CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 7 mei 1996 ( *1 )
1.
In de onderhavige zaak verzoekt de Franse Republiek om nietigverklaring van een beschikking, waarin de Commissie vaststelt, dat bepaalde tegemoetkomingen van de staat in de kosten, verbonden aan ontslagen en een uit een herstructurering voortvloeiende omschakeling, staatssteun zijn, ofschoon zij voor de in artikel 92, lid 3, sub c, EG-Verdrag bedoelde afwijking in aanmerking komen. De Franse regering betoogt, dat de Commissie een rechtsdwaling heeft begaan, door te overwegen, dat het voor de vaststelling van steun volstaat, dat over overeenkomsten, zoals die krachtens welke de beweerde steun is toegekend, is onderhandeld met de betrokken ondernemingen, en dat de eraan verbonden kosten kunnen variëren. Meer in het algemeen betoogt de Franse regering, dat de betrokken maatregelen, die volgens haar van toepassing zijn, ongeacht de rechtsvorm, omvang, vestigingsplaats en produkticsector van de betrokken ondernemingen, algemene maatregelen zijn, die niet bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties begunstigen, en die uitsluitend aan de door de economische herstructurering getroffen werknemers ten goede komen.
2.
Subsidiair voert de Franse regering aan, dat de Commissie haar standpunt ten aanzien van maatregelen als die in geding heeft gewijzigd, en dat haar huidige houding ongunstige gevolgen zou hebben voor het tewerkstellingsbeleid.
De bepalingen van het Verdrag
3.
Artikel 92, lid 1, van het Verdrag bepaalt:
„Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produktics vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt.”
4.
Artikel 92, lid 3, noemt een aantal types van steunmaatregelen, die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd, waaronder
„c)
steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (...)”.
5.
Artikel 93, lid 3, bepaalt:
„De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht (...)”
De nationale wettelijke regeling
6.
De Franse Code du travail verlangt, dat een werkgever ontslagvergoedingen betaalt en ten minste bepaalde regelingen treft om de wederindienstneming te vergemakkelijken van werknemers die zijn ontslagen om economische redenen, als in die code gedefinieerd. ( 1 )
7.
Wanneer een onderneming met ten minste vijftig werknemers zich voorneemt, in een periode van dertig dagen ten minste tien werknemers te ontslaan, voorziet de wet in een aanvullende verplichting, namelijk het opstellen van een sociaal plan. ( 2 ) Het plan moet worden gericht aan de administratieve autoriteiten, die voorstellen kunnen doen om het aan te vullen of te wijzigen, rekening houdend met de financiële situatie van de onderneming. Het plan moet proberen, ontslagen te voorkomen of in aantal te beperken, en voorzien in maatregelen die verder gaan dan voornoemde minimumregelingen, om de wederindienstneming te vergemakkelijken van bepaalde werknemers, van wie het ontslag niet kan worden voorkomen. De wet schrijft niet voor, dat bepaalde maatregelen in het sociaal plan moeten worden opgenomen, maar geeft als voorbeelden van mogelijke maatregelen ( 3 ) programma's voor interne of externe herintegratie in het arbeidsproces, opleidingsprogramma's, het scheppen van nieuwe activiteiten, en maatregelen tot verkorting of aanpassing van de arbeidsduur.
8.
Tot de maatregelen die in het sociaal plan kunnen worden opgenomen, behoren bepaalde types overeenkomsten, die krachtens een akkoord tussen de onderneming en de overheidsinstelling Fonds national de l'emploi (hierna: „FNE”) binnen bepaalde grenzen door de staat kunnen worden gefinancierd. Volgens de Franse regering vallen de voornaamste types overeenkomsten van het FNE, die in een sociaal plan kunnen worden opgenomen, in drie grote categorieën uiteen.
9.
Allereerst zijn er overeenkomsten die bedoeld zijn om ontslagen te voorkomen, waaronder overeenkomsten inzake gedeeltelijke werkloosheid en overeenkomsten inzake deeltijdwerk, krachtens welke de staat een deel van de vergoeding betaalt, die verschuldigd is aan de werknemer die gedeeltelijk werkloos is geworden of op deeltijdwerk overgaat.
10.
In de tweede plaats zijn er overeenkomsten die ertoe strekken, de kansen van de werknemers op een nieuwe betrekking te verbeteren. Zij omvatten overeenkomsten inzake herintegratiekernen, die zijn bedoeld om structuren op te zetten, die de werknemers helpen bij het zoeken van werk, en die voornamelijk door de onderneming met tussenkomst van de staat worden gefinancierd; in het kader van overeenkomsten inzake omscholingsverlof krijgen de werknemers een gedeeltelijk bezoldigd omscholingsverlof, waarbij de staat bijdraagt in de wettelijke uitkering die gedurende het verlof aan de werknemers wordt betaald; overeenkomsten inzake een tijdelijke uitkering bepalen dat de staat bijdraagt in de betaling van het salarisverschil van de persoon die een nieuwe, minder goed betaalde baan aanvaardt; ten slotte draagt de staat krachtens overeenkomsten inzake herintegratie bij in bepaalde kosten van werknemers die in een andere regio werk vinden.
11.
In de derde plaats zijn er overeenkomsten die oudere werknemers in staat stellen, onmiddellijk of geleidelijk met vervroegd pensioen te gaan. Zij omvatten overeenkomsten inzake een bijzondere uitkering van het FNE, waarin de staat bijdraagt in een bijzondere uitkering die werknemers die bijna pensioengerechtigd zijn, krijgen tot zij een volledig pensioen ontvangen, en overeenkomsten inzake geleidelijke vervroegde uittreding, krachtens welke de staat bijdraagt in een uitkering, die werknemers die op deeltijdwerk overgaan, tot bij hun pensionering ontvangen.
12.
De Code du travail, aangevuld door afgeleid recht en administratieve circulaires, bepaalt de berekeningsgrondslag van de tegemoetkomingen van het FNE in ieder type overeenkomst, en beperkt het bedrag of de duur van de tegemoetkomingen in ieder geval; zowel de berekeningsgrondslag als de maximale tegemoetkoming geldt voor alle ondernemingen in alle sectoren, behoudens uitzonderingen voor bepaalde regio's met bijzondere economische moeilijkheden, die volgens de Franse regering een onbeduidend deel van de totale tegemoetkomingen van het FNE uitmaken.
13.
De berekeningswijze van de krachtens iedere overeenkomst verleende tegemoetkoming omvat een aantal variabelen die de sociale doelstellingen van het FNE weerspiegelen, bij voorbeeld de omvang of de plaats van vestiging (al dan niet in een bepaalde zone) van de onderneming. In bepaalde gevallen, voornamelijk in voornoemde eerste en derde categorie van overeenkomsten, wordt de kwaliteit van het sociaal plan als onderhandclingsfactor in aanmerking genomen, en is de tegemoetkoming van de staat afhankelijk van de maatregelen die de onderneming in het kader van het plan heeft genomen om de situatie van de met ontslag bedreigde werknemers te verbeteren.
14.
De factoren die ter beoordeling van de inspanning van de onderneming en het type en de hoogte van de tegemoetkoming in aanmerking worden genomen, omvatten, volgens de Franse regering, de omvang van de onderneming, haar actieterrein, de economische en financiële situatie van de betrokken eenheid en de eventuele groep waartoe zij behoort, het opgeven of voortzetten, door de onderneming, van de activiteiten waarmee de betrokken werknemers zich bezighouden, en de volledige, onmiddellijke of geleidelijke sluiting van de vestiging.
15.
Afhankelijk van die factoren, kan de tegemoetkoming van de staat aanzienlijk variëren. Enerzijds kan, volgens de Franse regering, een onderneming in bepaalde omstandigheden volledig van haar financiële deelneming worden ontheven, wanneer zij in grote financiële moeilijkheden verkeert; anderzijds kan de staat weigeren een bepaalde overeenkomst te sluiten, ofschoon weigeringen blijkbaar zeldzaam zijn, en ervan kan worden teruggekomen na beroep in rechte. Tussen die twee uitersten lijken, afhankelijk van het betrokken type overeenkomst van het FNE, verschillende criteria en plafonds te gelden; blijkbaar kunnen de plafonds echter worden herzien, indien zij niet volstaan om het aantal in aanmerking komende werknemers te dekken.
De feiten
16.
De vennootschap Kimberly Clark Sopalin (hierna: „Kimberly Clark”), die cellulosewatten produceert en verwerkt, beschikt te Sotteville-les-Rouen over een fabriek waarbij begin 1993 465 personen werkzaam waren. Economische factoren noopten de onderneming tot een algemene herstructurering van haar activiteiten, die gepaard ging met een omschakeling op de produktie van papieren zakdoeken, een investering van 80 miljoen FF in de modernisering van de verpakkingsinstallaties, een reorganisatie van de produktie, de toepassing van nieuwe werkmethoden en een voorstel om het personeelsbestand met 207 personen te verminderen. In dit kader werd een sociaal plan uitgevoerd, dat in totaal 109 miljoen FF kostte, waarvan ongeveer 25 %, of 27 miljoen FF, door de staat werd gedragen in het kader van overeenkomsten van het FNE. De Commissie werd niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van een voorgenomen steunmaatregel in kennis gesteld.
17.
Bij brief van 4 augustus 1993 verzocht de Commissie de Franse autoriteiten om inlichtingen, die haar in staat zouden stellen de maatregelen te beoordelen in het licht van de bepalingen van het Verdrag inzake staatssteun.
18.
De Franse regering antwoordde op 28 januari 1994, dat de economische omstandigheden en de opening van de binnenmarkt Kimberly Clark hadden gedwongen tot een reorganisatie, die gepaard ging met een herstructurering en een specialisatie, teneinde haar concurrentievermogen te verbeteren en haar voortbestaan te verzekeren. Als gevolg van de herstructurering werd het personeelsbestand met 207 personen verminderd. Het sociaal plan was in overeenstemming met de „wettelijke en bestuursrechtelijke regeling die in dergelijke situaties van toepassing is”. De Franse regering heeft verklaard, dat gezien de gevoeligheid van de kwestie, die ter plaatse grote beroering had teweeggebracht, de autoriteiten Kimberly Clark hadden verzocht, verder te gaan dan hetgeen normaliter in dergelijke omstandigheden van een onderneming zou worden verlangd, met name wat de maatregelen van het FNE betreft, en dat zij van mening was, dat het geheel van die maatregelen in ruime mate aan de werknemers ten goede kwam, terwijl de onderneming, van haar kant, aanzienlijke investeringen verrichtte om het voortbestaan van de fabriek te verzekeren.
19.
Bij brief van 4 februari 1994 verzocht de Commissie om aanvullende inlichtingen, teneinde de verenigbaarheid van de maatregelen met de gemeenschappelijke markt te kunnen beoordelen, met name wat betreft de vragen i) welke overheid, na de tegemoetkoming van 81 miljoen FF van Kimberly Clark, het saldo van het plan had gefinancierd, en op welke rechtsgrondslag; ii) hoeveel het plan zou hebben gekost, indien het tot het door de Franse wetgeving vereiste minimum was beperkt, en iii) of de „wettelijke en bestuursrechtelijke regeling die in dergelijke situaties van toepassing is”, verbindend is voor alle ondernemingen die hun personeelsbestand verminderen.
20.
De Franse regering antwoordde op 10 maart 1994, dat i) de steun [sic] aan Kimberly Clark werd toegekend in het kader van uit de begroting van de staat gefinancierde overeenkomsten van het FNE; ii) het bij de vijf met Kimberly Clark gesloten overeenkomsten ging om overeenkomsten inzake omscholingsverlof en overeenkomsten inzake reïntegratiekernen om de externe omscholing van de betrokken werknemers te vergemakkelijken, overeenkomsten inzake deeltijdwerk en overeenkomsten inzake gedeeltelijke werkloosheid om het aantal ontslagen te beperken, en overeenkomsten inzake een bijzondere uitkering om de vervroegde uittreding mogelijk te maken, en iii) de minimale kosten van een sociaal plan niet eenvoudig zijn te becijferen. De brief bevatte ook een uiterst bondige synthese van de wettelijke bepalingen die de overeenkomsten van het FNE beheersen, en verklaringen volgens welke i) de overeenkomsten van het FNE openslaan voor alle ondernemingen die bereid zijn onderhandelingen aan te knopen met de staat, in het kader waarvan deze laatste tegenprestaties voor zijn tegemoetkoming verlangt en zijn steun [sic] van geval tot geval bepaalt naar de financiële situatie van de onderneming en haar eigen inspanningen, en ii) de overeenkomsten van het FNE, met name die inzake vervroegde uittreding, het geliefkoosde instrument van de Franse Staat zijn om de gedragingen van de ondernemingen te beïnvloeden en de sociale gevolgen van ontslagen te beperken.
De beschikking
21.
Bij brief van 27 juni 1994 deelde de Commissie de Franse autoriteiten mee, dat de tegemoetkomingen van het FNE neerkwamen op staatssteun. Zij merkte op, dat de reorganisatie van Kimberly Clark bedoeld was om haar concurrentievermogen te verbeteren, dat over de overeenkomsten van het FNE met de betrokken onderneming werd onderhandeld, en dat de door de staat gefinancierde tegemoetkoming van het FNE van geval tot geval werd bepaald naar de financiële situatie van de onderneming en haar eigen inspanningen. Zij concludeerde, dat de aan Kimberly Clark toegekende steun de mededinging met andere producenten en verwerkers van watten, cellulose en papieren zakdoeken kon vervalsen en het handelsverkeer in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag ongunstig kon beïnvloeden, en wees erop, dat 15 % van de omzet van de onderneming aan de uitvoer was te danken.
22.
Gelet op de capaciteitsvermindering als gevolg van de herstructurering, het feit dat de ontslagen werknemers de voornaamste begunstigden van het sociaal plan leken, en de beperkte omvang van de steun, besloot de Commissie evenwel, de in artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag bedoelde afwijking toe te passen.
23.
Op 2 september 1994 heeft de Franse Republiek krachtens artikel 173 EG-Verdrag een beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld.
24.
De enige nietigheidsgrond betreft de vraag, of de tegemoetkoming van het FNE in de herstructurering van Kimberly Clark een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, is. Aangezien het voornaamste middel van de Franse regering echter is, dat de regeling krachtens welke het FNE tegemoetkomingen verleent, geen staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, is, maar een algemene regeling ten gunste van de werknemers, bedoeld om de werkloosheid te bestrijden, moet de aard van de FNE-regeling worden onderzocht om te bepalen of zij al dan niet een algemene maatregel is. Indien zij een algemene maatregel is, en op voorwaarde dat zij zonder enige discretionaire bevoegdheid ten gunste van Kimberly Clark is toegepast, zou de tegemoetkoming enkel de toepassing van een algemene maatregel en geen steunmaatregel zijn. Indien men echter aanneemt, dat de regeling geen algemene maatregel is, moet ter beoordeling van de wettigheid van de beschikking bovendien worden nagegaan, of de specifieke tegemoetkoming in het kader van de herstructurering van Kimberly Clark een steunmaatregel was.
Is de regeling inzake tegemoetkomingen van het FNE een algemene maatregel?
25.
Het voornaamste middel van de Franse regering omvat drie belangrijke onderdelen. Om te beginnen staat de regeling voor iedere onderneming open, en begunstigt zij dus niet „bepaalde ondernemingen of bepaalde pro-dukties” in de zin van artikel 92, lid 1. In de tweede plaats is het beroep op de regeling facultatief, zodat niet iedere tegemoetkoming van het FNE kan worden beschouwd als steun die aan een onderneming wordt toegekend, opdat zij aan een wettelijke verplichting zou voldoen. Ten slotte zijn de werknemers de begunstigden van de overheidssteun, die voor de onderneming volledig neutraal is, wat de mededinging betreft.
Het argument, dat de regeling voor iedere onderneming openstaat
26.
Als eerste van drie argumenten ten betoge dat de FNE-regeling een algemene maatregel is, voert de Franse regering aan, dat zij openstaat voor alle ondernemingen, ongeacht hun omvang of hun statuut, hun economische sector of hun vestigingsplaats, en dat zij dus niet „bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties” begunstigt in de zin van artikel 92, lid 1.
27.
De Franse regering betoogt onder meer, dat de criteria volgens welke de staat de sluiting van een door de betrokken onderneming gevraagde FNE-ovcreenkomst toestaat of weigert, objectief zijn en zich beperken tot de voorwaarden die in de betrokken wettelijke regeling zijn neergelegd. Zij voert aan, dat de variabele aard van de deelneming van de staat niet kan volstaan om van de tegemoetkomingen steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, te maken.
28.
De Commissie erkent, dat de betrokken maatregelen geen maatregelen ten gunste van bepaalde sectoren of regio's zijn. Zij betoogt evenwel, dat wanneer uit overheidsmiddelen bekostigde maatregelen naar believen van de overheid en niet automatisch onder verwijzing naar objectieve criteria worden toegepast, niet meer van een „algemene” maatregel kan worden gesproken. Het bestaan van een discretionair clement bij het verlenen van de tegemoetkomingen — zelfs in het kader van een algemeen stelsel — verandert iedere toepassing van het stelsel in een specifiek voorbeeld van steun, Deze specifieke voorbeelden kunnen, zij het binnen zekere grenzen, variëren, en dit verschil in de behandeling van marktdeelnemers is de kern van het begrip steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.
29.
De Commissie erkent, dat maatregelen in het kader van het tewerkstellingsbeleid gewoonlijk geen staatssteun zijn. Wanneer overheidsmiddelen worden ingezet om de loonkosten van ondernemingen hetzij rechtstreeks (bij voorbeeld via premies bij indienstneming), hetzij onrechtstreeks (bij voorbeeld via verminderingen van fiscale of sociale lasten) te beperken, wordt het onderscheid tussen staatssteun en algemene maatregel echter minder duidelijk. Het bestaan van een discretionaire bevoegdheid helpt die financiële maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling te identificeren, welke de mededinging kunnen vervalsen en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden. Zoals het criterium van de specifieke begunstiging van bepaalde sectoren of regio's, kan het criterium van de discretionairc bevoegdheid aantonen, dat een maatregel „bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties” kan begunstigen.
30.
Waar artikel 92, lid 1, verwijst naar steunmaatregelen die bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties begunstigen, wordt algemeen aangenomen, dat maatregelen die op algemene wijze van toepassing zijn, niet binnen de werkingssfeer daarvan vallen. Ofschoon iets valt te zeggen voor het argument van advocaat-generaal Capotorti in de zaak Commissie/Ierland ( 4 ), dat „het wel degelijk gerechtvaardigd is van een algemeen en principieel verbod van overheidssteun aan de nationale produktio te spreken, wil men niet tot de ongerijmde opvatting vervallen, dat steunmaatregelen ten gunste van bepaalde sectoren verboden en die met een ruimere draagwijdte geoorloofd zijn”, kan het moeilijk zijn een dergelijk beginsel toe te passen, aangezien het wezenlijke onderscheid tussen verboden steun, enerzijds, en algemeen sociaal en economisch beleid, anderzijds, vervaagt.
31.
Het is vaste rechtspraak, dat artikel 92, lid 1, geen onderscheid maakt naar de oorzaken of doeleinden van de tegemoetkomingen van staten, doch ziet naar hun gevolgen. ( 5 ) Schijnbaar algemene stelsels kunnen immers tot gevolg hebben, dat bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties worden begunstigd, zodat zij, ondanks de schijn van algemeenheid, binnen de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, vallen.
32.
In het arrest Commissie/Frankrijk ( 6 ), bij voorbeeld, oordeelde het Hof, dat een preferentieel herdiscontotarief voor de uitvoer een steunmaatregel was. De Franse regering had betoogd, dat de vaststelling van het tarief tot de uitoefening van het algemeen monetair beleid behoorde en niet bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties begunstigde. Zoals advocaat-generaal Roemer in zijn conclusie verklaarde, is echter aan het in artikel 92, lid 1, gestelde vereiste, dat bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties worden begunstigd, voldaan „bij bevorderen van bepaalde sectoren of bepaalde gebieden, doch ook wanneer een maatregel niet alle ondernemingen van een Lid-Staat treft, hetgeen bij uitvoersubsidies, gezien de vele ondernemingen die uitsluitend voor de binnenlandse markt produceren, ongetwijfeld het geval is”. ( 7 )
33.
Zo ook begunstigde, in de zaak Commissie/Italië ( 8 ), een wettelijke regeling die de werkgeversbijdragen aan het stelsel van ziekteverzekering met verschillende bedragen verminderde, naargelang het om mannelijke of vrouwelijke werknemers ging, onrechtstreeks bepaalde sectoren die meer vrouwelijke werknemers tellen, en werd zij in strijd verklaard met artikel 92, lid 1.
34.
In beide voornoemde gevallen was het mogelijk partijdige gevolg van het schijnbaar algemene stelsel inherent aan de structuur van het stelsel zelf: het eerste was enkel op de uitvoer van toepassing en het tweede omvatte verschillende tarieven voor mannelijke en vrouwelijke werknemers. Het was dus betrekkelijk eenvoudig, voordelen ten gunste van bepaalde categorieën ondernemingen of producenten te identificeren.
35.
In de onderhavige zaak kan het mogelijk partijdige gevolg niet zo gemakkelijk uit de structuur van de regeling worden opgemaakt. Zoals de Franse regering verklaart, zijn de bepalingen krachtens welke de tegemoetkomingen worden verleend, immers geen maatregelen ten gunste van bepaalde sectoren of regio's, een van de criteria die het Hof heeft ontwikkeld om algemene maatregelen van steunmaatregelen te onderscheiden: elke onderneming waarvoor de betrokken wettelijke regeling geldt, kan proberen overeenkomsten van het FNE in haar sociaal plan op te nemen. Of de staat aan die overeenkomsten zal deelnemen en welke tegemoetkomingen hij in dat kader zal verlenen, zal echter van een aantal factoren afhangen.
36.
Uit de uitleg die de Franse regering in haar briefwisseling met de Commissie en in haar memories van de regeling heeft gegeven, blijkt duidelijk de ruime discretionaire bevoegdheid bij het verlenen van de tegemoetkomingen. De Franse regering verwijst herhaaldelijk naar de algemene soepelheid van de parameters van de tegemoetkoming van de staat. Zo verklaart zij bij voorbeeld, dat de administratieve autoriteiten voorstellen kunnen doen om het sociaal plan aan te vullen of te wijzigen, met inaanmerkingneming van de economische situatie van de onderneming, dat de deelneming van de staat varieert naar gelang van zijn sociale doelstellingen en de aanvullende maatregelen die de onderneming treft om de situatie van de met ontslag bedreigde werknemers te verbeteren, en dat de overeenkomsten van het FNE openstaan voor alle ondernemingen die bereid zijn onderhandelingen aan te knopen met de staat, in het kader waarvan deze laatste tegenprestaties voor zijn tegemoetkoming verlangt en zijn steun van geval tot geval bepaalt naar de financiële situatie van de onderneming en haar eigen inspanningen.
37.
De Franse regering verwijst naar het bestaan van richtlijnen, waarin de algemene gedragslijn van de autoriteiten bij de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid wordt vastgelegd. Die richtlijnen zijn niet overgelegd, en men kan zich afvragen of zij veel doen om de talrijke variabelen te nivelleren, in zoverre zij uitdrukkelijk geen afbreuk doen aan de noodzaak om iedere situatie individueel te onderzoeken en ervan kan worden afgeweken wanneer een bijzondere situatie het rechtvaardigt.
38.
Het lijdt geen twijfel, dat de discretionaire bevoegdheid het FNE in staat stelt „bepaalde” ondernemingen te begunstigen, door toe te staan of te weigeren overeenkomsten te sluiten, de hoogte van zijn tegemoetkoming te wijzigen of de onderneming van betaling van haar aandeel te ontheffen. De verklaring van de Franse regering, dat de overeenkomsten van het FNE, met name die inzake vervroegde uittreding, het geliefkoosde instrument van de Franse Staat zijn ora de gedragingen van ondernemingen te beïnvloeden en de sociale gevolgen van ontslagen te beperken, wijst erop, dat alle ondernemingen niet noodzakelijk op dezelfde wijze worden behandeld. De tegemoetkomingen zijn dus niet noodzakelijk op onpartijdige wijze beschikbaar voor de ondernemingen, ook al is de regeling in beginsel op alle sectoren en alle regio's van toepassing.
Het argument, dat de overeenkomsten van het FNE facultatief zijn
39.
Het tweede argument dat de Franse regering aanvoert ten bctoge dat de regeling van het FNE een algemene maatregel is, houdt in, dat aangezien de overeenkomsten van het FNE facultatief zijn, de op deze grondslag gedane betalingen geen steunmaatregel zijn. De ondernemingen die een sociaal plan moeten opstellen, wanneer zij personeelsleden willen ontslaan, zijn niet verplicht daarin overeenkomsten met het FNE op te nemen. FNE-overecnkomstcn zijn bedoeld om een onderneming in staat te stellen, verder te gaan dan het door de wet vereiste minimum. Aangezien zij niet wettelijk verplicht zijn, zijn de lasten die er voor de onderneming uit voortvloeien, facultatief, en helpt de staat de ondernemingen dus niet om hun wettelijke verplichtingen na te komen.
40.
De Commissie is van mening, dat ofschoon de tegemoetkomingen van het FNE duidelijker steunmaatregelen zouden zijn, indien zij ondernemingen in staat zouden stellen, hun wettelijke verplichtingen na te komen, het feit dat de overeenkomsten van het FNE facultatief zijn, op zich niet uitsluit dat het om steunmaatregelen gaat.
41.
Ik ben van mening, dat het argument van de Franse regering verschillende gebreken vertoont.
42.
Om te beginnen moeten de tegemoetkomingen van de staat worden onderzocht in hun ruimere context: het sociaal plan, dat al dan niet overeenkomsten van het FNE kan omvatten, is in bepaalde omstandigheden een wettelijke verplichting, en voor de betrokken onderneming kunnen de totale kosten van het specifieke sociaal plan dat zij opstelt, niet als facultatief worden beschouwd. Zeer terecht maakt de Commissie onderscheid tussen het verplichte sociaal plan, dat voor de onderneming aanvullende kosten meebrengt, en de facultatieve overeenkomsten van het FNE, die het resultaat zijn van een vrijwillige onderhandeling met het FNE en de onderneming in staat stellen, van de overheid financiële middelen ter ondersteuning van het sociaal plan te verkrijgen.
43.
In de tweede plaats behoort het in ieder geval niet tot het wezen van steun, dat een wettelijke verplichting wordt gedragen, maar veeleer, dat lasten die normaliter op het budget van een onderneming drukken, worden verlicht (zie het arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg ( 9 )). Aangezien sociale plannen in de praktijk normaliter overeenkomsten van het FNE omvatten, is dit argument dus ongegrond. Ondanks het gebrek aan informatie over de gangbare praktijk, kunnen gegevens worden ontleend aan de wijze waarop de Franse regering in haar brief van 28 januari 1994 het sociaal plan van Kimberly Clark beschrijft als een voorbeeld van de „wettelijke en bestuursrechtelijke regeling die in dergelijke situaties van toepassing is, te weten”, gevolgd door een lijst van de vijf types overeenkomsten die worden toegepast, en aan de verklaring in haar verzoekschrift, dat in 1993 ongeveer 15000 overeenkomsten inzake bijzondere uitkering werden gesloten, die ongeveer 58000 werknemers dekten.
44.
Er zij op gewezen, dat de Franse regering onder meer verwijst naar de definitie van het begrip steunmaatregel in het arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, waaraan bovenstaande uitspraak is ontleend, ten betoge dat de tegemoetkomingen van het FNE in het kader van sociale plannen die de herstructurering van ondernemingen begeleiden, niet aan de in de rechtspraak ontwikkelde voorwaarden voldoen. Zij citeert wat het Hof in die zaak heeft verklaard, namelijk dat het begrip steunmaatregel
„niet alleen positieve prestaties omvat zoals de subsidie zelf, doch eveneens maatregelen welke, in verschillende vormen, verlichting brengen in de lasten, die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor — zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn — van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden”.
Deze verklaring lijkt mij echter veeleer steun te bieden aan de opvatting, dat de betrokken maatregelen steunmaatregelen zijn.
45.
In de derde plaats kan worden gesteld, dat het facultatieve karakter van de overeenkomsten van het FNE niet uitsluit dat het om steunmaatregelen gaat, doch juist de tegengestelde mening staaft: indien het sluiten van een overeenkomst van het FNE facultatief is, moet worden aangenomen, dat ondernemingen ertoe overgaan, omdat zij er voordeel bij hebben, hetgeen erop wijst, dat het om een steunmaatregel gaat.
46.
In de vierde plaats heeft het feit dat de steunmaatregel facultatief is, in ieder geval niet tot gevolg, dat hij buiten de werkingssfeer van artikel 92 valt. Zoals advocaat-generaal Darmon in de zaak Sloman Neptun ( 10 ) verklaarde:
„kan [men] trouwens in zoverre niet uitgaan van het facultatieve karakter van de maatregel. Zodra deze voortvloeit uit een vrijwillige concrete gedraging van een Lid-Staat, is het feit dat de aangevochten bepaling enkel een mogelijkheid opent, op zich niet voldoende om haar te doen ontkomen aan toepassing van artikel 92, lid 1. De marktstructuur en de felle mededinging op de gemeenschapsmarkt kunnen er immers toe leiden, dat de ondernemingen die van het voordeel kunnen profiteren, in feite bijna alle gebruik maken van de hun aldus geboden mogelijkheid om hun produktiekosten te verlagen. Steunmaatregelen voor de vestiging van ondernemingen in een bepaald geografisch gebied hebben evenmin een verplicht karakter en het is ook niet gemakkelijker om vooraf precies vast te stellen, wie de begunstigden zijn. Toch wordt niet betwist, dat dergelijke maatregelen steunmaatregelen zijn.”
47.
In het kader van haar argument betreffende het facultatieve karakter van de overeenkomsten van het FNE, voert de Franse regering ten slotte nog aan, dat het aandeel van de staat in de financiële impact van de overeenkomsten van het FNE meestal gering is. Zelfs indien deze stelling juist is — hetgeen, bij ontbreken van cijfers die ze bevestigen, niet blijkt uit de uitleg die de Franse regering van de regeling heeft gegeven—, heeft zij geen belang voor de kwalificatie van de tegemoetkoming van de staat als steunmaatregel. ( 11 )
Het argument, dat het voordeel naar de werknemers en niet naar de onderneming gaat
48.
In haar derde argument betoogt de Franse regering, dat de werknemers de begunstigden zijn van de overheidssteun, die voor de onderneming volledig neutraal is, wat de mededinging betreft.
49.
De Commissie behandelt dit argument in samenhang met de hierna onderzochte vraag, of de betrokken specifieke maatregelen voor Kimberly Clark een voordeel opleverden.
50.
In verband met het algemene argument, kunnen twee opmerkingen worden gemaakt.
51.
In de eerste plaats is het feit dat de rechtstreekse begunstigden de werknemers zijn, op zichzelf niet voldoende om te beletten, dat de hulp een steunmaatregel is: zie bij voorbeeld arrest De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg ( 12 ), waarin een uit overheidsmiddelen gefinancierde belastingvrije mijnwerkerspremie als steun aan de mijnindustrie werd beschouwd. Het globale gevolg van de hulp moet worden onderzocht, en de Franse regering erkent, dat het helpen van werknemers die met ontslag worden bedreigd, de reputatie van de onderneming en het sociale klimaat ten goede kunnen komen. Zoals advocaat-generaal Lenz heeft verklaard, „is [het] dus niet van belang, of de begunstiging van een bepaalde onderneming rechtstreeks uit staatsmiddelen wordt bekostigd, maar wel of die onderneming een voordeel verkrijgt als gevolg van een regeling van de staat”. ( 13 ) Dit aspect wordt hierna behandeld, bij het onderzoek van de vraag of Kimberly Clark hier inderdaad een voordeel heeft verkregen.
52.
In ieder geval verkrijgen ondernemingen die bepaalde types overeenkomsten van het FNE sluiten, waarschijnlijk inderdaad een rechtstreeks en zelfs kwantificeerbaar voordeel, doordat bepaalde werknemers, die zij anders zouden hebben verloren en aan wie zij een ontslagvergoeding zouden hebben moeten betalen, in een weliswaar beperkte, maar toch produktieve hoedanigheid in de onderneming kunnen blijven.
53.
In de tweede plaats lijkt de stelling van de Franse regering, dat de steun voor de onderneming volledig neutraal is, wat de mededinging betreft, in tegenspraak met talrijke verklaringen in haar memories en in haar vroegere briefwisseling met de Commissie, en inzonderheid met i) haar verklaring, dat de overeenkomsten van het FNE het geliefkoosde instrument van de Franse Staat zijn om de gedragingen van ondernemingen te beïnvloeden en de sociale gevolgen van ontslagen te beperken, en ii) het feit, dat zij erkent, dat de deelneming van de staat varieert naar de situatie van de onderneming en de inspanningen die zij zich in het kader van de herstructurering getroost om ontslagen te vermijden. Die verklaringen wijzen erop, dat de steun voor de onderneming niet neutraal is en dus de mededinging en het handelsverkeer kan beïnvloeden.
54.
Het kan nuttig zijn, erop te wijzen, dat het feit dat krachtens FNE-overeenkomstcn verleende tegemoetkomingen afhankelijk kunnen zijn van door de betrokken ondernemingen te treffen specifieke maatregelen, niet belet dat het steunmaatregelen zijn. Waar het Hof bij het definiëren van staatssteun de woorden „voordeel om niet” heeft gebruikt ( 14 ), was dit de weergave van de bewoordingen van de vraag die de nationale rechter in de betrokken zaak naar het Hof had verwezen. Het Hof heeft sindsdien aanvaard, dat financiële steun voor de herstructurering van een onderneming, waarbij deze laatste zich ertoe verbindt, bepaalde maatregelen (in die zaak, de overgang op een specifieke soort produkten) te nemen, binnen de werkingssfeer van de bepalingen van het Verdrag inzake staatssteun valt. ( 15 )
55.
Er is geen reden om aan te nemen, dat de bedoelingen die aan de regeling van het FNE ten grondslag liggen, anders dan lofwaardig zijn. Plet is echter vaste rechtspraak, dat de gevolgen van een maatregel, en niet zijn oorzaken of doeleinden, bepalen of hij binnen de werkingssfeer van artikel 92 valt, en dat met name het gestelde sociale doel van een maatregel niet kan volstaan om hem aan de toepassing van dat artikel te onttrekken. ( 16 ) Het kan zijn, dat de tegemoetkomingen eerlijk over de sectoren en de ondernemingen worden verdeeld, maar dat is niet noodzakelijk of kennelijk het geval, gezien het bestaan van een discretionaire bevoegdheid. Het is dus onmogelijk, te concluderen dat de regeling van het FNE een algemene maatregel is.
56.
Ten slotte dient melding te worden gemaakt van de tegenwerping van de Franse regering, dat het tijdschema voor de sociale plannen het niet mogelijk maakt, de Commissie van ieder voorstel van tegemoetkoming van het FNE op de hoogte te brengen. Wanneer men aanneemt, dat de regeling van het FNE een kader voor het toekennen van steun, en niet een algemene maatregel is, is het duidelijk, dat artikel 93, lid 3, van het Verdrag de Franse regering verplicht, de Commissie van elk voornemen om in dat kader steun toe te kennen, op de hoogte te brengen. Procedurele bezwaren op het nationale vlak kunnen niet als excuus worden aangevoerd voor de schending van de verdragsverplichtingen die de Franse regering zou begaan, indien zij de Commissie van een voorgenomen tegemoetkoming niet op de hoogte zou brengen. Indien de Franse regering wenst te voorkomen, de Commissie bij elke gelegenheid op de hoogte te moeten brengen, zou de juiste procedure zijn, dat zij volledige informatie over de regeling van het FNE in haar geheel ter goedkeuring — zo nodig na wijziging — aan de Commissie voorlegt. De Commissie heeft gezegd, dat zij normaliter een dergelijke steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kan verklaren, zoals zij trouwens in de litigieuze beschikking heeft gedaan, wat de specifieke tegemoetkoming ten gunste van Kimberly Clark betreft.
Is de tegemoetkoming ten gunste van Kimberly Clark een steunmaatregel?
57.
Het voornaamste middel van de Franse regering omvat een enkel argument ten gronde voor de nietigverklaring van de beschikking waarin de Commissie de tegemoetkomingen van het FNE ten gunste van Kimberly Clark als staatssteun heeft aangemerkt, namelijk dat de regeling in haar geheel een algemene maatregel is. Om de hierboven geschetste redenen ben ik van mening, dat dit argument moet worden verworpen, op grond dat, gezien het bestaan en de omvang van de discretionaire bevoegdheid bij het beheer van de regeling van het FNE, de tegemoetkomingen niet noodzakelijk voor alle ondernemingen op voet van gelijkheid beschikbaar zijn. De geldigheid van de beschikking hangt echter ook af van de bijkomende vraag, of de Commissie het recht had, de specifieke tegemoetkoming voor Kimberly Clark als steunmaatregel aan te merken.
58.
Ofschoon de Franse regering zich in haar memories niet rechtstreeks met dit probleem heeft beziggehouden, en zich heeft geconcentreerd op de meer algemene vraag, of de regeling van het FNE in haar geheel een algemene maatregel is, zijn partijen duidelijk verdeeld over de vraag, of kan worden aangenomen, dat Kimberly Clark uit de tegemoetkoming van de staat in het kader van de overeenkomsten van het FNE enig voordeel heeft getrokken en of dus de mededinging ongunstig kan zijn beïnvloed.
59.
In haar algemeen middel betreffende de aard van de regeling van het FNE betoogt de Franse regering, dat de begunstigden van de tegemoetkomingen krachtens overeenkomsten van het FNE de werknemers zijn, en dat het sluiten van overeenkomsten van het FNE de onderneming geen voordeel oplevert. Die overeenkomsten hebben dus geen invloed op de mededinging of het handelsverkeer binnen de gemeenschappelijke markt en zijn dus geen steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1.
60.
De Commissie antwoordt met twee opmerkingen. Om te beginnen mag het sociaal plan niet op zichzelf worden beschouwd, aangezien het slechts één aspect van de herstructurering is: de maatregelen, met name ter voorkoming van ontslagen, die een onderneming kan hebben te treffen om tegemoetkomingen van het FNE te verkrijgen, hangen nauw samen met de industriële en financiële aspecten van de herstructurering, zodat de steunmaatregel niet als neutraal ten aanzien van de onderneming kan worden beschouwd en dus gevolgen voor de mededinging heeft. In de tweede plaats zijn de overeenkomsten in ieder geval gunstig voor de reputatie van de onderneming en het sociale klimaat.
61.
Volgens mij kan verder worden gegaan en worden gesteld, dat aangezien het sociaal plan — en dus a fortiori de overeenkomsten van het FNE — wordt uitgevoerd in het kader van een herstructurering, de beweerde steun in het licht van de herstructurering in haar geheel moet worden beoordeeld. In haar brief van 28 januari 1994 verklaarde de Franse regering uitdrukkelijk, dat de herstructurering in casu bedoeld was om het concurrentievermogen van Kimberly Clark te verbeteren en het voortbestaan van de betrokken fabriek te verzekeren; de herstructurering heeft Kimberly Clark trouwens in staat gesteld, 80 miljoen FF te investeren in de modernisering van haar produkt. De tegemoetkomingen zijn dus verleend in het kader van maatregelen ten gunste van de onderneming.
62.
Bovendien zal de onderneming, door de verbetering van haar reputatie en het sociale klimaat, waarschijnlijk indirect voordeel trekken uit een sociaal plan, dat als globaal voordelig voor de ontslagen werknemers wordt beschouwd. De Franse regering lijkt het aan te nemen, waar zij in repliek tweemaal verwijst naar het mogelijk gunstige gevolg van de tegemoetkomingen van het FNE voor de sociale betrekkingen binnen de onderneming.
63.
Het is in elk geval misleidend, te beweren, dat aangezien de werknemers de begunstigden van de steunmaatregel zijn, deze laatste de mededinging of het handelsverkeer niet kan beïnvloeden. In de zaak van de mijnwerkerspremies ( 17 ), waarin de gesubsidieerde premie voor de betrokken werknemers duidelijk een rechtstreeks en onmiddellijk voordeel opleverde, onderzocht het Hof het globale doel en gevolg van de overeenkomsten — een verhoging van de kolenprijzcn te voorkomen— en kwam zij tot de slotsom, dat de premie een steunmaatregel was.
64.
Ik concludeer dus, dat ofschoon de betrokken werknemers inderdaad de voornaamste begunstigden van de tegemoetkomingen zijn, ook Kimberly Clark daarbij voordeel heeft gehad.
Conclusie inzake de hoofdvraag
65.
Zoals gezegd, heeft het bestaan en de omvang van de discretionaire bevoegdheid bij het beheer van de regeling van het FNE tot gevolg, dat deze buiten de definitie van algemene maatregel valt; iedere specifieke toepassing kan dus een steunmaatregel zijn. Om de hierboven uiteengezette redenen ben ik van mening, dat de specifieke tegemoetkoming ten gunste van Kimberly Clark, waarover de bestreden beschikking handelt, het karakter van een steunmaatregel heeft. Ik concludeer dus, dat de beschikking van de Commissie niet nietig kan worden verklaard.
66.
Ik kom tot die conclusie op grond van de inlichtingen die de Franse regering zowel in haar briefwisseling met de Commissie vóór het geven van de beschikking, als in haar memories in de onderhavige zaak heeft verstrekt. Hierbij valt echter op te merken, dat de wettigheid van een beschikking moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf. ( 18 ) In casu heeft de Commissie bij de Franse regering inlichtingen over de werking van het FNE ingewonnen, alvorens haar beschikking te geven. De uitdrukkelijke grondslag van de beschikking, namelijk dat de herstructurering van Kimberly Clark bedoeld was om haar concurrentievermogen te verbeteren, en dat de tegemoetkoming van het FNE in de kosten van het sociaal plan het onderwerp van onderhandelingen met de betrokken onderneming is en van geval tot geval wordt bepaald naar de financiële situatie van de onderneming en haar eigen inspanningen, geeft goed de enigszins schematische inlichtingen weer, die de Franse regering heeft verstrekt. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is eerst in de memories volledige informatie over de regeling van het FNE gegeven. Haar conclusie, dat de aan Kimberly Clark toegekende steun de mededinging kon vervalsen en het handelsverkeer ongunstig kon beïnvloeden in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, is redelijk, zowel achteraf gezien, als, a fortiori, in het licht van de zeer onvolledige gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikte.
De beweerde ommekeer van de Commissie
67.
De Franse regering besluit de argumenten in haar verzoekschrift met de stelling, dat de Commissie tot nog toe overeenkomsten van het FNE en andere, daarmee vergelijkbare, sociale maatregelen nooit als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd. Tot staving verwijst zij naar twee vroegere beschikkingen van de Commissie inzake staatssteun.
68.
De eerste is de beschikking van de Commissie betreffende steun aan de Spaanse industriegroep Magefesa. ( 19 ) In die beschikking onderzocht de Commissie vijf maatregelen, waarvan zij er vier als onwettige steun bestempelde. De vijfde maatregel, waarop de Franse regering zich in casu beroept, bestond in een ministerieel besluit waarbij aan de afvloeiende werknemers van Magefesa subsidies werden toegekend met de kennelijke bedoeling, die werknemers het inkomen te verzekeren, dat zij als werkloosheidsuitkeringen zouden hebben ontvangen, indien zij niet reeds een deel van die uitkeringen bij voorgaande tijdelijke werkonderbrekingen hadden opgebruikt. ( 20 ) Onder meer omdat het besluit om de subsidies toe te kennen, was genomen nadat de arbeidsrelatie van de werknemers met Magefesa was verbroken, was de Commissie van oordeel, dat de subsidies de onderneming niet begunstigden en dus geen steunmaatregel opleverden. Dat stond in contrast met een van de andere onderzochte maatregelen, namelijk de steun die aan Magefesa werd toegekend om haar in staat te stellen, een deel van de lonen en schadeloosstellingen te betalen, die zij aan die werknemers verschuldigd was. De Commissie oordeelde die steun onwettig.
69.
Volgens mij is de beslissing waartoe de Commissie in het geval van Magefesa is gekomen, dus helemaal niet in strijd met haar standpunt ten aanzien van de overeenkomsten van het FNE, maar weerspiegelt zij vergelijkbare beginselen.
70.
De andere beschikking ( 21 ) waarop de Franse regering zich tot staving van haar argument beroept, lijkt te berusten op de vaststelling, dat de betrokken steun was toegekend krachtens bestaande maatregelen, waarvan de Commissie reeds had erkend dat zij met de gemeenschappelijke markt verenigbaar waren. ( 22 ) Ik kan dus niet inzien, dat zij relevant zou kunnen zijn voor de onderhavige zaak.
De gevolgen van de benadering van de Commissie
71.
Ten slotte komt de Franse regering in repliek met het argument, dat de extensieve uitlegging die de Commissie aan het begrip staatssteun geeft, tot gevolg zou hebben, dat nationale maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid onder toezicht van de Commissie worden gesteld.
72.
Ook dit lijkt mij irrelevant voor de onderhavige zaak, die hooguit betrekking heeft op de specifieke kenmerken van één wettelijke regeling, die in één Lid-Staat is ingevoerd om de sociale gevolgen van ontslagen te beperken. Die, boven uitvoerig behandelde, kenmerken hebben de Commissie — mijns inziens terecht — tot het besluit gebracht, dat de betrokken maatregelen staatssteun opleveren, ofschoon zij voor de in artikel 92, lid 2, sub c, bedoelde afwijking in aanmerking komen. Deze vaststelling kan niet de door de Franse regering gestelde dramatische en verreikende gevolgen hebben.
Conclusie
73.
Mitsdien ben ik van mening, dat:
1)
het beroep moet worden verworpen;
2)
de Franse republiek in de kosten moet worden verwezen.
( *1 ) Oorspronkelijke laai: Engels.
( 1 ) Artikelen L 122-9, L 321-1, L 321-5 en L 321-14.
( 2 ) Artikel L 321-4-1 van de Code du travail.
( 3 ) Artikel L 321-4-1.
( 4 ) Arrest van 24 november 1982 (zaank 249/81, Jurispr. 1982, blz. 4005, 4031).
( 5 ) Arrest van 2 juli 1974 (zaak 173/73, Italië/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 709, r. o. 13).
( 6 ) Arrest van 10 december 1969 (gevoegde zaken 6/69 en 11/69, Jurispr. 1969, blz. 523).
( 7 ) Blz. 554.
( 8 ) Arrest van 14 juli 1983 (zaak 203/82, Jurispr. 1983, blz. 2525).
( 9 ) Arrest van 23 februari 1961 (zaak 30/59, Jurispr. 1961, blz. 1, 40).
( 10 ) Arrest van 17 maart 1993 (gevoegde zaken C-72/91 en C-73/91, Jurispr. 1993, blz. I-887, punt 44 van de conclusie).
( 11 ) Zie arrest van 21 maart 1990 (zaak C-142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, r. o. 43), waarin wordt verwezen naar de arresten van 17 september 1980 (zaak 730/79, Philip Morris, Jurispr. 1980, blz. 2671) en 11 november 1987 (zaak 259/85, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 4393).
( 12 ) Aangehaald in voetnoot 9.
( 13 ) Arrest van 13 juli 1988 (zaak 102/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 4067, punt 22 van de conclusie).
( 14 ) Arrest van 22 maart 1977 (zaak 78/76, Sleinike en Weinlig, Jurispr. 1977, blz.. 595).
( 15 ) Arrest van 14 november 1984 (zaak 323/82, Intermitís, Jurispr. 1984, blz. 3809).
( 16 ) Arrest Italië/Commissie, aangehaald in voetnoot 5, r. o. 13.
( 17 ) De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, aangehaald in voetnoot 9.
( 18 ) Zie bij voorbeeld arrest van 20 maart 1984 (zaak 84/82, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1984, blz.. 1451), conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, bíz. 1503, en arrest van 10 juli 1986 (zaak 234/84, België/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 2263, r. o. 16).
( 19 ) Beschikking 91/1/EEG van de Commissie van 20 december 1989 inzake door de Spaanse regering en door de regeringen van enkele autonome gemeenschappen in Spanje aan Magefesa, fabrikant van huishoudelijke artikelen uit roestvrij staal en kleine elektrische huishoudelijke apparaten, toegekende steun (PB 1991, L 5, bh. 18).
( 20 ) Zie afdeling IV, sub v, van beschikking 91/1.
( 21 ) Beschikking 93/193/EEG van de Commissie van 23 december 1992 inzake steunmaatregelen voor de vestiging van industriële ondernemingen te Modane (Savoie) krachtens de artikelen 92 en 94 van het EEG-Vcrdrag (PB 1993, I. 85, blz. 22).
( 22 ) Ziede eerste alinea van afdeling IV en artikel 1, lid 1, van beschikking 93/193.
Full & Egal Universal Law Academy