CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 14 december 1995 ( *1 )
1.
Het Tribunal de commerce d'Albi (Frankrijk) heeft de onderhavige prejudiciële vraag gesteld in het kader van een burgerlijke vordering van een aantal in het departement Tarn gevestigde autodealers — Grand garage albigeois, Etablissements Marlaud, Rossi Automobiles, Albi Automobiles, Garage Maurei & Fils, Sud Auto, Grands garages de Castres, Garage Pirola, Grand garage de la gare, Mazametaine automobile, Établissements Capmartin, Graulhet automobiles — tegen de SARL Garage Massol (hierna: „Massol”), die zij van oneerlijke concurrentie beschuldigen.
2.
Concreet verwijten verzoeksters verweerster, dat zij nieuwe motorvoertuigen verkoopt buiten het „officiële” distributienet van die voertuigen om, zonder zich te houden aan de communautaire bepalingen die volgens hen daarop van toepassing zijn, en dat zij onwettige en misleidende reclame maakt, hetgeen alles als oneerlijke concurrentie moet worden aangemerkt, die hun belangen als exclusieve dealers van Peugeot, Citroen, Ford, Honda en Renault zou hebben geschaad.
3.
De bedoelde communautaire bepalingen zijn: verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen ( 1 ) (hierna: de „verordening”), en mededeling 91/C 329/06 van de Commissie van 4 december 1991. ( 2 )
4.
De bij de Franse rechter ingestelde rechtsvordering strekt ertoe, dat Massol wordt verboden (onder dezelfde voorwaarden als thans) nieuwe voertuigen te blijven verkopen — met inbegrip van voertuigen die nog geen drie maanden zijn ingeschreven of minder dan 3000 kilometer hebben gereden— en daarvoor reclame te maken. Zij strekt tevens tot veroordeling van Massol tot vergoeding van de door haar veroorzaakte schade.
5.
Het Tribunal de commerce d'Albi is van oordeel, dat voordat de feitelijke en juridische elementen van de voor hem aanhangige rechtsvordering worden onderzocht, gelet op de vorderingen van partijen, uitspraak moet worden gedaan „over de wettigheid van de werkzaamheid van handelaren in nieuwe voertuigen buiten het door de fabrikanten in Frankrijk gevestigde distributienet om, en wel met inachtneming van de Europese wetgeving en in het bijzonder verordening nr. 123/85”.
6.
Derhalve heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Kunnen de overeenkomsten van de Franse dealers (Peugeot, Renault, Citroen, Ford, Honda) in het algemene rechtskader van het gemeenschapsrecht, dat wil zeggen dat van de vrijheid, worden tegengeworpen aan derden-handelaars en is het, in het bijzonder indien een onafhankelijk wederverkoper erin slaagt, op geoorloofde wijze binnen het distributienet nieuwe voertuigen te betrekken, ingevolge verordening nr. 123/85 of de rechtspraak van het Hof rechtmatig dat de fabrikant, zijn importeur of een lid van een distributienet in een Lid-Staat zich tegen de invoer en wederverkoop van de voertuigen in een Lid-Staat door de wederverkoper verzet met als enige reden dat hij geen erkend wederverkoper of geen lasthebber is?”
De feiten van het hoofdgeding
7.
Hoewel niet alle feiten die voor de beantwoording van de prejudiciële vraag van belang kunnen zijn, naar behoren zijn gestaafd, kan toch worden uitgegaan van de volgende premissen, die zijn afgeleid uit de conclusies van partijen en de verwijzingsbeschikking:
a)
het doel van de vennootschap Massol is —volgens haar inschrijving in het handelsregister— „het onderhoud, de reparatie, de verhuur van alle typen motorvoertuigen, de import en export ervan”;
b)
zij is geen dealer van enige automobielfabrikant en maakt geen deel uit van een door een dergelijke fabrikant krachtens de verordening opgericht „officieel” distributienet;
c)
desondanks verkoopt Massol als onafhankelijk wederverkoper nieuwe voertuigen, waarbij zij soms optreedt als door een eindgebruiker „gevolmachtigd tussenpersoon”.
Argumenten van partijen
8.
Verzoeksters in het hoofdgeding beroepen zich op de dealerovereenkomsten van elk van hen, op grond waarvan zij in de sector van de automobieldistributie aanspraak maken op een alleenrecht van vestiging, handel en verkoop van nieuwe voertuigen, rechtstreeks of via hun vertegenwoordigers. Als „handelaar” in motorvoertuigen, die geen deel uitmaakt van een „officieel” distributienet, schendt Massol huns inziens de exclusieve afzetovereenkomsten van de dealers en de gemeenschapswetgeving ter zake, daar zij geen lasthebber is en de duidelijke en dwingende regels die deze wetgeving aan lasthebbers oplegt, niet naleeft.
9.
Verzoeksters wijzen op de reclame die Massol in 1993 en 1994 in de plaatselijke pers heeft gemaakt, en waaruit zij afleiden dat deze vennootschap is opgetreden als handelaar of wederverkoper die een aanzienlijke voorraad onmiddellijk leverbare nieuwe voertuigen aanbiedt en de aanvoer van een groot aantal nieuwe voertuigen aankondigt. Zij vermelden eveneens deurwaardersexploten ( 3 ) waaruit blijkt, dat de omvang van de activiteit aanzienlijk is.
10.
Tot staving van hun vorderingen stellen de dealers dat de verkoop van nieuwe voertuigen en de klantenservice volgens de verordening in het belang van de verbruiker en vanuit het oogpunt van de veiligheid op de weg moeten worden verzekerd door een door de automobielfabrikant geselecteerd distributienet dat met die fabrikant samenwerkt, en dat de verordening aan de dealers daarom het alleenrecht van vestiging en handel voor de wederverkoop van nieuwe voertuigen en de klantenservice toekent.
11.
Zij erkennen evenwel, dat de verordening de eindgebruiker de mogelijkheid laat om buiten het distributienet een nieuw voertuig aan te schaffen door middel van een schriftelijke volmacht aan een lasthebber. Volgens de reeds genoemde mededeling van de Commissie van 4 december 1991 is de tussenpersoon enkel een dienstverrichter die handelt voor rekening van een koper, de eindgebruiker, maar geen voorraad mag aanhouden of bij het publiek verwarring stichten, zoals in casu, en die niet een zelfstandig of onafhankelijk wederverkoper buiten het distributienet mag worden.
12.
Volgens hen mag een onafhankelijk wederverkoper van motorvoertuigen de dealers in een exclusief distributiestelsel geen concurrentie aandoen, ongeacht waar hij zijn voertuigen betrekt. In casu moet deze bevoorrading overigens wel onrechtmatig zijn, daar de door Massol gekochte voertuigen enkel afkomstig kunnen zijn van een „officieel” dealer die frauduleus met deze onderneming samenspant, of van verhuurbedrijven die de voertuigen niet hebben gekocht om deze te verhuren, maar om deze als nieuwe voertuigen ter beschikking te stellen van derde ondernemingen.
13.
Massol heeft bij het Hof geen opmerkingen ingediend binnen de haar daarvoor gestelde termijn. In haar verweerschrift voor het Tribunal de commerce d'Albi stelde zij, dat haar activiteit geoorloofd was en geen oneerlijke concurrentie opleverde.
14.
Volgens haar blijkt na onderzoek van de dealerovereenkomsten van Citroën, Peugeot, Ford en Honda, dat zij slechts een alleenrecht verlenen dat beperkt is tot het gebruik van de commerciële technieken van de fabrikant en het gebruik van zijn image, naam en merk. Het alleenverkooprecht zou slechts potentieel aanwezig zijn, aangezien het afhankelijk is van de eenzijdige wil van de fabrikant om zijn distributienet sluitend te maken, hetgeen hier niet het geval is, aangezien de fabrikant 40 % van zijn produktie buiten zijn dealernet om verkoopt.
15.
Massol voegt daaraan toe, dat krachtens het in artikel 1165 van de Franse Code civil neergelegde beginsel van de relatieve werking van overeenkomsten de exclusieve overeenkomsten slechts bindend zijn voor partijen en niet kunnen worden tegengeworpen aan derden. Geen enkele overeenkomst, zelfs geen dealerovereenkomst, kan een derde die geen partij bij de overeenkomst is, verbieden een handelsactiviteit te verrichten die de wetten of verordeningen hem niet specifiek verbieden. Onder verwijzing naar zowel de verordening als de Franse Code civil verklaart zij, dat geen enkele bepaling een handelaar die op geoorloofde wijze nieuwe voertuigen heeft aangekocht, verbiedt om deze met winst door te verkopen.
16.
Zij verklaart, dat de dealers zich niet op de verordening kunnen beroepen, aangezien de dealerovereenkomsten niet voldoen aan de bij de verordening voorgeschreven minimumnormen, gelet op de niet in de verordening voorziene, nagenoeg discretionaire bevoegdheden die de fabrikant zichzelf in die overeenkomsten toebedeelt. Zij verwijst dienaangaande naar een bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingediende klacht tegen de twaalf dealersverzoeksters.
17.
Ter weerlegging van de beschuldiging van oneerlijke concurrentie voegt Massol hieraan toe, dat zij de nieuwe voertuigen op volstrekt rechtmatige wijze betrekt en preciseert zij, dat de mogelijkheid om de voertuigen buiten het distributienet te betrekken uitsluitend afhankelijk is van het beleid van de fabrikanten, al naar gelang zij besluiten om hun distributienet al dan niet sluitend te maken. Zij hecht veel gewicht aan het criterium van het sluitende distributienet en de praktische toepassing ervan door de fabrikant, om aan te tonen, dat de afzet via dealers slechts één van de afzetmogelijkheden is.
18.
In haar opmerkingen stelt de Commissie, dat een activiteit als die van Massol niet in strijd met de verordening kan worden geacht, daar deze verordening de automobielfabrikanten enerzijds niet verbiedt voertuigen anders dan via de exclusieve distributienetten te verkopen, en zij anderzijds evenmin eenzijdige activiteiten of overeenkomsten verbiedt, die verschillen van die welke onder de vrijstellingsverordeningen vallen.
19.
De Franse regering meent, dat het beginsel van de relatieve werking van overeenkomsten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht door de nationale rechter moet worden beoordeeld overeenkomstig de wettelijke criteria van zijn eigen rechtsorde: op zich belet de verordening niet, dat een onafhankelijk wederverkoper nieuwe voertuigen buiten het officiële distributienet om importeert en wederverkoopt, zelfs wanneer hij geen gevolmachtigde is in de zin van artikel 3, sub 11.
20.
In haar opmerkingen verklaart de Griekse regering ten slotte, dat de vraag van de verwijzende rechter — de inroepbaarheid van exclusieve afzetovereenkomsten voor motorvoertuigen tegen derden — niet binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt, maar moet worden beantwoord met inachtneming van het nationale recht.
De gemeenschapsregeling inzake de afzet van motorvoertuigen
21.
De verordening omschrijft een groep van overeenkomsten die kunnen worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 ( 4 ), zodat zij buiten het anders onvermijdelijke verbod vallen. Het betreft overeenkomsten van bepaalde of onbepaalde duur, waarbij een onderneming die produkten levert, een andere onderneming met de distributie van die produkten en de klantenservice belast; aldus belast een partij (de fabrikant of, in het algemeen, de leverancier) de andere partij (de distributeur of dealer) met de taak om de afzet van en de klantenservice betreffende bepaalde produkten in de sector motorvoertuigen in een bepaald gebied te bevorderen. Bij die overeenkomsten verbindt de leverancier zich tegenover de dealer om binnen het contractgebied de voor wederverkoop bestemde contractprodukten slechts aan één dealer of, bij gebreke daarvan, aan een bepaald aantal van het distributienet deel uitmakende ondernemingen te leveren.
22.
Deze overeenkomsten zouden in beginsel nietig zijn, daar zij gewoonlijk ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en in het algemeen de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden. Van het rechtstreeks uit artikel 85, lid 1, EG-Verdrag voortvloeiende verbod van deze overeenkomsten kan krachtens artikel 85, lid 3, evenwel een vrijstelling worden verleend, wanneer het voor die overeenkomsten uitdrukkelijk buiten toepassing wordt verklaard, hetgeen slechts mogelijk is onder bepaalde, limitatief opgesomde voorwaarden en via een specifieke norm, zoals de verordening.
23.
In de onderhavige zaak levert in liet bijzonder de subjectieve werkingssfeer van de verordening problemen op die moeten worden opgelost. Terwijl er geen twijfel bestaat aan de geldigheid van het distributiestelsel als zodanig [in de tijd beperkt tot 30 september 1995, op welke datum de verordening buiten werking is getreden en is vervangen door de nieuwe verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 ( 5 ), vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af wat de strekking is ten aanzien van andere marktdeelnemers die betrokken zijn bij de verkoop van motorvoertuigen.
24.
In concreto mogen dergelijke overeenkomsten krachtens artikel 3, sub 11, van de verordening clausules bevatten waarbij de distributeur of dealer zich verbindt
„motorvoertuigen uit het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, slechts te verkopen, wanneer zij voor de aankoop van een bepaald motorvoertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke, en bij inontvangstneming van het motorvoertuig door de tussenpersoon, tevens de inontvangstneming bestrijkende volmacht hebben gegeven”.
25.
Met andere woorden, de distributeur kan weigeren motorvoertuigen te verkopen aan niet-erkende tussenpersonen, tenzij zij van de eindgebruikers een schriftelijke volmacht hebben verkregen om de voertuigen voor hun rekening te kopen, een mogelijkheid die een uitzondering vormt op het beginsel dat de distributie beperkt blijft tot het net.
26.
Volgens artikel 3, sub 10, mogen in dergelijke overeenkomsten overigens ook clausules worden opgenomen waarbij de dealer of distributeur aanvaardt om „aan een wederverkoper (...) contract- en daarmee overeenstemmende produkten slechts te leveren, wanneer deze een van het distributienet deel uitmakende onderneming is”.
27.
De moeilijkheden bij de uitlegging van de begrippen „tussenpersoon” en „wederverkoper” waren voor de Commissie aanleiding om twee mededelingen te publiceren, een mededeling van 12 december 1984 ( 6 ) en de reeds genoemde mededeling van 4 december 1991, waarmee bepaalde aspecten van de betrokken verordening dienden te worden verduidelijkt.
28.
Concreet diende mededeling 91/C 329/06 „ter verduidelijking van de in deze verordening genoemde mogelijkheden tot bemiddeling door tussenpersonen”, die worden gedefinieerd als dienstverleners die voor rekening van een koper als eindgebruiker optreden, die geen risico's dragen die normaliter aan de eigendom zijn verbonden en aan wie vooraf door een nader aangeduide lastgever schriftelijk lastgeving is verleend.
29.
Volgens de Commissie is de lasthebber weliswaar gerechtigd zijn activiteiten vrij te organiseren, maar wanneer hij gebruik maakt van een net van ondernemingen die een gemeenschappelijk merk of andere gemeenschappelijke onderscheidingstekens gebruiken, mag dat niet de verkeerde indruk wekken dat het gaat om een erkend distributiestelsel. De taak van de lasthebber moet met volledige transparantie op het vlak van de aangeboden diensten en de vergoeding daarvoor worden uitgeoefend. Zijn reclame mag niet ertoe leiden dat de potentiële klanten de tussenpersoon aanzien als een wederverkoper of als een onderneming die deel uitmaakt van het distributienet van de betrokken automobielfabrikant of -fabrikanten. Wat ten slotte zijn bevoorrading betreft, mag hij met de erkende dealers geen bevoorrechte betrekkingen aangaan, die indruisen tegen de contractuele verbintenissen die zij krachtens de verordening zijn aangegaan.
30.
Werkzaamheden van de tussenpersonen die niet in overeenstemming zijn met deze richtsnoeren en criteria, geven volgens de mededeling aanleiding tot het vermoeden dat, behoudens bewijs van het tegendeel, „de tussenpersoon de in artikel 3, lid 11, van verordening (EEG) nr. 123/85 genoemde beperkingen niet in acht neemt of dat hij op dit punt bij het publiek verwarring doet ontstaan door de indruk te geven een wederverkoper te zijn”.
De positie van de onafhankelijke marktdeelnemers buiten de distributienetten van motorvoertuigen
31.
De door verzoeksters aangehaalde feiten (groot aantal voertuigen in voorraad, reclame waarin Massol onmiddellijke levering en nieuwe aanvoer van voertuigen belooft) volstaan op zichzelf niet om met zekerheid uit te maken, of Massol in werkelijkheid een wederverkoper van voertuigen is die geen deel uitmaakt van het „officiële” net, dan wel slechts een door de uiteindelijke kopers gemachtigde tussenpersoon. Deze vraag moet in beginsel door de nationale rechter worden beantwoord na onderzoek van de door beide partijen aangevoerde bewijzen, maar het antwoord op de prejudiciële vraag zou in beide hypothesen niet wezenlijk verschillen.
32.
Een onderneming die gewoonlijk beroepsmatig optreedt bij de verhandeling van nieuwe voertuigen kan immers een „gevolmachtigd tussenpersoon” in de zin van de verordening zijn, zonder dat factoren als een groot aantal voertuigen in voorraad, een groot aantal verrichtingen, de ontvangst van commissies, het verlenen van krediet aan klanten voor de aankoop van een voertuig, het maken van reclame voor zijn diensten, en dergelijke op zichzelf deze juridische kwalificatie op de helling kunnen zetten.
33.
In dit verband komt een bijzondere betekenis toe aan de overwegingen in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 22 april 1993 ( 7 ), waarin het ging om een door Automobiles Peugeot en Peugeot SA ingesteld beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 4 december 1991 waarbij de Commissie een circulaire waarbij Automobiles Peugeot SA haar dealers de instructie gaf de levering van voertuigen aan een onderneming die optrad als tussenpersoon voor de uiteindelijke kopers te staken, in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag verklaarde.
34.
Bij arrest van 16 juni 1994, Peugeot ( 8 ), wees het Hof de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in deze zaak af, op grond dat
„volgens de letter zelf van artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85 het voorhanden zijn van een schriftelijke opdracht de enige voorwaarde is voor de kwalificatie van een persoon als tussenpersoon.
en
(...) met betrekking tot het argument, dat het Gerecht het arrest Binon [van 3 juli 1985, zaak 243/83, Jurispr. 1985, blz.2015] zou hebben miskend, zij opgemerkt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld, dat dit arrest inzake de toepassing van artikel 85 EG-Verdrag op de betrekkingen tussen een onderneming en een handelsagent, geen toepassing vindt op het geval van een lasthebber die voor rekening van een eindgebruiker handelt, en dat het aantal opdrachten dat een beroepsmatig handelende tussenpersoon ontvangt, op zich de aard van de activiteit van de tussenpersoon niet kan wijzigen.”
35.
Bij gebreke van andere preciezere bewijzen, die logischerwijze door de verwijzende rechter moeten worden beoordeeld, is het dus mogelijk, dat de handelsactiviteit van verweerster van dien aard is, dat zij kan worden aangemerkt als die van een tussenpersoon die met een door de eindgebruikers gegeven schriftelijke volmacht voor derden nieuwe voertuigen aankoopt. In deze eerste hypothese zou de handelsactiviteit van Massol dus binnen de werkingssfeer van de verordening vallen, zodat de automobielfabrikanten noch de dealers die deel uitmaken van hun distributienet, het initiatief kunnen nemen om dergelijke ondernemersactiviteiten uit te schakelen.
36.
Daarentegen — de verwijzingsbeschikking van het Tribunal de commerce d'Albi lijkt op de tweede hypothese afgestemd;— zou het, indien de activiteit van Massol juridisch niet als de activiteit van een tussenpersoon moet worden aangemerkt, maar als die van een onafhankelijk wederverkoper (omdat zij in eerste instantie de eigendom verwerft van de goederen die zij naderhand overdraagt, en omdat zij de risico's op zich neemt die niet kenmerkend zijn voor een tussenpersoon maar wel voor een wederverkoper, alsmede de daarmee samenhangende garantieplicht) om een situatie gaan die buiten de objectieve werkingssfeer van de verordening zou vallen, omdat deze in beginsel niet ervan uitgaat dat er beroepsmatige marktdeelnemers bestaan die buiten de „officiële” distributienetten gewoonlijk nieuwe voertuigen verhandelen.
37.
Het gemeenschapsrecht staat evenwel niet eraan in de weg dat dergelijke activiteiten rechtmatig zijn. Dat zou indruisen tegen de strekking en het doel van de verordening, die de sector van de distributie van motorvoertuigen niet wil harmoniseren of met dwingende normen reglementeren, maar enkel de voorwaarden wil bepalen, waaronder sommige in beginsel onrechtmatige mededingingsbeperkende overeenkomsten bij uitzondering ( 9 ) toelaatbaar kunnen worden geacht.
38.
Met andere woorden, de verordening beperkt zich ertoe —via het rechtsinstrument van een groepsvrijstelling, die in casu veeleer een vrijstelling is voor een sector van economische activiteit — de nietigheid op te heffen van bepaalde afzetovereenkomsten tussen automobielfabrikanten en dealers, die als zodanig nietig zouden zijn omdat zij indruisen tegen de vrije mededinging. Zij heeft evenwel niet tot doel alle marktdeelnemers van de sector dwingende gedragsnormen op te leggen.
39.
Dienaangaande verldaarde het Hof in het arrest van 18 december 1986, VAG France: ( 10 )
„dat verordening nr. 123/85, als uitvoeringsverordening van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, de ondernemingen in de automobielsector enkel zekere mogelijkheden biedt om, ondanks het feit dat in hun afzet- en klantenserviceovereenkomsten bepaalde types exclusiviteitsclausules en concurrentieverboden voorkomen, voor deze bepalingen te ontkomen aan het verbod van artikel 85, lid 1. Verordening nr. 123/85 houdt voor de ondernemingen evenwel geen verplichting in om van deze mogelijkheden gebruik te maken. Evenmin wijzigt zij de inhoud van zulk een overeenkomst of brengt zij de nietigheid ervan teweeg wanneer niet aan alle voorwaarden van de verordening is voldaan.”
en
„dat verordening nr. 123/85 (...) geen dwingende voorschriften bevat die rechtstreeks van invloed zijn op de geldigheid of de inhoud van contractuele bepalingen of die de contractpartijen verplichten de inhoud van hun overeenkomsten eraan aan te passen; dat zij enkel voorwaarden vaststelt die, zo zij worden nagekomen, bepaalde contractuele bepalingen onttrekken aan het verbod en, bijgevolg, aan de nietigheid van rechtswege ingevolge artikel 85, leden 1 en 2, EEG-Verdrag (...)”
40.
Op grond van deze overwegingen is het duidelijk, dat vanuit het oogpunt van de verordening niets kan worden ingebracht tegen een onderneming die geen deel uitmaakt van een „officieel” distributienet en die zich voor eigen rekening bezighoudt met de koop en de verkoop van zowel nieuwe als tweedehands motorvoertuigen.
De inroepbaarheid van de afzetovereenkomsten tegen derden
41.
Volgens de filosofie van de verordening zijn de afzetovereenkomsten tussen automobielfabrikanten en „officiële” dealers of distributeurs van geen enkele invloed op en kunnen zij niet worden ingeroepen tegen de uitoefening van een activiteit als de hiervoor bedoelde. Deze vrije inkoop- en verkoopactiviteit kan niet worden verboden krachtens de verordening, daar deze geen dwingende normen voorschrijft voor de wijze waarop buiten de overeenkomsten staande ondernemingen concurreren, maar slechts bepaalde mededingingsbeperkende handelingen van de partijen bij deze overeenkomsten van de nietigheid ontheft.
42.
Dat betekent evenwel niet, dat de afzetovereenkomsten tussen automobielfabrikanten en dealers elke werking jegens derden ontberen: zij hebben deze werking in een specifieke zin, zoals de mogelijkheid om die overeenkomsten in te roepen om aan andere ondernemingen die geen deel uitmaken van het erkende distributienet de levering van voertuigen, onderdelen of wisselstukken te weigeren. Het zou dan gaan om een rechtmatige weigering, voor zover de verordening een uitzonderingsbehandeling toestaat voor die praktijk, die op zich indruist tegen de regels van de vrije mededinging.
43.
Het Hof heeft erkend dat de weigering om aan ondernemingen die geen deel uitmaken van het distributienet, goederen en zelfs diensten, zoals garantie, te leveren, rechtmatig is. In het arrest van 13 januari 1994, Cartier ( 11 ), verklaarde het:
„In dit verband zij erop gewezen dat een contractuele verbintenis om de garantie te beperken tot de handelaren die tot het net behoren, en geen garantie te verlenen voor goederen die door outsiders zijn afgezet, hetzelfde gevolg en dezelfde uitwerking heeft als contractuele bepalingen waarbij de verkoop aan leden van het net wordt voorbehouden. Evenals deze contractuele bepalingen is de garantiebeperking een middel voor de fabrikant om te voorkomen dat outsiders produkten waarop het systeem betrekking heeft, verkopen.
Wanneer echter de contractuele bepalingen waarbij de fabrikant zich verbindt om alleen via de erkende distributeurs te verkopen en de erkende distributeurs zich op hun beurt verbinden om alleen aan andere erkende distributeurs of aan de consument te verkopen, geoorloofd zijn, is er geen reden om voor de contractuele beperking van de garantie tot via erkende distributeurs verkochte produkten strengere maatstaven aan te leggen (...)”
44.
De rechtmatigheid van een dergelijke weigering is dus een eerste belangrijk gevolg voor derden van overeenkomsten tussen fabrikanten en erkende dealers in de automobielsector, daar deze laatste twee groepen krachtens de verordening het recht hebben die overeenkomsten te gebruiken als verdedigingsmechanisme van hun distributienet.
45.
Als rechtstreeks gevolg daarvan — bij wijze van keerzijde van hetzelfde juridische fenomeen — strekt de werking jegens derden zich ook uit tot de mogelijkheid om deze overeenkomsten in te roepen als geldig verweermiddel tegen beschuldigingen van derden, wanneer de partijen bij de overeenkomst een beperking van de mededinging proberen ten laste te leggen. Dat zou het „defensieve” aspect van de werking van overeenkomsten zijn, waardoor zij kunnen worden ingeroepen tegen ondernemingen die geen deel uitmaken van het distributienet en die als wederverkopers vrije toegang tot de produkten van het net beweren te hebben.
46.
Dit gevolg is uitdrukkelijk in aanmerking genomen in het arrest van 11 december 1980, L'Oréal ( 12 ), waarin het Hof juist de inroepbaarheid tegen derden van door de Commissie krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag verleende ontheffingen onderzocht. Het Hof verklaarde in dat arrest:
„dat een ontheffingsbeschikking krachtens artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag rechten doet ontstaan in die zin, dat partijen bij de daarin beoordeelde mededingingsregeling zich op die beschikking kunnen beroepen tegenover derden die op basis van artikel 85, lid 2, de nietigheid van de betrokken mededingingsregeling stellen”.
47.
Kortom, de door de partijen krachtens de verordening gesloten afzetovereenkomsten rechtvaardigen tegenover derden de weigering van de partijen bij die overeenkomsten om aan andere ondernemingen buiten het distributienet contractgoederen of -diensten te leveren; zij kunnen eveneens als grondslag dienen voor het verweer van de partijen tegen vorderingen of klachten van derden die krachtens het algemene beginsel van vrije mededinging de nietigheid van die overeenkomsten stellen. Zij kunnen evenwel niet als toereikend motief worden aangevoerd om aan derden buiten het distributienet de uitoefening van de onafhankelijke activiteit van de verhandeling van nieuwe voertuigen buiten het net te verbieden.
De invloed van onafhankelijke marktdeelnemers op de distributienetten
48.
In de motivering van de verwijzingsbeschikking verklaart de nationale rechter, dat „aangezien de inzet van het geding bijzonder belangrijk is, het Tribunal de verplichtingen die op de dealers rusten en die een juiste tegenhanger moeten vinden, noch het feit dat het voortbestaan van de handelaar buiten het distributienet in geding is, buiten beschouwing mag laten”. Uitgangspunt voor deze toelichting lijkt te zijn dat de toelating van onafhankelijke marktdeelnemers in de praktijk de bij de verordening voorziene regeling in het gedrang kan brengen, voor zover derden op wie niet de zwaardere verplichtingen van de „officiële” dealers rusten, daardoor vanuit een gunstiger positie met deze dealers zouden kunnen concurreren.
49.
Dit bezwaar kan worden aangevuld met het betoog van verzoeksters betreffende de — volgens hen — noodzakelijkerwijs onrechtmatige herkomst van voertuigen die worden aangekocht door verkopers of wederverkopers die geen deel uitmaken van het net. De toelating van deze voertuigen zou volgens de dealers een frauduleuze inbreuk opleveren op de afzetovereenkomsten waardoor zij met de fabrikanten gebonden zijn: de onafhankelijke marktdeelnemers zouden niet loyaal handelen, daar zij hun voertuigen slechts kunnen betrekken door een erkende dealer te overtuigen de overeenkomst te schenden of door zonder meer van die schending te profiteren.
50.
Geen van die twee bezwaren is evenwel gewichtig genoeg om de thans door mij voorgestelde uitlegging van de verordening op te geven.
51.
Wat het eerste bezwaar betreft, is het uiteraard betwistbaar dat de officiële dealers door het enkele feit dat er onafhankelijke marktdeelnemers bestaan, ten opzichte van hen in het nadeel zijn. Gewoonlijk is eerder het tegendeel waar, gelet op het belang dat de eindgebruiker hecht aan het feit dat hij kan rekenen op de rechtstreekse garantie van een fabrikant, wanneer hij met een bepaalde dealer van het officiële net te maken heeft. Anderzijds heeft de erkende dealer een bevoorrechte relatie met de fabrikant en profiteert hij van diens commercieel beleid, en deze bevoorrechte band plaatst hem in een situatie die objectief gunstiger is dan die van de onafhankelijke marktdeelnemer. De moeilijkheden die in dat verband kunnen rijzen, zullen eerder betrekking hebben op misleidende reclame door de onafhankelijke marktdeelnemers, maar hoe dan ook, indien er werkelijk sprake is van oneerlijke concurrentie — daarover moet de nationale rechter oordelen — doet dat niet af aan het algemene beginsel dat het bestaan van onafhankelijke verkopers buiten het net gunstig gezind is.
52.
Opdat het tweede bezwaar in aanmerking zou kunnen worden genomen, zou het nodig zijn dat de verordening de distributienetten van motorvoertuigen verplicht „sluitend” te zijn, dat wil zeggen dat vreemde elementen of personen niet in het net kunnen doordringen, zoals in sommige andere nationale rechtsstelsels mogelijk is. Nog afgezien van het feit dat de verordening geen verplicht distributie-„stelsel” wil invoeren, kan het criterium dat het net sluitend moet zijn evenwel niet worden beschouwd als een geldigheidsvereiste voor het bestaan van het net in de zin van de verordening.
53.
Het Hof heeft zich in deze zin uitgesproken in het arrest van 13 januari 1994, Cartier ( 13 ), dat betrekking had op een prejudiciële verwijzing inzake een systeem van — in die zaak selectieve — distributie waarbinnen een zekere bevoorrading van buitenaf plaats vond. Het Hof overwoog:
„Wanneer bovendien voor de geldigheid van een selectief distributiesysteem, wat artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag betreft, als voorwaarde wordt gesteld dat het sluitend is, dan zou dit, zoals de Commissie juist heeft gezien, tot paradoxaal gevolg hebben, dat de meest rigide en gesloten selectieve distributiesystemen voor artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag gunstiger worden beoordeeld dan distributiesystemen die soepeler zijn en meer voor nevenhandel openstaan.
Ten slotte kan de erkenning van de geldigheid van een selectief distributienet op de gemeenschappelijke markt reeds daarom niet ervan afhangen of de fabrikant kan garanderen dat zijn net overal sluitend is, omdat de wetgeving van bepaalde derde landen de verwezenlijking van dit doel kan bemoeilijken of zelfs verhinderen.
Uit een en ander volgt, dat in het gemeenschapsrecht voor de geldigheid van een selectief distributiesysteem niet als voorwaarde kan gelden, dat dit systeem sluitend is.”
54.
Niet kan worden uitgesloten dat de onafhankelijke marktdeelnemers op rechtmatige wijze aan hun voertuigen komen. In casu gaat de verwijzende rechter daarvan uit, omdat zijn vraag berust op de premisse dat „een onafhankelijk wederverkoper erin slaagt, op geoorloofde wijze binnen het distributienet nieuwe voertuigen te betrekken”. De nationale rechter dient dit te beoordelen met inachtneming van de in het hoofdgeding bewezen feiten en na onderzoek van de leveringsmechanismen waarvan in elk geval gebruik wordt gemaakt,
55.
De rechtmatigheid van de wijze waarop de onafhankelijke marktdeelnemers motorvoertuigen betrekken is dus niet een probleem, maar een feit dat in deze zaak als vaststaand moet worden beschouwd. Voor de beantwoording van de prejudiciële vraag behoeft het Hof zich dus niet te buigen over de details van de systemen die verweerster in het hoofdgeding kan gebruiken of daadwerkelijk gebruikt. Dit zou een onderzoek van het fenomeen van parallelimporten ( 14 ), van de afwending van oorspronkelijk voor de verhuur bestemde „nieuwe” voertuigen naar particulieren, of van enige andere alternatieve bevoorradingsbron vergen, alles kwesties die buiten het kader vallen van hetgeen het antwoord van het Hof dient te zijn op een vraag die door de verwijzende rechter in precieze termen is gesteld met betrekking tot voertuigen die een onafhankelijk wederverkoper op geoorloofde wijze heeft betrokken.
Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Tribunal de commerce d'Albi te beantwoorden als volgt:
„Krachtens verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, kunnen die overeenkomsten tegen derden worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de weigering van de partijen bij die overeenkomsten om aan andere ondernemingen buiten het distributienet contractgoederen of -diensten te leveren, of als basis om verweer te voeren tegen vorderingen of klachten van derden die krachtens het algemene beginsel van vrije mededinging de nietigheid van die overeenkomsten stellen. Deze verordening kan evenwel niet als toereikend motief worden aangevoerd om aan ondernemingen die geen deel uitmaken van het distributienet, ook wanneer zij geen ‚gevolmachtigd tussenpersoon’ van de eindgebruikers zijn, de uitoefening van de onafhankelijke activiteit van de verhandeling van nieuwe of tweedehandse voertuigen buiten het net te verbieden. De nationale rechter dient per geval uit te maken, of de wijze waarop de onafhankelijke marktdeelnemers de door hen verhandelde motorvoertuigen betrekken, rechtmatig is.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 1 ) PB 1985, L 15, blz. 16.
( 2 ) PB 1991, C 329, blz. 20.
( 3 ) Een gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar die de rechterlijke maciit bijstaat en die onder meer op verzoek van particulieren of in opdracht van de gerechten waarvan hij afhangt, vaststellingen kan doen.
( 4 ) Verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 1965, blz. 533).
( 5 ) Verordening (EG) nr, 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3j van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1995, L 145, blz. 25).
( 6 ) 85/C 17/03, PB 1984, C 17, blz. 4.
( 7 ) ZaakT-9/92, Peugeot, Jurispr. 1993, blz. II-493.
( 8 ) Zaak C-322/93 P, Jurispr. 1994, blz. I-2727, r. o. 32 en 34.
( 9 ) Zie met betrekking tot de noodzaak om de in de verordening voorziene uitzonderingen niet ruim uit te leggen de arresten van 24 oktober 1995 (zaak C-266/93, Volkswagen en VAG Leasing, Jurispr. 1995, blz. I-3477, en zaak C-70/93, Bayerische Motorenwerke, Jurispr. 1995, blz. I-3439).
( 10 ) Zaak 10/86, Jurispr. 1986, blz. 4071, r. o. 12 en 16.
( 11 ) Zaak C-376/92, Jurispr. 1994, blz. 1-15, r. o. 32 en 33.
( 12 ) Zaak 31/80, Jurispr. 1980, blz. 3775, r. o. 23.
( 13 ) Zie voetnoot 11, r. o. 26-28.
( 14 ) Over de geldigheid van parallelimport door lasthebbers en wederverkopers is een prejudiciële vraag van het Tribunal de commerce de Lyon in zaak C-309/94 (Nissan France e. a. Jurispr. 1996, blz, I-677), waarin ik vandaag eveneens conclusie neem.
Full & Egal Universal Law Academy