CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 8 juni 1995 ( *1 )
1.
In liet onderhavige beroep, ingesteld krachtens artikel 169 van het Verdrag, verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat Ierland zijn verplichting om richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit ( 1 ), en richtlijn 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 tot wijziging van richtlijn 89/336/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit ( 2 ) (hierna: „de richtlijnen”) in nationaal recht om te zetten, niet is nagekomen.
2.
Artikel 12, lid 1, van richtlijn 89/336 bepaalde in zijn oorspronkelijke versie:
„De Lid-Staten dienen vóór 1 juli 1991 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis.
Zij passen deze bepalingen toe vanaf 1 januari 1992.”
Bij artikel 1, sub 2, van richtlijn 92/31 werd aan die bepaling de volgende alinea toegevoegd:
„De Lid-Staten laten evenwel, gedurende de periode tot en met 31 december 1995, het in de handel brengen en/of het in gebruik nemen toe van apparaten die onder deze richtlijn vallen en die voldoen aan de op 30 juni 1992 op hun grondgebied geldende nationale voorschriften.”
Artikel 2 van richtlijn 92/31 bepaalt:
„De Lid-Staten dragen zorg voor aanneming en bekendmaking van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en maken deze bekend, om uiterlijk drie maanden na de aanneming aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.
Zij passen deze bepalingen uiterlijk zes maanden na de aanneming van deze richtlijn toe.”
3.
Na het verstrijken van bovengenoemde termijnen richtte de Commissie op 14 oktober 1992 een aanmaningsbrief aan de Ierse regering om haar eraan te herinneren, dat zij tot dan toe nog niet in kennis was gesteld van enige maatregel tot omzetting van de richtlijnen en ook anderszins niet over informatie in deze aangelegenheid beschikte, en verzocht zij haar binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de brief haar opmerkingen kenbaar te maken.
4.
Op 2 juli 1993 bracht de Commissie een met redenen omkleed advies uit, waarin zij Ierland verzocht binnen twee maanden na ontvangst daarvan de nodige maatregelen te nemen om aan de richtlijnen te voldoen.
5.
Op 30 augustus 1994 stelde de Commissie bij ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep in.
6.
In zijn verweerschrift ontkent Ierland niet, dat het de nodige maatregelen voor de omzetting van de richtlijnen nog niet in werking heeft doen treden; het voert enkel aan, dat de uitvaardiging van ministeriële verordeningen („Ministerial Regulations”) ter regeling van deze aangelegenheid op handen is.
7.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een Lid-Staat zich niet ten exceptieve beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door het EG-Verdrag of communautaire richtlijnen voorgeschreven verplichtingen of termijnen. ( 3 )
8.
Uit het bovenstaande volgt, dat nu Ierland de richtlijnen niet in nationaal recht heeft omgezet, de door de Commissie gewraakte niet-nakoming is komen vast te staan.
9.
In de aanhef van het verzoekschrift schijnt ook sprake te zijn van niet-nakoming wegens het feit dat maatregelen tot omzetting van de richtlijn niet aan de Commissie werden medegedeeld. Ook al zou uit het verzoekschrift op te maken zijn, dat de vaststelling van ook deze laatstbedoelde niet-nakoming wordt gevraagd, dan kan onderzoek van dit laatste punt achterwege blijven, omdat Ierland deze bepalingen hoe dan ook niet binnen de gestelde termijn heeft vastgesteld. ( 4 )
Conclusie
10.
Ik geef het Hof derhalve in overweging,
1)
vast te stellen dat Ierland, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit, en richtlijn 92/31/EEG van de Raad van 28 april 1992 tot wijziging van richtlijn 89/336/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit, in nationaal recht om te zetten, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 12, lid 1, respectievelijk artikel 2, lid 1, van voornoemde richtlijnen en artikel 189, derde alinea, EG-Verdrag, en
2)
Ierland in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) PB 1989, L 139, blz. 19.
( 2 ) PB 1992, L 126, blz. 11.
( 3 ) Zie arresten van 18 mei 1994 (zaak C-303/93, Commissie/Italië, Jurispr. 1994, blz. I-1901), 28 september 1994 (zaak C-65/94, Commissie/België, Jurispr. 1994, blz. I-4627), 15 december 1994 (zaak C-94/94, Commissie/Spanje, Jurispr. 1994, blz. I-5777), 19 januari 1995 (zaak C-66/94, Commissie/België, Jurispr. 1995, blz. I-149), 23 maart 1995 (zaak C-365/93, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1995, blz. I-499) en 6 april 1995 (zaak C-147/94, Commissie/Spanje, Jurispr. 1995, blz. I-2015).
( 4 ) Zie bij voorbeeld de reeds aangehaalde arresten van 18 mei 1994 (zaak C-303/93, Commissie/Italië, r. o. 6), 23 maart 1995 (zaak C-365/93, Commissie/Griekenland, r. o. 12) en 6 april 1995 (zaak C-147/94, Commissie/Spanje, r. o. 7).
Full & Egal Universal Law Academy