CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 7 mei 1996 ( *1 )
I — Inleiding
1.
De onderhavige prejudiciële vragen betreffen de uitlegging van richtlijn 69/335/EEG ( 1 ) betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal. Zij zijn er met name op gericht te vernemen, of een door een moedermaatschappij aan haar dochter verstrekte renteloze lening een van de in genoemde richtlijn bedoelde gevallen is, en of de onderwerping van de uit die lening voortvloeiende rentebesparing aan het kapitaalrecht tot gevolg heeft, dat over het aldus toegekende bedrag geen inkomstenbelasting wordt geheven van de moedermaatschappij.
II — De feiten
2.
A/S Richard Frederiksen & Co., verzoekster in het hoofdgeding (hierna: „verzoekster”), bezit alle aandelen van de vennootschap Sydjysk Sten og Grus Λ/S (hierna: „dochtermaatschappij”),
In 1984 verstrekte verzoekster haar dochtermaatschappij een renteloze lening. Voor de vaststelling van de belastbare inkomsten oordeelde de Deense belastingdienst, dat de betrokken lening een rente op de voet van 11 % van het gemiddelde leningbedrag opbracht, waarop zij verzoeksters belastingaangiften over de jaren 1986/1987, 1987/1988 en 1988/1989 corrigeerde. De belastingdienst motiveerde haar correctie met de overweging, dat de renteloze lening geen normale handelsvcrrichting was, doch slechts was verstrekt wegens de belangengemeenschap tussen de twee vennootschappen. Verzoekster werd derhalve onderworpen aan inkomstenbelasting over de geraamde opbrengst van de aan de dochtermaatschappij verstrekte renteloze lening. Die belasting werd gelieven over het in de vorm van rentebesparing aan de dochtermaatschappij overgemaakte kapitaal. Bovendien was de belastingdienst van mening, dat de theoretische opbrengst van de renteloze lening voor de dochtermaatschappij een belastbare subsidie was, doch dat deze het recht had dit bedrag fiscaal af te trekken. Voor de dochtermaatschappij was de door de belastingdienst verrichte correctie uit fiscaal oogpunt dus „neutraal”.
3.
Verzoekster stelde bij het Landskatteret te Kopenhagen beroep in tegen het besluit van de Deense belastingdienst. Het Landskatteret bevestigde het besluit. Van deze uitspraak kwam verzoekster in beroep bij het Østre Landsret, dat van oordeel was dat het voor een correcte oplossing van het geschil nodig was, het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:
„1)
Moet artikel 4, lid 2, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling ook geldt voor de gangbare waarde van een renteloze lening?
2)
Moet artikel 10 van deze richtlijn aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling eraan in de weg staat dat van een moedervennootschap inkomstenbelasting wordt geheven over de geraamde rente van een renteloze lening aan een dochtermaatschappij, wanneer de rentebesparing wordt gezien als een kapitaalinbreng in de dochtermaatschappij in de zin van de richtlijn?”
III — De toepasselijke bepalingen
4.
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 69/335 bepaalt:
„De volgende verrichtingen kunnen aan het kapitaalrecht worden onderworpen:
(...)
de vermeerdering van het vennootschappelijk vermogen van een kapitaalvennootschap door prestaties van een vennoot, die geen vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal met zich brengen, maar beloond worden met een wijziging van de aandeelhoudersrechten of de waarde van de aandelen kunnen verhogen;
(...)”.
5.
Artikel 10 van richtlijn 69/335 bepaalt:
„Behoudens het kapitaalrecht heffen de Lid-Staten met betrekking tot de op het maken van winst gerichte vennootschappen, verenigingen of rechtspersonen geen enkele andere belasting, in welke vorm ook, ter zake van:
a)
de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
b)
de inbreng, de leningen of de prestaties, verricht binnen het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
(...)”
IV — Discussie
De eerste prejudiciële vraag
6.
In de lijn van de rechtspraak van het Hof ( 2 ) dient de eerste vraag van de verwijzende rechter mijns inziens bevestigend te worden beantwoord. De door de rechter a quo in de prejudiciële vraag gebruikte uitdrukking „gangbare waarde van een renteloze lening” dient hier evenwel te worden gepreciseerd. Volgens artikel 4, lid 2, sub b, van richtlijn 69/335 moet onder deze uitdrukking worden verstaan, het bedrag van de rente tegen het markttarief dat de dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij zou hebben moeten betalen. Dit is immers het bedrag waarmee de dochtermaatschappij donandi causa was verrijkt en dat door de richtlijn met een inbreng wordt gelijkgesteld.
De tweede prejudiciële vraag
7.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 10 van richtlijn 69/335 de Lid-Staten de mogelijkheid ontneemt de uit een renteloze lening voortvloeiende inbreng als belastbare grondslag voor het heffen van inkomstenbelasting van de inbrengende vennootschap te beschouwen.
8.
Volgens verzoekster in het hoofdgeding moet de tweede vraag van de verwijzende rechter bevestigend worden beantwoord. De ruime formulering van artikel 10 van richtlijn 69/335 („geen enkele andere belasting, in welke vorm ook”) pleit immers voor de stelling, dat de door middel van een renteloze lening verrichte inbreng niet op een andere dan in de richtlijn bepaalde wijze kan worden belast. Verder betoogt verzoekster, dat in de titel van de Deense taalversie van de betrokken richtlijn, anders dan in de andere taalversies, niet wordt gepreciseerd, dat de belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal indirecte belastingen zijn. Ten slotte baseert verzoekster zich op artikel 12 van de betrokken richtlijn, dat de — door het Hof exhaustief geachte ( 3 ) — lijst bevat van de belastingen en andere rechten die over de aan het kapitaalrecht onderworpen verrichtingen kunnen worden geheven, zodat dus alle andere mogelijke fiscale heffingen zijn uitgesloten. Bovendien strookt deze uitlegging volgens verzoekster met het OESOmodelverdrag inzake dubbele belasting, inzonderheid met de artikelen 2 en 24 daarvan.
9.
Volgens verweerder in het hoofdgeding, de Lid-Staten die opmerkingen hebben ingediend, en de Commissie moet de tweede vraag ontkennend worden beantwoord. Tot staving daarvan voeren zij verschillende argumenten aan. De richtlijn strekt huns inziens tot harmonisatie van de indirecte belastingen, doch bevat geen bepalingen inzake directe belastingen. Verweerder, de Lid-Staten en de Commissie merkten op, dat degene die de belasting over de inbreng moet betalen (de ontvangende vennootschap — de accipiens) niet dezelfde is als degene waarop de verplichting rust de inkomstenbelasting te betalen (de schenkende vennootschap — de donans). Ten slotte behoort de regeling van de directe belastingen volgens het gemeenschapsrecht tot de bevoegdheid van de Lid-Staten, terwijl de richtlijn alleen de belasting over de inbreng harmoniseert om het vrije verkeer van voor inbreng bestemd kapitaal te vergemakkelijken.
10.
Het antwoord op de tweede vraag van de verwijzende rechter hangt mijns inziens af van het doel dat de gemeenschapswetgever met richtlijn 69/335 op het oog heeft gehad, alsmede van de werkingssfeer van die gemeenschapsregeling.
Ik begin met dit laatste punt, dat mijns inziens van beslissend belang is. Welk soort belastingen beoogt de richtlijn te harmoniseren? Behalve uit de titel zelf van de richtlijn (waar ten tijde van de vaststelling ervan in alle taalversies behalve de Deense sprake was van indirecte belastingen) blijkt de wil van de gemeenschapswetgever overduidelijk uit de laatste overweging van de considerans van de richtlijn. Daar wordt namelijk gepreciseerd, dat „de handhaving van andere indirecte belastingen die dezelfde kenmerken vertonen als het kapitaalrecht of het zegelrecht op effecten, het doel dat met de in deze richtlijn bedoelde maatregelen wordt nagestreefd in gevaar zou kunnen brengen, en dat deze belastingen derhalve dienen te worden afgeschaft”.
11.
In dit verband zij bovendien opgemerkt, dat het in artikel 10 van de richtlijn geformuleerde verbod om de genoemde verrichtingen in welke vorm ook aan andere belastingen te onderwerpen, ziet op financiële verrichtingen waarbij economische hulpmiddelen van het ene subject aan het andere worden overgedragen. De litigieuze belasting, die volgens de Deense wettelijke bepaling wordt geheven over inkomsten die de moedermaatschappij in de vorm van rente over de lening zou hebben verworven, betreft evenwel een heel ander tijdstip van het bestaan van de aan de belasting onderworpen eenheid, namelijk het tijdstip van het verwerven van de inkomsten. Deze voorwaarde voor belasting verschilt namelijk noodzakelijkerwijs — ook in de tijd — van de vermogensoverdracht. De betrokken opbrengst moet dus op de wijze en onder de voorwaarden die in de toepasselijke fiscale wetgeving zijn bepaald, aan de inkomstenbelasting worden onderworpen. De betrokken richtlijn zegt overigens niets over de inkomstenbelasting — die onder de bevoegdheid van de Lid-Staten valt — terwijl zij door harmonisatie van de belastingvormen regelt, op welke wijze het vennootschappelijk vermogen door vermogensoverdracht kan worden vermeerderd.
12.
Artikel 10 van de richtlijn aldus uitleggen, dat de aldaar bedoelde verrichtingen van directe belasting zijn vrijgesteld, kan bovendien aanzetten tot belastingontwijking. Een dergelijke uitlegging van die bepaling zal immers aanzetten tot verrichtingen van kapitaalinbreng of daarmee gelijkgestelde financiële verrichtingen, die, vooral wanneer zij grensoverschrijdend zijn, aldus aan directe belasting zullen worden onttrokken. Die praktijken zullen leiden tot distorsies op de kapitaalmarkt van de Lid-Staten die de winst van de op hun grondgebied gevestigde vennootschappen zwaarder belasten. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor de mogelijkheden van deze vennootschappen om kapitaal te krijgen. Die situatie is nu juist het omgekeerde van wat de gemeenschapswetgever beoogde.
Conclusie
13.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de door het Østre Landsret gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„—
Artikel 4, lid 2, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, ziet ook op de rente die een door een moedermaatschappij aan haar dochter verstrekte lening onder normale marktomstandigheden had opgebracht, wanneer de desbetreffende overeenkomst geen bepaling betreffende de betaling van rente bevat.
—
Artikel 10 van richtlijn 69/335 ziet niet op de directe belastingen over de inkomsten die bedragen die een moedermaatschappij door middel van een renteloze lening aan haar dochter overmaakt, zouden kunnen opbrengen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PD 1969, L 249, blz. 25).
( 2 ) Arresi van 5 februari 1991, zaak C-249/89, Trave-Schiffahrtsgesellsehaft, Jurispr. 1991, blz. I-257, r. o. 12.
( 3 ) Arrest van 2 februari 1988, zaak C-36/86, Dansk Sparinvest, Jurispr. 1988, blz. 409.
Full & Egal Universal Law Academy