CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 2 mei 1996 ( *1 )
1.
Het Duitse Erziehungsgeld (ouderschapsuitkering) komt enkel aan niet-ingezetenen toe indien zij ten minste vijftien uur per week in Duitsland werken. In de onderhavige zaken, verzoeken van het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen om een prejudiciële beslissing, is de vraag aan de orde, of de vrouw van een in Duitsland werkzame werknemer op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 1 ) of verordening (EEG) nr. 1612/68 ( 2 ) recht heeft op die uitkering in een geval waarin beide echtgenoten Duitsers zijn die in Nederland wonen en de vrouw niet aan het arbeidsvereiste voldoet. In een van beide zaken vraagt de nationale rechter bovendien, of de Duitse wetgeving betreffende de ouderschapsuitkering een door het gemeenschapsrecht verboden discriminatie op grond van geslacht inhoudt omdat zij fulltime werknemers anders behandelt dan parttime werknemers.
De relevante gemeenschapswetgeving
2.
In de ten tijde van de feiten geldende versie van artikel 1, sub ui, van verordening nr. 1408/71 ( 3 ) wordt onder „gezinsbijslagen” verstaan:
„alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte”. ( 4 )
3.
Artikel 2, lid 1, bepaalt:
„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”
4.
Artikel 3, lid 1, bepaalt:
„Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
5.
Artikel 4, lid 1, bepaalt:
„Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
(...)
h)
gezinsbijslagen.”
6.
Artikel 5 bepaalt:
„De Lid-Staten vermelden de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde wettelijke regelingen en stelsels (...) in verklaringen waarvan (...) kennisgeving [aan de Raad] (...) plaatsvindt.”
7.
Artikel 73 bepaalt:
„Onder voorbehoud van het bepaalde in bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een Lid-Staat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden.” ( 5 )
8.
Artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden ( 6 ) bepaalt:
„De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.”
9.
Artikel 7 van verordening nr. 1612/68 bepaalt:
„1
Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2.
Hij geniet dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.
(...)”
De feiten en de vragen
10.
De aanspraak op de Duitse ouderschapsuitkering wordt beheerst door § 1 van het Gesetz über die Gewährung von Erziehungsgeld und Erziehungsurlaub (wet op de ouderschapsuitkering en het ouderschapsverlof, hierna: „BErzGG”). Op grond van § 1, lid 1, van die wet heeft degene die 1) zijn woonplaats of gewone verblijfplaats binnen het toepassingsgebied van deze wet heeft (dat wil zeggen binnen de Bondsrepubliek Duitsland), 2) een huishouding voert met een kind te zijnen laste, 3) dit kind zelf verzorgt en opvoedt, en 4) geen of geen fulltime beroepsactiviteit verricht, aanspraak op ouderschapsuitkering.
11.
Niet-ingezetenen kunnen echter ook aanspraak hebben op deze uitkering. Volgens § 1, lid 4 ( 7 ), heeft een onderdaan van een Lid-Staat, die binnen het toepassingsgebied van de wet een arbeidsverhouding heeft, recht op ouderschapsuitkering indien zijn arbeidstijd ten minste vijftien uur per week bedraagt en hij voldoet aan de voorwaarden van § 1, lid 1, punten 2 tot en met 4.
12.
In haar opmerkingen heeft de Duitse regering uiteengezet, dat de bij §1, lid 4, ingevoerde uitzondering op het woonplaatsvereiste bedoeld was om rekening te kunnen houden met de situatie van in Duitsland werkzame grensarbeiders die een bijzonder nauwe betrekking hebben met de staat waar zij werken. Zij hebben aanspraak op maximaal drie jaar ouderschapsverlof, met handhaving van de arbeidsverhouding. Vanwege de enge band tussen ouderschapsverlof en ouderschapsuitkering hebben zij ook recht op ouderschapsuitkering. Volgens de Duitse regering is er enkel bij werkzaamheden van noemenswaardige omvang een band met de Duitse arbeidsmarkt die nauw genoeg is om een dergelijke uitzondering op het territorialiteitsbeginsel te rechtvaardigen.
13.
De verwijzingsbeschikkingen en de opmerkingen van de Duitse regering in deze zaken bevatten niet veel nadere informatie over deze uitkering. Het Bundessozialgericht heeft echter in zijn verwijzingsbeschikking in een vergelijkbaar geval (de zaak Mille-Wilsmann ( 8 )) aanzienlijk meer gegevens verstrekt. Het onderstaande is grotendeels aan die bron ontleend.
14.
Bij hun invoering per 1 januari 1986 bestond op ouderschapsverlof en ouderschap suitkering slechts aanspraak totdat het kind tien maanden oud was. De duur van de aanspraak is vervolgens in een aantal etappes verlengd en bedraagt thans voor ouderschapsuitkering 24 maanden.
15.
De uitkering is een vast bedrag van 600 DM per maand en voor de toekenning ervan gelden bepaalde inkomensgrenzen. Sinds 1 januari 1994 wordt de uitkering tijdens de eerste zes levensmaanden van het kind verlaagd, indien het ouderlijk inkomen meer dan 100000 DM bij gehuwden en meer dan 75000 DM bij andere rechthebbenden bedraagt, vermeerderd met 4200 DM per kind voor de overige kinderen. Vanaf de zevende levensmaand van het kind hangt de aanspraak op en de hoogte van de ouderschapsuitkering af van de vraag, of het inkomen van de ouders bepaalde grenzen overschrijdt die geleidelijk oplopen met het aantal gezinsleden (29400 DM voor gehuwden, in andere gevallen 23700 DM, plus 4200 DM per kind voor de overige kinderen).
16.
De voor de periode na de geboorte verschuldigde mocderschapsuitkering wordt op de ouderschapsuitkering in mindering gebracht. Ouderschapsuitkering wordt echter naast kinderbijslag betaald. Zij wordt bij de berekening van inkomensafhankelijke sociale-zekerheidsuitkeringen buiten beschouwing gelaten en is in beginsel ook niet van invloed op alimentatieverplichtingen. Zij is voor de inkomstenbelasting niet belastbaar.
17.
De heer en mevrouw Plocver en de heer en mevrouw Zachow zijn Duitsers die sinds het midden van de jaren tachtig in Nederland wonen. De heer Hoever en de heer Zachow werken fulltime in Duitsland. Mevrouw Hoever werkt tien uur per week in Duitsland. Toen haar zoon werd geboren, nam zij achttien maanden ouderschapsverlof. Mevrouw Zachow was in de relevante periode helemaal niet in loondienst werkzaam. Mevrouw Hoever en mevrouw Zachow vroegen ouderschapsuitkering aan voor hun in 1991 respectievelijk 1987 geboren zonen. Beide aanvragen werden in eerste instantie afgewezen. Voor mevrouw Hoever werd hiervoor als reden gegeven, dat in het geval van onderdanen van Lid-Staten die in een andere Lid-Staat dan Duitsland woonden ouderschapsuitkering enkel verschuldigd was aan werknemers en niet aan hun gezinsleden. Gezien haar geringe aantal arbeidsuren was mevrouw Hoever geen werknemer. Bij mevrouw Zachów werd als reden aangegeven, dat haar woonplaats en gewone verblijfplaats in Nederland was. De beroepen tegen deze beslissingen werden beide door het Sozialgericht Munster afgewezen, onder meer op grond dat verzoeksters niet onder artikel 73 van verordening nr. 1408/71 vielen omdat zij geen „werknemers” waren. Verzoeksters kwamen beiden in beroep bij het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen, dat het Hof de volgende vragen heeft voorgelegd:
„1)
Is de ouderschapsuitkering bedoeld in de §§ 1 en volgende van het Gesetz über die Gewährung von Erziehungsgeld und Erziehungsurlaub, in de versie van de bekendmaking van 25 juli 1989(BGBl. I, blz. 1550) ( 9 ) en van de wet van 17 december 1990(BGBL I, blz. 2823), een gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71?
2)
Zo ja:
a)
Kan de echtgenoot van een persoon die werkzaam is in de Bondsrepubliek Duitsland en wiens gezin in een andere Lid-Staat woont, op grond van artikel 73 van verordening nr. 1408/71 betaling van ouderschapsuitkering vorderen?
b)
(Alleen in zaak C-245/95: ) Levert § 1, lid 4, BErzGG een met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG strijdige discriminatie op grond van geslacht op, nu volgens die bepaling onderdanen van een Lid-Staat die in de Bondsrepubliek Duitsland werken, slechts aanspraak kunnen maken op ouderschapsuitkering wanneer zij in een dienstbetrekking van meer dan geringe omvang werkzaam zijn?
3)
Zo neen:
a)
Is de ouderschapsuitkering een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG)
b)
Zo ja: is artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 van toepassing wanneer de werknemer die in een andere Lid-Staat woont, onderdaan is van de Lid-Staat waar hij werkt?
c)
Zo ja: heeft de echtgenoot van de werknemer krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 recht op ouderschapsuitkering, wanneer het gezin in een andere Lid-Staat woont dan de Lid-Staat van arbeid?”
18.
Opgemerkt zij, dat de verwijzende rechter de mogelijkheid heeft onderzocht en verworpen, dat mevrouw Hoever en mevrouw Zachów hun „gewone verblijfplaats” in Duitsland hebben in de zin van § 1, lid 1, BErzGG. Hij acht het weliswaar denkbaar, dat een gezin dat in het buitenland woont maar dicht bij de grens in het achterland van een Duitse stad, zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft, maar daarvoor hebben verzoeksters onvoldoende sociale banden met Duitsland.
Vragen 1 en 2a
19.
Met de eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of verzoeksters op grond van verordening nr. 1408/71 aanspraak hebben op de ouderschapsuitkering, ondanks het feit dat zij niet voldoen aan het arbeidscriterium van § 1, lid 4, BErzGG. Artikel 73 van verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat een werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een Lid-Staat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht heeft op de gezinsbijslagen waarin die wettelijke regeling voorziet. Of artikel 73 in casu van toepassing is, hangt af van twee vragen: Valt de ouderschapsuitkering onder het begrip „gezinsbijslagen” (vraag 1) en kunnen verzoeksters, als echtgenoten van werknemers, zelf een beroep doen op dat artikel (vraag 2a)?
De materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71
20.
Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de ouderschapsuitkering een „gezinsbijslag” is in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van de verordening.
21.
Alvorens op deze vraag in te gaan, wil ik erop wijzen, dat het Hof in een procedure op grond van artikel 177 van het Verdrag niet bevoegd is, de regels van het gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen of een bepaling van nationaal recht in het licht van die regels te beoordelen. ( 10 ) Het Hof kan dus geen antwoord geven op de vraag, of de ouderschapsuitkering een gezinsbijslag is in de zin van verordening nr. 1408/71. Het kan de nationale rechter echter wel een uitlegging van de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen geven met behulp waarvan hij deze vraag zelf kan beantwoorden.
22.
Blijkens de rechtspraak van het Hof ( 11 ) berust het onderscheid tussen uitkeringen die niet en uitkeringen die wel onder de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, in beginsel geheel op factoren die betrekking hebben op de concrete uitkering, in het bijzonder doel en toekenningsvoorwaarden, en is het niet afhankelijk van de vraag, of zij door de nationale wetgeving —en bij uitbreiding de nationale regering — als uitkering van sociale zekerheid wordt aangemerkt. (Of de uitkering op grond van artikel 5 van verordening nr. 1408/71 is aangemeld, is evenmin beslissend, waarbij echter zij aangetekend, dat Duitsland de relevante wetgeving volgens de Commissie niet heeft aangemeld.) Om in concreto onder de verordening te vallen, moet de uitkering „zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden [worden] toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie” en moet zij „verband [houden] met een van de in artikel 4, lid 1, uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten”. ( 12 )
23.
Bij de vraag, of een uitkering onder de werkingssfeer van de verordening valt, zijn dus twee afzonderlijke kwesties van belang: in de eerste plaats haar doel, bepaald aan de hand van de onderwerpen genoemd in artikel, lid 1, zoals gedefinieerd in artikel 1, en in de tweede plaats, of zij op grond van een discretionaire bevoegdheid dan wel van objectieve criteria wordt toegekend.
24.
De Duitse regering betwist dat de ouderschapsuitkering voldoet aan het „doel”-vereiste, stellende dat zij geen „gezinsbijslag” is in de zin van artikel 1, sub ui, van de verordening omdat zij niet bedoeld is „ter bestrijding van de gezinslas-ten”, zoals deze definitie verlangt. In tegenstelling tot kinderbijslag (Kindergeld) wordt zij betaald om een van de ouders in staat te stellen om zich in de eerste levensfase van een kind aan diens opvoeding te wijden; de uitkering is bedoeld als honorering voor de inspanningen van deze ouder. Of die ouder werknemer is geweest, is irrelevant. De implicatie hiervan is, dat de ouderschapsuitkering geen compensatie is voor inkomstenderving gedurende een arbeidsonderbreking.
25.
Deze opvatting valt echter niet goed te verenigen met de vaststellingen van de nationale rechter en ook niet met een aantal verklaringen verderop in de opmerkingen van de Duitse regering.
26.
De verwijzende rechter merkt op, dat de ouderschapsuitkering is ingesteld
„om het zogenoemde ‚drie-fascnmodel’ voor het verenigen van de opvoeding van kinderen en beroepswerkzaamheid, met name voor vrouwen, te ondersteunen (...) Daaraan ligt de gedachte van gezinspolitiek ten grondslag, dat een van de ouders zich na een eerste fase van beroepswerkzaamheid in een tweede fase tijdelijk helemaal aan de opvoeding van de kinderen wijdt, om daarna weer in het beroepsleven te stappen (derde fase). Daarom werd tegelijk met de invoering van het Erziehungsgeld een arbeidsrechtelijke aanspraak op ouderschapsverlof ingevoerd. In dat licht is het recht op Erziehungsgcld weliswaar afhankelijk van het feit, dat de betrokkene zijn beroepswerkzaamheid helemaal of grotendeels opgeeft om zich aan de opvoeding van de kinderen te wijden. Juist daarom heeft het Erziehungsgeld evenwel tot doel, de daarmee samenhangende economische lasten door het wegvallen van een beroepsinkomen in het gewoonlijk nog jonge gezin op te vangen. Het dient er derhalve toe, het levensonderhoud van het gezin in de fase van de opvoeding van kinderen te garanderen.” ( 13 )
27.
Ter ondersteuning van deze analyse haalt de verwijzende rechter cijfers van de federale regering aan, waaruit blijkt, dat 96 % van degenen die aanspraak hebben op ouderschapsuitkering ook ouderschapsverlof opnemen. Verderop in de verwijzingsbeschikking maakt hij in verband met de tweede vraag soortgelijke opmerkingen:
„Erziehungsgeld wordt in de praktijk (...) als een gezinsbijslag betaald (...) Volgens deze juridische realiteit functioneert het Erziehungsgcld eigenlijk als een subsidie voor het levensonderhoud van het gezin tijdens de opvoeding van het jonge kind.” ( 14 )
28.
Hoewel het Bundessozialgericht ontkent, dat ouderschapsuitkering een gezinsbijslag is in de zin van verordening nr. 1408/71, lijken de inlichtingen die het in zijn verwijzingsbeschikking in de zaak Mille-Wilsmann ( 15 ) verschaft, steun te bieden aan de opvatting van het Landessozialgericht. Zo stelt het bij voorbeeld vast, dat de ouderschapsuitkering „een vergoeding voor het opvoedingswerk is, ter vermindering van de door het opgeven van een volledig inkomen veroorzaakte financiële nadelen en ter bestrijding van de overige verzorgings- en opvoedingskosten” en dat zij dient „ter verlichting van een financieel nadeel voor de gezinnen en daarmee, indirect, van de gezins-lasten”.
29.
De Duitse regering noemt de enge verwevenheid tussen ouderschapsuitkering en ouderschapsverlof als verklaring voor het feit dat niet-ingezetcn werknemers aanspraak hebben op ouderschapsuitkering. De door de Duitse regering gegeven omschrijving van het doel van de uitkering — een van de ouders in staat te stellen om zich in de eerste levensfase van het kind aan diens opvoeding te wijden — geeft al aan, dat de uitkering indirect beoogt het tijdelijk wegvallen van het inkomen te compenseren of, zoals de Franse regering opmerkt, kinderverzorging door derden, bij voorbeeld door crèches of kinderverzorgers, en de daaraan onvermijdelijk verbonden kosten te voorkomen.
30.
Hoe dit ook zij, een uitkering kan bedoeld zijn ter bestrijding van de gezinslasten — en zeker een dergelijk effect hebben— zelfs indien salarisderving geen vereiste is. Er is niet veel denkwerk voor nodig om te beseffen, dat een uitkering aan een ouder zonder beroepsinkomen, die zich aan de opvoeding van een kind wijdt, in de praktijk zal bijdragen tot de bestrijding van de gezinslasten.
31.
Maar zelfs indien de onderhavige ouderschapsuitkering nog een ander doel zou hebben dan bestrijding van de gezinslasten, zou dat op zich de toepassing van verordening nr. 1408/71 nog niet uitsluiten. Gezinsbijslagen in de zin van artikel 1, sub ui, kunnen een tweeledig doel hebben. Zo stelde het Hof in de zaak Hughes ( 16 ) vast, dat de „family credit” in Noord-Ierland een tweeledige functie had: „Enerzijds laagbetaalde werknemers aan het werk houden, en anderzijds de gezinslasten verlichten, zoals met name blijkt uit het feit, dat het enkel wordt betaald als het gezin van de aanvrager een of meer kinderen telt, en dat de hoogte van de uitkering varieert volgens de leeftijd van de kinderen. In die tweede functie valt een uitkering als family credit onder de (...) categorie gezinsbijslagen (...)” ( 17 )
32.
Advocaat-generaal Van Gerven was eenzelfde mening toegedaan: „Hoewel ik graag aanvaard dat family credit beoogt slecht betaalde werknemers aan het werk te houden, kan mijns inziens niet worden betwist dat family credit een uitkering is die ertoe strekt de lasten van het gezin te helpen dekken.” ( 18 )
33.
Ten slotte voert de Duitse regering ter ondersteuning van haar stelling, dat de ouderschapsuitkering niet bedoeld is ter dekking van gezinslasten, aan dat de opvoedende ouder een zelfstandige aanspraak op de ouderschapsuitkering heeft. Ik acht dit niet relevant voor de vraag, of de uitkering voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 moet worden aangemerkt als „gezinsbijslag”. Zo het feit dat enkel de opvoedende ouder aanspraak op de uitkering heeft, al ergens op wijst, dan is het, dat de uitkering bedoeld is ter bestrijding van de gezinslasten.
34.
Het tweede criterium om binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 te vallen, is dat de uitkering zonder discrctionaire beoordeling, op grond van een wettelijk omschreven positie wordt toegekend. Het is duidelijk, dat de ouderschapsuitkering aan dit vereiste voldoet. De Duitse regering lijkt zich hier zelf op te beroepen in verband met de afzonderlijke vraag, of kan worden gezegd dat de uitkering niet de individuele gerechtigde ten goede komt maar zijn gezin, waar zij opmerkt, dat de aanspraak op de uitkering afhangt van de vraag of de aanvrager persoonlijk aan de toekenningscritcria voldoet (zodat de aanspraak op de uitkering niet automatisch aan een van de ouders toekomt maar enkel aan de ouder die aan de voorwaarden voldoet, waaronder het vereiste dat hij/zij niet of niet fulltime werkt).
35.
In het arrest Hughes besliste het Hof, dat „een uitkering die automatisch wordt toegekend aan gezinnen die voldoen aan een aantal objectieve criteria, ter zake van met name hun omvang, inkomen en vermogen, moet worden gelijkgesteld met een gezinsbijslag”. ( 19 ) In casu vraagt de verwijzende rechter zich echter af, of de voorwaarden van de betrokken ouderschapsuitkering ondanks hun onmiskenbaar objectieve karakter wel beantwoorden aan het beginsel dat het Hof in het arrest Hughes heeft ontwikkeld, nu zij noch betrekking hebben op de grootte noch op de financiële situatie van het gezin. De Luxemburgse regering lijkt deze twijfels te delen waar zij opmerkt, dat de ouderschapsuitkering een vast bedrag is dat niet verandert met het aantal of de leeftijd van de kinderen.
36.
Blijkens de verwijzingsbeschikking in de zaak Mille-Wilsmann ( 20 ) houdt de hoogte van de uitkering wel verband met de financiële situatie van het gezin en, althans indirect, met het aantal kinderen (zie hierboven, punt 15).
37.
Maar zelfs op basis van de meer rudimentaire inlichtingen die de nationale rechter en de Duitse regering in de onderhavige zaken hebben verschaft, lijkt mij dat de uitkering in elk geval voldoet aan de basisvoorwaarde die het Hof in de zaak Hughes heeft gesteld, te weten de objectiviteit van de criteria: zij wordt „zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbende (...) toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie”. ( 21 ) De Spaanse regering merkt terecht op, dat de specifieke criteria die het Hof in de zaak Hughes noemt, voor die zaak relevante voorbeelden zijn. Zij zijn noch afzonderlijk noch gezamenlijk vereist voor de indeling van een uitkering die op grond van andere objectieve, wettelijk omschreven criteria wordt toegekend. Steun hiervoor biedt advocaat-generaal Van Gcrvcn die in zijn conclusie in de zaak Hughes ( 22 ) ervan uitgaat dat niet de inhoud van de criteria vermogen, inkomen en leeftijd van en aantal kinderen beslissend is, maar de objectiviteit van die criteria.
38.
Tot slot zij nog opgemerkt, dat de direct op de litigieuze definitie volgende definitie van „kinderbijslag” in artikel 1, sub u-ii, van verordening nr. 1408/71 expliciet verlangt, dat de daaronder vallende uitkeringen op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend. Het is aannemelijk, dat deze criteria ook uitdrukkelijk in de definitie van gezinsbijslagen in de verordening zouden zijn opgenomen indien het de bedoeling was geweest, dat zij deel zouden uitmaken van die definitie.
De personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71
39.
De tweede vraag van de nationale rechter betreft de uitlegging van artikel 73 van verordening nr. 1408/71, en meer in het bijzonder de vraag, of de echtgenoot van iemand die in Duitsland in loondienst werkzaam is, op grond van dat artikel aanspraak kan maken op betaling van ouderschapsuitkering wanneer het hele gezin in een andere Lid-Staat woont.
40.
In de onderhavige omstandigheden rijst de voorvraag, of een beroep op artikel 73 mogelijk is indien de betrokken werknemer geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer in de Gemeenschap. Bij de behandeling van de vraag betreffende artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 zal blijken, dat een dergelijke werknemer op die bepaling geen beroep kan doen.
41.
Met betrekking tot artikel 73 verlangt het Hof echter niet, dat de betrokken werknemer van dat recht gebruik heeft gemaakt, hoewel een zeker intracommunautair element uiteraard noodzakelijk is. ( 23 ) In een zaak betreffende een Duitser die in Duitsland in loondienst werkzaam was en met zijn gezin in Denemarken woonde, overwoog het Hof, dat het voor de toepasselijkheid van artikel 73, lid 1:
„voldoende is, dat de werknemer in een Lid-Staat arbeid in loondienst verricht en dat zijn gezinsleden in een andere Lid-Staat wonen. Deze bepaling moet worden gelezen in verband met het voorschrift van artikel 13, lid 2, sub a, van dezelfde verordening, volgens hetwelk een werknemer die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaam is, valt onder de wetgeving van de Lid-Staat, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont. Overeenkomstig de doelstelling van verordening nr. 1408/71 dient deze regeling te verzekeren dat alle onderdanen van de Lid-Staten, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, door de verschillende nationale wetgevingen gelijk worden behandeld en, ongeacht waar zij werken of wonen, uitkeringen van sociale zekerheid ontvangen. Zij moet dan ook in alle Lid-Staten eenvormig worden uitgelegd, wat ook de structuur moge zijn van de nationale wettelijke regelingen inzake het verkrijgen van het recht op gezinsbijslagen.” ( 24 )
42. Sinds het arrest Kermaschek ( 25 ) is voor de vraag, of en in hoeverre gezinsleden van een werknemer op grond van de verordening bepaalde rechten kunnen doen gelden, beslissend of die rechten „afgeleide rechten” zijn, dat wil zeggen rechten die de betrokkene heeft verworven in zijn hoedanigheid van gezinslid van de werknemer. In de zaak Kcrmaschek moest het Hof de vraag beantwoorden, of een echtgenoot van een onderdaan van een Lid-Staat, die zelf geen onderdaan van een Lid-Staat was, rechten kon doen gelden op grond van artikel 69 van de verordening, op grond waarvan werkloze werknemers die aanspraak hebben op werkloosheidsuitkering in een Lid-Staat en die naar een andere Lid-Staat gaan om werk te zoeken, aanspraak houden op werkloosheidsuitkering van eerstgenoemde staat. Het Hof nam hierbij de tekst van artikel 2, lid 1, in aanmerking, die in de destijds geldende versie bepaalde, dat de verordening:
„van toepassing [is] op werknemers op wie de wetgeving van één of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen”.
43.
Uit deze bewoording bleek volgens het Hof duidelijk, dat deze bepaling betrekking had op twee categorieën personen: enerzijds werknemers en anderzijds hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen. Enkel onderdanen van Lid-Staten, staatlozen en vluchtelingen op wie de wetgeving van één of meer Lid-Staten van toepassing is of is geweest, werden als werknemers aanvaard. Het Hof vervolgde:
„dat terwijl de tot de eerste categorie behorende personen de in de verordening bedoelde rechten op uitkering als eigen rechten kunnen inroepen, degenen die tot de tweede categorie behoren alleen maar aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten, verkregen in de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een werknemer — dat wil zeggen iemand die tot de eerste categorie behoort”. ( 26 )
44.
Dit beginsel is later bevestigd in een aantal zaken betreffende werkloosheidsuitkering ( 27 ) en diverse andere uitkeringen en toelagen die onder de verordening vielen (ouderdomstoelage ( 28 ), aanvullende uitkering op een invaliditeitspensioen ( 29 ) en uitkering voor gehandicapten ( 30 )).
45.
In casu blijkt uit de nationale wetgeving die de aanspraak op ouderschapsuitkering regelt en uit de aanvullende inlichtingen van de nationale rechter en van de Duitse regering, dat verzoeksters' aanspraak op de uitkering naar Duits recht niet berust op hun hoedanigheid van gezinslid van een werknemer; voor de aanspraak is beslissend, of zij zelf voldoen aan de in § 1, lid 4, van de wet neergelegde voorwaarden. Op grond van het arrest Kermaschek zouden zij dus geen aanspraak hebben op betaling van ouderschapsuitkering ingevolge artikel 73 van verordening nr. 1408/71.
46.
In het arrest Cabanis-Issarte ( 31 ) kreeg het Hof onlangs de gelegenheid om zich opnieuw te bezinnen op het arrest Kermaschek en in het bijzonder op de vraag, in hoeverre het vereiste dat de gezinsleden van een werknemer op grond van de verordening enkel afgeleide rechten hebben, relevant is in een situatie waarin het betrokken gezinslid zelf onderdaan van een Lid-Staat is (in de zaak Kermaschek ging het om een onderdaan van het voormalige Joegoslavië; van de latere zaken waarin bovengenoemd beginsel rechtstreeks werd toegepast, ging het in de zaak Deak om een Hongaar, in de zaak Zaoui om een Algerijn en in de zaak Taghavi om een Iraanse, terwijl het in de zaak Frascogna om een Italiaanse ging en in de zaak Schmid om een Duitser).
47.
In de zaak Cabanis-Issarte ging het om de aanspraak op een Nederlands pensioen van een Franse weduwe van een Fransman die in Nederland had gewerkt. In zijn arrest van 30 april 1996 uitte het Hof zijn verontrusting over de mogelijkheid, dat de regel die het in het arrest Kermaschek had opgesteld, in bepaalde gevallen in conflict zou komen met het in artikel 3, lid 1, van de verordening neergelegde non-discriminatiebeginsel; dat hij nadelige gevolgen zou hebben voor het vrije verkeer van werknemers en afbreuk zou doen aan het fundamentele vereiste van de communautaire rechtsorde, dat haar rechtsvoorschriften uniform worden toegepast. Het onderscheid tussen „eigen rechten” en „afgeleide rechten” zou ertoe leiden dat het grondbeginsel van gelijke behandeling niet geldt voor de weduwe of weduwnaar van een migrerende werknemer. Op grond hiervan beperkte het Hof de draagwijdte van de uit het arrest Kermaschek voortvloeiende rechtspraak tot werkloosheidsuitkering. De aanspraak hierop kan daarom nog steeds worden beperkt tot werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en worden ontzegd aan hun gezinsleden. ( 32 )
48.
Er zijn enkele wezenlijke elementen in de redenering van het Hof die voor de onderhavige zaken niet gelden: in het bijzonder is het in artikel 3, lid 1, neergelegde beginsel van gelijke behandeling, de hoeksteen van dat arrest, voor de onderhavige zaken niet relevant, aangezien deze niet gaan over de situatie waarop dat artikel betrekking heeft, te weten ongelijke behandeling van buitenlandse ingezetenen door de woonstaat.
49.
Ik ben er echter niet van overtuigd, dat het hoc dan ook juist zou zijn om in een situatie als de onderhavige de onderscheiding te maken die in het arrest Kcrmaschek wordt gemaakt.
50.
Van gezinsbijslagen kan naar hun aard niet worden gezegd, dat zij aan iemand verschuldigd zijn los van zijn of haar gezinsomstandigheden. Het is absurd om in de context van een gezinsstructuur waarop artikel 73 betrekking heeft, te stellen dat het recht van de aanvrager op een gczinstoclagc niet moet worden geacht te zijn verworven in zijn of haar hoedanigheid van gezinslid. Geen van de zaken waarin de in het arrest Kcrmaschek gemaakte onderscheiding is toegepast, betrof het recht op gezinsbijslag krachtens artikel 73, en bij dergelijke bijslagen lijkt mij de toepassing van die onderscheiding kunstmatig.
51.
Artikel 73 beoogt een Lid-Staat de mogelijkheid te ontnemen om de toekenning van gezinsbijslagen te weigeren op de grond dat een gezinslid van de werknemer in een andere dan de uitkerende Lid-Staat woont. ( 33 ) Aanvaardt men, dat de Duitse ouderschapsuitkering in essentie een gezinsbijslag is, dan komt de ontzegging daarvan aan verzoeksters in de onderhavige zaak neer op een ondermijning van het doel van artikel 73.
52.
Opgemerkt zij, dat een uitlegging van artikel 73 die een echtgenoot van een grensarbeider die in Duitsland werkt en in een andere Lid-Staat woont, aanspraak geeft op de Duitse ouderschapsuitkering, niet kan leiden tot een met de opzet en de doelstellingen van verordening nr. 1408/71 strijdige, ongerechtvaardigde verdubbeling van uitkeringen, aangezien artikel 10 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad ( 34 ) regels bevat voor het geval van samenloop van rechten op gezinsbijslagen. In het bijzonder wordt voor gevallen als de onderhavige, waarin verzoeksters niet werken in de staat waar zij wonen, in artikel 10, lid 1, sub a, van die verordening bepaald, dat gezinsbijslagen verschuldigd door de Lid-Staat van tewerkstelling op grond van, onder meer, artikel 73 voorgaan boven uitkeringen die verschuldigd zijn in de Lid-Staat van de woonplaats en dat laatstgenoemde bijgevolg worden geschorst.
53.
De tegengestelde opvatting zou anderzijds kunnen leiden tot een, met de doelstellingen van de verordening strijdige, leemte in de sociale bescherming van de gezinnen van grensarbeiders. Dit zou het geval zijn, indien volgens het recht van de woonstaat voor dit soort gezinsbijslagen werd aangeknoopt bij de tewerkstelling en niet bij de woonplaats.
54.
Ten slotte dient nog te worden ingegaan op het potentiële argument, dat mevrouw Hoever, die ten tijde van de feiten zelf parttime werkzaam was in Duitsland, uit eigen hoofde een beroep kan doen op artikel 73. Hoewel de nationale rechter dit punt niet in zijn vragen aan de orde stelt, heeft het Sozialgericht Munster zich blijkens de verwijzingsbeschikking over dit argument gebogen en beslist, dat mevrouw Hoever geen „werknemer” was in de zin van de verordening. Artikel 1 a van en bijlage I. I bij de verordening geven een aantal alternatieve definities van het begrip „werknemer” die alle aanknopen bij verplichte of vrijwillige verzekering voor verschillende takken van sociale zekerheid. Uit de verwijzingsbeschikking volgt impliciet, dat de door mevrouw Hoever verrichte arbeid niet onder de sociale verzekering viel. Indien dit juist is, dan kan het argument dat mevrouw Hoever uit eigen hoofde een beroep kan doen op artikel 73, niet slagen, tenzij zij een passende vrijwillige verzekering heeft afgesloten, wat nergens blijkt.
Vraag 2b: Is er sprake van discriminatie op grond van geslacht?
55.
Met zijn derde vraag, die alleen in zaak C-245/94 wordt gesteld, wenst de nationale rechter te vernemen, of § 1, lid 4, BErzGG een met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 ( 35 ) strijdige discriminatie op grond van geslacht oplevert, nu volgens die bepaling onderdanen van een Lid-Staat die in de Bondsrepubliek Duitsland werken, slechts aanspraak kunnen maken op ouderschapsuitkering wanneer zij in een dienstbetrekking van meer dan geringe omvang werkzaam zijn.
56.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 bepaalt, dat de richtlijn van toepassing is op wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten en werkloosheid en op sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van dergelijke regelingen. Artikel 3, lid 2, bepaalt expliciet, dat de richtlijn niet van toepassing is op bepalingen betreffende gezinsbijslagen, behalve wanneer het gaat om gezinsbijslagen die worden toegekend uit hoofde van verhogingen van de prestaties als gevolg van voornoemde eventualiteiten.
57.
Aangezien de regeling die in zaak C-245/94 aan de orde is, geen betrekking heeft op een van de bovengenoemde eventualiteiten, is richtlijn 79/7 niet van toepassing.
58.
Volgens de Commissie valt de regeling echter onder richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. ( 36 ) Artikel 5, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.”
59.
Richtlijn 76/207 wordt niet in de vraag van de nationale rechter genoemd. Het Hof mag echter bepalingen van gemeenschapsrecht die niet in de tekst van de vraag van de verwijzende rechter voorkomen, in aanmerking nemen om de nationale rechter die de vraag heeft voorgelegd, een bevredigend antwoord te geven. ( 37 ) Aangezien de Commissie stelt, dat richtlijn 76/207 van toepassing is op de regeling die in zaak C-245/94 aan de orde is, wil ik thans ingaan op de werkingssfeer van die richtlijn,
60.
Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:
„1.
Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid (...)
2.
Ten einde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vast waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden omschreven.”
61.
Dat het, gelijk dit artikel suggereert, de bedoeling was om de sociale zekerheid van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten, wordt bevestigd door de vierde overweging van de richtlijn:
„dat het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid dient te worden omschreven en geleidelijk ten uitvoer dient te worden gelegd door middel van later te nemen maatregelen”.
62.
De „later te nemen maatregelen” waaraan de tenuitvoerlegging van het beginsel op het gebied van de sociale zekerheid was voorbehouden, kwamen al in 1979 tot stand met richtlijn 79/7, die in de vraag van de nationale rechter wordt genoemd. Hoewel de richtlijn volgens haar formulering niet van toepassing is op gezinsbijslagen en bijgevolg voor deze zaak irrelevant is, lijdt het geen twijfel, dat zij uitvoering beoogt te geven aan het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid ( 38 ), wat mijns inziens prima facie bevestigt, dat er voor toepassing van richtlijn 76/207 op dit soort zaken geen plaats is.
63.
Ten slotte bieden de materiële bepalingen van richtlijn 76/207, die voornamelijk gaan over toegang tot banen, promotiekansen en beroepsopleiding, steun aan de opvatting, dat de richtlijn geen betrekking heeft op de sociale zekerheid, en artikel 5, lid 1, moet in dat licht worden gelezen.
64.
Aangezien de Commissie haar stelling, dat richtlijn 76/207 wel op de litigieuze nationale wettelijke regeling van toepassing is, baseert op de overweging in drie uitspraken van het Hof uit 1986 ( 39 ), dat gezien het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling, de in die richtlijn gemaakte uitzondering voor het gebied van de sociale zekerheid strikt moest worden uitgelegd, wil ik nu ingaan op de bron en de draagwijdte van die uitspraak en nagaan, of zij steun biedt aan de stelling van de Commissie.
65.
De uitspraak werd gedaan in een drietal zaken, Roberts, Marshalli en Beets-Proper ( 40 ), over de verenigbaarheid met richtlijn 76/207 van uiteenlopende nationale bepalingen die aanknoopten bij verschillende pensioengerechtigde leeftijden voor mannen en vrouwen. Roberts stelde dat het discriminerend was, dat mannen en vrouwen ouder dan 55 jaar met onmiddellijke ingang pensioen kregen in het kader van een afvloeiingsregeling bij een collectief ontslag omdat dat, gezien het bestaan van verschillende normale pensioenleeftijden, betekende dat mannelijke afvloeiende werknemers tien jaar vóór hun normale pensioengerechtigde leeftijd, vrouwen echter pas vijf jaar vóór hun normale pensioengerechtigde leeftijd recht op een onmiddellijk pensioen kregen. Marshall en Beets-Proper stelden daarentegen, dat het discriminerend was om vrouwen te verplichten om op jongere leeftijd met pensioen te gaan dan mannen, ook al kregen zij een pensioen.
66.
Verzoekster in de eerste zaak en verweerders in de laatste twee beriepen zich op het arrest van het Hof in de zaak Burton. ( 41 ) Burton had in die zaak gesteld, dat het feit dat de mogelijkheid om deel te nemen aan een vrijwillige afvloeiingsregeling was gekoppeld aan de nationale minimumpensioenlceftijd, die voor mannen en vrouwen verschillend was, hem op grond van zijn geslacht discrimineerde, omdat een vrouw van zijn leeftijd (58 jaar) recht zou hebben op een afvloeiingsregeling, maar hij niet. Het Hof besliste, dat dit feit op zich niet kon worden beschouwd als een met artikel 5 van richtlijn 76/207 strijdige discriminatie. Het kwam tot zijn conclusie op grond dat richtlijn 76/207 weliswaar van toepassing was omdat de voorwaarden van een vrijwillige afvloeiingsregeling „ontslagvoorwaarden” waren, maar dat de verschillende leeftijdseisen niet als discriminatoir konden worden aangemerkt nu zij voortvloeiden uit het feit, dat de nationale minimumpcnsiocnleeftijd voor mannen en vrouwen verschillend was. Het Hof verwees naar artikel 7 van richtlijn 79/7, dat de Lid-Statcn toestaat om „de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties” van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten. Uit deze toegelaten uitsluiting volgde, dat de vaststelling van verschillende minimumpcnsioenlccftijdcn en bijgevolg de toekenning van uitkeringen die enkel op grond van dat verschil voor mannen en vrouwen verschilden, geen gemeenschapsrechtelijk verboden discriminatie opleverde. ( 42 )
67.
In de arresten Roberts, Marshall I en Bccts-Propcr overwoog het Hof eveneens, dat richtlijn 76/207 van toepassing was omdat de litigieuse bepalingen „ontslagvoorwaarden” waren. Op grond van artikel 5 gold hiervoor dus het beginsel van gelijke behandeling. Gezien het fundamentele belang van dat beginsel, achtte het Hof het nodig, duidelijk te maken, dat de uitzondering in artikel 7 van richtlijn 79/7, waarop het Hof zijn beslissing in de zaak Burton had gebaseerd, niet ruim moest worden uitgelegd, met als gevolg, dat het op geen van de drie zaken van toepassing was. Aldus kon het Hof de betrokken zaken van de zaak Burton onderscheiden en het besliste op grond van artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 in de zaken Marshall I en Bects-Proper, dat er wel sprake was van discriminatie, en in de zaak Roberts dat daarvan geen sprake was. ( 43 )
68.
Uit deze zaken volgt dus niet, dat het gebied van de sociale zekerheid kan worden geacht onder de werkingssfeer van richtlijn 76/207 te vallen; het Hof heeft alleen maar gezegd, dat artikel 7 van richtlijn 79/7, als uitzondering op een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht dat onder meer in eerstgenoemde richtlijn is neergelegd, om een enge uitlegging vraagt. In de latere zaak Newstead ( 44 ) staat voor het Hof nog steeds buiten kijf, dat „richtlijn 79/7 niet bedoeld [is] om te worden toegepast op het gebied van de sociale zekerheid. Dit volgt uit arti-kcli,lid2 (...)” ( 45 )
69.
In het arrest Jackson en Cresswell ( 46 ) overwoog het Hof weliswaar, dat uit de hierboven geciteerde overweging uit de arresten Roberts, Marshall I en Beets-Proper volgde, dat een uitkeringsregeling niet van de werkingssfeer van richtlijn 76/207 kan worden uitgesloten, enkel omdat zij formeel deel uitmaakt van een nationaal stelsel van sociale zekerheid. Maar het liet hierop volgen, dat een dergelijke regeling enkel onder de werkingssfeer van de richtlijn valt, indien zij verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van beroepsopleiding en promotiekansen, of met de arbeidsvoorwaarden, en dat de enkele omstandigheid dat de toekenningsvoorwaarden voor een bepaalde uitkering van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid van de aanvrager om een beroepsopleiding te gaan volgen of parttime te gaan werken, die regeling nog niet onder de werkingssfeer van de richtlijn brengt. ( 47 )
70.
Omdat de betrokken regeling verband hield met de toegang tot het arbeidsproces en met de arbeidsvoorwaarden, besliste het Hof in de zaak Meyers ( 48 ), dat een uitkering met de kenmerken en het doel van de „family credit” van het Verenigd Koninkrijk onder de werkingssfeer van richtlijn 76/207 viel. Een van de voorwaarden voor recht op „family credit” was, dat de aanvrager of zijn partner, met wie hij al dan niet gehuwd is, betaalde arbeid verricht. In het arrest Hughes ( 49 ) had het Hof al eerder overwogen, dat een van de functies van „family credit” was om laagbetaalde werknemers aan het werk te houden. Hoewel het standpunt dat een dergelijke uitkering in ruime zin betrekking heeft op het arbeidsproces, wel valt te verdedigen, zie ik niet in hoe uit dit algemene uitgangspunt volgt, dat die uitkering verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces of met de arbeidsvoorwaarden, zoals het Hof in de zaak Meyers vaststelt.
71.
Hoe dit ook zij, uit de beslissing van het Hof in de zaak Meyers, dat een uitkering als de „family credit” die in die zaak aan de orde was, binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 valt, volgt niet, dat dit ook het geval is voor elke andere uitkering die een „gezinsbijslag” is in de zin van verordening nr. 1408/71. Het beslissende kenmerk in de zaak Meyers was, dat de „family credit” wordt betaald aan een gezinslid omdat hij of zij werkt en opdat hij of zij zal blijven werken. ( 50 ) De band met arbeidsvoorwaarden was daarom wellicht nauwer en duidelijker dan het geval is bij de ouderschapsuitkering.
72.
Bovendien lijkt het arrest Meyers (in r. o. 12 en 13) de indruk te wekken, alsof het vaste rechtspraak zou zijn, dat socialezekerheidsregelingen onder de werkingssfeer van richtlijn 76/207 vallen. De facto wordt dit echter in geen van de eerdere beslissingen gezegd, want de zaken Roberts, Marshall I en Beets-Proper hadden alle betrekking op de beëindiging van de arbeidsverhouding wegens het bereiken van de pensioenleeftijd of afvloeiing, en in de zaak Jackson en Cresswell besliste het Hof, dat de litigieuze regeling geen verband hield met de toegang tot het arbeidsproces of met de arbeidsvoorwaarden.
73.
De conclusie van het Hof dat een dergelijke uitkering onder de werkingssfeer van richtlijn 76/207 valt, laat zich dan ook mijns inziens niet goed verenigen met de uitdrukkelijke tekst van de richtlijn en met zijn eerdere rechtspraak (alle uitspraken op dit punt waren beslissingen van het voltallige Hof).
74.
Op grond van het bovenstaande ben ik van oordeel, dat richtlijn 76/207 niet van toepassing is op de onderhavige Duitse ouderschapsuitkering. Voor het geval het Hof, in navolging van de Commissie, mocht beslissen dat zij wel van toepassing zou zijn, ga ik niettemin in op de implicaties die dat zou hebben.
75.
De verwijzende rechter wijst erop, dat de overgrote meerderheid (75 %) van parttime banen en in het bijzonder banen van geringe omvang ( 51 ), in de Bondsrepubliek door vrouwen wordt bezet.
76.
Het Hof heeft in een reeks uitspraken het beginsel ontwikkeld, dat wanneer een maatregel parttime werknemers ten opzichte van fulltime werknemers benadeelt, en komt vast te staan dat een veel groter aantal vrouwen dan mannen wordt getroffen, de maatregel in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, tenzij hij kan worden verklaard door factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. ( 52 ) Hoewel alle zaken waarin het Hof tot nu toe heeft beslist dat ongelijke behandeling van parttime werknemers een vermoeden van discriminatie oplevert, ofwel betrekking hadden op artikel 119 van het Verdrag, betreffende gelijke beloning, ofwel op richtlijn 79/7 betreffende sociale-zekerheidsuitkeringen, is er geen reden om de beginselen die in die zaken zijn ontwikkeld, niet uit te breiden tot de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden, waarvoor het beginsel van gelijke behandeling is ingevoerd bij richtlijn 76/207. ( 53 ) Ook het Hof gaat kennelijk hiervan uit in de zaak Kirsammer-Hack ( 54 ), hoewel het in die zaak geen vermoeden van discriminatie aannam.
77.
Het beginsel, dat ongelijke behandeling van parttime werknemers het vermoeden van indirecte discriminatie oplevert, sluit aan bij het feit, dat in de regel veel meer vrouwen parttime werken dan mannen; een maatregel die parttime werknemers benadeelt ten opzichte van fulltime werknemers, werkt in de praktijk daarom dikwijls nadelig voor vrouwen. Het is dit onderliggende gevolg, dat die behandeling op het eerste gezicht onwettig maakt.
78.
In alle zaken tot dusver over dit aspect van indirecte discriminatie ging het om maatregelen die verschillende gevolgen hadden voor twee herkenbare groepen: een groep parttime werknemers, voornamelijk vrouwen, en een groep fulltime werknemers, voornamelijk mannen. In de meeste gevallen werden aan de eerste groep voordelen die aan de tweede werden toegekend, ontzegd of op minder gunstige voorwaarden verleend. Het was dus vrij makkelijk voor het Hof om de positie van een overwegend uit vrouwen bestaande groep af te zetten tegen die van een overwegend uit mannen bestaande groep en om te concluderen dat dit verschil in behandeling, behoudens objectieve rechtvaardiging, een indirecte discriminatie opleverde.
79.
De onderhavige zaak lijkt in zoverre analoog te liggen, dat de betrokken wetgeving zo is opgezet, dat een uitkering wordt toegekend aan een groep die overwegend uit mannen bestaat en wordt onthouden aan een groep die overwegend uit vrouwen bestaat. Er is echter een fundamenteel verschil tussen deze zaak en de zaken die hebben geleid tot de ontwikkeling van het beginsel, dat ongelijke behandeling van parttime werknemers indirecte discriminatie kan opleveren: in deze zaak wordt de uitkering die volgens de letter van de wet wordt toegekend aan een groep die in hoofdzaak uit mannen bestaat, de facto bijna zonder uitzondering door de vrouwen in die groep geclaimd. ( 55 ) De gunstige behandeling van mannen in de referentiegroep van fulltime werknemers, die tot nu toe een noodzakelijk element was voor de conclusie dat parttime werknemers werden gediscrimineerd, ontbreekt derhalve. Daarom heb ik ook theoretische problemen met de toepassing op de onderhavige situatie van de vaste rechtspraak betreffende parttime werknemers en discriminatie op grond van geslacht.
80.
Mocht het Hof echter van oordeel zijn, dat op grond van de wijze waarop de nationale wettelijke regeling is geformuleerd, is voldaan aan de voorwaarden uit de eerdere rechtspraak voor het aannemen van een vermoeden van discriminatie, en de eerste vraag dus bevestigend beantwoorden, dan zou mijns inziens kunnen worden gesteld, dat de maatregel berust op objectieve factoren die met discriminatie op grond van geslacht niets van doen hebben en dat hij bijgevolg niet onwettig is. Ik formuleer het zo omdat het de taak van de nationale rechter is om vast te stellen, of en in hoeverre de aangevoerde redenen ter verdediging van het verschil in behandeling in een concreet geval kunnen worden aangemerkt als objectief gerechtvaardigde redenen van economische aard ( 56 ), ook al kan het Hof op grond van het dossier van het hoofdgeding en de voor het Hof gemaakte mondelinge en schriftelijke opmerkingen aanwijzingen geven, teneinde de nationale rechter in staat te stellen uitspraak te doen. ( 57 )
81.
Zoals gezegd, heeft de Duitse regering aangegeven waarom er voor de aanspraak op ouderschapsuitkering voor nict-ingezetenen een minimumaantal arbeidsuren geldt: kort gezegd is dit om te verzekeren dat er een voldoende nauwe band met de Duitse arbeidsmarkt is om een uitzondering op het territorialiteitsbeginsel te rechtvaardigen. Gelijk het Hof onlangs heeft overwogen, behoort het sociaal beleid in de huidige stand van het gemeenschapsrecht tot de bevoegdheid van de Lid-Staten en hebben de Lid-Staten een ruime beoordelingsmarge bij de keuze van de maatregelen die geschikt zijn voor de verwezenlijking van hun doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid. ( 58 )
82.
Het Hof heeft onlangs uitgemaakt, dat een nationale wettelijke regeling als de Duitse die dienstverbanden met een beperkt aantal arbeidsuren uitsluit van de verplichte premiebetaling voor de ouderdoms-, de ziekte- en de werkloosheidsverzekering, niet indirect op grond van geslacht discrimineert, ook al worden aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen door deze regeling getroffen. ( 59 )
83.
Het Hof verklaarde, dat de nationale wetgever in redelijkheid ervan uit kon gaan, dat de wettelijke regeling noodzakelijk was voor de verwezenlijking van een doelstelling van sociaal en werkgelegenheidsbeleid, samenhangend met een structureel beginsel van het nationale socialezekerheidsstelsel en met de maatschappelijke vraag naar beperkte dienstverbanden, die het noodzakelijk maakt om het aanbod van dergelijke dienstverbanden te bevorderen.
84.
Evenzo heeft de doelstelling van sociaal en werkgelegenheidsbeleid die de Duitse regering met de regeling van de ouderschapsuitkering wenst te verwezenlijken, mijns inziens objectief niets van doen met wat voor discriminatie op grond van geslacht dan ook. De nationale wetgever heeft bij de uitoefening van zijn diserctionaire bevoegdheid in redelijkheid mogen aannemen, dat de betrokken wettelijke regeling ter verwezenlijking van die doelstelling noodzakelijk en passend was. Onder die omstandigheden kan het enkele feit dat de regeling een veel groter aantal vrouwelijke dan mannelijke werknemers raakt, niet worden aangemerkt als een inbreuk op het in artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 verankerde beginsel van gelijke behandeling.
Vraag 3: De werkingssfeer van verordening nr. 1612/68
85.
Volgens de tekst van de derde vraag stelt de nationale rechter deze enkel voor het geval het Hof de eerste vraag — of de ouderschapsuitkering een gezinsbijslag is in de zin van artikel 73 van verordening nr. 1408/71 — ontkennend mocht beantwoorden. De Commissie wijst echter op de eerdere rechtspraak van het Hof, waaruit duidelijk blijkt, dat artikel 7, lid 2, van verordening nr, 1612/68 van toepassing kan zijn op sociale voordelen die tegelijkertijd onder verordening nr. 1408/71 vallen, aangezien verordening nr. 1612/68 voor het vrije verkeer van werknemers van algemene betekenis is. ( 60 ) Ondanks mijn voorstel aan het Hof om de eerste vraag bevestigend te beantwoorden, zal ik daarom op deze vraag ingaan. Zij bestaat uit drie subvragen die — evenals de vragen betreffende de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 — zowel betrekking hebben op de materiële als op de personele werkingssfeer van de verordening.
86.
Verordening nr. 1612/68 van de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vastgesteld op basis van artikel 49 van het Verdrag, dat de Raad verplicht om bij wege van richtlijnen of verordeningen de maatregelen vast te stellen om te komen tot een vrij verkeer van werknemers zoals dit in artikel 48 is omschreven. Evenals laatstgenoemd artikel wijst de verordening in haar considerans op de noodzaak om discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten af te schaffen wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden, en op het recht voor deze werknemers om zich vrij binnen de Gemeenschap te verplaatsen om er arbeid in loondienst te verrichten. ( 61 ) Het eerste deel — tewerkstelling en
familie van de werknemers — omvat drie titels, waarvan titel I gaat over arbeid in loondienst, titel II over het verrichten van arbeid en de gelijkheid van behandeling, en titel III over de familie van de werknemers.
Materiële werkingssfeer van verordening nr. 1612/68
87.
Vraag 3 a is, of de ouderschapsuitkering een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68. Zoals ik hierboven in punt 21 heb uiteengezet, is het Hof in een procedure ex artikel 177 EG-Verdrag niet bevoegd om de aldus geformuleerde vraag te beantwoorden. Het kan de nationale rechter echter wel aanwijzingen geven om hem hiertoe zelf in staat te stellen.
88.
Het Hof heeft de in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 genoemde sociale en fiscale voordelen gedefinieerd als:
„die (...) welke, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemersonderdanen van andere Lid-Staten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”. ( 62 )
89.
Zo heeft het Hof uitgemaakt, dat onder artikel 7, lid 2, zulke uiteenlopende voordelen vallen als het recht op goedkope treintarieven ( 63 ), een rentevrije lening bij de geboorte van een kind ( 64 ), en een beurs voor studie in een andere Lid-Staat. ( 65 )
90.
In het licht van deze rechtspraak is een uitkering als de ouderschapsuitkering ontegenzeglijk een „sociaal voordeel” in de zin van verordening nr. 1612/68.
Personele werkingssfeer van verordening nr. 1612/68
91.
In vraag 3b vraagt de nationale rechter, of artikel 7, lid 2, van toepassing is wanneer de werknemer die in een andere Lid-Staat woont, onderdaan is van de staat waar hij werkt.
92.
De Commissie beantwoordt deze vraag onder verwijzing naar de recente rechtspraak van het Hof over artikel 52 van het Verdrag en in het bijzonder naar de zaak Werner. ( 66 ) In die zaak, die ook ging over ongelijke behandeling (de weigering van bepaalde belastingverlagingen) door Duitsland van een Duitser die als zelfstandige in Duitsland werkte maar in Nederland woonde, baseerde het Hof zijn beslissing, dat artikel 52 niet in de weg stond aan een zwaardere belasting van niet-ingezetenen, op het ontbreken van enig intracommunautair element. Werner kon zich, zoals advocaat-generaal Darmon opmerkte, in zijn land van herkomst, waar hij was gevestigd, niet op de door het gemeenschapsrecht erkende rechten beroepen omdat hij geen gebruik had gemaakt van de rechten van vrij verkeer, neergelegd in de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag. ( 67 ) Anders gezegd, „het aan gemeenschapsonderdanen toegekende recht van vrij verkeer [veronderstelt] een op een economische werkzaamheid gerichte verplaatsing”. ( 68 )
93.
Meer gelijkenis met de onderhavige zaken vertoont de zaak Morson en Jhanjan ( 69 ), waar het ging om de vraag, of een bloedverwant die zelf geen gemeenschapsonderdaan was en die ten laste kwam van een Nederlander die in Nederland werkte, zich tegenover Nederland kon beroepen op artikel 10 van verordening nr. 1612/68, dat bloedverwanten die ten laste komen van een „werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld” het recht geeft om zich met die werknemer te vestigen. Het Plof overwoog:
„dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en de uitvoeringsregeling hiervan niet kunnen worden toegepast op situaties die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven. Dit geldt zeker voor het geval van werknemers die nooit gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap.” ( 70 )
94.
Toegegeven, artikel 10 geldt met zoveel woorden enkel voor een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en in een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, terwijl artikel 7 niet expliciet aangeeft, of het eveneens enkel bedoeld is voor situaties waarin een onderdaan van een Lid-Staat in een andere Lid-Staat is tewerkgesteld. Mijns inziens moet het echter wel zo worden uitgelegd, en het Hof is in een aantal zaken zeker hiervan uitgegaan. ( 71 )
95.
Artikel 7, lid 2, luidt: „Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.” Het persoonlijk voornaamwoord slaat terug op de werknemer die zich in de situatie bevindt die is omschreven in artikel 7, lid 1, dat luidt als volgt:
„Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.”
96.
In de twee onderhavige zaken is de werknemer waar het om gaat — de echtgenoot van de verzoekster — onderdaan van de Lid-Staat op wiens grondgebied de gestelde discriminatie plaatsvindt. Er is dus geen ruimte voor toepassing van artikel 7, lid 2.
97.
Deze uitlegging sluit bovendien aan bij de considerans van de verordening en de opzet van titel II daarvan. Deze titel, waarin de artikelen 8 en 9 voorkomen, draagt het opschrift „Verrichten van arbeid en gelijkheid van behandeling”. De artikelen 8 en 9, die respectievelijk gaan over vakbondslidmaatschap en huisvestingsrechten en -voordelen, gelden volgens hun letter beide voor een „werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld”.
98.
Aangezien geen van beide verzoeksters of hun respectieve echtgenoten gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap, moet worden geconcludeerd, dat zij zich bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht geen van allen op verordening nr. 1612/68 kunnen beroepen.
99.
Het verdient wellicht opmerking, dat zowel advocaat-generaal Dannon in de zaak Werner ( 72 ) als advocaat-generaal Léger in de zaak Asscher ( 73 ) van oordeel zijn, dat de richtlijnen van de Raad van 28 juli 1990 betreffende het recht van verblijf ( 74 ), die een algemeen verblijfsrecht toekennen dat los staat van enige economische activiteit, tot een verruiming van het begrip vrij verkeer zullen leiden door het los te maken van het vereiste van een economisch doel. De enge uitlegging die in sommige zaken aan dat begrip is gegeven, is daarom wellicht niet langer juist.
100.
Aangezien deze richtlijnen echter pas op 30 juni 1992 ten uitvoer moesten zijn gelegd, hebben zij voor de onderhavige zaken, waar de relevante feiten zich in 1987 en 1991 hebben voorgedaan, evenmin invloed op dit beginsel als voor de zaken Werner of Asscher. Bovendien kunnen zij de duidelijke tekst van artikel 7 van verordening nr. 1612/68 niet opzijzetten.
101.
Nu vraag 3 b ontkennend is beantwoord, behoeft geen antwoord te worden gegeven op vraag 3c, die betrekking heeft op de werking van artikel 7, lid 2, zo dit van toepassing mocht zijn.
Conclusie
102.
Ik geef het Hof daarom in overweging, de vragen te beantwoorden als volgt:
In zaak C-245/94, Hoever:
„1)
Een uitkering met de kenmerken van de Duitse ouderschapsuitkering is een gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
2)
a)
De echtgenoot van een persoon die werkzaam is in de Bondsrepubliek Duitsland en wiens gezin in een andere Lid-Staat woont, kan op grond van artikel 73 van verordening nr. 1408/71 betaling van ouderschapsuitkering vorderen.
b)
Een bepaling van nationaal recht die niet-ingezetenen die in de Bondsrepubliek Duitsland werken, enkel aanspraak op ouderschapsuitkering geeft wanneer zij in een dienstbetrekking van meer dan geringe omvang werkzaam zijn, levert geen discriminatie op grond van geslacht op die strijdig is met artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, of met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
3)
a)
Een uitkering met de kenmerken van de Duitse ouderschapsuitkering is een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.
b)
Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 is niet van toepassing, indien de werknemer die in een andere Lid-Staat woont, onderdaan is van de staat waar hij werkt.”
In zaak C-312/94, Zachów:
„1)
Een uitkering met de kenmerken van de Duitse ouderschapsuitkering is een gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, sub h, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
2)
De echtgenoot van een persoon die werkzaam is in de Bondsrepubliek Duitsland en wiens gezin in een andere Lid-Staat woont, kan op grond van artikel 73 van verordening nr. 1408/71 betaling van ouderschapsuitkering vorderen.
3)
a)
Een uitkering met de kenmerken van de Duitse ouderschapsuitkering is een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.
b)
Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 is niet van toepassing, indien de werknemer die in een andere Lid-Staat woont, onderdaan is van de staat waar hij werkt,”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen: zie de gewijzigde en geconsolideerde versie, neergelegd in verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6) met latere wijzigingen, in het bijzonder die van verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 331, blz. 1).
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2).
( 3 ) Artikel 1, sub ui, is bij verordening (EG) nr. 3096/95 van de Raad van 22 december 1995 (PB 1995, L 335, biz. 10) gewijzigd om uitkeringen bij adoptie gelijk te stellen met uitkeringen bij geboorte.
( 4 ) Bijlage II vermeldt voor Duitsland geen zodanige uitkering.
( 5 ) Bijlage VĪ, „Bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde Lid-Staten”, bevat geen bepalingen clic voor de onderhavige procedure van belang zijn.
( 6 ) Richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976 (PB 1976, L 39, blz. ΊΟ).
( 7 ) Dat verwijst naar Bock IV, § 8, van het Sozialgcsctzbuch. Deze verwijzing is ingevoegd bij een wetswijziging in 1990; de voorafgaande versice, die enkel voor zaak C-312/94 van belang is, verlangde enkel arbeid in loondienst binnen het toepassingsgebied van de BErzGG, zonder nadere definitie.
( 8 ) Zaak C-16/96, nog aanhangig.
( 9 ) In de vraag in zaak C-312/94 wordt een andere versie van de wet genoemd dan in zaak C-245/94. Het verschil is voor de onderhavige zaak niet van belang.
( 10 ) Zie bij voorbeeld arrest van 20 juni 1991, zaak C-356/89, Newton, Jurispr. 1991, blz. I-3017, r. o. 10.
( 11 ) Zie in het bijzonder arrest van 27 maart 1985, zaak 249/83, Hocckx, Junspr. 1985, biz. 973, r. o. 11.
( 12 ) Arrest van 16 juli 1992, zaak C-78/91, Hughes, Jurispr. 1992, blz. I-4839, r. o. 15.
( 13 ) Cursivering van mij.
( 14 ) Cursivering van mij.
( 15 ) Vermeld in voetnoot 8.
( 16 ) Arrest aangehaald in voetnoot 12.
( 17 ) R. o. 19 en 20 van het arrest.
( 18 ) Punt 6 van de conclusie.
( 19 ) R. o. 22.
( 20 ) Aangehaald in voetnoot 8.
( 21 ) Arrest Hughes, r. o. 15.
( 22 ) Punt 5 van de conclusie.
( 23 ) Zie arrest van 22 september 1992, zaak C-153/91, Petit, Jurispr. 1992, blz. I-4973, en de conclusie van advocaat-generaal Lenz, punten 16-23.
( 24 ) Arrest van 19 februari 1981, zaak 104/80, Bccck, Jurispr. 1981, blz. 503, r. o. 7.
( 25 ) Arrest van 23 november 1976, zaak 40/76, Jurispr. 1976, blz. 1669, r. o. 7.
( 26 ) Ibidem.
( 27 ) Arrest van 20 juni 1985, zaak 94/84, Dcak, Jurispr. 1985, blz. 1873.
( 28 ) Arrest van 6 juni 1985, zaak 157/84, Frascogna, Jurispr. 1985, blz. 1739.
( 29 ) Arrest van 17 december 1987, zaak 147/87, Zaoui, Jurispr. 1987, blz. 5511.
( 30 ) Arresten van 8 juli 1992, zaak C-243/91, Taghavi, Jurispr. 1992, blz. I-4401, en 27 mei 1993, zaak C-310/91, Schmid, Jurispr. 1993, blz. I-3011.
( 31 ) Arrest van 30 april 1996, zaak C-308/93, Jurispr. 1996, blz. I-2097.
( 32 ) Zie r. o. 26-34.
( 33 ) Zie arresten van 22 februari 1990, zaak C-228/8S, Bronzino, Jurispr. 1990, blz. I-531, r. o. 12, en 5 oktober 1995, zaak C-321/93, Imbernon Martínez, Jurispr. 1995, blz. I-2821, r. o. 21.
( 34 ) Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen: zie de gewijzigde en geconsolideerde versie, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad, aangehaald in voetnoot 1.
( 35 ) Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
( 36 ) Aangehaald in voetnoot 6.
( 37 ) Zie bij voorbeeld arrest van 20 maart 1986, zaak 35/85, Tïssier, Jurispr. 1986, blz. 1207, r. o. 9.
( 38 ) Zie de eerste en de tweede overweging van de richtlijn.
( 39 ) Arresten van 26 februari 1986, zaak 151/84, Roberts, Jurispr. 1986, blz. 703, r. o. 35; zaak 152/84, Marshall, ibidem, blz. 723, r. o. 36, en zaak 262/84, Beets-Propcr, ibidem, blz. 773, r. o. 38.
( 40 ) Aangehaald in voetnoot 39.
( 41 ) Arrest van 16 februari 1982, zaak 19/81, Jurispr. 1982, blz. 555.
( 42 ) R. o. 13-18.
( 43 ) Zie de arresten Roberts, r. o. 37, Marshall, r. o. 38, en Bccts-Propcr, r. o. 40.
( 44 ) Arrest van 3 december 1987, zaak 192/85, Jurispr. 1987, blz. 4753.
( 45 ) R. o. 24.
( 46 ) Arrest van 16 juli 1992, gevoegde zaken C-G3/91 en C-64/91, Jurispr. 1992, Hz. I-4737.
( 47 ) R. o. 27-30.
( 48 ) Arrest van 13 juli 1995, zaak C-116/94, Jurispr. 1995, blz. I-2131.
( 49 ) Aangehaald in voetnoot 12; zie ook de punten 31 en 32 van deze conclusie.
( 50 ) Zie punt 59 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz.
( 51 ) Minder dan vijftien arbeidsuren per week: zie § 8 van Boek IV van het Sozialgesetzbuch.
( 52 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 31 maart 1981, zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911; 13 mei 1980, zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607; 13 juli 1989, zaak 171/88, Rinner-Kühn, Jurispr. 1989, blz. 2743, en laatstelijk het arrest van 6 februari 1996, zaak C-457/93, Lewark, Jurispr. 1996, blz. I-243.
( 53 ) Aldus ook advocaat-generaal Darmon in punt 5 van zijn conclusie in zaak C-184/89, Nimz, Jurispr. 1991, blz. I-297.
( 54 ) Arrest van 30 november 1993, zaak C-189/91, Jurispr. 1993, blz. I-6185.
( 55 ) De nationale rechter noemt het getal 98,6 %, vermoedelijk voor alle aanvragen dat wil zeggen zowel op grond van § 1, lid 1, als op grond van § 1, lid 4.
( 56 ) Zie bij voorbeeld het arrest Rinncr-Kühn, aangehaald in voetnoot 52, r. o. 15.
( 57 ) Zie arresi van 30 maart 1993, zaak C-328/91, Thomas e. a., Jurispr. 1993, blz. I-1247, r. o. 13.
( 58 ) Arrest van 14 december 1995, zaak C-444/93, Megner en Scheffel, Jurispr. 1995, blz. I-4741, r. o. 29.
( 59 ) Arrest Megner en Scheffel en arrest van 14 december 1995, zaak C-317/93, Nolle, Jurispr. 1995, blz. I-4625.
( 60 ) Zie arresten van 10 maart 1993, zaak C-111/91, Commissie/ Luxemburg, Jurispr. 1993, blz. I-817, r. o. 21, en 27 mei 1993, Schmid, aangehaald in voetnoot 30, r. o. 17.
( 61 ) Eerste overweging van de considerans.
( 62 ) Arrest Hoeckx, aangehaald ín voetnoot 11, r. o. 20.
( 63 ) Arrest van 30 september 1975, zaak 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085.
( 64 ) Arrest van 14 januari 1982, zaak 65/81, Reina, Jurispr. 1982, bl/.. 33.
( 65 ) Arrest van 27 september 1988, zaak 235/87, Matteucci, Jurispr. 1988, blz. 5589.
( 66 ) Arrest van 26 januari 1993, zaak C-112/91, Jurispr. 1993, blz. I-429.
( 67 ) Punt 44 van zijn conclusie.
( 68 ) Punt 30 van de conclusie van advocaat-generaal Darmon: cursivering in het origineel.
( 69 ) Arrest van 27 oktober 1982, gevoegde zaken 35/82 en 36/82, Jurispr. 1982, blz. 3723.
( 70 ) R. o. 16 en 17.
( 71 ) Zie arresten van 31 mei 1979, zaak 207/78, Even, Jurispr. 1979, blz. 2019, r. o. 22; 20 juni 1985, Deak, aangehaald in voetnoot 27, r. o. 20; 17 april 1986, zaak 59/85, Reed, Jurispr. 1986, blz. 1283; 18 juni 1987, zaak 316/85, Lebon, Jurispr. 1987, blz. 2811, r. o. 10 en 11, en laatstelijk het arrest van 26 oktober 1995, zaak C-151/94, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1995, blz. I-3685, r. o. 13.
( 72 ) Aangehaald in voernoot 66.
( 73 ) Zaak C-107/94, nog aanhangig; conclusie van 15 februari 1996.
( 74 ) Richtlijnen van de Raad 90/364/EEG betreffende het rechi van verblijf, 90/365/EEG van de Raad betreffende hel rechi van verblijf van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt, en 90/366/EEG betreffende het verblijfsrecht van studenten (PB 1990, L 180, op resp. blz. 26, 28 en 30). Laatstgenoemde richtlijn is bij arrest van het Hof van 7 juli 1992 nietig verklaard (zaak C-295/90, Parlement/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-4193) en is vervangen door richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende hel verblijfsrecht van studenten (PB 1993, L 317, blz. 59).
Full & Egal Universal Law Academy