CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 12 oktober 1995 ( *1 )
1.
Bij beschikking van 6 oktober 1994 heeft het Kriminal- og Skifteret i Frederikshavn (Denemarken) het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Moet artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen, aldus worden uitgelegd, dat de inspectiewimpel of het inspectiesymbool, beschreven in bijlage I bij de verordening, moet worden gevoerd door of worden getoond op de boardingboot (rubberboot), of is het voldoende dat het moederschip‚Nordjylland’ deze wimpel voerde of dat symbool toonde?
Indien het antwoord luidt, dat de boardingboot deze wimpel niet behoefde te voeren dan wel dit symbool te tonen, worden geen nadere prejudiciële vragen gesteld.
Zo neen:
2)
Heeft een eventuele niet-inachtneming van het bepaalde in artikel 2 rechtens betekenis voor de vraag of de kapitein van een vaartuig krachtens artikel 3 verplicht is gehoor te geven aan de bevelen van de inspectieautoriteit, en zo ja, welke betekenis?”
2.
De feiten van het hoofdgeding kunnen in het kort worden weergegeven als volgt. F. Ohrt, kapitein van het vissersvaartuig „Actinia”, voer in de wateren van het noordelijke Kattegat, toen hij werd gepraaid door de boardingboot (rubberboot) van het schip „Nordjylland”, teneinde te worden onderworpen aan een visserijinspectie. Ohrt zette zijn vaart voort, zonder acht te slaan op de herhaalde waarschuwingen waarmee hem zowel per radio als met lichtsignalen werd gesommeerd, onmiddellijk te stoppen.
Daarop werd Ohrt vervolgd wegens overtreding van artikel 6, lid 3, van besluit nr. 975 van het Ministerie van Visserij van 10 december 1992, juncto artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de inspectie van vissersvaartuigen (hierna: „de verordening”). ( 1 ) Laatstgenoemde bepaling luidt: „De kapitein van een vaartuig dat op het punt staat te worden geïnspecteerd, kan door een vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van een Lid-Staat worden verzocht te stoppen, te manoeuvreren of andere handelingen uit te voeren ten einde het aan boord komen te vergemakkelijken.”
Blijkens de verwijzingsbeschikking voerde de rubberboot die de „Actinia” praaide, niet het identificatieteken dat vereist is volgens artikel 2 van de verordening, luidende: „Elk vaartuig dat een inspectie uitvoert, voert een wimpel of toont, duidelijk zichtbaar, een symbool als afgebeeld in bijlage I.” Dit vaantje werd alleen gevoerd door het moederschip „Nordjylland”, dat zich evenwel niet in het zicht van de „Actinia” bevond, maar op verscheidene zeemijlen afstand. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom, of de verplichting om dit vaantje te voeren, ook geldt voor de sloep die de inspectie uitvoert, dan wel enkel voor het moedervaartuig, en zo ja, of het niet voeren van dit identificatieteken van betekenis is voor de verplichting om gehoor te geven aan een bevel tot stoppen of enig ander bevel dat krachtens artikel 3 van de verordening aan vissersvaartuigen kan worden gegeven.
3.
De eerste vraag — dus of ook de boardingboot het vaantje moet voeren— moet volgens de Commissie ontkennend worden beantwoord.
Voor dit standpunt voert zij aan, dat de sloep niet zelfstandig optreedt, maar als hulpvaartuig ten opzichte van het moederschip, zodat enkel dit moederschip als „inspectievaartuig” verplicht is het in artikel 2 van de verordening voorgeschreven vaantje te voeren.
Deze redenering kan mijns inziens niet worden aanvaard. De Commissie gaat er immers aan voorbij, dat de onderwerpelijke gemeenschapsbepaling in wezen tot doel heeft, vaartuigen die deelnemen aan visserijcontroles, onmiddellijk herkenbaar te maken. Het voorgeschreven teken moet „duidelijk zichtbaar” worden aangebracht: de ratio van de bepaling is dan ook onmiskenbaar, een uniform „uiterlijk” criterium vast te stellen ter identificatie van vaartuigen bestemd voor de inspectie van vissersvaartuigen.
Wat de boardingboot betreft, het is niet juist dat deze moet worden aangemerkt als een ten opzichte van het moedervaartuig onzelfstandig vaartuig, met als reeds genoemd gevolg, dat de verplichting om het vaantje te voeren uitsluitend voor dit moedervaartuig zou gelden. Tussen beide vaartuigen bestaat hooguit een dienstverhouding, in die zin dat de rubberboot voor dezelfde activiteiten dient als het moedervaartuig. Immers, zodra de rubberboot te water is gelaten en vaart, vervult zij zelfstandig dezelfde functie als het hoofdvaartuig, namelijk in casu de inspectiefunctie. Dit sluit evenwel niet uit, integendeel, het sluit in, dat ook voor de rubberboot de identificatiecriteria gelden die door de gemeenschapsverordening in algemene zin worden voorgeschreven voor alle vaartuigen belast met inspectieactiviteiten. Het behoeft overigens nauwelijks betoog dat de geringe afmetingen van de rubberboot niet eraan in de weg staan, dat deze als „inspectievaartuig” wordt aangemerkt. Volgens een gevestigde traditie van het recht van de zee wordt een vaartuig namelijk als schip aangemerkt ongeacht zijn afmetingen. ( 2 )
Indien ook de boardingboot onder het begrip inspectieschip valt, gelijk mijns inziens het geval is, betekent dit noodzakelijkerwijs, dat zij evenals het moedervaartuig het gebruikelijke herkenningsteken moet voeren. Anders zou trouwens de duidelijke bedoeling van artikel 2 worden gefrustreerd. Deze bepaling moet worden gelezen in nauwe samenhang met artikel 3, lid 1, van de verordening, volgens hetwelk de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat de kapitein van het vissersvaartuig kan verzoeken te stoppen, te manoeuvreren of andere handelingen uit te voeren teneinde het aan boord komen te vergemakkelijken. De bevelen van de bevoegde autoriteit en de overeenkomstige verplichting van de kapitein van het vissersvaartuig om zich op een bepaalde wijze te gedragen, zijn ongetwijfeld voorzien in relatie tot de regeling betreffende het voeren van herkenningstekens, die geldt voor alle inspectieactiviteiten. De inspectie moet derhalve op de voorgeschreven wijze worden gesignaleerd, ongeacht het middel waarmee zij wordt uitgevoerd. Voor de toepasselijke gemeenschapsbepaling doet het er niet toe, of dit een rubberboot of het hoofdvaartuig betreft.
4.
De verwijzende rechter vraagt het Hof vervolgens in zijn tweede prejudiciële vraag, of het niet voeren van het herkenningsvaantje van invloed kan zijn voor de verplichting gehoor te geven aan een bevel tot stoppen of een ander met de inspectie van vissersvaartuigen verband houdend bevel tot manoeuvreren of handelen. De vraag aan het Hof is, nauwkeuriger geformuleerd, of de kapitein van een vissersvaartuig zich ter rechtvaardiging van het feit dat hij aan de hem krachtens artikel 3 van de verordening gegeven bevelen geen gehoor heeft gegeven, erop kan beroepen dat de inspectieautoriteit zich niet als zodanig kenbaar heeft gemaakt door middel van de gebruikelijke identificatiesymbolen.
Volgens de Commissie en de Deense regering is het niet tonen van het herkenningssymbool niet voldoende om de gezagvoerder van een vissersvaartuig te ontslaan van de plicht, gehoor te geven aan de bevelen van de inspectieautoriteit. Volgens hen moet in ieder concreet geval worden nagegaan, of de gezagvoerder van liet schip de hoedanigheid van degene die het bevel gaf, al dan niet kende. Daarbij zou het ontbreken van het vaantje op zichzelf niet beslissend zijn. Het zou slechts één van de elementen zijn waarmee de rechter rekening moet houden bij zijn beoordeling, of deze kennis in het concrete geval aanwezig is.
In het onderhavige geval zou uit de verwijzingsbeschikking blijken, dat Ohrt heel goed wist, dat de rubberboot afkomstig was van een inspectievaartuig. Hij zou de verplichting van artikel 3 dan ook bewust hebben geschonden en zich derhalve niet ter rechtvaardiging erop kunnen beroepen, dat het vaartuig dat de inspectie in concreto uitvoerde, de identificatievoorschriften van artikel 2 niet in acht had genomen. De Commissie voert ten overvloede aan, dat Ohrt evenmin de verplichting was nagekomen om op kanaal 16 VHF af te stemmen, waardoor het voor de Nordjylland onmogelijk was om hem per radio te bereiken. Deze handelwijze zou op zichzelf reeds een schending van de verplichting tot medewerking aan de inspectie opleveren, welke in algemene zin is neergelegd in artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987. ( 3 )
5.
Wat valt over deze argumenten te zeggen? In de eerste plaats is de vraag of Ohrt de hoedanigheid van de rubberboot al dan niet kende, een zuiver feitelijke kwestie, die eventueel bij de beoordeling van de feiten dooide nationale rechter van belang kan zijn, doch voor de uitlegging door het Hof is deze vraag mijns inziens niet van belang.
Overigens wordt de gestelde verplichting om op kanaal 16 VHF af te stemmen de kapitein van het vissersvaartuig in elk geval niet door de gemeenschapsregeling opgelegd. ( 4 ) Evenmin kan worden gezegd dat deze verplichting een uitvloeisel is van de verplichting tot samenwerking met de autoriteiten die de inspectie uitvoeren, welke verplichting afzonderlijk is geregeld in artikel 2 van verordening nr. 2241/87. Het verzoek van de Deense rechter om uitlegging heeft uitsluitend betrekking op de bepalingen van verordening nr. 1382/87. Voor de toepassing van deze bepalingen bestaat de verplichting tot samenwerking met de autoriteiten enkel binnen de grenzen waarbinnen de kapitein van het vaartuig de bevelen moet opvolgen die in verband met de inspectie worden gegeven: duidelijk is evenwel, dat deze verplichting volgens de gemeenschapsverordening enkel ontstaat, voor zover de betrokkene de hoedanigheid van de inspectieautoriteit kan kennen, althans kent.
Afgezien van het hiervóór opgemerkte, is de opvatting van de Commissie en de Deense regering — die men weliswaar, zoals ik hierna zal uiteenzetten, kan delen— niet volledig gemotiveerd. Deze opvatting gaat in wezen ervan uit, dat de gezagvoerder van een vissersvaartuig de bevelen waar het hier om gaat, steeds moet opvolgen, wanneer hij ondanks het ontbreken van het inspectiesymbool de hoedanigheid van degene die de bevelen geeft, kent. Wat hier ook van zij, eerst moet een belangrijk punt worden opgehelderd om de gestelde vraag naar behoren te kunnen beantwoorden. In algemene zin moet worden vastgesteld of, wat de verordening betreft, bekendheid met de bestemming van een schip of enig ander voor inspectie bestemd vaartuig uitgesloten moet worden geacht door het enkele feit dat de bevoegde autoriteit niet het gebruikelijke identificatiekenteken voert, dan wel of deze bekendheid door de betrokkenen ook op andere wijze kan worden verkregen. Het onderhavig geval indachtig zouden de Deense autoriteiten immers enkel wanneer laatstgenoemde opvatting wordt aanvaard, mogen aantonen dat Ohrt zelfs bij gebreke van het voorgeschreven kenteken hoe dan ook op de hoogte was van hun hoedanigheid.
6.
Het antwoord op deze vraag kan alleen worden gegeven op basis van een diepgaand onderzoek van de betekenis van artikel 2. Deze bepaling beoogt, zoals gezegd, de hoedanigheid van het schip bekend te maken tegenover eenieder. Zodra deze hoedanigheid kenbaar is gemaakt door het voeren van het gebruikelijke vaantje, kan niemand veinzen, dat hij deze niet kent: de kenbaarheid van genoemde hoedanigheid wordt in dat geval door de gemeenschapswetgever beschouwd als rechtens veronderstelde bekendheid. Met andere woorden, wanneer aan de in artikel 2 van de verordening gestelde voorwaarden is voldaan, kan het vissersvaartuig zich op geen enkele manier onttrekken aan de verplichtingen in verband met het verloop van de inspectie.
Hoe is het evenwel rechtens gesteld, wanneer de inspectieautoriteit zich niet tevoren op de in de verordening voorgeschreven wijze kenbaar heeft gemaakt? Hier zijn in abstracto twee alternatieve uitleggingen mogelijk.
a)
In de eerste zienswijze is het voeren van het vaantje een toereikende, maar niet noodzakelijke voorwaarde om de hoedanigheid van de inspectieautoriteit aan te tonen. Deze hoedanigheid kan de betrokkene derhalve ook op andere wijze bekend zijn geworden. Wordt het vaantje niet gevoerd, dan levert dit ten hoogste een vermoeden van onbekendheid met deze hoedanigheid op. Dit vermoeden kan evenwel worden weerlegd, indien de bevoegde autoriteiten aantonen, dat deze hoedanigheid hoe dan ook daadwerkelijk bij de betrokkene bekend was (presumptio iuris tantum).
b)
Anderzijds kan worden gesteld, dat de in artikel 2 van de verordening voorgeschreven modaliteiten het noodzakelijke en toereikende middel zijn — dat wil zeggen het enige rechtens toegelaten middel — voor de identificatie van inspectievaartuigen. Bijgevolg zou de niet-inachtneming van dit voorschrift de bevoegde autoriteiten beletten, tegen te werpen dat de betrokkene de hoedanigheid van deze vaartuigen kende. Dan zou sprake zijn van een vermoeden van onbekendheid met deze hoedanigheid dat niet voor weerlegging vatbaar is (presumptio iuris et de iure).
7.
Zelf ben ik van mening, dat van de twee mogelijkheden de onder a) uiteengezette het best beantwoordt aan de ratio van artikel 2 van de verordening. Deze bepaling houdt niet meer in dan een voorschrift voor een bepaalde uniforme regeling ter identificatie van vaartuigen bestemd voor inspectieactiviteiten. Worden de daarin neergelegde voorschriften opgevolgd, dan brengt dit, zoals reeds uiteengezet, een absoluut vermoeden van bekendheid met de hoedanigheid van de inspectieautoriteit mee. Indien deze hoedanigheid kenbaar is zoals voorgeschreven in de verordening, wordt zij immers rechtens bekend geacht. Dit wil evenwel niet zeggen, dat indien de boardingboot het voorgeschreven vaantje niet voert en derhalve niet op het eerste gezicht als inspectievaartuig herkenbaar is, zij in de ogen van het gemeenschapsrecht ophoudt een inspectievaartuig te zijn en eens en voor al het gezag verliest dat zij ten opzichte van de te inspecteren vissersvaartuigen moet doen gelden. Uiteindelijk gaat het erom, of de gezagvoerder van het vissersvaartuig hoe dan ook de hoedanigheid van degenen die de inspectie uitvoeren, kende. Indien het vaantje naar behoren wordt gevoerd, wordt hij zoals gezegd, vermoed die kennis te hebben. Anders moet zij door de bevoegde autoriteit worden aangetoond. Het staat aan de nationale rechter, vast te stellen welke de toegelaten bewijsmiddelen zijn. De onderhavige gemeenschapsverordening verplicht de gezagvoerders van schepen op geen enkele manier, inspectievaartuigen die niet het verplichte vaantje voeren, te herkennen; dit is ook de reden waarom de inspectieautoriteit moet aantonen dat de functionele bestemming van de boardingboot daadwerkelijk bekend was, uiteraard behoudens het geval dat deze bekendheid door het voeren van het voorgeschreven vaantje wordt vermoed. Alleen deze bekendheid rechtvaardigt de verplichting tot het uitvoeren van bepaalde handelingen of manoeuvres door het vissersvaartuig overeenkomstig de bevelen die in het kader van de inspectie worden gegeven door de bevoegde autoriteiten, met wie de visser verplicht is samen te werken. Concluderend: de onderhavige gemeenschapsbepalingen moeten aldus worden verstaan, dat alle voor visserijinspecties bestemde vaartuigen het gebruikelijke vaantje moeten voeren, maar dat het anderzijds de gezagvoerders van vissersvaartuigen niet is toegestaan, de bevelen te negeren die worden gegeven door de autoriteiten aan boord van de inspectievaartuigen, waarvan de hoedanigheid de belanghebbende hoe dan ook ter kennis is gekomen.
8.
Gezien het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Kriminal- og Skifteret i Frederikshavn gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Wanneer een boardingboot een inspectie uitvoert, valt zij onder het begrip ‚inspectievaartuig’ in de zin van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1382/87 van de Commissie van 20 mei 1987 en is zij derhalve gehouden het in deze bepaling voorgeschreven herkenningsteken te voeren.
De gezagvoerder van een vissersvaartuig is niet gehouden gehoor te geven aan een bevel tot stoppen of een ander bevel dat hem krachtens artikel 3 van de verordening door een inspectievaartuig wordt gegeven, indien hij niet met de hoedanigheid van de verzoeker bekend was. Deze bekendheid bestaat, indien de inspectieautoriteit het in artikel 2 voorgeschreven identificatieteken voert. Zo niet, dan wordt de betrokkene vermoed deze hoedanigheid niet te kennen, tenzij de bevoegde autoriteiten aantonen, dat hij deze hoedanigheid ondanks het ontbreken van het inspectieteken wel kende.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1987, L 132, biz. 11. Opgemerkt zij, dat de nationale bepaling waarbij aan artikel 3, lid 1, van de verordening uitvoering wordt gegeven, artikel 137 van het reeds aangehaalde besluit van het Deense Ministerie van Visserij is en niet artikel 6, lid 3, zoals ten onrechte in de verwijzingsbeschikking wordt vermeld. Dit is evenwel een vergissing die voor de zaak niet van belang is.
( 2 ) Reeds in de oudheid heette het „navigli appellatione etiam rates continentur” (Digesten 43, 12, 1, 14); in het verlengde van deze Justiniaanse regel verklaarden de schrijvers van de zestiende (Stracca), zeventiende (Stypmannus) en achttiende eeuw (Casaregis), dat „sub vocábulo navis omnia navigiorum genera coniprehendunlur”. Ook Valin: Nouveau commentaire sur l'Ordonnance de la marine, I, La Rochelle, 1776, 601, was van mening dat „sous ces noms de navires ou autres bâtiments de mer sont comprises même les chaloupes (...)”
( 3 ) PB 1987, L 207, blz. 1.
( 4 ) Evenmin kan worden aangenomen, dat deze verplichting kan worden gebaseerd op de bepalingen betreffende de controle die de nationale autoriteiten kunnen vaststellen ingevolge artikel 15 van verordening nr. 2241/87, zoals door de Commissie in haar opmerkingen is gesteld. Deze gestelde verplichting valt immers ongetwijfeld buiten het bepaalde in dit artikel, dat de verschillende mogelijkheden betreft die een Lid-Staat heeft om de visserijactiviteit aan een vergunning te verbinden, dan wel de vissers te verplichten de documentatie betreffende reeds in andere Lid-Staten verrichte inspecties te bewaren.
Full & Egal Universal Law Academy