CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 20 juni 1996 ( *1 )
1.
De door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Sala de lo Social) gestelde vragen hebben betrekking op twee belangrijke aspecten van de communautaire regeling op het gebied van de sociale zekerheid, zoals neergelegd in verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (hierna: „verordening”). ( 1 ) De aan het Hof voorgelegde problemen hebben betrekking op zowel de wijze van berekening van het zogeheten theoretische bedrag van het invaliditeitspensioen, als het mechanisme voor de vaststelling van het werkelijke uitkeringsbedrag dat de migrerend werknemer ontvangt van elk van de verschillende organen waaraan hij gedurende zijn beroepsloopbaan bijdragen heeft betaald.
2.
De aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt. E. Lafuente Nieto (hierna: „verzoeker”), een Spaanse werknemer, had vóór 1969 gedurende een periode van in totaal 1898 dagen premie betaald overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling. Nadat hij in dat jaar naar Duitsland was verhuisd, had hij vervolgens premies betaald aan de bevoegde organen van dat land tot 1990, het jaar waarin hij blijvend arbeidsongeschikt werd verklaard.
3.
Om redenen die de verwijzende rechter niet noemt, kende het Duitse bevoegde orgaan verzoeker een invaliditeitspensioen toe dat uitsluitend was gebaseerd op de periode dat hij in Duitsland werkzaam was geweest, en waarbij dus geen rekening werd gehouden met de beroepswerkzaamheid die hij in zijn land van oorsprong had verricht.
4.
Verzoeker wendde zich derhalve tot het Spaanse bevoegde orgaan, het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS; hierna ook: „verweerder”), met het oog op de toekenning van een invaliditeitspensioen dat was gebaseerd op het in Spanje vervulde tijdvak van arbeid.
Overeenkomstig de toepasselijke nationale wettelijke regeling kende verweerder verzoeker een invaliditeitspensioen toe ten bedrage van 9226 PTA per maand, dat veertien keer per jaar zou worden uitgekeerd. Bij de vaststelling van dat bedrag werd uitgegaan van een wettelijke fictie. Daar verzoeker gedurende de periode voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet in Spanje had gewerkt, werd er overeenkomstig de nationale wettelijke regeling van uitgegaan, dat hij in die periode niet premieplichtig was geweest. ( 2 ) Het bedrag van zijn invaliditeitspensioen werd bijgevolg berekend op basis van het minimumloon van een werknemer van zijn categorie. ( 3 ) Het door de Spaanse administratie te betalen percentage van de uitkering werd vervolgens vastgesteld naar verhouding van de door verzoeker in Spanje vervulde tijdvakken van arbeid tot de totale duur van zijn beroepsloopbaan.
5.
Verzoeker was het niet eens met de door verweerder toegepaste berekeningsmethode: naar zijn oordeel waren zowel de premies waarvan was uitgegaan voor de vaststelling van het theoretische bedrag van de uitkering, als het criterium dat was gekozen voor de toepassing van de zogeheten proratarcgel, onjuist. Hij stelde derhalve beroep in bij de Juzgado de lo Social de Bizkaia. Zijn verzoek om te doen vaststellen, dat hij, op basis van andere berekeningen dan die welke verweerder had toegepast, recht had op een pensioen van 56485 PTA per maand, werd evenwel door de rechter in eerste aanleg ongegrond geacht, zodat het beroep werd afgewezen.
6.
Verzoeker ging van die uitspraak in hoger beroep bij het Tribunal de lo Social del País Vasco, dat het Hof thans de volgende prejudiciële vragen voorlegt:
„1)
Moet artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (in de versie die gold in juli 1990), wat de daarin bedoelde feitelijke situatie betreft, aldus worden uitgelegd, dat het een wettelijke regeling omvat zoals die van artikels van wet nr, 26/1985 van 31 juli 1985, waarnaar in het feitelijk gedeelte, tweede paragraaf, sub B, van de onderhavige beschikking wordt verwezen, of valt deze wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van artikel 47, lidi, sub b, van de verordening?
2)
Indien het antwoord op de eerste vraag luidt, dat voornoemde Spaanse wettelijke regeling valt onder de in artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 beschreven situatie, moet deze bepaling dan aldus worden uitgelegd,
a)
dat daarbij, naast de Spaanse rechtsregel, een specifiek gemeenschapsrechtelijke regel wordt ingevoerd over de wijze van vaststelling van het gemiddelde van de premies, inhoudende dat dit wordt berekend op basis van het rekenkundig gemiddelde van de in Spanje geldende minimum- en maximumpremies;
b)
dan wel dat zij geen specifieke regel is over de wijze van vaststelling van het gemiddelde van de premies, dat overeenkomstig het Spaanse nationale recht moet worden berekend, waarbij evenwel geen rekening kan worden gehouden met premies die aan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat zijn betaald krachtens diens wettelijke regeling;
c)
of ook nog, dat zij geen specifieke regel bevat over de wijze van vaststelling van het gemiddelde van de premies, dat overeenkomstig het Spaanse nationale recht moet worden berekend, waarbij evenwel de krachtens diens wettelijke regeling aan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat betaalde premies in aanmerking worden genomen, voor zover deze premies ook in Spanje zouden zijn betaald krachtens de Spaanse wettelijke regeling, indien de gebeurtenis die daartoe aanleiding geeft in de andere Lid-Staat, zou worden geacht in Spanje te hebben plaatsgevonden?
3)
Indien het eerste of het tweede van de in de voorgaande prejudiciële vraag genoemde alternatieven de juiste uitlegging is van artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71, is dat artikel dan ongeldig wegens strijd met de opdracht die voortvloeit uit artikel 51 van het Verdrag, in samenhang met het beginsel van vrij verkeer van werknemers van artikel 48 van het Verdrag?
4)
Indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt, dat de wettelijke regeling in artikel 3 van wet nr. 26/1985 valt binnen de werkingssfeer van de in artikel 47, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 omschreven situatie, moet laatstgenoemde bepaling dan aldus worden uitgelegd, dat
a)
op grond daarvan voor de berekening van de grondslag van het pensioen wegens blijvende invaliditeit of ouderdom geen rekening kan worden gehouden met aan het bevoegde orgaan van de andere Lid-Staat krachtens diens wettelijke regeling betaalde premies;
b)
of dat op grond daarvan voor die berekening wel rekening kan worden gehouden met de aan het bevoegde orgaan van de andere Lid-Staat krachtens diens wettelijke regeling betaalde premies, voor zover die premies ook in Spanje krachtens de nationale wettelijke regeling zouden zijn betaald, indien de gebeurtenis die daartoe aanleiding geeft in de andere Lid-Staat, wordt geacht in ons land te hebben plaatsgevonden?
5)
Indien het eerste van de in de voorgaande vraag genoemde twee alternatieven de juiste uitlegging van artikel 47, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 is, is dat artikel dan ongeldig wegens strijd met de opdracht die voortvloeit uit artikel 51 van het Verdrag, in samenhang met het beginsel van vrij verkeer van werknemers van artikel 48 van het Verdrag?
6)
Ongeacht het antwoord op de voorgaande vragen, moet artikel 46, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 1408/71, in de versie die gold in juli 1990, aldus worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde feitelijke hypothese ook ziet op pensioenen wegens blijvende invaliditeit als gevolg van een andere dan een beroepsziekte, die zijn voorzien in de Spaanse algemene sociale zekerheidsregeling (Régimen General de la Seguridad Social), zodat in die gevallen de in die bepaling bedoelde maximumduur het rninimumtijdvak van premiebetaling is dat voor het recht op dit pensioen vereist is?”
7.
De eerste vijf vragen hebben welbeschouwd betrekking op de wijze van berekening van het bedrag van het invaliditeitspensioen. Bij de eerste vraag gaat het er meer bepaald om, hoe de geldende Spaanse wettelijke regeling in het licht van de bepalingen van de gemeenschapsverordening moet worden gekwalificeerd. Met de overige vragen wordt beoogd te vernemen, of het Spaanse bevoegde orgaan bij de vaststelling van het betrokken bedrag rekening dient te houden met de premies die de migrerend werknemer aan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat heeft betaald, dan wel of daartoe andere criteria kunnen worden gehanteerd: te weten het in de nationale wettelijke regeling geformuleerde criterium, volgens hetwelk moet worden uitgegaan van het minimumloon, dan wel het — in de rechtspraak ontwikkelde — criterium, volgens hetwelk moet worden uitgegaan van het gemiddelde van de van overheidswege vastgestelde minimum- en maximumpremies. ( 4 ) Subsidiair wenst de verwijzende rechter te vernemen, of, wanneer wordt vastgesteld dat voor de berekening van de invaliditcitsuitkcring geen rekening dient te worden gehouden met de door de migrerend werknemer aan de bevoegde autoriteiten van een andere Lid-Staat betaalde premies, de betrokken regeling moet worden geacht in strijd te zijn met de in de artikelen 51 en 48 van het Verdrag geformuleerde beginselen.
8.
Met zijn zesde vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof daarentegen om een uitlegging van het begrip „maximumduur” in artikel 46, lid 2, sub c, (thans artikel 47, lid 1, sub a) van de verordening. Die vraag strekt ertoe te vernemen, of bij de berekening van het gedeelte van de uitkering dat ten laste van het Spaanse orgaan komt, rekening moet worden gehouden met alle tijdvakken van arbeid die de werknemer in zijn land van oorsprong en in zijn woonland heeft vervuld, dan wel of daarbij moet worden uitgegaan van het minimumtijdvak dat volgens de Spaanse wettelijke regeling voor het ontstaan van het recht op invaliditeitspensioen vereist is.
9.
Het Koninkrijk Spanje, de Raad, de Commissie en verzoeker hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 2 mei 1996 en opmerkingen ingediend.
De eerste vijf prejudiciële vragen
10.
Ik acht het zinvol om, alvorens de eerste vijf vragen ten gronde te onderzoeken, de in geding zijnde bepalingen in de context van de verordening te plaatsen.
11.
De Spaanse en de Duitse wettelijke regeling op het gebied van invaliditeitspensioenen zijn niet van hetzelfde type. De Spaanse regeling is van het zogeheten type A. Het gaat hier om een risicostelsel. Volgens die regeling is het bedrag van het invaliditeitspensioen namelijk onafhankelijk van de duur der tijdvakken van verzekering. De Duitse wettelijke regeling daarentegen is van het zogeheten type Β. Het betreft hier een opbouwstelsel. Het bedrag van het invaliditeitspensioen is gerelateerd aan de duur van de tijdvakken van premiebetaling. ( 5 )
12.
De toekenning van een invaliditeitspensioen aan een migrerend werknemer die, zoals verzoeker, tijdens zijn beroepsloopbaan onderworpen is geweest aan socialezekerheidsregelmgen van zowel het type A als het type B, is in de verordening uitdrukkelijk geregeld. Artikel 40, lidi, bepaalt namelijk, dat de werknemer die achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, waarvan er ten minste één niet tot het type A behoort, recht heeft op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3 van de verordening [„Ouderdom en overlijden (pensioenen)” — artikelen 44 tot en met 51], die dan van overeenkomstige toepassing zijn.
13.
Van genoemde artikelen bepaalt artikel 45, lid 1, dat het bevoegde orgaan, om na te gaan of er recht op pensioen bestaat, rekening houdt met alle tijdvakken van arbeid die zijn vervuld in de verschillende Lid-Staten waar de migrerend werknemer werkzaam is geweest, alsof die tijdvakken krachtens zijn eigen wettelijke regeling waren vervuld. De werknemer mag zijn socialezekerheidsrechten niet verliezen als gevolg van het feit dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer. ( 6 )
14.
Ik wijs erop, dat verzoekers recht op het invaliditeitspensioen in casu niet wordt betwist. De vragen hebben uitsluitend betrekking op het bedrag dat hem moet worden betaald. Hiervoor moet te rade worden gegaan met de bepalingen van artikel 46, lid 2, die regels geven voor de vaststelling van de socialc-zckerheidsuitkeringen waarop de werknemer, zoals in casu het geval is, op basis van het samentellingsbeginsel aanspraak heeft.
15.
Voor die vaststelling gelden de volgende beginselen: de in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van wonen en van verzekering worden bij elkaar opgeteld en de aan de betrokkene te belalen uitkeringen worden naar evenredigheid tussen de bevoegde organen verdeeld („proratiscring”). In de verordening staat ook, hoe die beginselen moeten worden toegepast.
Het bevoegde orgaan van elke Lid-Staat moet allereerst het theoretische bedrag van de uitkering berekenen. In een stelsel van het type A, zoals het Spaanse, wordt dat theoretische bedrag vastgesteld overeenkomstig de tweede zin van de bepaling: „Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea (artikel 46, lid 2, sub a) bedoelde theoretische bedrag” (cursivering van mij). In de onderhavige zaak moet het in de verordening bedoelde theoretische bedrag dus worden vastgesteld volgens de modaliteiten van de Spaanse wettelijke regeling.
16.
Na het theoretische bedrag aldus te hebben bepaald, stelt het bevoegde orgaan het zogeheten werkelijke uitkeringsbedrag vast. Het doet dit naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen die krachtens de door hem toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de invaliditeit krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld (artikel 46, lid 2, sub b).
17.
De in artikel 47 vervatte bepalingen („Aanvullende bepalingen ter berekening van de uitkeringen”) preciseren de — men zou kunnen zeggen technische — modaliteiten voor de vaststelling door de nationale organen van het theoretische bedrag en voor de omslag van dat bedrag over die organen.
Zoals uit de prejudiciële vragen blijkt, zijn voor de onderhavige zaak twee van de in dat artikel vervatte bepalingen van belang.
Artikel 47, lid 1, sub b (thans sub d), bepaalt:
„het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag der verdiensten, der premies of bijdragen of der verhogingen, stelt de verdiensten, de premies of bijdragen, of de verhogingen waarmede op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen rekening moet worden gehouden, vast op grond van het gemiddelde der verdiensten, der premies of bijdragen, of der verhogingen dat is geconstateerd over de tijdvakken van verzekering, welke krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld”.
Artikel 47, lid 1, sub e — een bepaling die, laat ik dat meteen zeggen, bij de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap is toegevoegd ( 7 ) — bepaalt:
„het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage, stelt deze gemiddelde bijdrage uitsluitend vast aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van die Staat zijn vervuld” (cursivering van mij).
18.
De twee bepalingen die ik zojuist heb aangehaald, moeten met het oog op de onderhavige uitleggingsvragen nader worden onderzocht. Zoals ik al zei, heeft verweerder het theoretische uitkeringsbedrag op basis van de nationale wettelijke regeling berekend. Volgens die regeling wordt het invaliditeitspensioen berekend aan de hand van de premies die de werknemer heeft betaald in de 84 maanden onmiddellijk voorafgaand aan die waarin hij invalide is geworden (de „referentieperiode”). Voor het geval de werknemer evenwel in de referentieperiode geen premies heeft behoeven te betalen, moet er volgens artikel 3, lid 4, van de nationale wettelijke regeling (wet nr. 26/1985 van 31 juli 1985) van worden uitgegaan, dat hij het voor werknemers van zijn categorie vastgestelde minimumloon heeft ontvangen. Welnu, aangezien verzoeker in de referentieperiode in Duitsland werkzaam was en dus niet premieplichtig was in de zin van de Spaanse regeling, werd voor de vaststelling van het uitkeringsbedrag op basis van de door hem betaalde premies, gedaan alsof hij het voor werknemers van zijn categorie vastgestelde minimumloon had ontvangen.
19.
Het is echter juist hier, dat de twijfels rijzen die aan de hand van de verordening moeten worden opgelost. Houden de gemeenschapsbepalingen in, dat het Spaanse bevoegde orgaan bij de berekening van het theoretische bedrag van verzoekers uitkering niet had moeten uitgaan van het in de nationale wettelijke regeling vastgestelde minimumloon voor -werknemers van zijn categorie, maar van het loon dat hij in de betrokken periode in Duitsland had ontvangen? Of had dat bevoegde orgaan nog andere criteria kunnen hanteren, zoals het gemiddelde van de maximum- en minimum-premies?
20.
Volgens de verwijzende rechter moet voor een beantwoording van die vragen allereerst worden onderzocht, of de Spaanse regeling, die gebaseerd is op het begrip premie, binnen de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, sub b, dan wel binnen die van artikel 47, lid 1, sub e, valt.
21.
Partijen brengen op dit punt verschillende standpunten naar voren. Het Koninkrijk Spanje is (met de verwijzende rechter zelf) van mening, dat in casu artikel 47, lid 1, sub e, van toepassing is. Verzoeker daarentegen is de mening toegedaan, dat het Spaanse stelsel tot het in artikel 47, lid 1, sub b, bedoelde type moet worden gerekend.
22.
Nog weer een ander standpunt wordt verkondigd door de Commissie, die op basis van 's Hofs arrest in de zaak Weber ( 8 ) meent, dat in casu artikel 46, lid 2, sub a, van toepassing is. Volgens de Commissie volgt namelijk uit dat arrest, dat een stelsel voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen als het Spaanse (dat, zoals gezegd, van het type Λ is), van de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, van de verordening is uitgesloten.
23.
Dit zijn de verschillende standpunten waarmee het Hof zich geconfronteerd ziet.
Ik zal die standpunten onderzoeken, om te beginnen dat van de Commissie. Vervolgens zal ik ingaan op hetgeen door verzoeker, respectievelijk door het Koninkrijk Spanje is aangevoerd.
24.
Het standpunt van de Commissie is duidelijk en zou het voordeel bieden, dat de oplossing van het probleem aanzienlijk wordt vereenvoudigd. Volgens dat standpunt valt de toepasselijke wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van een andere bepaling van de verordening dan die welke door de verwijzende rechter wordt genoemd. Daarmee zouden de eerste vijf vragen van de verwijzende rechter in één keer van tafel worden geveegd. De voorgestelde oplossing verdient een aandachtig onderzoek.
25.
De zaak Weber had betrekking op het Nederlandse stelsel van invaliditcitsuitkeringen, dat evenals het Spaanse stelsel van het type A is. Anders dan in de onderhavige zaak het geval is, was echter in die zaak het theoretische bedrag van de invaliditcitsuitkering vastgesteld volgens het criterium van het dagloon dat de betrokkene had kunnen verdienen in het jaar volgend op dat waarin hij arbeidsongeschikt was geworden. Voor het geval de werknemer slechts één baan had gehad, betekende dit in de praktijk, dat werd uitgegaan van het loon dat de betrokkene gemiddeld had genoten in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. Weber, die eerder in Nederland had gewerkt, was vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in Duitsland gaan werken. Anders dan verweerder in de onderhavige zaak heeft gedaan, had het Nederlandse orgaan het theoretische bedrag van de uitkering berekend op basis van het loon dat de werknemer laatstelijk had verdiend in de andere Lid-Staat, te weten Duitsland. Weber wenste, dat het theoretische bedrag overeenkomstig artikel 47, lid 1, werd berekend op basis van het loon dat hij gemiddeld in Nederland had genoten. Het Hof besliste de zaak met de overweging, dat tot de in artikel 47, lid 1, bedoelde gevallen niet behoort het geval vaneen stelsel van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waarin het bedrag van de uitkeringen onafhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken en dat ter bepaling van het gederfde loon uitgaat van het in het door de betrokkene gewoonlijk uitgeoefende beroep verdiende loon, en daarbij hetzij het laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dat beroep genoten vaste loon, hetzij het over bepaalde dagen (niet verder dan twee jaar voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid gelegen) gemiddeld genoten loon in aanmerking neemt. ( 9 )
26.
Advocaat-generaal Jacobs heeft in zijn conclusie in de zaak Reichling een vergelijkbaar standpunt verkondigd. ( 10 ) ( 11 ) In die zaak werd de invaliditeitsuitkering volgens de nationale wettelijke regeling berekend op basis van het laatste loon van de werknemer vóór hij arbeidsongeschikt werd. Het geschil had betrekking op de vraag, of het Belgische bevoegde orgaan voor de berekening van het invaliditeitspensioen moest uitgaan van het loon dat de werknemer onmiddellijk vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid had genoten in Luxemburg (waarheen hij, gebruik makend van zijn recht van vrij verkeer, was gegaan om werk te vinden), dan wel van zijn laatste loon in België, waar hij eerder werkzaam was geweest. Ook in die zaak waren de socialezekerheidsregelingen van de twee landen niet van hetzelfde type. Evenals in de onderhavige zaak, was de door het (Belgische) bevoegde orgaan toe te passen wettelijke regeling van het type A, terwijl de Luxemburgse wettelijke regeling van hetzelfde type was als de Duitse (B). Er was nog een andere overeenkomst met de onderhavige zaak. De door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling bepaalde, dat wanneer de betrokkene bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid sedert meer dan veertien dagen niet meer onder de Belgische socialezekerheidsregeling viel, voor de berekening van het theoretische uitkeringsbedrag — eveneens bij wijze van fictie — werd uitgegaan van het minimumloon dat voor een werknemer van categorie I was vastgesteld door het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden. Gelet op de omstandigheden van de zaak concludeerde de advocaat-generaal, dat het arrest Weber „evenzeer van toepassing [was] op de Belgische wetgeving, die de invaliditeitsuitkering berekent op basis van het laatste loon van de aanvrager”. ( 12 ) Het gevolg van die opvatting was, dat artikel 47, lid 1, in die zaak geen toepassing kon vinden.
27.
Ik ben het met de Commissie eens, dat de zojuist besproken zaken in meer dan één opzicht vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Het door de Commissie verdedigde standpunt is bovendien in zoverre nuttig, dat het stemt tot nadenken over de betekenis van artikel 47, lid 1, en over de werkingssfeer van de daarin opgenomen bepalingen. Die bepalingen zijn primair vastgesteld ter vereenvoudiging van de criteria voor de berekening van de uitkeringen. Dat doel is duidelijk wanneer er sprake is van een opbouwstelsel, waarbij wordt uitgegaan van de bijdragen die de betrokkene in de loop van de tijd heeft betaald. Wanneer daarentegen het orgaan dat de uitkering dient te verstrekken, een risicostelsel dient toe te passen, en de werknemer, zoals in ons geval, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid niet meer krachtens een dergelijk stelsel verzekerd is, gaat de fictie van artikel 45, lid 1, van de verordening een rol spelen: de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van arbeid worden geacht te zijn vervuld in de staat van het bevoegde orgaan en krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling.
28.
Ik ben mij bewust van de problemen die bij de toepassing van artikel 47, lid 1, op een dergelijke situatie kunnen ontstaan. De periode die volgens de toepasselijke nationale wettelijke regeling voor de berekening van het invaliditeitspensioen in aanmerking moet worden genomen, kan in een ver verleden liggen; de verstrekte uitkering zou dan niet in overeenstemming zijn met de huidige verdiencapaciteit van de betrokkene. Het Hof heeft ernaar gestreefd, het vereiste — waardoor overigens in de hiervóór genoemde zaken zowel de Nederlandse als de Belgische regeling was geïnspireerd — van het bestaan van een verband tussen de uitkering en het loon van de betrokkene bij de aanvang van diens arbeidsongeschiktheid, overeind te houden. Dat streven was derhalve zonder meer gerechtvaardigd.
29.
Dit betekent echter niet, dat de bepalingen van artikel 47, lid 1, uitsluitend van toepassing zijn op stelsels waarin het bedrag van de uitkering afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering. Zoals uit de conclusie van advocaat-generaal Lenz en uit het arrest van het Hof in de zaak Weber blijkt, kan artikel 47, lid 1, ook worden toegepast in gevallen die worden beheerst door artikel 46, lid 2, sub a. ( 13 ) Waar het om gaat, is dat de behandeling van de invaliditeit op basis van laatstgenoemde bepaling niet in strijd is met de in genoemd artikel geformuleerde beginselen ter bescherming van de migrerend werknemer. ( 14 ) Hieruit volgt, dat de toepassing van artikel 47, lid 1, op het onderhavige geval niet categorisch kan worden uitgesloten, zoals de Commissie stelt. Een dergelijk standpunt kan, hoe aantrekkelijk het ook moge lijken, om de zojuist uiteengezette redenen niet worden aanvaard.
30.
In de eerste plaats houdt de Commissie geen rekening met een gegeven dat in de onderhavige zaak toch van beslissende betekenis is. De in artikel 47, lid 1, sub e, vervatte regel is ingevoerd bij de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap, dat wil zeggen na 's Hofs uitspraak in de zaak Weber.
31.
Zoals ik al zei, verwijst artikel 40 van de verordening voor de invaliditeitsuitkeringen uitdrukkelijk naar de bepalingen van hoofdstuk 3 en dus ook naar artikel 47, lid 1. De toepasselijkheid van die bepaling op de onderhavige zaak kan derhalve niet worden uitgesloten met een beroep op arresten van het Hof in andere zaken, ook al zijn die zaken in bepaalde opzichten met de onderhavige zaak vergelijkbaar. Bovendien rechtvaardigt noch het dictum van het arrest Weber noch de conclusie van advocaat-generaal Lenz in die zaak een zo radicale conclusie. Hetzelfde geldt overigens voor de passages die advocaat-generaal Jacobs in de zaak Reichling aan dit vraagstuk heeft gewijd. Volgens die rechtspraak is artikel 47, lid 1, niet van toepassing op gevallen die worden beheerst door een stelsel, zoals het Belgische en het Nederlandse, waarin het theoretische uitkeringsbedrag wordt vastgesteld op basis van het laatste loon van de betrokkene. Het in die stelsels toegepaste criterium verschilt dus van het in de Spaanse wettelijke regeling geformuleerde criterium van de gedurende de referentieperiode betaalde premies. Dat verschil is in mijn ogen van belang, daar het begrip (gemiddelde) bijdrage uitdrukkelijk in de verordening wordt gebezigd, wat niet het geval was met het begrip waarop de destijds onderzochte stelsels waren gebaseerd.
32.
De Commissie voert ook aan, dat de in het arrest Weber geformuleerde beginselen impliceren, dat de in artikel 47, lid 1, sub e, vervatte regel in casu niet kan worden toegepast. Het ontstaan van die bepaling is in haar ogen namelijk terug te voeren op de noodzaak, de verordening aan te passen aan uitsluitend de Spaanse regeling op het gebied van uitkeringen bij ouderdom en overlijden. In haar antwoord op de door het Hof tijdens de procedure gestelde vraag heeft de Commissie verklaard, dat „de in artikel 47 vervatte regel uitsluitend verwijst naar de Spaanse wetgeving op het gebied van de berekening van uitkeringen bij ouderdom en bij overlijden” (sic), waaraan zij nog heeft toegevoegd, dat indien men ook andere uitkeringen op het oog had gehad, hiervan melding zou zijn gemaakt in de op Spanje betrekking hebbende rubriek D van bijlage VI bij de verordening. Het komt mij voor, dat het thans door de Commissie verdedigde standpunt aanzienlijk afwijkt van het standpunt dat zij vertolkte in haar voorstel tot wijziging van verordening nr. 1408/71 (dat uiteindelijk leidde tot de vaststelling van verordening nr. 1248/92). ( 15 ) Toen verklaarde zij namelijk met betrekking tot de nieuwe paragraaf 4 van rubriek D onder meer:
„De nieuwe paragraaf 4 van bijlage VI, rubriek D vermeldt de wijze van toepassing van dit artikel [47] voor Spanje (...) Paragraaf 4 bevat een methode voor de aanpassing van het verworven pensioen (...) Voor de berekening van de ouderdomsen invaliditeitspensioenen garandeert de bedoelde formule een aanpassing (...)” (cursivering van mij). ( 16 )
33.
Destijds was de Commissie dus van oordeel, dat artikel 47 ook moest worden toegepast op het Spaanse stelsel voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen. Ook de Raad leek die mening te zijn toegedaan. Zoals bij het onderzoek van de zesde vraag nog duidelijker zal worden, heeft verordening nr. 1248/92 de oorspronkelijk in artikel 46, lid 2, sub c, vervatte bepaling „verplaatst” naar artikel 47, lid 1, sub a, met dien verstande dat de werkingssfeer ervan beperkt is tot opbouwstelsels, zodat stelsels van het type A van die werkingssfeer zijn uitgesloten. Volgens de Commissie nu volgt uit het arrest Weber, dat de in artikel 47 vervatte bepalingen uitsluitend van toepassing zijn op opbouwstelsels. In 1992, acht jaar nadat het arrest Weber was uitgesproken, achtte de Raad (en de Commissie zelf in haar voorstel voor een verordening) het noodzakelijk, de werkingssfeer van artikel 47, lidi, te beperken tot stelsels van het type B, zij het uitsluitend wat de in de nieuwe letter a van die bepaling opgenomen bepaling betrof: maar waarom, zo vraag ik mij af, was het gewenst of noodzakelijk, die beperking uitsluitend te formuleren met betrekking tot één bepaling van artikel 47, lidi, en niet met betrekking tot alle overige? In mijn ogen wijst dit erop, dat stelsels van het type A niet van de werkingssfeer van alle bepalingen van artikel 47, lid 1, zijn uitgesloten.
34.
De hypothese waarop de Commissie zich baseert, is dus allesbehalve bewezen. Derhalve moet ervan worden uitgegaan, dat artikel 47 ook van toepassing is op de onderhavige zaak. De vraag waarover het Plof thans duidelijkheid moet verschaffen, is naar mijn mening dan ook niet of, maar hoe artikel 47, lidi, kan worden toegepast in verband met het Spaanse stelsel van sociale zekerheid.
35.
Vanuit die invalshoek hebben ook verzoeker en het Koninkrijk Spanje hun standpunten geformuleerd, die, ofschoon verschillend, beide nu juist gebaseerd zijn op de idee, dat moet worden uitgesloten dat het arrest Weber kan worden toegepast ten aanzien van de Spaanse wetgeving op het gebied van invaliditeitsuitkeringen. Aan beide standpunten ligt namelijk het uitgangspunt ten grondslag, dat artikel 47, lid 1, in casu van toepassing is.
36.
Wat is hel standpunt van verzoeker? Het in artikel 47, lid 1, sube gebezigde begrip „gemiddelde bijdrage” is in zijn ogen een formeel begrip, dat in wezen vreemd is aan het nationale sociale-zckcrhcidsrecht. Volgens de nationale regeling is de premiegrondslag uiteindelijk niets anders dan het loon. ( 17 ) In de Spaanse wettelijke regeling zou dus worden uitgegaan van het „bedrag der verdiensten” als bedoeld in artikel 47, lidi, sub b, van de verordening, in de versie die gold ten tijde van de feiten. ( 18 )
37.
Volgens verzoeker is het begrip gemiddelde premie niet aangepast aan een stelsel als het Spaanse en kan het dus in een dergelijk stelsel niet functioneren. Hierbij wil ik echter twee opmerkingen maken. In de eerste plaats bepaalt artikel 47, lid 1, sub e, dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage, en niet, dat het theoretische bedrag de gemiddelde bijdrage is. De in de Spaanse wettelijke regeling voorziene „boekhoudkundige” modaliteiten nu beantwoorden in mijn ogen precies aan de voorwaarde waaraan moet zijn voldaan. Wanneer, zoals overeenkomstig meergenoemde wet nr. 26/1985 wordt gedaan, de som van de 84 bijdragen die de werknemer in de referentieperiode heeft betaald, ter berekening van het bedrag van de invaliditeitsuitkering wordt gedeeld door een vast getal (98), wordt de uitkering namelijk in feite berekend op basis van een bedrag dat de gemiddelde waarde van de bijdragen vertegenwoordigt. ( 19 ) In wezen is er dan dus sprake van een „berekening waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage”, zoals in de verordening is bepaald.
38.
In de tweede plaats acht ik de argumenten die het Koninkrijk Spanje aanvoert — en die overigens worden uiteengezet in de verwijzingsbeschikking (waarin wordt gezegd dat bijna alle Spaanse rechterlijke instanties dezelfde mening zijn toegedaan ( 20 )) —, overtuigend. De in artikel 47, lid 1, sub e, vervatte bepaling is juist bij gelegenheid van de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschap aan de verordening toegevoegd wegens de specifieke kenmerken van het Spaanse stelsel voor de berekening van uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom, waarbij niet wordt uitgegaan van verdiensten of bijdragen, maar van een grondslag van premieheffing. Hieruit blijkt naar mijn mening expliciet, dat men de verordening heeft willen aanpassen aan het nieuwe stelsel dat met de toetreding van Spanje zijn intrede deed in de Gemeenschap.
De hier voorgestane conclusie vindt bovendien bevestiging in het feit, dat in paragraaf 4 van bijlage VI, rubriek D, die in 1992 met betrekking tot Spanje is toegevoegd, wordt gesproken van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde. ( 21 ) Dat begrip is dus eigen aan het Spaanse stelsel en vormt in de ogen van de gemeenschapswetgever een specifiek kenmerk van dat stelsel. ( 22 )
39.
Gelet op deze duidelijke normatieve gegevens ben ik dan ook van mening, dat met betrekking tot de eerste vraag van de verwijzende rechter kan worden geconcludeerd, dat op de onderhavige situatie artikel 47, lid 1, sub e, van toepassing is. De vierde en de vijfde vraag van de verwijzende rechter moeten derhalve worden geacht zonder voorwerp te zijn.
40.
Alleen de tweede en de derde vraag behoeven dus nog te worden onderzocht, die juist betrekking hebben op de in artikel 47, lid 1, sub e, vervatte bepaling en beogen duidelijkheid te krijgen over de wijze waarop deze moet worden toegepast.
41.
Laat ik beginnen met de tweede vraag. In die vraag geeft de verwijzende rechter verschillende mogelijke uitleggingen van de bepaling. Zo zou men kunnen menen, dat zij in de zin van het arrest Reichling, reeds aangehaald, moet worden uitgelegd in het licht van de in de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag neergelegde beginselen, zodat particulieren recht hebben op een sociale-zekerheidsuitkering die gekoppeld is aan wat zij gedurende de referentieperiode hebben verdiend in de staat waar zij het laatst hebben gewoond.
42.
In het arrest Rcichling verklaarde het Plof namelijk, dat „wanneer het bedrag van de invaliditeitsuitkering volgens de toepasselijke wetgeving van een Lid-Staat afhangt van het loon dat de werknemer ontving op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, en de betrokken werknemer op dat tijdstip niet onderworpen was aan de socialezekerheidsregeling van deze staat omdat hij in een andere Lid-Staat werkte, het bevoegde orgaan het theoretische bedrag van de uitkering moet berekenen op basis van het laatste door de werknemer in die andere Lid-Staat ontvangen loon” (cursivering van mij). ( 23 )
43.
Ik herinner eraan, dat die conclusie voortvloeide uit de in artikel 51 van het Verdrag neergelegde „fundamentele” beginselen die ten grondslag liggen aan de regeling op het gebied van de sociale zekerheid. Zoals advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Reichling opmerkte, moet verordening nr. 1408/71 ertoe bijdragen, het vrije verkeer van werknemers te verzekeren door de migrerende werknemers en hun gezinnen te waarborgen dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengcteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen. ( 24 )
44.
Toepassing van die beginselen op de onderhavige zaak zou meebrengen, dat de aan de Spaanse werknemer verschuldigde invaliditeitsuitkering wordt berekend op basis van wat hij gedurende de referentieperiode in Duitsland heeft verdiend. Het in de Spaanse wettelijke regeling genoemde gemiddelde van de „premies” die de werknemer heeft betaald tijdens de laatste 84 maanden van zijn beroepswerkzaamheid, zou met andere woorden overeenkomen met „het laatstverdiende loon” in de zin van de Belgische wetgeving. In beide rechtsorden zou aan de hand van die parameters het theoretische bedrag worden bepaald, op basis waarvan vervolgens het werkelijke bedrag van de invaliditeitsuitkering zou worden vastgesteld. Die mechanismen zouden gemeen hebben, dat zij beogen de uitkering in overeenstemming te brengen met de werkelijke verdiencapaciteit van de werknemer vóór het intreden van de invaliditeit.
45.
Alleen indien wordt uitgegaan van een dergelijke functionele assimilatie van het Spaanse en het Belgische stelsel, kan ons geval worden opgelost aan de hand van de territoriale fictie die het Hof in zijn eerdere arrest heeft uitgewerkt. Bij de berekening van het door het Spaanse bevoegde orgaan verschuldigde theoretische bedrag zou moeten worden uitgegaan van hetgeen de betrokkene heeft verdiend in een andere Lid-Staat, in casu Duitsland. Deze logische stap wordt door de verwijzende rechter zelf voorgesteld, wanneer hij zegt: „Hiervoor moet de fictie worden gebruikt, dat het grondgebied van de andere Lid-Staat (...) deel uitmaakt van ons grondgebied, en moet derhalve worden bekeken, of krachtens de Spaanse wettelijke regeling premie zou zijn betaald en of het op dezelfde berekeningsgrondslag zou zijn gedaan.” ( 25 )
46.
Het zojuist uiteengezette standpunt is echter niet overtuigend. Het impliceert, dat het Spaanse stelsel in verband moet worden gebracht met andere stelsels, die evenwel, wat de onderhavige problematiek betreft, van dat Spaanse stelsel afwijken; bovendien miskent het de ruimere context van de gemeenschapsregeling en wijzigt het de betekenis van de bepalingen waarnaar de verordening uitdrukkelijk verwijst met het oog op de vaststelling van het invaliditeitspensioen.
47.
Deze conclusie wordt bevestigd door het onderzoek van het tweede alternatief dat de verwijzende rechter noemt en dat door het Koninkrijk Spanje wordt verdedigd. Dit alternatief is, zoals wij hebben gezien, als volgt geformuleerd: de grondslag van de premieheffing moet worden berekend volgens de nationale wettelijke regeling en zonder rekening te houden met de premies die in een andere Lid-Staat zijn betaald. Dit standpunt heeft de verdienste, dat wordt begrepen dat het doel van de verordening coördinatie en niet harmonisatie van de nationale bepalingen is, en dat een correcte uitlegging wordt gegeven aan de bepalingen die juist in verband met de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap zijn vastgesteld.
48.
Volgens de verschillende bepalingen van artikel 47 dient het bevoegde orgaan het theoretische bedrag — op basis waarvan het vervolgens het uitkeringsbedrag dient te betalen dat volgens de prorataregel door hem verschuldigd is — uitsluitend te berekenen in verband met de bedragen die de werknemer werkelijk aan hem heeft betaald. Die regeling laat bovendien zien, dat de verordening geen afbreuk heeft willen doen aan het andere, eveneens fundamentele, vereiste, dat het economisch-financiële evenwicht van de nationale stelsels niet mag worden verstoord. Een dergelijk evenwicht weerspiegelt zich uiteraard in de goede werking van de stelsels die de gemeenschapsregeling beoogt te coördineren, en, in laatste instantie, in de doeltreffendheid van de aan de migrerende werknemers voorbehouden sociale bescherming. Dit verklaart dus dat de verordening, zonder onderscheid te maken tussen stelsels van hettype A en stelsels van het type B, een algemene en uitdrukkelijke verwijzing bevat naar de bepalingen die betrekking hebben op ouderdomsuitkeringen. In het communautaire stelsel staat het door elk bevoegd orgaan verschuldigde bedrag, zowel waar het ouderdomsuitkeringen als waar het invaliditeitsuitkeringen betreft, in verhouding tot wat de werknemer daadwerkelijk heeft betaald gedurende de periode dat hij onderworpen is geweest aan de nationale wettelijke regeling die moet worden toegepast, en wordt dat bedrag niet op enige andere grondslag vastgesteld. ( 26 )
49.
Zoals wij hebben gezien, ziet artikel 47, lid 1, sub e, ook op stelsels van het type A. Het is een bepaling die zeer wel verenigbaar is met het bepaalde in artikel 46, lid 2, sub a, tweede zin, wanneer het toepasselijke stelsel in elkaar zit zoals het Spaanse. Volgens het Spaanse stelsel is het theoretische uitkeringsbedrag immers gebaseerd op de gemiddelde bijdrage gedurende de referentieperiode; artikel 47, lid 1, sub e, specificeert in dit verband enkel, welke salarisparameters daartoe in aanmerking moeten worden genomen. Het preciseert, dat de gemiddelde bijdrage op basis waarvan het theoretische uitkeringsbedrag moet worden berekend, uitsluitend moet worden vastgesteld „aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van die Staat zijn vervuld”. Dit betekent, dat het theoretische bedrag van de aan verzoeker verschuldigde invaliditcitsuitkering moet worden berekend volgens de door de nationale regeling vastgestelde parameters, op basis van de bijdragen die de betrokkene aan het Spaanse orgaan heeft betaald toen hij aan de wet van het land van oorsprong onderworpen was (dat wil zeggen in de jaren vóór zijn verhuizing naar Duitsland), zulks uiteraard altijd overeenkomstig de regeling die van toepassing is op het moment waarop de uitkering wordt betaald. Ik ben bijgevolg van mening, dat de in artikel 47, lid 1, sub e, vervatte bepaling bedoeld is als een precisering van het bepaalde in artikel 46, lid 2, sub a, tweede zin. ( 27 )
50.
Hoewel dus om de hiervóór uiteengezette redenen het door het Koninkrijk Spanje naar voren gebrachte standpunt — althans de grote lijnen daarvan — in mijn ogen de voorkeur verdient, wil ik hieraan toevoegen, dat dit standpunt slechts kan worden aanvaard, voor zover de in artikel 51 van het Verdrag neergelegde beginselen, die ook in de onderhavige zaak van toepassing zijn, in acht worden genomen.
51.
Een rigide toepassing van het stelsel zoals dat thans in elkaar zit, dat wil zeggen zonder dat de nodige correctieven worden aangebracht, kan nadelig blijken te zijn voor de migrerend werknemer. In dit verband volstaat het te denken aan de gevolgen van de berekening van het invaliditeitspensioen op basis van een bepaalde bijdrage die uitsluitend wordt berekend aan de hand van de onder de wettelijke regeling van de bevoegde staat vervulde tijdvakken van verzekering. In de meeste gevallen zal het voor de berekening van de uitkering in aanmerking te nemen loon in een ver verleden zijn verdiend, zodat het uiteindelijke uitkeringsbedrag als gevolg van de inflatie naar de huidige maatstaven vrij laag is. Wat meer in het bijzonder de Spaanse situatie betreft, kan bovendien de omstandigheid dat de nationale wetgeving de migrerend werknemer op één lijn stelt met de niet-premieplichtige werknemer, niet worden geacht verenigbaar te zijn met de beginselen van het gemeenschapsrecht. Hiermee wordt namelijk miskend, dat de migrerend werknemer de hoedanigheid van werknemer, met de daaraan verbonden waarborgen, niet verliest enkel omdat hij buiten zijn land van oorsprong werkzaam is.
52.
Dit gezegd zijnde, kan ik uiteenzetten aan welke criteria de nationale wet moet beantwoorden, wil zij verenigbaar zijn met de beginselen van het gemeenschapsrecht op het punt van zowel het bedrag van de uitkering, als het verbod van discriminatie van de migrerend werknemer ten opzichte van de werknemer die in zijn land van oorsprong blijft. De oplossing moet naar mijn mening worden gevonden in de bepalingen die bij verordening nr. 1248/92 zijn ingevoegd in het op Spanje betrekking hebbende deel (rubriek D, punt 4) van bijlage VI van verordening nr. 1408/71. Die bepalingen luiden als volgt:
„a)
Op grond van artikel 47 van de verordening geschiedt de berekening van de Spaanse theoretische uitkering op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste premie of bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid.
b)
Het bedrag van het verkregen pensioen zal worden verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen, berekend voor de pensioenen van dezelfde aard voor elk jaar daarna en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat” (cursivering van mij).
53.
Ik geef toe, dat de aangehaalde bepalingen voor de onderhavige zaak slechts zijdelings van belang zijn. Zij zijn namelijk na de feiten van het hoofdgeding in werking getreden en kunnen niet rechtstreeks op dat geding worden toegepast. Ik ben echter van mening, dat die bepalingen in wezen slechts preciseren wat reeds in de verordening was bepaald, namelijk dat de gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld „aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van die Staat zijn vervuld” (cursivering van mij). De aan de bijlage toegevoegde bepalingen beogen enkel uitdrukking te geven aan een beginsel — namelijk dat van het werkelijke karakter van de sociale-zekerheidsuitkering — dat reeds was geformuleerd in zowel lid 2 van artikel 47 ( 28 ), als, in het bijzonder met betrekking tot de latere aanpassing van invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen, artikel 51 van de verordening („Aanpassing en herberekening van de uitkeringen”). ( 29 ) Naar mijn mening preciseert dat beginsel meer in het algemeen de billijke werking van het in de verordening voorziene stelsel, teneinde de verenigbaarheid ervan met de beginselen van artikel 51 van het Verdrag te verzekeren.
54.
Aldus uitgelegd, geven de bepalingen ons een nauwkeurige aanwijzing over de wijze waarop artikel 47, lid 1, sub e, moet worden verstaan. De in 1992 vastgestelde bepalingen geven namelijk uitdrukking aan het beginsel, dat de door de werknemer werkelijk betaalde bijdragen moeten worden geactualiseerd. Ik herhaal nog eens, dat het hierbij louter gaat om een precisering van de wijze waarop artikel 47 ten aanzien van Spanje moet worden toegepast. ( 30 )
55.
Plet beginsel dat de betaalde bijdragen moeten worden geactualiseerd, beantwoordt aan een fundamenteel vereiste van elk stelsel van sociale zekerheid. Die aanpassing dient uiteraard effectief plaats te vinden. Dat resultaat wordt op verschillende wijzen nagestreefd. In de eerste plaats moet de oorspronkelijke bijdrage worden herberekend, door in de mate van het mogelijke de nominale waarde van de uitkering aan te passen aan haar werkelijke waarde. In de tweede plaats moet bij de aanpassing rekening worden gehouden met de variabele die wordt gevormd door de zogeheten verhogingen. Ik gebruik deze term voor alle verhogingen van de sociale-zekerheidsuitkeringen, die volgens de Spaanse wetgeving gelden voor de categorie waartoe de werknemer behoort. De te verhogen uitkeringen zijn dus die waarop de werknemer aanspraak zou hebben gehad indien hij ononderbroken in Spanje werkzaam was geweest.
Aan de werking van het in de verordening voorziene stelsel ligt dus een beginsel van verdelende rechtvaardigheid ten grondslag. De bepalingen waarin dat beginsel tot uitdrukking wordt gebracht, moeten hoe dan ook in aanmerking worden genomen door het nationale orgaan dat de invaliditeitsuitkeringen moet toekennen en het bedrag ervan moet berekenen.
56.
Het andere probleem is, zoals ik al zei, een gevolg van het feit dat de Spaanse wetgever heeft geoordeeld, dat de migrerend werknemer niet premieplichtig is gedurende de referentieperiode, waardoor het bedrag van de aan de werknemer verschuldigde uitkeringen wordt teruggebracht tot het wettelijk minimum. Een dergelijke fictie (die vergelijkbaar is met die waarmee het Hof in het arrest Reichling korte metten maakte) is in strijd met de beginselen van het gemeenschapsrecht, daar zij de migrerend werknemer niet als een werknemer behandelt en hem ongerechtvaardigd discrimineert ten opzichte van werknemers die geen gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer. In zoverre ben ik het volledig eens met wat advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Rcichling schreef: „Het doel en de opzet van de verordening zouden aanzienlijk worden ondermijnd, indien een Lid-Staat met een type A-wetgeving in het geval van een migrerend werknemer de normale berekening mocht vervangen door een volledig kunstmatige, die een veel lager theoretisch bedrag oplevert dan het uitkeringsbedrag dat verschuldigd is aan een werknemer in een zelfde situatie, die onderworpen was aan de wetgeving van een enkele staat” (cursivering van mij). ( 31 ) Wanneer verzoeker op één lijn wordt gesteld met een niet-premieplichtig persoon en bijgevolg te zijnen aanzien wordt uitgegaan van het voor werknemers van zijn categorie vastgestelde minimumloon, komt dit neer op een wettelijke fictie waardoor hij slechter af is dan wanneer hij geen gebruik zou hebben gemaakt van zijn recht van vrij verkeer: dit resultaat is onverenigbaar met de doelstellingen en beginselen van artikel 51 van het Verdrag.
57.
Ik ben daarom van mening, dat op de tweede vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord, dat artikel 47, lid 1, sub e, aldus moet worden uitgelegd, dat in een stelsel van sociale zekerheid waarin het invaliditeitspensioen wordt berekend op basis van een gemiddelde bijdrage, het bevoegde orgaan bij de vaststelling van het theoretische bedrag van die uitkering moet uitgaan van de werkelijke bijdragen, dat wil zeggen van de bedragen die de werknemer daadwerkelijk heeft betaald gedurende de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling. Die bijdragen moeten echter, zoals gezegd, worden aangepast en verhoogd om rekening te houden met de gevolgen van de inflatie en met de eventuele verhogingen van de uitkeringen, die ten aanzien van de betrokkene zouden zijn toegepast indien hij in de Lid-Staat van oorsprong was blijven werken.
58.
Deze conclusie brengt ons bij de derde vraag, waarmee wordt beoogd te vernemen, of de betrokken bepaling in overeenstemming is met de in het Verdrag geformuleerde beginselen op het gebied van het vrije verkeer van werknemers.
59.
Het antwoord op deze laatste vraag vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen hiervóór is gezegd. De onderzochte bepaling, uitgelegd in de door mij voorgestane zin, kan worden toegepast op een wijze die volledig met bedoelde beginselen in overeenstemming is. De migrerend werknemer zal zijn sociale situatie namelijk niet zien verslechteren als gevolg van de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer. De gemiddelde bijdrage op basis waarvan het theoretische bedrag van de aan die werknemer verschuldigde invaliditeitsuitkering zal worden berekend, zal overeenkomen met het — aangepaste— bedrag dat hij daadwerkelijk aan het Spaanse stelsel van sociale zekerheid heeft betaald in de periode dat hij daaraan onderworpen was: dank zij het verhogingsmechanisme zullen bij dat bedrag nog worden opgeteld de eventuele verhogingen die ten aanzien van de betrokkene zouden zijn toegepast indien hij zijn beroepswerkzaamheid in Spanje had voortgezet. De oplossing is rechtvaardig. In een andere Lid-Staat verdiende lonen worden niet in aanmerking genomen. In ruil daarvoor worden de op een bepaald moment door de werknemer betaalde bijdragen aangepast aan het huidige niveau.
60.
Dit standpunt maakt — zowel wat de kwalificatie van het Spaanse stelsel als wat de wijze van berekening van het theoretische uitkeringsbedrag betreft— een nuttige en juiste lezing van de bij de toetreding van het Koninkrijk Spanje ingevoegde bepalingen mogelijk. De discriminatie ten nadele van Spaanse werknemers die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer, wordt gecorrigeerd, terwijl anderzijds de migrerend werknemer niet wordt bevoordeeld ten opzichte van de „honkvaste”, wat het geval zou zijn indien de uitkering werd berekend op basis van het laatste door de werknemer in Duitsland ontvangen loon. Gezien de salarisverschillen die nog steeds tussen Duitsland en Spanje bestaan, zou daardoor de werknemer die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, ten onrechte worden bevoordeeld ten opzichte van de werknemer die geen gebruik heeft gemaakt van dat recht. Het resultaat is volledig in overeenstemming met artikel 51 van het Verdrag: de werknemer is niet slechter af dan wanneer hij in één enkele Lid-Staat had gewerkt. ( 32 )
Ten slotte — en dit is een argument dat niet onvermeld mag blijven — brengt de voorgestelde oplossing de financiële stabiliteit van het Spaanse stelsel van sociale zekerheid niet in gevaar, daar dit stelsel slechts naar evenredigheid van de door de werknemer daadwerkelijk betaalde bedragen voor diens uitkering dient op te komen. Dit is volledig in overeenstemming met de opzet en het doel van artikel 47 van de verordening.
61.
De uiteengezette redenen bevestigen, dat verzoekers standpunt van de hand moet worden gewezen. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging de derde vraag aldus te beantwoorden, dat artikel 47, lid 1, sub e, niet in strijd is met de in de artikelen 48 en 51 van het Verdrag neergelegde beginselen.
De zesde prejudiciële vraag
62.
Rest mij nog in te gaan op de zesde vraag, betreffende de toepassing van de prorataregel op het invaliditeitspensioen door het Spaanse bevoegde orgaan.
63.
Deze vraag werpt minder ingewikkelde problemen op dan de voorgaande en kan worden opgelost door te erkennen, dat de prorataberekening die de Spaanse administratie heeft gemaakt, in wezen correct is.
64.
Artikel 46, lid 2, sub c (thans artikel 47, lid 1, sub a) bepaalt:
„indien de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld, langer is dan de maximumduur, welke de wettelijke regeling van een der Staten voor bet recht op volledige uitkering vereist, houdt het bevoegde orgaan van deze Staat voor de toepassing van dit lid rekening met deze maximumduur in plaats van met de totale duur van de genoemde tijdvakken; deze wijze van berekening mag niet tot gevolg hebben dat dit orgaan een uitkering verschuldigd is welke hoger is dan de volledige uitkering volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling” (cursivering van mij).
65.
De verwijzende rechter is, anders dan verweerder, van mening, dat het bevoegde orgaan volgens de betrokken bepaling bij de samentelling uitsluitend rekening dient te houden met de door de werknemer krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde verzekcringstijdvakken die volgens de nationale wettelijke regeling noodzakelijk zijn om het recht op de uitkering te doen ontstaan. Dit zou ertoe leiden, dat voor de vaststelling van het percentage van de uitkering dat ten laste van de Spaanse sociale verzekering komt, niet wordt uitgegaan van de totale arbeidsduur in alle Lid-Staten, maar slechts van het minimumtijdvak dat volgens de Spaanse wettelijke regeling vereist is. Verzoeker sluit zich bij dit standpunt aan met het betoog, dat volgens artikel 45, lid 1, van de verordening de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering door het bevoegde orgaan in aanmerking moeten worden genomen, „voor zover nodig” voor het vckrijgen, het behoud of de berekening van het recht op de uitkering. De term „maximumduur” zou dus moeten worden opgevat als het minimumtijdvak dat voor het recht op de uitkering vereist is.
66.
De vraag moet worden opgelost door na te gaan, wat de ratio van de bepaling is. Welnu, het is een bepaling die bedoeld is om de mate waarin de bevoegde organen van de Lid-Staten voor uitkeringen moeten opkomen, te beperken wanneer in de respectieve wettelijke regelingen een maximumduur voor het verkrijgen van een volledige uitkering is vastgesteld. In zoverre ziet de bepaling, zoals ook de Commissie erkent, eerder op opbouwstelsels dan op risicostelsels.
67.
Bij de uitlegging van de bepaling mag het mechanisme van de proratisering niet uit het oog worden verloren. ( 33 ) Als theoretisch bedrag mag het bevoegde orgaan niet een bedrag vaststellen dat hoger is dan de maximumuitkering die de betrokkene krachtens de toepasselijke wettelijke regeling toekomt. Anders zou het zich, wanneer het erop aankomt het werkelijke bedrag te bepalen, genoodzaakt kunnen zien om aan de betrokkene een uitkering te betalen die hoger is dan de maximumuitkering die hem in verband met de krachtens het nationale stelsel van sociale zekerheid vervulde tijdvakken van verzekering verschuldigd is. Dit wordt in de tweede zin van de betrokken bepaling gepreciseerd: de betaalde uitkering mag niet hoger zijn dan de „volledige uitkering” volgens de toe te passen nationale wettelijke regeling. Dit verhaal gaat uiteraard niet op voor een op het risico gebaseerde uitkering, waarvan het theoretische bedrag los van de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken wordt berekend. In dat geval is immers niet voldaan aan de voorwaarde van de „maximumduur, welke (...) voor het recht op volledige uitkering vereist”.
68.
Het standpunt van de verwijzende rechter, dat de term „maximumduur” moet worden opgevat als „minimumduur”, moet dan ook van de hand worden gewezen. Het betreft hier onder meer een uitlegging die het proratiseringsmechanisme verstoort en tot gevolg heeft, dat het Spaanse bevoegde orgaan een hogere uitkering moet betalen dan het op grond van de verordening verschuldigd is. De gemeenschapsbepalingen schrijven duidelijk voor (artikel 46, lid 2, sub b), dat het werkelijke uitkeringsbedrag wordt vastgesteld „naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke (...) krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld” (cursivering van mij). Het door het Spaanse orgaan te betalen percentage van de uitkering moet dus worden berekend door, wat de variabele in de tijd betreft, de door verzoeker in Spanje vervulde tijdvakken van verzekering te vergelijken met het totaal van de door hem vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis vervulde tijdvakken ( 34 ).
69.
Dat die conclusie gegrond is, wordt indirect ook bevestigd door de wijziging die bij verordening nr. 1248/92 in de verordening is aangebracht. Daarbij is in de eerste plaast de betrokken bepaling overgebracht naar artikel 47 (lid 1, sub a) — en dus naar de „Aanvullende bepalingen ter berekening van de uitkeringen” —, en in de tweede plaats aan die bepaling een zinsnede toegevoegd waarvan het belang niet over het hoofd mag worden gezien:
„het vorengaande geldt niet voor uitkeringen waarvan het bedrag níet afhankelijk is van de duur van de verzekcringstijdvakken.”
70.
Deze toevoeging bevestigt, dat de bepaling, gezien de ratio ervan, moet worden geacht enkel van toepassing te zijn op sociale-zekcrhcidsuitkeringcn krachtens opbouwstelsels (type B), en dus niet kan worden toegepast op de onderhavige zaak.
71.
Na deze overwegingen wil ik nog iets zeggen over de wenselijkheid om de werking van 's Hofs arrest in de tijd te beperken. Ik ben mij terdege bewust van het feit dat het Hof slechts bij uitzondering, met toepassing van het aan de communautaire rechtsorde inherente algemene beginsel van rechtszekerheid, de werking van zijn arresten kan beperken. ( 35 )
72.
De onderhavige zaak bevat evenwel elementen die een dergelijke beperking rechtvaardigen. De gemeenschapsregeling heeft namelijk objectief gezien in de Spaanse rechtsorde onzekerheid doen ontstaan over de juiste uitlegging ervan. In dit verband volstaat het eraan te herinneren, dat naast de uitlegging die het Tribunal Supremo aan de bepalingen heeft gegeven (en die ik in strijd met de bepalingen van de verordening heb geoordeeld), de verschillende (en vaak tegenstrijdige) oplossingen van de diverse nationale rechterlijke instanties bestaan, die in zekere zin de aanleiding hebben gevormd voor de onderhavige prejudiciële vragen. Het feit bovendien dat de Raad zelf, met verordening nr. 1248/92, een verduidelijking van de beginselen die bij de berekening van invaliditeitspensioenen moeten worden toegepast, noodzakelijk heeft geoordeeld, wijst op het bestaan van objectieve moeilijkheden bij de precieze afbakening van de rechten van de migrerende werknemers en de daarmee samenhangende verplichtingen van het Spaanse bevoegde orgaan.
73.
Om die redenen moet — mede gelet op het bepaalde in artikel 95 bis, leden 1, 4, 5 en 6 van verordening nr. 1408/71 ( 36 ) — de werking van het arrest worden beperkt tot de periode na de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92, met als enige uitzonderingen de verzoeken om herberekening van een invalideitspensioen, in het kader waarvan de rechthebbende werknemer een rechtsvordering heeft ingesteld waarop nog niet definitief uitspraak is gedaan. Voor het geval het Hof zich bij mijn standpunt zou aansluiten, mag zijn arrest niet van invloed zijn op reeds beëindigde rechtsbetrekkingen.
Conclusie
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
„1)
De Spaanse wettelijke regeling op het gebied van invaliditeitsuitkeringen, volgens welke bij de berekening van die uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage, valt binnen de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, in de versie die gold in juli 1990.
2)
Artikel 47, lid 1, sub e, moet aldus worden uitgelegd, dat in een stelsel van sociale zekerheid waarin de invaliditeitsuitkering wordt berekend op basis van een gemiddelde bijdrage, bij de vaststelling van het theoretische bedrag van die uitkering moet worden uitgegaan van de werkelijke bijdragen die de werknemer heeft betaald toen hij aan de door het bevoegde orgaan toegepaste socialezekerheidswetgeving onderworpen was, naar behoren aangepast en verhoogd om rekening te houden met de gevolgen van de inflatie en met de eventuele wettelijke verhogingen van de uitkeringen voor de categorie waartoe de werknemer zou behoren indien hij in Spanje was blijven werken.
3)
Aldus uitgelegd, is artikel 47, lid 1, sub e, niet in strijd met de in de artikelen 48 en 51 van het Verdrag neergelegde beginselen op het gebied van het vrije verkeer van werknemers.
4)
De vierde en de vijfde vraag zijn zonder voorwerp.
5)
De term ‚maximumduur’, zoals gebezigd in artikel 46, lid 2, sub c, van de verordening, in de versie die gold in juli 1990, kan niet aldus worden uitgelegd, dat ermee wordt gedoeld op het minimumtijdvak dat volgens de Spaanse wettelijke regeling voor het ontstaan van het recht op invaliditeitspensioen moet zijn vervuld. Het ten laste van het Spaanse orgaan komende percentage van de uitkering moet worden bepaald naar verhouding van de door de werknemer in Spanje vervulde tijdvakken van verzekering tot de totale duur van de door hem tijdens zijn beroepsloopbaan vervulde tijdvakken.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialc-2ckcrheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen: zie de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6). Voor de onderhavige conclusie is uitgegaan van de tekst die van toepassing was ten tijde van de aan het geding ten grondslag liggende feiten (juli 1990).
( 2 ) De Spaanse wettelijke regeling (wet nr. 26/1985 van 31 juli 1985, Medidas urgentes para la raciónalización de la estructura y de la acción protectora; BOE nr. 183 van 1 augustus 1985, blz. 1907) bepaalt, dat het bedrag van de invaliditcitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering. Wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning van het pensioen ís voldaan, wordt het bedrag ervan berekend (artikel 3, lid 1) op basis van het totaal van de premies die de werknemer gedurende de 96 maanden voorafgaand aan het intreden van zijn invaliditeit heeft betaald, gedeeld door een vast getal (112), Opgemerkt zij, dat a) de premiegrondslag wordt bepaald op basis van het loon van de werknemer, met dien verstande dat een bepaald minimum en een bepaald maximum worden vastgesteld (de minimumgrondslag komt overeen met het minimumloon dat voor een bepaalde beroepsgroep is vastgesteld), en b) dat met betrekking tot de premies die zijn betaald gedurende de 24 maanden voorafgaand aan hel intreden van de invaliditeit, wordt uitgegaan van de nominale waarde, terwijl on de in de overige maanden van de referentieperiode betaalde premies het stijgingspereentage van de officiële consumptieprijsindcx wordt toegepast. Op grond van de in dezelfde wet opgenomen overgangsbepalingen (in het bijzonder lid 1, sub c, van de derde overgangsbepaling) wordt in sommige gevallen voor de berekening van de grondslag uitgegaan van een referentieperiode van 84 maanden (in welk geval het totaal van de premies wordt gedeeld door 98). Partijen verschillen van mening over de vraag, of die overgangsbepalingen al dan niet op verzoeker van toepassing zijn. Daar de verwijzende rechter evenwel van oordeel is, dat zulks het geval is, zal in de onderhavige conclusie worden uitgegaan van de referentieperiode van 84 maanden.
( 3 ) Artikel 3, lid 4, van genoemde wet nr. 26/1985 bepaalt: „si en cl período que haya de tomarse para el cálculo de la base reguladora aparecieran meses durante los cuales no hubiese existido obligación de cotizar, dichas lagunas se integrarán con la base mínima de entre todas las existentes en cada momento para trabajadores mayores de dieciocho años”. Volgens artikel 74 van de Ley General de la Seguridad Social (in de geconsolideerde versie zoals goedgekeurd bij besluit nr. 2065 van 30 mei 1975; BOE van 20 en 22 juli 1975) is de minimumpremie gelijk aan het minimumloon voor werknemers van een bepaalde categorie (lid 4), terwijl de maximumpremie, die voor alle werkzaamheden en categorieën gelijk is, jaarlijks door de regering, op voorstel van de minister van Werkgelegenheid, wordt vastgesteld (leden 1, 2 en 3). Met enige wijzigingen, die voor de onderhavige zaak niet relevant zijn, zijn de bepalingen thans vervat in, respectievelijk, artikel 16, lid 2, en artikel 110 van de geconsolideerde versie van de Ley General de la Seguridad Social, zoals goedgekeurd bij Real Dccrclo-Lcy nr. I van 20 juni 1994 (BOE nr. 154 van 29 juni 1994, blz. 1825).
( 4 ) Voor deze laatste oplossing heeft het Tribunal Supremo in verscheidene uitspraken geopteerd. Zie voetnoot 27 van deze conclusie.
( 5 ) De indeling naar „type” is vervat in het document COM(89) 370 dcf. van de Commissie van 20 juli 1989, Voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71. Zie blz. 5 en 6.
( 6 ) Volgens de nationale wettelijke regeling (artikel 2, lid 2, sub 13, van wet nr. 26/1985 van 31 juli 1985) moet voor liet ontstaan van het recht op pensioen nog aan twee aanvullende voorwaarden zijn voldaan: — de werknemer moet gedurende minimaal een vierde van de periode lussen het bereiken van de leeftijd van twintig jaar en het intreden van de invaliditeit premie hebben betaald (met cen minimum van vijf jaar);
— ten minste een vijfde van de vereiste mmimumtijdvakken van premiebetaling moet zijn vervuld in de periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de invaliditeit.
Het Spaanse bevoegde orgaan heeft verzoeker dus een invaliditeitspensioen toegekend met toepassing van artikel 45, lid 1, van de verordening. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, was het aantal dagen dat verzoeker in Spanje had gewerkt (1898), namelijk lager dan het aantal dal volgens de nationale bepalingen vereist is om het recht op een dergelijk pensioen te doen ontstaan (2555).
( 7 ) Artikel 26 en bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB 1985, L 302, biz. 139, inz. blz. 171).
( 8 ) Arrest van 29 november 1984 (zaak 181/83, Jurispr. 1984, blz. 4007).
( 9 ) Arrest Weber, reeds aangehaald, r. o. 17.
( 10 ) Arrest van 9 augustus 1994 (zaak C-406/93, Jurispr. 1994,blz. I-4061).
( 11 ) Zie punt 24 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobsin genoemde zaak.
( 12 ) Punt 24 van de conclusie in de zaak Reichling (reeds aangehaald, blz. I-4071).
( 13 ) Zie inzonderheid het eerste onderdeel van de conclusie van advocaat-generaal in de zaak Weber: „Artikel 47, lid 1, van verordening nr, 1408/71 is in beginsel ook van toepassing wanneer artikel 46, lid 2, sub a, tweede volzin geldt, dat wil zeggen wanneer een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid moet worden berekend volgens een risicostclscl, waaronder niet de duur der verzekering bepalend is” (blz. 4027, punt C), Ofschoon het Hof zich in het arrest Weber niet specifiek over dit punt uitliet, achtte het artikel 47, lid 1, niet op die zaak van toepassing, niet alleen omdat het bedrag van de uitkering onafhankelijk was van de tijdvakken van verzekering, maar ook wegens de specifieke kenmerken van het Nederlandse stelsel (zíe r. o. 15). Gelet op een en ander lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat de omstandigheid dat een stelsel van het type Λ is, niet volstaat om het van de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, uit te sluiten,
( 14 ) Zie in dit verband ook het door advocaat-generaal Lenz in zijn conclusie in de zaak Weber tot uitdrukking gebrachte standpunt: „De toepassing van eerstgenoemde regel [artikel 47, lidi] mag evenwel niet leiden tot resultaten díe onverenigbaar zijn met de nationale voorschriften waarnaar artikel 46 in de eerste plaats verwijst. In geval van onverenigbaarheid heeft de in artikel 46 neergelegde regel voor de berekening van de uitkering voorrang boven de aanvullende bepalingen van artikel 47, die alleen strekken tot vereenvoudiging van de taak van de administratie” (blz. 4026, punt B).
( 15 ) Verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 574/92 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1992, L 136, biz. 7).
( 16 ) Zie het in voetnoot 5 aangehaalde document COM(89) 370 def. van 20 juli 1989, blz. 32 en 33.
( 17 ) Verzoeker bcrocpl zich onder meer op artikel 109 van de geconsolideerde versie van de Ley General de la Seguridad Social, zoals goedgekeurd bij Real Decreto-Ley nr. 1 van 20 juni 1994, dat met betrekking tot hel begrip premie preciseert, dat „la bitse ile cotización (...) estará constituida por la remuneración total, cualquiera que sea su forma o denominación, alle tenga derecho a percibir el trabajador (...) por razón del trabajo que realice por cuenta ajena” (eigen cursivering). Zie BOE nr. 54 van 29 juni 1994, blz. 825. Zic ook artikel 73 van de algemene socialc-zckcrhcidswct van 30 mei 1974.
( 18 ) Verzoeker betoogt bovendien, dat artikel 46, lid 2, sub a, bet bevoegde orgaan verplicht tot inaanmerkingneming van alle tijdvakken van verzekering die de werknemer krachtens de verschillende wettelijke regelingen van de Lid-Staten heeft vervuld, terwijl artikel 47, lid 1, sube, daarmee in tegenspraak is, doordat het bepaalt dal de gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de tijdvakken van premiebetaling die in Spanje zijn vervuld. Ais gevolg hiervan zouden Spaanse migrerende werknemers worden gediscrimineerd wegens schending van het in artikel 51 van net Verdrag geformuleerde samentellingsbeginsel.
( 19 ) Het is immers bekend) dat het quotiënt dat resulteert wanneer de som van een reeks waarden door een bepaald getal wordt gedeeld, gelijk is aan het quotient dat resulteert wanneer de som van net gemiddelde van die waarden wordt gedeeld door hetzelfde getal. Het lijkt derhalve legitiem ervan uit te gaan, dat het in de Spaanse rechtsorde gebezigde systeem —waarvan de mathematische formule als bijlage is gevoegd bij wet nr. 26/1985 van 31 juli 1985 —beantwoordt aan de in de gemeenschapsregeling geformuleerde criteria.
( 20 ) Zie blz. 7, laatste regel van de verwijzingsbeschikking (blz. 7, derde alinea, van de Nederlandse vertaling): „Volgens deze Sala — en de Spaanse rechterlijke instanties zijn bijna unaniem deze mening toegedaan — lijkt de eerste uitlegging de juiste te zijn”, dat wil zeggen dat het Spaanse stelsel onder artikel 47, lid 1, sub e, valt.
( 21 ) Verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 (reeds aangehaald, inz, blz. 24).
( 22 ) In dit verband wil ik nog een laatste opmerking maken met betrekking tot het in voetnoot 18 genoemde bezwaar dat verzoeker heeft geformuleerd. Zoals gezegd, zijn de bepalingen van artikel 47 bedoeld als aanvulling op artikel 46, lid 2, sub a. Zij onderstellen dus, dat in stelsels van het type Β het theoretische bedrag wordt berekend op basis van alle tijdvakken van verzekering die de werknemer heeft vervuld Krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan hij onderworpen is geweest, terwijl, zoals gezegd, in stelsels van het type A het theoretische bedrag het bedrag is dat wordt vastgesteld volgens de modaliteiten van de nationale wettelijke regeling. De in artikel 47, lid 1, sub e, vervatte regel specificeert enkel, dat bij de berekening van dat bedrag moet worden uitgegaan van de gemiddelde bijdrage die is betaald gedurende de periode dat de werknemer aan een wettelijke regeling van dat type onderworpen is geweest. Op dit punt verschilt die regel inhoudelijk dus niet van de in artikel 47, lid 1, sub b en c, vervatte bepalingen. Immers, ook op basis van die bepalingen moet voor de berekening van het theoretische bedrag altijd worden uitgegaan van wat is „geconstateerd over” en „betrekking heeft op” de tijdvakken van verzekering die krachtens de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld. Anders dan verzoeker beweert, geloof ik derhalve niet, dat artikel 47, lid 1, sub e, op zichzelf in strijd is met de in artikel 51 van het Verdrag geformuleerde verplichting tot samentelling, om de eenvoudige reden dat die samentelling in het stelsel van de bepalingen als vaststaand wordt aangenomen.
( 23 ) Dictum van het arrest Rcichling, reeds aangehaald in voetnoot 10.
( 24 ) Conclusie in de zaak Rcichling, reeds aangehaald, punt 12.
( 25 ) Zie blz. 9, punt B, van de verwijzingsbeschikking. Die fictie zou er echter toe leiden, dat altijd de bepalingen van de Spaanse wet worden toegepast, volgens welke de uitkering, doordat een maximumbcrekeningsgrondslag is vastgesteld, aan een bepaald maximum is gebonden (zie voetnoot 3). Zoals verzoeker en de Commissie in hun memories en ter terechtzitting hebben betoogd, was dit het systeem dat van toepassing was ingevolge de tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje gesloten Overeenkomst op het gebied van de sociale zekerheid van 4 december 1973 {BOE nr. 258 van 28 oktober 1977, blz. 2295), die dateert van vóór de toetreding van Spanje tot de Europese Gcmccnscliap. De ter zake relevante bepalingen zijn naar mijn mening vervat in hoofdstuk I van titel III, „Vejez, Invalidez y Supcrviviencia”, waarnaar artikel 26 van hoofdstuk II („Invalidez”) uitdrukkelijk verwijst. Artikel 25, lid 1, sub b, waarop verzoeker zich in zijn opmerkingen beroept, bepaalt het volgende: „Cuando todo o parte del período de cotización elegido por el solicitante para el cálculo de su base reguladora de prestaciones se hubiera cumplido en la República Federal, el Organismo competente español determinará dicha base reguladora sobre las bases de cotización vigentes en España, durante dicho período o fracción, para los trabajadores de la misma categoría profesional que la persona interesada” (eigen cursivering). Ik wil erop wijzen, dat in die bepaling niet lijkt te worden verwezen naar het loon dat de werknemer in Duitsland heeft ontvangen, maar naar de premiegrondslagen die in de Spaanse rechtsorde gelden voor werknemers van dezelfde categorie als de migrerend werknemer. Volgens mijn uitlegging van de bepaling moeten de grondslagen voor de berekening van het pensioen worden bepaald aan de hand van het inkomen dat de migrerend werknemer zou hebben verdiend indien hij in Spanje was blijven werken, zonder dat daarbij rekening benoeft te worden gehouden met het door hem in Duitsland ontvangen loon.
( 26 ) Arrest van 7 juli 1994 (zaak C-146/93, McLachlan, Jurispr. 1994, blz. I-3229, r. o. 29 en 30). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Lenz in die zaak (Jurispr. 1994, blz. I-3231, punt 21).
( 27 ) Deze conclusie biedt mij de gelegenheid kort iets te zeggen over de wijze waarop het Tribunal Supremo de nationale wettelijke regeling heeft uitgelegd. Het is namelijk vaste rechtspraak van de hoogste Spaanse rechterlijke instantie, dat de premie die voor de vaststelling van de invaliditeitsuitkering in aanmerking moet worden genomen, het gemiddelde is van de maximum- en minimumpremies die golden volgens de regeling die in de referentieperiode van toepassing was (zie laatstelijk arrest van de Vierde kamer van het Tribunal Supremo van 27 maart 1995, in Gacela Jurídica B-105, juliaugustus 1995, met verwijzingen naar eerdere uitspraken). Maar ook al kan een dergelijke oplossing haar grondslag vinden in de nationale rechtsorde (hetgeen de verwijzende rechter en verzoeker trouwens uitsluiten), zij is niet verenigbaar met de bepalingen van de verordening. De enige krachtens de Spaanse wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering, in de zin van artikel 47, lid 1, sub e, zijn die welke de betrokkene in dat land heeft vervuld vóór zijn vertrek naar Duitsland. De voor de berekening van de invalidilcilsuilkcring vast te stellen gemiddelde premie moet dus uitsluitend worden vastgesteld op basis van de in die periode geldende premies. In dit verband wil ik beklemtonen, dal een uitlegging die vergelijkbaar (doch niet identiek!) is met die welke ik thans aan het Hof in overweging wil geven, reeds is voorgesteld in de voto particular van de heer Cachon Villar met betrekking tot genoemd arrest van het Tribunal Supremo. Zie Gaceta Jurídica B-105, juliaugustus 1995, blz. 61.
( 28 ) Artikel 47, lid 2, luidt als volgt: „De voorschriften van de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake de aanpassing van de voor de berekening der uitkeringen in aanmerking genomen bestanddelen aan het loon-of prijsniveau zijn, in voorkomend geval, van toepassing op de bestanddelen waarmede het bevoegde orgaan van die Staat op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Statcn vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen overeenkomstig lid 1 rekening heeft gehouden.”
( 29 ) Zie laatstelijk arrest van 22 september 1994 (zaak C-301/93, Bettaccini, Jurispr. 1994, blz. I-4361), alsmede arrest van 2 februari 1982 (zaak 7/81, Sinatra, Jurispr. 1982, blz. 137).
( 30 ) Vgl. ook het voorstel voor de verordening: „De nieuwe paragraaf 4 van bijlage VI, rubriek D vermeldt de wijze van toepassing van dit artikel voor Spanje” (eigen cursivering): document COM(89) 370 def. van de Commissie van 20 juli 1989, blz. 32. Zie ook de tweeëndertigste overweging van de considerans van verordening nr. 1248/92. Dat de betrokken bepalingen van bijlage VI een louter explicalicf karakter hebben, blijkt bovenaien uit het feit dat net ten tijde van hun vaststelling niet noodzakelijk werd geoordeeld, de tekst van artikel 47, lid 1, sub e, te wijzigen.
( 31 ) Conclusie bij het arrest Rcichling, reeds aangehaald, punt 17.
( 32 ) Arrest Reichling, reeds aangehaald, r. o. 23 tot en met 26. Zie ook arresten van 21 oktober 1975 (zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149, r. o. 13) en 21 maart 1990 (zaak C-199/88, Cabras, Jurispr. 1990, blz. I-1023, r. o. 24).
( 33 ) En dit is precies de reden waarom ik verzoekers standpunt niet kan delen. Dat standpunt is immers gebaseerd op een bepaling) te weten artikel 45, lid 1, die niet rechtstreeks van toepassing is op het onderhavige probleem. Die bepaling regelt immers enkel de samentelling en houdt zien niet bezig met de vaststelling van de uitkering of met de proratisering, waarvoor, zoals gezegd, elders regelingen zijn gegeven. Het is één ding om te bepalen, dat voor het ontstaan van het recht voor zover nodig rekening moet worden gehouden met de krachtens een andere wettelijke regeling vervulde tijdvakken (waarmee duidelijk wordt beoogd te vermijden, dat de werknemer krachtens andere wettelijke regelingen vervulde tijdvakken van premiebetaling „verliest”). Iets geheel anders is het te bepalen, op welke grondslagen elk bevoegd orgaan vervolgens moet overgaan tot de concrete betaling van de uitkering die de werknemer ingevolge het samentcllingsmcchanisme toekomt (een regel die integendeel verband houdt met de noodzaak om aan elke Lid-Staat de bevoegdheid toe te kennen, een uitkering te betalen die uitsluitend overeenkomt met het verzekeringstijdvak dat de werknemer krachtens de wettelijke regeling van die Lid-Staat heeft vervuld). Het is duidelijk, dat het hier verschillende aspecten betreft, die ook verschillend moeten blijven, omdat anders de opzet en het doel van de bepalingen van de verordening zouden worden ondermijnd.
( 34 ) Dit standpunt werd ook door advocaat-generaal Jacobs vertolkt in zijn conclusie in de zaak Reichling: „(...) doch dezelfde oogmerken en beginselen gelden voor beide types wetgeving [type Λ en type B]. Krachtens artikel 46 berekent elke Lid-Staat het volle bedrag van het krachtens zijn wetgeving aan iemand in de situatie van de migrerend werknemer verschuldigde uitkeringsbedrag (het theoretische bedrag) en vermindert het vervolgens in verhouding lot het tijdvak van verzekering of wonen op zijn grondgebied (het werkelijke bedrag)” (punt 16). Voorts ben ik van mening, dat ook de bepaling van de (in voetnoot 25 aangehaalde) Overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje voorzien in een proratiseringsmechanismc dat aan dergelijke criteria beantwoordt. Artikel 22, lid 3, sub b, bepaalt namelijk, dat „el Organismo (competente de cada Estado Contratante) calculará (...) Ia parte de dicha pensión correspondiente a la proporción entre la totalidad de los períodos de seguro cumplidos por dicha persona antes del hecho determinante de la prestación, conforme al las disposiciones legales internas que el referido organismo haya de aplicar y la totalidad de los periodos de seguro que dicha persona haya cumplido de conformidad con las disposiciones legales de ambos listados” (eigen cursivering).
( 35 ) Arrest van 15 december 1995 (zaak C-415/93, Bosman, Jurispr. 1995, blz. I-4921, r. o. 142).
( 36 ) Artikel 95 bis, dat aan de verordening is toegevoegd bij verordening nr. 1248/92, luidt als volgt:
„1. Aan verordening (EEG) nr. 1248/92 kan geen enkel recht worden ontleend voor een rijdvak dat aan 1 juni 1992 voorafgaat.
(...)
4. Dc rechten van de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, kunnen op hun verzoek met inachtneming van verordening (EEG) nr. 1248/92 worden herzien.
5. Indicn het in lid 4 bedoelde verzoek binnen twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de aan verordening (EEG) nr. 1248/92 te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige Lid-Staat met betrekking tot het verval of de verjaring van rechten op de betrokkenen kunnen worden toegepast.
6. Indicn het in lid 4 bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de niet vervallen of verjaarde rechten met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend verkregen, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige Lid-Staat van toepassing zijn.”
Full & Egal Universal Law Academy