene vestigingen is volgens dat betoog de Lid-Staat bevoegd waar de televisieomroeporganisatie als zodanig is gevestigd, dat wil zeggen waar zij de werkzaamheden uitoefent die kenmerkend zijn voor een dergelijke onderneming.
Persoonlijk betwijfel ik niet, dat op deze grondslag zinnige en adequate resultaten kunnen worden bereikt. Het lijkt mij inderdaad passend om ten aanzien van een televisieomroeporganisatie de Lid-Staat bevoegd te verklaren op het grondgebied waarvan zij haar kernwerkzaamheden verricht. Daartoe behoren in het bijzonder — aldus het reeds genoemde voorstel van de Commissie voor de richtlijn ( 42 ) — de beslissingen over programmabeleid en over de samenstelling van de uit te zenden programma's. Ook wanneer een televisieomroeporganisatie in meer dan een Lid-Staat vestigingen heeft, valt er altijd wel één Lid-Staat aan te wijzen die op grond van deze overwegingen bevoegdheid over die organisatie behoort te hebben.
Zoals de Commissie, door verweerder onweersproken, heeft opgemerkt, volgen overigens afgezien van het Verenigd Koninkrijk bijna alle Lid-Staten de opvatting van de Commissie. ( 43 ) In de praktijk hebben zich echter tot nu toe naar het schijnt geen problemen voorgedaan. Ook dit pleit voor de opvatting, dat het criterium dat op de vestiging van de televisieomroeporganisatie berust, ondanks de genoemde moeilijkheden een geschikt criterium is voor de aanwijzing van de bevoegde Lid-Staat.
64.
Het door het Verenigd Koninkrijk verdedigde criterium, op grond waarvan moet worden gekeken naar de Lid-Staat waar de daadwerkelijke uitzending plaatsvindt, heeft daarentegen op het eerste gezicht zeker het voordeel, dat het eenvoudig te hanteren is. Om vast te stellen of een televisieomroeporganisatie gebruik heeft gemaakt van de frequentie, capaciteit van een satelliet of een verbinding naar een satelliet toe van de betrokken Lid-Staat of een andere Lid-Staat, is nauwelijks een juridische beoordeling of zelfs maar een afweging nodig. Dit is volgens verweerder ongetwijfeld een argument om de voorkeur te geven aan het door hem verdedigde criterium.
65.
Hierbij moet echter wel worden bedacht, dat dit criterium ook ernstige nadelen heeft. De concrete voorbeelden die de Commissie in dit verband heeft aangevoerd, bewijzen dat duidelijk.
66.
Allereerst heeft de Commissie gewezen op de mogelijkheid, dat een televisieomroeporganisatie een zelfde programma op verschillende tijden uitzendt via in verschillende Lid-Staten gelegen verbindingen naar een satelliet toe. ( 44 ) Daarnaast heeft zij het voorbeeld gegeven van een in Lid-Staat A gevestigde televisieomroeporganisatie die voor verschillende onderdelen van haar programma gebruik maakt van verbindingen naar een satelliet toe in de Lid-Staten B, C en D. In beide gevallen zouden in de opvatting van het Verenigd Koninkrijk verscheidene Lid-Staten voor één televisieomroeporganisatie bevoegd zijn.
Het Verenigd Koninkrijk betwist dit niet, maar stelt zich op het standpunt dat dit verenigbaar is met de televisierichtlijn. Met betrekking tot het eerste geval merkt het op, dat een bepaalde uitzending telkens slechts aan het toezicht van één Lid-Staat onderworpen is. Met betrekking tot het tweede geval stelt het, dat het op basis van de door de Commissie gehuldigde opvatting moeilijk is om de bij uitsluiting bevoegde Lid-Staat aan te wijzen. Het door hem voorgestane criterium zou daarentegen een duidelijke grondslag bieden voor de bevoegdheidsverdeling.
67.
Ik acht deze redenering van het Verenigd Koninkrijk niet overtuigend. Het heeft echter wel gelijk met zijn opmerking, dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de door haar genoemde voorbeelden zich in de praktijk daadwerkelijk voordoen. Mijns inziens behoeft niet nader te worden ingegaan op deze — althans tot nu toe — veeleer theoretische gevallen, gezien de zo dadelijk te behandelen concrete gevallen.
68.
Volgens door verweerder onweersproken verklaringen van de Commissie zendt de televisieomroeporganisatie FilmNet haar programma's zowel uit via een verbinding naar een satelliet toe in het Verenigd Koninkrijk als via een dergelijke verbinding in Luxemburg en maakt het ZDF voor zijn programma gebruik van distributie via de ether in Duitsland en tevens van een verbinding naar een satelliet toe in Luxemburg. In beide gevallen zou de opvatting van het Verenigd Koninkrijk er derhalve toe leiden, dat twee Lid-Staten ten aanzien van een en dezelfde televisieomroeporganisatie alsook voor dezelfde uitzendingen bevoegd zijn.
69.
Verweerder erkent, dat men bij de door hem verdedigde opvatting moet uitgaan van een „implied concept of primary point of transmission'”. Dit begrip is geenszins nieuw. Op grond hiervan heeft de plaats waar de doorgifte via de ether plaatsvindt, altijd voorrang. Ontbreekt een dergelijke plaats, dan moet via internationale overeenkomsten een oplossing worden gezocht.
70.
Dit bevestigt mijns inziens, dat de bewering van verweerder, dat met het door hem verdedigde criterium de aanwijzing van de bevoegde Lid-Staat eenvoudig en duidelijk is, ongegrond is. Ook de toepassing van het cri-, terium dat de voorkeur van het Verenigd Koninkrijk heeft, kan tot ingewikkelde afbakeningsproblemen leiden. Voor de oplossing van die problemen zouden internationale overeenkomsten nodig zijn. Het Verenigd Koninkrijk miskent dit niet. Zendt een in Lid-Staat A gevestigde televisieomroeporganisatie zijn programma uit via satellietverbindingen in Lid-Staat Β en Lid-Staat C, dan geeft de door verweerder voorgestane opvatting geen duidelijkheid over de vraag, of Lid-Staat Β dan wel Lid-Staat C bevoegd is. Dat is mijns inziens een beslissend zwak punt van deze opvatting.
Zoals gezien, leidt ook het door de Commissie verdedigde criterium tot moeilijkheden bij de toepassing. Die moeilijkheden kunnen echter zonder nadere wettelijke regelingen worden opgelost. Daaruit volgt, dat dit criterium ook in praktisch opzicht de voorkeur verdient boven het door verweerder verdedigde criterium.
71.
Ten slotte moet nog worden ingegaan op het bezwaar van verweerder, dat het door de Commissie verdedigde criterium tot misbruik uitnodigt. Zou men namelijk uitgaan van de plaats van vestiging, dan zou een televisieomroeporganisatie slechts haar zetel naar een andere Lid-Staat hoeven te verplaatsen om de toepassing van de voorschriften van een bepaalde Lid-Staat te ontlopen.
72.
Dit bezwaar is ongegrond. In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat het voor de vraag of een Lid-Staat bevoegd is, ook in de opvatting van de Commissie niet voldoende is, dat een televisieomroeporganisatie in die Lid-Staat enigerlei vestiging heeft, bij voorbeeld een eenvoudig kantoor. Gekeken moet worden naar de Lid-Staat waar de betrokken onderneming de facto als televisieomroeporganisatie is gevestigd. ( 45 ) Het verleggen van die vestiging is dus helemaal niet zo eenvoudig als verweerder schijnt te denken.
In de tweede plaats moet worden opgemerkt, dat het Hof de Lid-Staten niet belet om zich onder bepaalde voorwaarden teweer te stellen tegen omzeiling van hun wettelijke bepalingen door een televisieomroeporganisatie. Genoemd zij slechts het arrest van 5 oktober 1994 in de zaak TV10. ( 46 ) Ik verwijs met betrekking tot dit punt naar mijn conclusie in die zaak ( 47 ) en naar de overeenkomstige opmerkingen in mijn conclusie van heden in zaak C-11/95. ( 48 )
Ten slotte verdient echter vooral opmerking, dat het risico van misbruik aanzienlijk groter is, indien men de theorie van het Verenigd Koninkrijk volgt. Een televisie--omroeporganisatie die via een satellietverbinding in Lid-Staat A uitzendt, kan zich namelijk heel eenvoudig aan de voorschriften van die staat onttrekken door op een satellietverbinding in Lid-Staat Β om te schakelen.
73.
Uit het voorgaande volgt, dat het door de Commissie verdedigde criterium voor aanwijzing van de bevoegde Lid-Staat ook veel doeltreffender is dan het door het Verenigd Koninkrijk verdedigde criterium, voor zover het is gebaseerd op een betrekkelijk stabiele, niet gemakkelijk te wijzigen situatie. Een verplaatsing van de vestiging in bovengenoemde zin heeft nogal wat voeten in de aarde. Daarentegen is verandering van de Lid-Staat van waaruit wordt uitgezonden, reeds bij de huidige stand der techniek zonder al te veel kosten in korte tijd mogelijk.
74.
Zowel de Commissie als het Verenigd Koninkrijk hebben zich in dit verband ook beroepen op de casus die aan zaak C-327/93 te grondslag lag. Het ging in die zaak op een zender die zijn programma eerst vanuit Nederland en later vanuit Denemarken uitzond, maar die volgens de Commissie in Groot-Brittannië was gevestigd. Mocht deze opvatting van de Commissie juist zijn (en daar pleit veel voor), dan zou dit geval inderdaad een goed voorbeeld bieden voor de moeilijkheden waartoe de door het Verenigd Koninkrijk verdedigde opvatting zou kunnen leiden. Het lijkt mij echter niet juist om hier nader op die zaak in te gaan. ( 49 )
75.
Het tussenresultaat is dan ook, dat de door de Commissie verdedigde opvatting met betrekking tot de uitlegging van artikel, lidi, van de televisierichtlijn juist is. De Lid-Staat waarin een televisieomroeporganisatie is gevestigd, is de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan deze organisatie valt. De aanknopingscriteria die in het tweede streepje van deze bepaling worden genoemd (Lid-Staat waarvan de frequentie, satcllictcapaciteit of verbinding naar een satelliet toe wordt benut), zijn enkel relevant voor televisieomroeporganisaties die niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat vallen. Section 43 van de Broadcasting Act 1990, die niet de plaats van vestiging van de televisieomroeporganisatie tot uitgangspunt neemt, maar de plaats van waaruit een programma wordt uitgezonden, de gebruikte frequentie en andere criteria ( 50 ), is bijgevolg in strijd met artikel 2, lid 1, (en artikel 3, lid 2) van de televisicrichtlijn.
Andere schendingen van artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 2, van de televisierichtlijn
76.
De Commissie verwijt het Verenigd Koninkrijk, de in artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 2, van de televisierichtlijn vervatte regeling nog op drie andere punten te hebben geschonden. ( 51 )
77.
Haar eerste verwijt is, dat in Section 43 van de Broadcasting Act 1990 ook de ontvangst in het Verenigd Koninkrijk, respectievelijk het Verenigd Koninkrijk of een andere Lid-Staat, als criterium wordt gehanteerd, terwijl dit volgens artikel 2, lid 1, van de richtlijn geen criterium is voor de aanwijzing van de bevoegde Lid-Staat.
78.
Indien de desbetreffende verwijzingen in Section 43 enkel dienen om de toepasselijkheid daarvan uit te sluiten voor televisie-uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in derde landen — gelijk verweerder stelt—, zou zulks in overeenstemming zijn met artikel 2, lid 3, van de richtlijn. Uit de opmerkingen in repliek kan echter worden opgemaakt, dat de Commissie aanstoot neemt aan het criterium „ontvangst in het Verenigd Koninkrijk”, omdat het Verenigd Koninkrijk bevoegd is ten aanzien van alle televisieomroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen en niet alleen ten aanzien van de organisaties waarvan de uitzendingen bestemd zijn voor ontvangst door het publiek in het Verenigd Koninkrijk. Dit middel valt dus hetzij samen met het reeds onderzochte (en gegrond geachte) verwijt, dat het Verenigd Koninkrijk de beslissende criteria voor de vaststelling van de bevoegdheid op grond van artikel 2, lid 1, van de televisicrichtlijn heeft miskend, hetzij met het nog te onderzoeken verwijt, dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen DSS en NDSS.
Op dit middel van de Commissie behoeft mijns inziens derhalve niet nader te worden ingegaan.
79.
In de tweede plaats verwijt de Commissie verweerder, niet te hebben verzekerd, dat uitzendingen uit derde landen die bestemd zijn voor ontvangst door het publiek in een andere Lid-Staat en waarvoor gebruik wordt gemaakt van een aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen frequentie, voldoen aan de wettelijke regeling, die geldt voor uitzendingen die voor het publiek in het Verenigd Koninkrijk bestemd zijn.
Volgens verweerder is dit zuiver theoretisch, daar niet valt aan te nemen, dat het Verenigd Koninkrijk een derde land zou toestaan om van een dergelijke frequentie gebruik te maken, zonder controle uit te oefenen. Daarmee wordt het verwijt van de Commissie echter niet weerlegd. Verweerder erkent hiermee veeleer indirect, dat een dergelijk geval mogelijk is. Het verwijt van de Commissie lijkt mij daarom gegrond, ook al is het onwaarschijnlijk, dat bedoeld geval zich zal voordoen.
80.
Het belangrijkste lijkt mij echter het derde en laatste middel dat de Commissie in dit verband aanvoert, te weten dat het onderscheid tussen DSS en NDSS een verdere schending van artikel 2, lid 1, van de richtlijn oplevert, die rechtstreeks voortvloeit uit de onderscheiden technische criteria waarnaar Section 43 verwijst. De Lid-Staten zijn namelijk verplicht ervoor te zorgen, dat alle televisie-uitzendingen die worden uitgezonden door omroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen, voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die voor het publiek bestemd zijn.
81.
Ook hier is echter niet helemaal duidelijk, hoever dit middel zich uitstrekt. De Commissie klaagt er in het bijzonder over, dat Section 44(3) van de Broadcasting Act 1990, dat voor DSS geldt, Section 16(2)(g) en (h) van overeenkomstige toepassing verklaart, terwijl Section 45 dat voor NDSS niet doet. Daar de in Section 16(2)(g) en (h) van de Act vervatte bepalingen uitvoering beogen te geven aan de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn, kan de klacht van de Commissie worden begrepen als een verwijt aan verweerder, dat hij niet ervoor heeft gezorgd, dat NDSS aan de eisen van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn voldoen. Dit is overigens het verwijt, dat Frankrijk in zijn opmerkingen centraal heeft gesteld.
82.
De Commissie en het Verenigd Koninkrijk hebben echter unaniem verklaard, dat de vraag of het Verenigd Koninkrijk de verplichtingen die op grond van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn op hem rusten, ten aanzien van NDSS is nagekomen, het voorwerp vormt van een andere procedure.
83.
Het middel dat de Commissie hier aanvoert, lijkt dan ook overwegend van formele aard te zijn. Het kan dan worden geformuleerd als volgt: Terwijl DSS reeds wettelijk — op grond van Section 44(3) van de Broadcasting Act 1990 — aan de eisen van Section 16(2)(g) en (h) is onderworpen, is dit voor NDSS niet het geval.
84.
Het lijkt mij nauwelijks voor twijfel vatbaar, dat dit middel gegrond is. Het Verenigd Koninkrijk ontkent niet, dat de NDSS aan een minder strenge regeling zijn onderworpen dan de DSS. Het beroept zich ter rechtvaardiging echter op artikel 3, lid 1, van de televisierichtlijn, op grond waarvan Lid-Staten voor televisieomroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen, „strengere of meer gedetailleerde voorschriften [mogen vaststellen] op de gebieden die onder de onderhavige richtlijn vallen”. Deze strengere voorschriften behoeven volgens het Verenigd Koninkrijk niet op alle uitzendingen te worden toegepast.
Deze opvatting is dubieus, alleen al omdat artikel 2, lidi, van de televisicrichtlijn de Lid-Staten verplicht erop toe te zien, dat alle televisie-uitzendingen van televisieomroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen, voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in die Lid-Staat. Hoc dan ook moeten de Lid-Staten echter op grond van artikel 3, lid 2, van de televisierichtlijn tenminste ervoor zorgen, dat de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties zich houden aan de bepalingen van deze richtlijn. Daartoe behoren ook de artikelen 4 en 5, die door de in Section 16(2)(g) en (h) getroffen regeling moeten worden omgezet. Section 45 van de Act voorziet nu echter juist niet in de toepassing van die bepalingen op NDSS.
85.
Het Verenigd Koninkrijk stelt echter, dat het deze verplichting is nagekomen, daar Section 188 van de Broadcasting Act 1990 het mogelijk maakt NDSS tot naleving van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn te verplichten. Dit neemt echter niet weg, dat de nationale bepalingen onderscheid maken tussen televisieomroeporganisaties die aan genoemde bepalingen van de richtlijn zijn onderworpen en organisaties die hieraan kunnen worden onderworpen. Reeds deze formele ongelijke behandeling is mijns inziens in strijd met artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 2, van de tclcvisicrichtlijn. Het middel van de Commissie is dan ook gegrond.
Nogmaals zij erop gewezen, dat de vraag of het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijk erop toeziet, dat de NDSS de artikelen 4 en 5 van de richtlijn in acht nemen, in deze procedure niet aan de orde is.
Schending van artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn
86.
De Commissie verwijt het Verenigd Koninkrijk voorts schending van artikel 2, lid 2, van de tclcvisicrichtlijn, voor zover de in Section 43 van de Broadcasting Act 1990 vervatte definitie ook televisieomroeporganisaties omvat die onder de bevoegdheid van andere Lid-Staten vallen.
87.
Uit hetgeen met betrekking tot artikel 2, lid 1, van de richtlijn is vastgesteld, volgt noodzakelijkerwijs dat dit middel gegrond is. In Section 43 van de nationale wet verklaart het Verenigd Koninkrijk zich bevoegd ten aanzien van alle televisieomroeporganisaties die hun programma's vanuit het Verenigd Koninkrijk uitzenden. Daar vallen ook omroepers onder die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd en daarmee onder de bevoegdheid van die Lid-Staat vallen. ( 52 ) Daarmee oefent het Verenigd Koninkrijk een tweede controle uit, die in strijd is met artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn.
88.
Ik wil er nogmaals op wijzen, dat de bewoordingen van deze bepaling niet aan de hier verdedigde uitlegging in de weg staan. ( 53 ) Het Verenigd Koninkrijk stelt dan ook ten onrechte, dat er bij uitzendingen van televisieomroeporganisaties die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd, maar die hun programma's vanuit het Verenigd Koninkrijk uitzenden, geen sprake is van „televisieuitzendingen uit andere Lid-Staten”.
89.
Ten slotte verwijt de Commissie het Verenigd Koninkrijk nog een schending van artikel 2, lid 2, van de richtlijn met betrekking tot de aan een vergunning onderworpen programmadiensten, daar deze televisieuitzendingen kunnen bevatten die oorspronkelijk werden uitgezonden door televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van andere Lid-Staten vallen.
Verweerder erkent, dat de betrokken bepalingen (Section 46 en 47) van de Broadcasting Act 1990 in theorie zouden kunnen worden gebruikt om de doorgifte van volledige kabeldiensten uit andere Lid-Staten aan een vergunningplicht te onderwerpen. Indachtig aan de verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk op grond van de televisierichtlijn zou ITC echter in de praktijk van deze mogelijkheid geen gebruik maken. Voor het overige zou Section 188 van de Act de mogelijkheid bieden, ITC tot een met de richtlijn strokend gedrag te dwingen.
90.
Ook op dit punt moet dus worden vastgesteld, dat op grond van de bewoordingen van de nationale wettelijke regeling schending van artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn mogelijk is en dat bijzondere overheidsmaatregelen nodig zijn om deze mogelijkheid uit te sluiten. Ook in zoverre lijkt het verwijt van de Commissie mij derhalve gegrond.
91.
Rekening houdend met de beperking die in de loop van de procedure op het beroep is aangebracht met betrekking tot de plaatselijke diensten ( 54 ), is het beroep van de Commissie bijgevolg in alle onderdelen gegrond.
92.
De beslissing omtrent de kosten volgt uit artikel 69, leden 2 en 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
C — Conclusie
93.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, vast te stellen, dat het Verenigd Koninkrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, door
a)
voor satellietuitzendingen de in Section 43 van de Broadcasting Act 1990 genoemde criteria te hebben vastgesteld om te bepalen, welke satellietomroeporganisaties onder zijn bevoegdheid vallen, en in het kader van deze bevoegdheid op niet-binncnlandse satellietdiensten een andere regeling toe te passen dan op binnenlandse satellietdiensten,
en
b)
toezicht uit te oefenen op uitzendingen van onder de bevoegdheid van een andere Lid-Staat vallende omroeporganisaties, wanneer die uitzendingen door een niet-binnenlandse satellietdienst worden uitgezonden of aan het publiek worden aangeboden als een programma dat een vergunning nodig heeft.
Bovendien geeft ik het Hof in overweging, het Verenigd Koninkrijk te verwijzen in de kosten van de procedure, met uitzondering van de kosten van de Franse Republiek, die haar eigen kosten dient te dragen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 1 ) PB 1989, L 298, bl/.. 23.
( 2 ) Zo reeds het arrest van 30 april 1974, zaak 155/73, Sacchi, Jurispr. 1974, blz. 409, r. o. 6.
( 3 ) Arrest van 26 april 1988, zaak 352/85, Dond van Adverteerders e. a Jurispr. 1988. blz. 2085, r. o. 14-17.
( 4 ) Zie arrest van 9 februari 1995, zaak C-412/93, Leelere-Siplee, Jurispr. 1995, blz. I-179, r. o. 28. Zie ook arrest EFTA-Hof van 16 juni 1995, gevoegde zaken E-8/94 en E-9/94, Forbrukcrombudet/Mattel Scandinavia A/S en Lego Norge A/S, r. o. 22.
( 5 ) Negende tot en met twaalfde overweging van de televisierichtlijn. Voor de overzichtelijkheid heb ih de betrokken nummers in vierkante haken toegevoegd.
( 6 ) Dertiende overweging van de televisierichtlijn.
( 7 ) Veertiende en vijftiende overweging van de tclcvisierichtlijn.
( 8 ) In zijn conclusie van 24 november 1994 in zaak C-412/93, Leclcrc-Siplcc heeft advocaat-generaal Jacobs reeds vastgesteld, dat de Engelse versie van artikel 3, lid 1, een vertaalfout bevat. Volgens deze versie hebben de Lid-Staten namelijk de bevoegdheid om onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties te verplichten om strengere of meer gedetailleerde voorschriften vast te stcllen, terwijl het blijkens de andere taalversies de Lid-Staten zijn die dergelijke voorschriften vast kunnen stellen (>Jurispr. 1995, blz. I-182, voetnoot 49).
( 9 ) Twintigste overweging 20 van de tclevisicrichtlijn.
( 10 ) Vierentwintigste overweging 24 van de tclcvisicrichtlijn.
( 11 ) Dil begrip wordt in artikel 6 gedefinieerd.
( 12 ) De Franse en de Engelse tekst van dit verdrag zijn te zamen met een Duitse vertaling gepubliceerd in BGBl. II 1994, blz. 639.
( 13 ) Deze overweging luidt: „Overwegende dat de Raad van Europa het Europees Verdrag over grensoverschrijdende televisie heeft vastgesteld.”
( 14 ) Broadcasting Act 1990 van 1 november 1990. Blijkens Section 2(1)(a), van die wet gaat het hier om alle omroepen met uitzondering van de BBC en de voor Wales bevoegde Welsh Authority (zie Section 56 en volgende van de wet voor laatstgenoemde omroep).
( 15 ) Broadcasting (Foreign Satellite Programmes) (Specified Countries) Order 1991 (SI 1991, nr.2124).
( 16 ) Aldus de twaalfde overweging van de tclcvisierichtlijn.
( 17 ) Ik baseer mij hier op de bewoordingen van de tclcvisierichtlijn (zie twaalfde en veertiende overweging). Merkwaardigerwijze wordt in de vijftiende overweging in de Duitse versie het begrip „Sendcstaat” (staat van uitzending) gebruikt terwijl andere taalversies ook hier van Lid-Staat van oorsprong spreken (bij voorbeeld de Engelse en de Franse versie). N, v. d. v.: De Nederlandse versie spreekt nergens van Lid-Staat van oorsprong maar alleen van Lid-Staat van uitzending.
( 18 ) Deze vraag staat centraal in de reeds genoemde zaak C-ll/95.
( 19 ) Zie de twaalfde overweging: „Ursprung” (Duitse versie). Zie ook de veertiende overweging: „Ursprungsmilglied-staat” (Duitse versie), „originating Member State” (Engelse versie), „Etat membre d'origine” (Franse versie), „Estado miembro de origen” (Spaanse versie), „Estado-mcmbro de origem” (Portugese versie) en „Stato membre d'origine” (Italiaanse versie). Behalve in de Duitse versie worden dc/.c uitdrukkingen ook in de vijftiende overweging gebruikt.
( 20 ) Zie de twaalfde overweging: „Member State from which they emanate” (Engelse verste), „Etat membre dont elles émanent” (Franse versie), „Ľstado-mcmbro de onde provêm” (Portugese versie) en „Estado miembro de que emanen” (Spaanse versie).
( 21 ) Bij voorbeeld het begrip „Scndcstaat” in de Duitse versie van de vijftiende overweging, de Nederlandse versie van de twaalfde („Lid-Staat van waaruit zij worden uitgezonden”), veertiende en vijftiende overweging (in beide „Lid-Staat van uitzending”) en de-uitdrukking „dello Stato membro da cui sono emesse” in de Italiaanse versie van de twaalfde overweging.
( 22 ) Zo valt bij voorbeeld op, dat de Duitse versie in de veertiende overweging het —mijns inziens juiste — begrip „Ursprungsmitgliedstaat” hanteert doch in de vijftiende overweging spreekt van „Scndcstaat” hoewel uit alle andere door mij vergeleken taalversies blijkt, dat het hier om een Lid-Staat (van oorsprong) gaat.
( 23 ) PB 1995, C 185, biz. 4.
( 24 ) De voorgestelde nieuwe versie luidt: „Onder de bevoegdheid van een Lid-Staat vallen de televisieomroeporganisaties die op het grondgebied van die Lid-Staat zijn gevestigd, waar zij over een duurzame vestiging beschikken en daadwerkelijk een economische activiteit uitoefenen” (artikel 2, lid 2, in de nieuwe nummering). In samenhang hiermee moeten de zevende en negende overweging van de voorgestelde richtlijn worden gelezen. Hieruit blijkt, dat het vcstigingscritcrium „het voornaamste criterium vormt dat bepalend is voor de bevoegdheid van een Lid-Staat” en dat dit „aan de hand van een aantal concrete criteria kan worden vastgesteld, zoals de plaats van het hoofdkantoor van de dienstverlener, de plaats waar gewoonlijk de beslissingen ten aanzien van het programmcringsbclcid worden genomen en de plaats waar de centrale regclkamcr zich bevindt (dit wil zeggen de plaats waar het voor uitzending naar het publiek bestemde programma definitief wordt samengesteld), voorzover een aanzienlijk deel van het voor de uitoefening van de televisieomroepactiviteit benodigde personeelsbestand zich in dezelfde Lid-Staat bevindt”.
( 25 ) Zie de zevende overweging van de ontwerprichtlijn.
( 26 ) Ζie punt 2 en 3 van deze conclusie.
( 27 ) Arrest van 4 december 1986, zaak 205/84, Commissie/ Duitsland, Jurispr. 1986, blz.3755, r. o. 23.
( 28 ) Zie hieronder punt 58 c. v.
( 29 ) PB 1986, C 179, blz. 4.
( 30 ) Bulletin vitti de Europese Gemeenschappen, bijlage 5/8( hl/.. 5 c. v.
( 31 ) T. a. p. (voetnoot 30), blz. 13 c. v.
( 32 ) Zie hierboven, punt 33.
( 33 ) Er zij aan herinnerd, dat het eerste voorstel van de Commissie niet alleen betrekking had op de televisie, maar ook op de radio.
( 34 ) Zie hierboven, punt 33.
( 35 ) Bulletin van de Europese Gemeenschappen, nr. 12/1988, blz. 8 c. v. (ah.. 11).
( 36 ) Zie hierboven, punt 49.
( 37 ) Zoals wij hebben gezien, had de reeds genoemde wijziging van de lekst van de betrokken bepaling niets te maken met het verdrag (zie hierboven, punt 45).
( 38 ) Zie de tweede overweging van de richtlijn.
( 39 ) Zie de twaalfde overweging van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB 1993, L 248, blz. 15).
( 40 ) Artikel 1 van het verdrag.
( 41 ) Zie hierboven, punt 26.
( 42 ) Zie voetnoten 23 en 24.
( 43 ) Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie meegedeeld, dat dit alleen voor Finland niet het geval was.
( 44 ) Zo kan een televisieomroeporganisatie bij voorbeeld een deel van haar programma (bij voorbeeld de ochtenduitzendingen) vanuit één Lid-Staat uitzenden en de rest (bij voorbeeld het avondprogramma) vanuit een andere Lid-Staat.
( 45 ) Zie hierboven, punt 62.
( 46 ) Zaak C-23/93, Jurispr. 1994, blz. I-4795.
( 47 ) Conclusie van 16 juni 1994, Jurispr. 1994, blz. I-4797.
( 48 ) Punt 72 e. v.
( 49 ) Zaak C-327/93 is overigens bij beschikking van de president van het Hof van 29 maart 1996 in het register doorgehaald, nadat de verwijzende rechter zijn prejudiciële vragen had ingetrokken.
( 50 ) Zie hierboven, punt 15.
( 51 ) Zie hierboven, punt 28 e. v.
( 52 ) Ter terechtzitting heeft de Commissie het voorbeeld aangehaald van een in Oostenrijk gevestigde televisieomroeporganisatie aan wie het Verenigd Koninkrijk onlangs een NDSS-vergunning verleend heeft.
( 53 ) Zie hierboven, punt 33.
( 54 ) Zie hierboven, nr. 24 e. v.
Full & Egal Universal Law Academy