CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 1 februari 1996 ( *1 )
1.
In de onderhavige zaak wordt het Hof gevraagd om uitlegging van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Statcn inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag ( 1 ) (hierna: „Zesde richtlijn”), in het bijzonder de artikelen 5, 6 en 9 van die richtlijn.
I — Het geschil
2.
Verzoekster in het hoofdgeding, Faaborg-Gclting Linien A/S (hierna: „verzoekster”), gevestigd te Faaborg, Denemarken, is een vennootschap naar Deens recht, die een veerboot exploiteert die op de lijn Faaborg-Gelting de verbinding tussen Duitsland en Denemarken onderhoudt. Tijdens de vaart worden aan de passagiers spijzen en dranken verstrekt voor nuttiging ter plaatse. Verzoekster had de inkomsten uit de verstrekking van spijzen en dranken op het schip niet vermeld in haar aangiften omzetbelasting over de jaren 1984-1989.
3.
Verzoekster meent, dat deze verstrekking van spijzen en dranken aan de passagiers van de veerboot als een dienstverrichting is aan te merken en dat dus ingevolge §3a, lid 1, van het Duitse Umsatzsteuergesetz (Duitse wet op de omzetbelasting, hierna: „UStG”) van 1980, dat uitvoering geeft aan artikel 9 van de Zesde richtlijn, de plaats waar de onderneming haar zetel heeft, in casu Denemarken, in aanmerking moet worden genomen als plaats waar deze diensten zijn verricht. De Duitse belastingdienst legde cen aanslag in de omzetbelasting op ter zake van de inkomsten uit de verstrekking van de spijzen en dranken, stellende dat volgens de Duitse wet op de omzetbelasting (§ 1, lid 1, sub 1, eerste streepje, en lid 3, sub 1, en § 3, leden 1 en 6, UStG) het verstrekken van spijzen en dranken aan passagiers levering van goederen is, die moet worden belast op de plaats van levering. Zowel het bezwaarschrift als het beroep van verzoekster tegen deze aanslagen in de omzetbelasting werden verworpen. Daarop stelde verzoekster beroep in Revision in bij het Bundesfinanzhof, dat het nodig oordeelde, krachtens artikel 177 EG-Vcrdrag prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
II — De prejudiciële vragen
4.
De Vijfde Senaat van het Bundesfinanzhof heeft het Hof bij beschikking van 3 mei 1994 ( 2 ) verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Welke regelingen kent de Zesde richtlijn (77/388/EEG) voor de belastingheffing ter zake van de verstrekking van spijzen voor nuttiging ter plaatse (restaurantverrichtingen)?
2)
Bij ontbreken van een dergelijke regeling: welke gemeenschapsrechtelijke regeling geldt voor restaurantverrichtingen aan boord van een vervoermiddel, dat zich beweegt tussen Lid-Staten met onderling verschillende nationale regelingen inzake de plaats waar die verrichtingen moeten worden belast?
3)
Bij ontbreken van een gemeenschapsrechtelijke regeling: kunnen de afzonderlijke Lid-Staten hun onderling verschillende regelingen met betrekking tot restaurantverrichtingen respectievelijk de plaats waar de prestatie wordt verricht, handhaven wanneer zij door middel van afspraken dubbele heffing ter zake van deze verrichtingen in concrete gevallen vermijden?”
5.
Over deze vragen valt in de eerste plaats op te merken, dat bovenbedoelde verrichtingen op de veerboot onder de regeling van de Zesde richtlijn vallen. Op dit punt bestaat rechtspraak. In een eerdere zaak had het Hof immers reeds gelegenheid zich bezig te houden met de problemen rond de toepassing van de Zesde richtlijn op activiteiten op een schip, dat een lijndienst onderhield tussen twee Lid-Staten. ( 3 ) Zoals de Commissie en de Lid-Staten die opmerkingen hebben ingediend, Duitsland, Nederland en Italië, beklemtonen, zijn de tweede en de derde vraag zonder voorwerp omdat zij van de opvatting uitgaan, dat de betrokken verrichtingen niet binnen de werkingssfeer van enigerlei regeling van gemeenschapsrecht vallen. Derhalve behoeven die vragen geen antwoord. Wat de eerste vraag betreft, blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeschikking, dat in dit geschil wezenlijke vragen omtrent de uitlegging van de artikelen 5, 6, 8 en 9 van de richtlijn aan de orde komen. Eerst en vooral rijst de vraag naar de kwalificatie van de litigieuze activiteit; vervolgens rijst de vraag, welke plaats in aanmerking moet worden genomen als plaats waar de betrokken belastbare handeling is verricht, dat wil zeggen de plaats waar de spijzen en dranken worden verstrekt.
6.
Eveneens dient te worden vermeld, dat het Hof de Duitse regering en de Commissie bij schrijven van 3 oktober 1995 vragen heeft gesteld met betrekking tot de plaats waar de door verzoekster geëxploiteerde veerboot is geregistreerd en omtrent de geografische werkingssfeer van het UStG. Uit de antwoorden blijkt: a) dat de veerboot is ingeschreven in het scheepsregister in de haven van Faaborg in Denemarken, en b) dat de internationale alsook de territoriale wateren in beginsel niet onder de geografische werkingssfeer van de Duitse BTW-wetgeving vallen. Niettemin worden commerciële handelingen die binnen de territoriale wateren jegens eindverbruikers worden verricht, geacht plaats te vinden op het grondgebied waar die wetgeving van toepassing is, en zijn zulke handelingen derhalve voor de BTW belastbaar.
III — De relevante wetgeving en rechtspraak
7.
Met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk BTW-stelsel binnen de Gemeenschap, verplicht de Zesde richtlijn de Lid-Statcn, de nationale BTW-stclscls aan te passen aan de in de richtlijn neergelegde gemeenschappelijke regels. Die regels betreffen onder meer de vaststelling van de plaats van de belastbare handelingen, welke vaststelling volgens de zevende overweging van de considerans nodig is ter vermijding van compctcntieconflicten tussen de Lid-Staten.
8.
Zo schrijft artikel 2, lidi, van de Zesde richtlijn de Lid-Staten voor om de „leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht” met BTW te belasten. Artikel 3, lid \, van de Zesde richtlijn bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn komt het ‚binnenland’ overeen met de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap zoals die in artikel 227 voor elke Lid-Staat is omschreven.” Zoals het Hof overwoog in het reeds aangehaalde arrest Berkholz, „valt het toepassingsgebied van de richtlijn voor elke Lid-Staat samen met het toepassingsgebied van de betrokken fiscale wettelijke regeling”. ( 4 ) De artikelen 5 en 6 van de richtlijn definiëren de begrippen „levering van goederen” en „diensten”. Artikel 5, lidi, bepaalt: „Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.” Het begrip „dienst” wordt in artikel 6 van de richtlijn gedefinieerd als volgt: „Als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.”
9.
De artikelen 8 en 9 van de richtlijn bevatten bepalingen ter vaststelling van de plaats van de belastbare handelingen. Voor de levering van goederen is die plaats volgens artikel 8 de plaats van levering van die goederen. Als plaats van een dienst wordt volgens artikel 9, lid 1, Zesde richtlijn aangemerkt de plaats waar de dienstvcrrichtcr de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats. De regel is dus, dat in geval van dienstverrichting de BTW-wetgeving van de Lid-Staat van toepassing is waarmee de dienstverrichter een nauwe geografische band heeft. Voor de bepaling van die band hanteert het voorschrift twee hoofdaanknopingspunten en één secundair aanknopingspunt.
10.
Met betrekking tot die bepaling overwoog het Hof: „Ter voorkoming van bevoegdheidsgeschillen in het geval waarin een dienstverrichting onder de rechtsorde van meer dan één Lid-Staat valt, stelt artikel 9, lid 1, in afwijking van het strikte territorialiteitsbeginsel, als algemene regel dat als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht.” ( 5 )
11.
Bij de uitlegging van de onderhavige bepaling heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Berkholz beslist, dat uit fiscaal oogpunt het meest bruikbare aanknopingspunt voor een bepaalde dienstverrichting „de plaats [is] waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd (...) daar het in aanmerking nemen van een andere inrichting van waaruit de dienst wordt verricht, slechts van belang is in geval de zetel ter zake niet tot een fiscaal rationele oplossing leidt of een conflict met een andere Lid-Staat doet ontstaan”. ( 6 ) In hetzelfde arrest overweegt het Hof, dat „uit het onderlinge verband tussen de in artikel 9 gebruikte begrippen en uit het hiervoren vermelde doel van deze bepaling blijkt, dat slechts kan worden overwogen een andere inrichting dan de zetel aan te merken als plaats waar de dienst wordt verricht, indien de inrichting een zekere bestendigheid vertoont, doordat zij duurzaam over het personeel en de technische middelen beschikt die voor bepaalde diensten noodzakelijk zijn”. ( 7 ) In artikel 9, lid 1, valt de plaats waar de dienst wordt verricht en daarmee de plaats van belastingheffing dus samen met de plaats van vestiging van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming die de betrokken diensten verricht. Die plaats biedt volgens het hierboven aangehaalde arrest uit fiscaal oogpunt het meest bruikbare aanknopingspunt. Dit betekent dat volgens de onderhavige bepaling de op dienstverrichtingen toe te passen belastingwetgeving in beginsel die is van de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsactiviteiten heeft.
12.
In verband met de uitlegging van de bepalingen van de Zesde richtlijn verdient eveneens vermelding, dat de in de richtlijn gebruikte begrippen een gemeenschapsrechtelijke betekenis hebben en daarom uniform moeten worden uitgelegd, opdat uitleggingsverschillen tussen de Lid-Staten, die zouden kunnen leiden tot dubbele belasting of het achterwege blijven van belastingheffing, worden vermeden. ( 8 ) Het gebod van uniforme uitlegging wordt aangevuld door het gebod van rechtszekerheid en voorzienbaarheid, waaraan volgens vaste rechtspraak van het Hof streng de hand moet worden gehouden bij een regeling die, zoals de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake BTW, financiële gevolgen kan hebben, opdat de belanghebbenden nauwkeurig de omvang van de op hen rustende verplichtingen kunnen kennen. ( 9 ) Het antwoord op de prejudiciële vragen moet in het licht van deze bepalingen en beginselen uit de rechtspraak worden gegeven.
IV — Beantwoording van de prejudiciële vragen
13.
In de onderhavige zaak gaat het in wezen om de vraag, welke BTW-wetgeving moet worden toegepast op verrichtingen, bestaande in de verstrekking van spijzen en dranken voor nuttiging ter plaatse, op een veerboot die een lijndienst tussen Denemarken en Duitsland onderhoudt. Ter beantwoording van deze vraag dient eerst de vraag te worden onderzocht, of deze verstrekking moet worden gekwalificeerd als levering van goederen of als verrichting van diensten, in de zin van de reeds genoemde bepalingen van de Zesde richtlijn. Vervolgens moet, aan de hand van deze kwalificatie, de plaats worden vastgesteld waaraan die verrichting in fiscaal opzicht vast te knopen is.
Kwalificatie van de verrichting, bestaande in de verstrekking van spijzen en dranken op een schip
14.
Om te kunnen onderscheiden tussen de begrippen „levering van goederen” en „dienstverrichting”, moet worden nagegaan wat het hoofdkenmerk en wat het secundaire kenmerk is van de betrokken activiteit.
Steeds wanneer de onderneming tijdens de vaart aan de passagiers van de veerboot spijzen en dranken uitreikt tegen betaling van een bepaalde prijs, zonder dat daarbij extra diensten worden verleend, gaat het om „levering van goederen”, aangezien het hoofdkenmerk van de bewuste activiteit de verstrekking van spijzen en dranken is, waarop de passagiers het ook alleen hadden voorzien.
Wanneer daarentegen, zoals in casu het geval schijnt te zijn, de verstrekking van spijzen en dranken aan de passagiers van de veerboot gepaard gaat met nog andere diensten, die moeten zorgen voor een comfortabele gelegenheid tot consumptie van die spijzen en dranken op het schip (dus in de vorm van een restaurantvoorziening), dan vormen, die diensten het belangrijkste kenmerk van de betrokken activiteit, ook al omvat deze de verstrekking van spijzen en dranken. In dat geval wordt de tegenprestatie voornamelijk voor die diensten verricht en gaat het om „dienstverrichting”.
15.
Deze kwalificatie wordt bovendien bevestigd door de „International Standard Industrial Classification” (ISIC), opgesteld door het bureau voor de statistiek van de Verenigde Naties ( 10 ), waarin het restaurant en cafébedrijf (groep 852) in hoofdgroep ex 85 in de rubriek „persoonlijke diensten” wordt ingedeeld. Deze classificatie van de litigieuze activiteiten geldt ook voor het gemeenschapsrecht, omdat zij is overgenomen in de twee algemene programma's die de Raad in 1961 heeft ontwikkeld voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging. ( 11 ) Die internationale classificering vormt voorts, ook volgens de rechtspraak van het Hof, thans een onlosmakelijk deel van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder van de hierboven genoemde programma's en van de gemeenschappelijke maatregelen ter uitvoering van die programma's. ( 12 )
16.
Dan is er richtlijn 68/367/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 ( 13 ) betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de persoonlijke diensten ressorteren, meer concreet de diensten in restaurants en slijterijen en hotels en dergelijke inrichtingen. Artikel 2, lid 2, van deze richtlijn bepaalt: „Werkzaamheden welke, in de zin van deze richtlijn onder de groep 852 ISIC (restaurants en slijterijen) ressorteren, zijn werkzaamheden verricht door iedere natuurlijke persoon of vennootschap die er zijn (haar) beroep van maakt op eigen naam en voor eigen rekening geregeld in een of meer door hem (haar) gehouden bedrijven bereide voedingsmiddelen of dranken voor gebruik ter plaatse te leveren. De bepalingen van deze richtlijn zijn eveneens van toepassing op de levering van maaltijden die worden gebruikt buiten het bedrijf waar zij werden bereid.” Het is dus duidelijk, dat de litigieuze activiteit volgens het gemeenschapsrecht als dienstverrichting moet worden aangemerkt.
17.
Bovendien merk ik op, dat richtlijn 92/1 Il/EEG van de Raad van 14 december 1992 ( 14 ) tot wijziging van de Zesde richtlijn, een bepaling bevat waaruit indirect maar duidelijk blijkt, dat de gemeenschapswetgever restaurantverrichtingen aan boord van een vervoermiddel als dienstverrichtingen beschouwt. Artikel 1, lid 4, van deze richtlijn bepaalt: „Uiterlijk op 30 juni 1993 legt de Commissie aan de Raad een verslag voor, dat eventueel vergezeld gaat van passende voorstellen, over de plaats van belastingheffing op leveringen van voor verbruik aan boord bestemde goederen en op diensten, met inbegrip van restauratie, die worden verleend aan passagiers aan boord van een schip, vliegtuig of trein.”
Plaats van heffing van de BTW
18.
Wordt de verstrekking van spijzen en dranken aan boord van een schip gekwalificeerd als dienstverrichting, dan komen die diensten daardoor uit fiscaal oogpunt te vallen onder de wetgeving van de plaats waar zich de zetel van de bedrijfsactiviteit van de dienstverrichter bevindt, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn. In casu is deze verstrekking dus belastbaar in Denemarken, waar zich de zetel bevindt van de vennootschap die de veerboot die de lijn Faaborg-Gclting onderhoudt, exploiteert.
19.
De Commissie en de Duitse regering merken op, dat wanneer het Hof de litigieuze activiteit als dienstverrichting zou aanmerken, dan als plaats van dienstverrichting in aanmerking zou moeten worden genomen de plaats van de vaste inrichting van de dienstverrichter, en wel omdat aanknoping van de litigieuze activiteit aan de zetel van de dienstverrichter tot fiscale compctentieconflicten tussen Lid-Statcn zou leiden, aangezien in sommige wetgevingen, waaronder de Duitse, de litigieuze activiteit als levering van goederen wordt aangemerkt, terwijl zij in andere, waaronder de Deense, als dienst wordt aangemerkt. De Commissie en de Duitse regering achten het voorts aannemelijk, dat er voor de litigieuze verrichtingen een vaste inrichting op de veerboot aanwezig is. Een restaurantbedrijf op een schip voldoet immers aan de criteria zoals geformuleerd in het arrest Berkholz, dat verlangt dat de betrokken inrichting ten minste op min of meer duurzame basis over het personeel en de technische middelen beschikt die voor de betrokken diensten noodzakelijk zijn. ( 15 )
20.
Deze zienswijze kan niet worden gevolgd, omdat volgens de rechtspraak van het Hof een vaste inrichting niet in aanmerking kan worden genomen, wanneer de zetel van de bedrijfsactiviteit van de dienstverrichter een bruikbaar aanknopingspunt is voor de belastingheffing. Ik herinner eraan, dat volgens de hierboven aangehaalde rechtspraak de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, uit fiscaal oogpunt de voorkeur lijkt te verdienen. ( 16 ) Aanknoping van de belastbare dienstverrichting aan een inrichting van de dienstverrichter is slechts relevant, indien aanknoping bij de zetel niet tot een fiscaal rationele oplossing leidt of een competentieconflict met een andere Lid-Staat doet ontstaan. In casu bestaat er geen gevaar voor een competentieconflict tussen Lid-Statcn doordat de zetel van de dienstverrichter het aanknopingspunt voor de litigieuze dienstverrichting vormt, maar doordat door de belastingwetgeving van twee Lid-Statcn aan dezelfde activiteit verschillende kwalificaties worden gegeven. Een dergelijk verschil in kwalificatie en een daaruit voortvloeiend competentieconflict kunnen evenwel worden vermeden, wanneer de bewuste activiteit wordt gekwalificeerd op basis van een uniforme gemeenschappelijke uitlegging van het begrip „diensten” in de zin van artikel 9 van de Zesde richtlijn.
21.
Door aan te nemen, dat zich op een veerschip een vaste inrichting bevindt, kan de onderhavige vraag bovendien niet bevredigend worden beantwoord. Een dergelijke oplossing leidt tot praktische problemen rond de vaststelling van de successieve plaatsen van de dienstverrichting, indien een veerboot een verbinding tussen twee of meer Lid-Staten onderhoudt, omdat het schip op zijn route achtereenvolgens de territoriale wateren van de Lid-Staat van vertrek, vervolgens de internationale wateren en ten slotte de territoriale wateren van de Lid-Staat van bestemming aandoet.
22.
In dat geval zou de omvang van de uitgevoerde restaurantverrichtingen voor ieder deel van de route van het schip moeten worden geschat, om de daarover verschuldigde BTW te heffen overeenkomstig de voor dat deel van de route geldende wetgeving. Een dergelijke oplossing brengt aanzienlijke praktische problemen met zich mee en houdt het gevaar in van verschillende schattingen door de respectieve bevoegde nationale belastingdiensten. Ik geloof dus niet, dat deze oplossing tot een rationele afbakening van de werkingssfeer van de wetgevingen van de Lid-Staten leidt.
23.
Wordt in gevallen als het onderhavige toch uitgegaan van de aanwezigheid van een vaste inrichting op het schip, dan moet die inrichting in verband worden gebracht met het territorium van de Lid-Staat waarmee de inrichting op het schip een voldoende nauwe aanknoping heeft. Dat criterium is overigens ook in de rechtspraak van het Hof in gelijksoortige gevallen gebruikt, zoals het geval van de onderdaan van een Lid-Staat, die op duurzame basis in loondienst werkzaam is op een schip dat in een andere Lid-Staat is geregistreerd. In het arrest van 27 september 1989 ( 17 ) oordeelde het Hof, dat een Portugees onderdaan die in loondienst werkzaam is aan boord van een onder de Nederlandse vlag varend schip, moet worden geacht in Nederland werkzaam te zijn, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van die Lid-Staat heeft. De vraag of een dergelijke aanknoping aanwezig is, moet -worden beoordeeld aan de hand van factoren als: in welke haven is het schip geregistreerd, waar heeft de maatschappij haar zetel, is de werknemer onderworpen aan de sociale-zekerheidswetgeving en de inkomstenbelasting van de betrokken Lid-Staat.
De consequentie van dit criterium zou zijn, dat de dienstverrichting tijdens de vaart van het schip wordt belast in de Lid-Staat waarmee de inrichting op het schip een nauwe aanknoping heeft. In het onderhavige geval zou dan de Deense belastingwetgeving toepassing vinden, aangezien de veerboot is ingeschreven in een Deense haven en de maatschappij in dat land haar zetel heeft.
V — Conclusie
24.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
„De verstrekking van dranken en spijzen voor consumptie ter plaatse, welke gepaard gaat met restaurantdiensten, op een veerboot die een lijndienst onderhoudt tussen twee Lid-Staten, is een dienstverrichting in de zin van de artikelen 6, lid 1, en 9, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977. Deze dienstverrichting wordt belast in de Lid-Staat waar zich de zetel van de bedrijfsactiviteit van de dienstverrichter bevindt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) PB 1977, L 145, blz. 1.
( 2 ) PB 1994, C 288, biz. 2.
( 3 ) Zic arrest van 4 april 1985 (zaak 168/84, Berkholz, Jurispr. 1985, blz. 2251), dat handelde over de exploitatie van speelautomaten aan boord van een veerboot die een geregelde dienst tussen een Duitse en een Deense haven onderhield.
( 4 ) R. o. 16 van het arrest Berkholz. reeds aangehaald.
( 5 ) Arrest van 23 januari 1986 (zaak 283/84, Trans Tirreno Express, Jurispr. 1986, blz. 231, r. o. 15).
( 6 ) R. o. 17 van het arrest Berkholz, reeds aangehaald.
( 7 ) R. o. 18 van het arrest Berkholz, reeds aangehaald.
( 8 ) Zie arresten van 17 november 1993 (zaak C-68/92, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1993, blz.. I-5881; zaak C-69/92, Commissie/Luxemburg, ibidem, blz. I-5907, en zaak C-73/92, Commissie/Spanje, ibidem, blz. I-5997).
( 9 ) Zie arrest van 13 maart 1990 (zaak C-30/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1990, blz. I-691, r. o. 23), Zie ook arresten van 15 december 1987 (zaak 326/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5091, r. o. 24) en 22 februari 1989 (gevoegde zaken 92/87 en 93/87, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1989, blz. 405, r. o. 22).
( 10 ) Bureau voor de statistiek van de Verenigde Naties, serie M, nr. 4, rev. 1, New York, 1958.
( 11 ) PB 1962, blz. 32 en 36.
( 12 ) Arrest van 18 januari 1979 (gevoegde zaken 110/78 en 111/78, Van Wcscmacl, Jurispr. 1979, blz. 35).
( 13 ) PB 1968, L 260, blz. 16.
( 14 ) PB 1992, L 384, blz. 47.
( 15 ) R. o. 18 van het arrest Berkholz, reeds aangehaald.
( 16 ) Zie r. o. 17 van het arrest Berkholz, reeds aangehaald.
( 17 ) Zaak 9/88 (Lopes da Veiga, Jurispr. 1989, blz. 2989). Zie ook de rechtspraak volgens welke beroepswerkzaamheden die buiten het grondgebied van de Gemeenschap worden uitgeoefend, te beschouwen zijn als werkzaamheden die worden uitgeoefend door werknemers die op het grondgebied van een Lid-Staat in loondienst zijn, wanneer een voldoende nauw verband met dat grondgebied bestaat; arresten van 12 december 1974 (zaak 36/74, Walravc, Jurispr. 1974, blz. 1405, r. o. 27 en 28) en 12 juni 1984 (zaak 237/83, Prodest, Jurispr. 1984, blz. 3153, r. o. 5 tot en met 7).
Full & Egal Universal Law Academy