CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. FENNELLY
van 14 december 1995 ( *1 )
I — Inleiding
1.
Moet een bepaling volgens welke de Gemeenschap voor landbouwprodukten „de algemene regeling toe[past] welke zij toepast ten aanzien van derde landen”, aldus worden uitgelegd, dat deze regeling niet op andere produkten van toepassing is? Subsidiair, omvat een vrijstelling van „douanerechten” het variabele element van een belasting op de invoer van suikerwerk? Dit zijn de vragen die rijzen in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing van een Spaanse rechterlijke instantie, in een geschil over de bij de invoer in 1989 van snoepjes uit de Canarische Eilanden op het Spaanse vasteland gevorderde betaling. Hoewel deze eilanden sinds 1 juli 1991 daadwerkelijk deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap, zijn de gestelde vragen niet alleen van historisch belang, aangezien de relevante bepalingen van Protocol nr. 2 bij de Toetredingsakte van Spanje en Portugal nog steeds van toepassing zijn met betrekking tot Ceuta en Melilla ( 1 ); het is ook denkbaar, dat soortgelijke principiële vragen worden gesteld in het kader van een overgangsregeling in latere toetredingsverdragen.
II — Feiten en procesverloop
2.
In juli 1989 voerde TirmaSA (hierna: „Tirma”) in Spanje een op de Canarische Eilanden vervaardigde partij „caramelos” (snoepjes) in; hoewel de aard van deze partij in de verwijzingsbeschikking niet nader werd aangeduid, lijkt het onomstreden te zijn, dat het ging om suikerwerk zonder cacao, dat valt onder nummer ex 17.04 van het gemeenschappelijk douanetarief. Tirma betwistte het besluit van de douaneadministratie te Cádiz tot toepassing van het variabele element van de belasting die overeenkomstig verordening (EEG) nr. 3033/80 van de Raad van 11 november 1980 tot vaststelling van de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten ( 2 ) (hierna: „verordening inzake de handelsregeling” of „verordening”, naar gelang van de context), op de invoer van suikerwerk in de Gemeenschap wordt geheven.
3.
Zowel de administratieve klacht van Tirma als haar beroep bij het Tribunal Económico Administrativo Regional de Andalucía bleven vruchteloos. De Sala de lo Contencioso-Administrativo de Sevilla van het Tribunal Superior de Justicia de Andalucía, waar Tirma administratief beroep had ingesteld, legde het Hof de volgende vragen voor:
„Is op het bij de verordeningen (EEG) nrs. 3033/80, 3034/80 en 3035/80 geregelde variabele element van de douanerechten betreffende verwerkte landbouwprodukten, de regeling van artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 2 bij de Toetredingsakte van Spanje en Portugal van toepassing, hoewel deze produkten niet onder bijlage II bij het Verdrag vallen, of geldt daarvoor de vrijstelling van artikel 2 van Protocol nr. 2 bij de Toetredingsakte, dan wel moet, wanneer deze produkten noch onder het ene noch onder het andere geval vallen, op het handelsverkeer in verwerkte landbouwprodukten tussen de Canarische Eilanden en het douanegebied van de Gemeenschap het algemene beginsel van vrij verkeer van goederen worden toegepast?”
4.
De Spaanse regering en de Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend. Daar geen verzoek is ingediend om in pleidooien te worden gehoord, heeft het Hof besloten af te zien van de mondelinge behandeling.
III — De relevante bepalingen van gemeenschapsrecht
5.
De verordening inzake de handelsregeling ( 3 ) codificeert en vervangt een aantal eerdere verordeningen inzake de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten, zoals omschreven in bijlage I bij de verordening; deze omvat „suikerwerk zonder cacao”, met uitzondering van bepaald zoethoutextract. Artikel 5, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
„Op elk [in bijlage I bij de verordening genoemd] goed wordt, bij invoer in de Gemeenschap, de daarvoor in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde belasting geheven, die bestaat uit:
a)
een ad valoremrecht, dat het vaste element van deze belasting vormt;
b)
een variabel element.
Het variabele element (...) heeft tot doel, voor de hoeveelheden basisprodukten die worden geacht bij de vervaardiging daarvan te zijn verwerkt, de invloed van het verschil tussen de prijzen van bedoelde produkten in de Gemeenschap en de prijzen bij invoer uit derde landen te dekken, wanneer de totale kosten van vorenbedoelde hoeveelheden basisprodukten hoger liggen in de Gemeenschap.”
6.
Artikel 5, lid 2, verbiedt „de heffing van andere douanerechten of heffingen van gelijke werking dan de in lid 1 omschreven belasting”, behalve in de door artikel 14, leden 3 en 4, van de verordening genoemde omstandigheden. De raison d'être van het variabele element van de belasting wordt in de eerste overweging van de considerans van de verordening omschreven als „compensatie van de eventuele verschillen tussen de prijzen van de betrokken landbouwprodukten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt”, terwijl die van het vaste element wordt omschreven als „bescherming van de verwerkende industrie”.
7.
De overeenkomstige maatregel voor basisprodukten van de sector suiker is verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( 4 ) (hierna: „suikerverordening”). Artikel 16, lid 1, van de suikerverordening voorziet in de toepassing van een heffing bij de invoer van de aldaar bedoelde suikerprodukten, met uitzondering van bietenpulp, uitgeperst suikerriet en andere afvallen van de suikerindustrie; de reden voor deze heffing wordt in de vijfde overweging van de considerans toegelicht als volgt:
„het opleggen van een heffing bij invoer uit derde landen (...), met betrekking tot de sector suiker, ter overbrugging van het verschil tussen de buiten en binnen de Gemeenschap geldende prijzen wanneer de wereldmarktprijzen lager zijn dan de prijzen van de Gemeenschap”.
8.
Artikel 25, lid 1, van de Toetredingsakte van Spanje en Portugal bepaalt: „De Verdragen en de besluiten van de Instellingen van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de Canarische Eilanden (...), onder voorbehoud van de in de leden 2 en 3 en in de andere bepalingen van de onderhavige Akte bedoelde afwijkingen.” Artikel 25, lid 2, op zijn beurt verwijst voor „de voorwaarden waaronder de bepalingen van het EEG-Verdrag en het EGKS-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen, alsmede de besluiten van de Instellingen van de Gemeenschap betreffende de douanewetgeving en de handelspolitiek van toepassing zijn op de Canarische Eilanden (...)”, naar Protocol nr. 2 bij de Akte (hierna: „Protocol nr. 2” of „Protocol”, naar gelang van de context).
9.
Artikel 1, lid 1, van Protocol nr. 2 bepaalt onder meer:
„De produkten van oorsprong uit de Canarische Eilanden (...), alsmede de produkten van herkomst uit derde landen die op de Canarische Eilanden (...) worden ingevoerd (...), worden bij het in het vrije verkeer brengen op het douanegebied van de Gemeenschap niet beschouwd als goederen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het EEG-Verdrag.”
Ingevolge artikel 1, lid 2, zijn de Canarische Eilanden uitgesloten van het douanegebied van de Gemeenschap, terwijl artikel 1, lid 3, bepaalt:
„Behoudens andersluidende bepalingen in dit Protocol, zijn de besluiten van de Instellingen van de Gemeenschap op het gebied van de douanewetgeving voor het handelsverkeer met derde landen onder dezelfde voorwaarden van toepassing op het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Gemeenschap (...) en de Canarische Eilanden (...)”
10.
Artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 2 luidt als volgt:
„Behoudens andersluidende bepalingen in de Toetredingsakte, met inbegrip van dit Protocol, past de Gemeenschap in haar handelsverkeer met de Canarische Eilanden (...) voor de produkten die onder bijlage II van het EEG-Verdrag vallen, de algemene regeling toe welke zij toepast ten aanzien van derde landen.”
11.
Artikel 2 van het Protocol voorziet in bepaalde afwijkingen van het bepaalde in artikel 1 voor „produkten van oorsprong uit de Canarische Eilanden”. In het bijzonder geldt voor deze produkten, „wanneer zij op het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht, een vrijstelling van douanerechten”; deze vrijstelling was met ingang van de datum van toetreding van Spanje tot de Gemeenschap van toepassing ten aanzien van de invoer „in het gedeelte van Spanje dat deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap”.
12.
Volledigheidshalve zij opgemerkt, dat bij verordening (EEG) nr. 1911/91 van de Raad van 26 juni 1991 betreffende de toepassing van de bepalingen van het gemeenschapsrecht op de Canarische Eilanden ( 5 ), het gemeenschappelijk landbouwbeleid op deze eilanden van toepassing wordt verklaard, behoudens een specifieke regeling voor de bevoorrading, en de eilanden, behoudens bepaalde overgangsregelingen, worden opgenomen in het douanegebied van de Gemeenschap, in beide gevallen met ingang van 1 juli 1991.
IV — De door de nationale rechterlijke instantie gestelde vragen
13.
De eerste in de verwijzingsbeschikking opgeworpen vraag heeft betrekking op de rechtsgrondslag voor de toepassing op de betrokken invoer van het variabele element van de door artikel 5, lid 1, van de verordening inzake de handelsregeling opgelegde belasting. In de loop van de procedure is op dit punt een beroep gedaan op twee verschillende bepalingen van het Protocol, te weten artikel 1, lid 3, en artikel 1, lid 5. Voor de verwijzende rechter betoogde de vertegenwoordiger van de Spaanse regering, in de lijn van met het door de douaneadministratie en de lagere rechter ingenomen standpunt ( 6 ), dat, aangezien het variabele element hetzelfde doel had als de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opgelegde belasting, overeenkomstig artikel 1, lid 5, van het Protocol op de invoer de algemene regeling van toepassing was die door de Gemeenschap voor het handelsverkeer met derde landen werd toegepast, in weerwil van het feit dat de produkten als zodanig niet onder bijlage II van het Verdrag vielen. De verwijzende rechter was evenwel van oordeel, dat het variabele element van de belasting geen instrument van het gemeenschappelijk landbouwbeleid was, omdat het de landbouwproduktie of de bevoorrading niet beschermde, doch een handelspolitiek instrument, dat was gericht op de bescherming van bepaalde achtergebleven producenten. In deze omstandigheden verzocht de nationale rechter het Hof om een uitspraak over de vraag, of de vrijstelling van artikel 2 toepassing moest vinden.
14.
Mijns inziens is artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 2 evenwel, ongeacht de door artikel 5 van de verordening inzake de handelsregeling nagestreefde doelstellingen, uitsluitend van toepassing op de in bijlage II bij het Verdrag genoemde produkten, en kan het geen grondslag vormen voor de toepassing van het variabele element van de belasting op andere produkten. Een beroep op dit artikel is hoe dan ook niet nodig, voor zover artikel 1, lid 3, van het Protocol uitdrukkelijk voorziet in de toepassing van „de besluiten van de Instellingen van de Gemeenschap op het gebied van de douanewetgeving voor het handelsverkeer” op het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Gemeenschap en de Canarische Eilanden. De verordening inzake de handelsregeling, die hoofdzakelijk was gebaseerd op de bepalingen van het Verdrag betreffende douanewetgeving voor het handelsverkeer (artikelen 28 en 113 EEG-Verdrag), is mijns inziens duidelijk zo'n besluit.
15.
Dit biedt evenwel geen oplossing voor de vraag, hoe artikel 1, leden 3 en 5, van het Protocol moet worden uitgelegd. Hoewel het Hof niet beschikt over de opmerkingen van appellante in het hoofdgeding, blijkt uit de opmerkingen van de Spaanse regering en de verwijzingsbeschikking, dat Tirma voor de verwijzende rechter heeft gesteld, dat artikel 1, lid 5, onderscheid maakt tussen de produkten van bijlage II bij het Verdrag, waarvoor de algemene regeling van de Gemeenschap voor het handelsverkeer geldt, en andere produkten, waarvoor die regeling niet geldt. Volgens Tirma was ingevolge artikel 25, lid 1, van de Toetredingsakte ten tijde van de feiten het gemeenschapsrecht algemeen van toepassing op de Canarische Eilanden, ook al maakten deze geen deel uit van het douanegebied van de Gemeenschap; hoewel de tariefbepalingen van de Gemeenschap niet van toepassing waren op de handel tussen de eilanden en derde landen, was hun handel met de rest van de Gemeenschap onderworpen aan de voorschriften inzake het vrije verkeer van goederen. Aangezien verwerkte landbouwprodukten niet vielen onder een van de in de artikelen 1 en 2 van het Protocol nr. 2 geformuleerde uitzonderingen op het vrije verkeer, moest voor deze produkten het vrije verkeer van goederen gelden; het door artikel 1, lid 5, gemaakte onderscheid zou anders geen zin hebben. Deze opvatting komt erop neer, dat, aangezien in artikel 1, lid 3, reeds het algemene beginsel van uitsluiting van het vrije verkeer van goederen was neergelegd, artikel 1, lid 5, overbodig zou zijn, indien het niet aldus zou moeten worden opgevat, dat andere dan de in bijlage II genoemde produkten zijn uitgesloten van de algemene regeling die de Gemeenschap toepast ten aanzien van derde landen.
16.
De in overweging gegeven uitlegging, volgens welke artikel 1, lid 5, een beperking van het in artikel 1, lid 3, neergelegde beginsel is met betrekking tot alle produkten die niet voorkomen in bijlage II bij liet Verdrag, is mijns inziens niet overtuigend. Artikel 25, lid 2, van de Toetredingsakte bepaalt, dat „de besluiten van. de Instellingen (...) betreffende de douanewetgeving en de handelspolitiek van toepassing zijn op de Canarische Eilanden [overeenkomstig] Protocol nr. 2”; in artikel 25, lid 1, heet het inzonderheid, dat in het Protocol „afwijkingen” worden geregeld. Dat deze afwijkingen tot gevolg hebben, dat de toepassing van de communautaire beginselen betreffende het vrije verkeer van goederen wordt uitgesloten, voor zover niet anders is bepaald, blijkt duidelijk uit de artikelen 1 en 2 van het Protocol, die hierna nader zullen worden onderzocht.
17.
De door appellante in het hoofdgeding in overweging gegeven uitlegging houdt ook in, dat de gemeenschapswetgever in artikel 1, lid 3, een algemeen beginsel heeft neergelegd, maar daaraan reeds twee leden verder elke werking heeft ontnomen, en deze bepaling dus overbodig heeft gemaakt. In de eerste plaats zouden goederen van oorsprong uit de Canarische Eilanden binnen de toepassingssfeer van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag moeten vallen, willen zij in aanmerking komen voor het vrije verkeer van goederen binnen het douanegebied van de Gemeenschap, zoals wordt gesteld. Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van het Verdrag zijn de bepalingen betreffende de douane-unie en de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen (achtereenvolgens de artikelen 12 tot en met 17 en 30 tot en met 37) enkel van toepassing op „de produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten alsook op de produkten uit derde landen welke zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden”; artikel 1, lid 1, van Protocol nr. 2, dat, anders dan artikeli, leden 3 en 5, geen afwijkingen toelaat, bepaalt uitdrukkelijk, dat de produkten van oorsprong uit de Canarische Eilanden „niet [worden] beschouwd als goederen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het EEG-Verdrag”.
18.
In de tweede plaats vindt het in artikel 1, lid 3, van het Protocol neergelegde beginsel, dat de douanewetgeving van de Gemeenschap voor het handelsverkeer met derde landen van toepassing is op het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Gemeenschap en de Canarische Eilanden, algemene toepassing; dit betekent in het bijzonder, dat de verordening inzake de handelsregeling op dat handelsverkeer van toepassing is. Zoals de Spaanse regering heeft gesteld, is artikel 1, lid 5, een meer specifieke bepaling, die uitsluitend voor de produkten van bijlage II geldt; het gebruik van het begrip „algemene regeling” lijkt zowel de douanewetgeving als de andere op die produkten toepasselijke maatregelen te omvatten. Derhalve kan mijns inziens artikel 1, lid 5, bij gebreke van een desbetreffende aanwijzing in de tekst van Protocol nr. 2, geen voorrang hebben boven de algemene regeling van artikel 1, lid 3. De ingevoerde goederen waarom het in de onderhavige zaak gaat, waren duidelijk geen produkten van bijlage II, en moeten derhalve worden geacht binnen de toepassingssfeer van artikel 1, leden 1 tot en met 3, van het Protocol te vallen.
19.
Voorts is de aan Tirma toegeschreven opvatting, dat de uitdrukking „behoudens andersluidende bepalingen in de Toetredingsakte, met inbegrip van dit Protocol” in artikel 1, lid 5, moet worden beschouwd als een verwijzing naar artikel 1, lid 3, van het Protocol, mijns inziens niet houdbaar. Het is veel waarschijnlijker, dat artikel 1, lid 5, verwijst naar dié bepalingen van de Toetredingsakte en het Protocol, die op het handelsverkeer in produkten van bijlage II tussen het douanegebied van de Gemeenschap en de Canarische Eilanden, uitdrukkelijk een andere regeling toepassen dan de algemene regeling die de Gemeenschap toepast ten aanzien van derde landen. Artikel 25, lid 3, tweede alinea, van de Toetredingsakte bij voorbeeld verplicht de Raad „bepalingen van sociaalstructurele aard (...) op landbouwgebied (...) op de Canarische Eilanden” toe te passen. Artikel 155 van de Toetredingsakte gaat verder en verlangt niet alleen structurele maatregelen op visserijgebied, maar verplicht de Raad ook „de belangen” van de Canarische Eilanden „volledig of ten dele in aanmerking te nemen” bij de besluiten over bilaterale of multilaterale visserijovereenkomsten met derde landen. Deze bepalingen kunnen nauwelijks worden beschouwd als „algemene regeling” die de Gemeenschap toepast ten aanzien van derde landen; dit geldt ook voor de in de artikelen 3 en 4 van het Protocol neergelegde bijzondere regelingen voor het handelsverkeer tussen de rest van de Gemeenschap en de eilanden in visserijprodukten en limitatief opgesomde landbouwprodukten van oorsprong uit de eilanden.
20.
Vervolgens rijst de vraag, of het variabele element van de belasting op suikerwerk van oorsprong uit de Canarische Eilanden, dat in Spanje is ingevoerd, kan worden beschouwd als „douanerecht” in de zin van artikel 2, lid 1, van Protocol nr. 2. Ik kan zonder meer instemmen met de opvatting van de Spaanse regering en de Commissie, dat het variabele element van de invoerheffing geen douanerecht is waarvan produkten van oorsprong uit de Canarische Eilanden, zoals de „caramelos” waarvan de invoer aanleiding was voor de procedure in het hoofdgeding, krachtens artikel 2 van Protocol nr. 2 zijn vrijgesteld.
21.
In de eerste plaats maakt het gemeenschapsrecht reeds lange tijd onderscheid tussen „douanerechten” in de eigenlijke zin van het woord en andere heffingen op de in- en uitvoer van goederen, zoals bij voorbeeld blijkt uit artikel 9, lid 1, van het Verdrag. Terwijl het onderscheid zelden voorwerp van de rechtspraak van het Hof is geweest ( 7 ), aangezien de toepassing van beide soorten van heffingen in het kader van het handelsverkeer tussen Lid-Staten verboden is, is eerstgenoemde heffing in artikel 2, sub b, van het besluit van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen ( 8 ), omschreven als „de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige (...) ingevoerde (...) rechten op het handelsverkeer met niet-Lid-Staten”. Artikel 2, sub a, omschreef „land-bouwheffingen” als „de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige (...) in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde (...) rechten op het handelsverkeer met niet-Lid-Staten”. Het doel van het variabele element van de invoerheffing waarom het in de onderhavige procedure gaat, zoals dat hierboven is beschreven ( 9 ), maakt duidelijk, dat dit meer overeenkomst vertoont met een landbouwheffing dan met een douanerecht, zoals omschreven in het besluit van 21 april 1970, waarnaar artikel 371 van de Toetredingsakte uitdrukkelijk verwijst.
22.
Deze zienswijze wordt geschraagd door de tekst van de verordening inzake de handelsregeling, die zorgvuldig onderscheid maakt tussen „douanerechten” en andere heffingen op de invoer. Aldus bepaalt artikel 5, lid 1, van de verordening, dat op elk ingevoerd goed een „belasting” wordt geheven, die bestaat uit een „recht” (het vaste element) en een „variabel element” (van de belasting), terwijl artikel 5, lid 2, de heffing verbiedt van „andere douanerechten of heffingen van gelijke werking” dan de krachtens artikel 5, lid 1, geheven belasting (cursivering van mij). Dit onderscheid tussen douanerechten en andere heffingen komt evenzeer tot uitdrukking in andere maatregelen betreffende de douanewetgeving voor het handelsverkeer met derde landen, zowel ten tijde van de feiten ( 10 ) als na de inwerkingtreding van het communautair douanewetboek van 12 oktober 1992. ( 11 ) Ook in andere bepalingen van het Protocol wordt het onderscheid expliciet gemaakt. Op grond van artikel 6, lid 1, zijn produkten van oorsprong uit het douanegebied van de Gemeenschap bij invoer op de Canarische Eilanden vrijgesteld van „douanerechten en van heffingen van gelijke werking”, terwijl het in artikel 7 heet, dat deze bepaling van toepassing is op „de douanerechten en heffingen van gelijke werking als deze rechten” bij de invoer van goederen uit derde landen op de Canarische Eilanden. In deze omstandigheden schijnt het ongepast, in overweging te geven, dat het begrip „douanerechten” in de zin van artikel 2, lid 1, aldus moet worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op „heffingen van gelijke werking”. ( 12 )
23.
In de tweede plaats zou kunnen worden gesteld, dat het onderscheid van materiële en niet van zuiver terminologische aard is. In het algemeen kan van douanerechten, anders dan die van fiscale aard, worden gezegd, dat zij de producent beschermen die is gevestigd op het gebied van de eenheid die het recht oplegt; inderdaad wordt met betrekking tot het vaste element van de betrokken invoerheffing, een ad valoremrecht, uitdrukkelijk vastgesteld, dat het dient „ter bescherming van de verwerkende industrie [in de Gemeenschap]” (eerste overweging van de considerans), en wordt het onafhankelijk van de wereldmarktprijs voor suiker toegepast. Het variabele element is daarentegen slechts een mechanisme ter compensatie van de hogere prijzen van de basisprodukten in de Gemeenschap; hiermee dient de verwerkende industrie in de Gemeenschap, wat de inkoop van suiker betreft, op gelijke voet te worden behandeld, maar wordt de industrie niet in andere opzichten tegen de mededinging van derde landen beschermd. Tegelijkertijd beschermt het variabele element ook de suikerproducenten in de Gemeenschap, doordat de prijzen in de Gemeenschap en op de wereldmarkt voor industriële gebruikers worden genivelleerd.
24.
Ten slotte zou het uiteindelijke resultaat van de zowel door appellante in het hoofdgeding als door de verwijzende rechter in overweging gegeven uitlegging van artikel 2 van Protocol nr. 2 zijn, dat de fabrikanten van suikerwerk op de Canarische Eilanden zich tegen de lagere wereldmarktprijzen van suiker zouden kunnen voorzien, en vervolgens het afgewerkte produkt niet alleen vrij van het variabele element, doch vrij van alle rechten in de Gemeenschap zouden kunnen invoeren. Mijns inziens was het niet de bedoeling van artikel 2, de fabrikanten van suikerwerk op de Canarische Eilanden een dergelijk onverwacht concurrentievoordeel ten opzichte van fabrikanten in de Gemeenschap te verschaffen, of in derde landen geproduceerde suiker zo gemakkelijk toegang tot de gemeenschapsmarkt te geven, al was het in verwerkte vorm.
25.
Voorts zou dit in feite betekenen, dat de fabrikanten op de Canarische Eilanden met betrekking tot de invoer van suiker en de wederuitvoer ervan als „caramelos”, in 1989 in het genot waren van een gunstiger regeling in het kader van Protocol nr. 2 dan bij voorbeeld in 1992, toen de eilanden werden opgenomen in het douanegebied van de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1911/91 ( 13 ), dient de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te worden begeleid door een „specifieke regeling voor de bevoorrading” voor bepaalde produkten. De regeling met betrekking tot suiker werd neergelegd in verordening (EEG) nr. 1601/92 van de Raad van 15 juni 1992 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwprodukten ten behoeve van de Canarische Eilanden. ( 14 ) Om rekening te houden met de „uitzonderlijke geografische ligging van de Canarische Eilanden ten opzichte van de bronnen voor de toelevering van produkten ten behoeve van” de vervaardiging, en om „verstoring van de traditionele handelsstromen te voorkomen”, bepaalt artikel 3, lid 1, van deze verordening, dat „bij rechtstreekse invoer in de Canarische Eilanden van produkten waarvoor de specifieke bevoorradingsregeling geldt en die van oorsprong zijn uit derde landen, (...) geen heffing of douanerecht [wordt] toegepast”; tot deze produkten behoort suiker. Voor de specifieke bevoorradingsregeling gelden echter twee beperkingen: in de eerste plaats kan slechts een bepaalde hoeveelheid van een bepaald produkt elk jaar in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 3 ( 15 ), en, hetgeen wellicht van meer belang is voor de onderhavige zaak, de wederuitvoer in verwerkte vorm van de in het kader van deze regeling ingevoerde goederen is verboden, behalve voor „de traditionele uitvoer [en] voor traditionele verzendingen naar de rest van de Gemeenschap”. Geen van deze beperkingen zou in de door appellante in het hoofdgeding in overweging gegeven uitlegging van artikel 2 van Protocol nr. 2 van toepassing zijn. Een dergelijk verschil in behandeling ten gevolge van de opneming van de Canarische Eilanden in het douanegebied van de Gemeenschap zou mijns inziens volledig ongerijmd zijn.
26.
Hoewel niet langer rechtstreeks relevant voor mijn analyse van de hoofdvragen, blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat de nationale rechter er niet van overtuigd was, dat het doel van het variabele element overeenkomst vertoonde met dat van de overeenkomstige heffing op de invoer van suikerprodukten in het kader van de suikerverordening, en dat hij, zoals reeds gezien, om deze reden betwijfelde, of artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 2 moest worden toegepast. Uit de hierboven in de punten 6 en 7 aangehaalde consideransen van elk van de betrokken verordeningen blijkt evenwel duidelijk, dat beide heffingen in feite tot doel hebben, het verschil tussen de hogere gemeenschapsprijs voor suiker en de prijs op de wereldmarkt te compenseren.
27.
Dit betekent mijns inziens, dat artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 2 voor de onderhavige procedure irrelevant is; deze bepaling sluit andere produkten dan die van bijlage II niet uit van de toepassing van de algemene bepalingen met betrekking tot het handelsverkeer met derde landen, en rechtvaardigt evenmin de toepassing van de verordening inzake de handelsregeling op deze produkten. Anderzijds ben ik van mening, dat artikel 1, lid 3, van het Protocol aldus moet worden uitgelegd, dat voor de invoer als die waarom het gaat in de onderhavige zaak, de verordening inzake de handelsregeling geldt. Artikel 2 van Protocol nr. 2 moet aldus worden uitgelegd, dat het enkel vrijstelling verleent van douanerechten in de eigenlijke zin van het woord. Ik ben niet van mening, dat het variabele element van de invoerheffing krachtens de verordening inzake de handelsregeling een douanerecht is.
V — Conclusie
28.
Gezien het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Sala de lo Contencioso-Administrativo te Sevilla te beantwoorden als volgt:
„Artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassingen van de Verdragen van 12 juni 1985, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op het variabele element van de belasting op ingevoerde goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten, die wordt geheven krachtens verordening (EEG) nr. 3033/80 van de Raad van 11 november 1980 tot vaststelling van de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten. Dit variabele element kan niet worden beschouwd als een douanerecht in de zin van artikel 2, lid 1, van Protocol nr. 2. Ten tijde van de feiten die aanleiding gaven tot het hoofdgeding, waren de beginselen van gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer van goederen niet van toepassing op het handelsverkeer tussen de Canarische Eilanden en het douanegebied van de Gemeenschap in verwerkte landbouwprodukten die onder verordening (EEG) nr. 3033/80 van de Raad van 11 november 1980 vallen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Zie bij voorbeeld arrest van 7 december 1995 (zaak C-45/94, Cámara de Comercio, Industria y Navegación dc Ceuta, Jurispr. 1995, blz. I-1385).
( 2 ) PB 1980, L.323, blz. 1.
( 3 ) Aangehaald in voetnoot 2; de twee andere verordeningen die in de verwijzingsbeschikking worden genoemd, zijn in de procedure voor het Hof niet rechtstreeks in het geding.
( 4 ) PB 1981, L 177, blz. 4.
( 5 ) PB 1991, L 171, blz. 1.
( 6 ) Dit feit werd met lofwaardige openhartigheid toegelicht in de zeer nuttige opmerkingen van de Spaanse regering in de onderhavige procedure.
( 7 ) Zie bij voorbeeld de punten 18 tot en met 21 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 21 november 1991 in de zaak Legróse, a. (arrest van 16 juli 1992, zaak C-163/90, Jurispr. 1992, blz. I-4625, inz. blz. I-4616 en I-4647).
( 8 ) PB 1970, L 94, blz. 19, het eerste „eigen niiddclcn”-bcsluit.
( 9 ) Zie punt 6 van deze conclusie.
( 10 ) Zie bij voorbeeld artikel 1, lid 2, sub d, van verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (PB 1987, L 201, blz. 15).
( 11 ) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (PB 1992, L 302, blz. 1); zie bij voorbeeld artikel 20, lid 3, sub c.
( 12 ) Dit betekent niet, dat het begrip „douanerechten” nooit aldus mag worden uitgelegd, dat het heffingen van gelijke werking omvat, in het bijzonder wanneer de in geding zijnde bepaling voldoende aanwijzingen bevat, die een ruimere uitlegging rechtvaardigen; zie arrest Cámara de Comercio, Industria y Navegación de Ceuta, reeds aangehaald in voetnoot 1, r. o. 16-18.
( 13 ) Aangehaald in voetnoot 5.
( 14 ) PB 1992, L 173, blz. 13.
( 15 ) Voor het verkoopseizoen 1992/1993 werd deze hoeveelheid bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1962/92 van de Commissie (PB 1992, L 197, blz. 45) vastgesteld op 3000 ton.
Full & Egal Universal Law Academy