CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 14 december 1995 ( *1 )
1.
Het Tribunal de commerce de Lyon (Frankrijk) heeft de onderhavige prejudiciële vraag gesteld in het kader van een burgerlijke vordering ( 1 ) van de vennootschap Nissan France SA en een aantal van haar dealers — Serda SA, Lyon Vaise Auto SARL, Garage Gambetta SA en Lyon Automobiles SA — tegen J.-L. Dupasquier van Garage Sport Auto ( 2 ), alsmede Star'Terre SARL en Aqueducs Automobiles SARL, die zij van oneerlijke concurrentie beschuldigen.
2.
Concreet verwijten verzoeksters verweerders, dat zij nieuwe motorvoertuigen importeren en verkopen buiten het „officiële” distributienet van die voertuigen om, zonder zich te houden aan de communautaire bepalingen die volgens hen daarop van toepassing zijn, en dat zij onwettige en misleidende reclame maken, hetgeen alles als oneerlijke concurrentie moet worden aangemerkt, die hun belangen als „exclusieve importeur” (in het geval van Nissan France SA) of exclusieve Nissan-dealers (in het geval van de andere vier verzoeksters) zou hebben geschaad.
3.
De bedoelde communautaire bepalingen zijn: verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen ( 3 ) (hierna: de „verordening”), en mededeling 91/C 329/06 van de Commissie van 4 december 1991. ( 4 )
4.
De bij de Franse rechter ingestelde rechtsvordering strekt ertoe, dat verweerders wordt verboden (onder dezelfde voorwaarden als thans) nieuwe Nissan-voertuigen te blijven verkopen en daarvoor reclame te maken. Zij strekt tevens tot veroordeling van verweerders tot vergoeding van de door hen veroorzaakte schade.
5.
Het Tribunal de commerce de Lyon is van oordeel, dat voor een uitspraak in het geding een beslissing van het Hof van Justitie over de uitlegging van verschillende onderdelen van de verordening noodzakelijk is. Derhalve heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Kan een parallelimporteur tegelijkertijd optreden als lasthebber en als wederverkoper van ingevoerde voertuigen?
2)
Wat zijn in het gemeenschapsrecht de criteria voor het onderscheid tussen nieuwe voertuigen en gebruikte voertuigen?
Hoeveel kilometers moet een motorvoertuig hebben gereden en hoe lang moet het aan het verkeer hebben deelgenomen, om als een gebruikt voertuig te worden beschouwd? Of staat dit per geval ter beoordeling van de nationale rechter?”
De feiten van het hoofdgeding
6.
Hoewel niet alle feiten die voor de beantwoording van de prejudiciële vraag van belang kunnen zijn, naar behoren zijn gestaafd, kan toch worden uitgegaan van de volgende premissen, die zijn afgeleid uit de conclusies van partijen en de verwijzingsbeschikking:
a)
geen enkele verweerder is dealer van enige automobielfabrikant of maakt deel uit van een door een dergelijke fabrikant krachtens de verordening opgericht „officieel” distributienet;
b)
desondanks bestaat hun handelsactiviteit in het kopen en verkopen van motorvoertuigen, dat wil zeggen dat zij als onafhankelijken parallel ingevoerde — dus rechtstreeks uit het buitenland betrokken — motorvoertuigen verkopen.
Argumenten van partijen
7.
Voor de verwijzende rechter stellen verzoeksters in het hoofdgeding dat hun dealerovereenkomsten in overeenstemming zijn met de verordening. Volgens hen staat de verordening in uitzonderlijke gevallen, onder zeer strikte voorwaarden die verweerders niet hebben nageleefd, parallelimporten toe. Verweerders kunnen slechts als tussenpersonen voor de eindgebruikers optreden wanneer zij vooraf een schriftelijke volmacht hebben gekregen, en zonder dat zij zich tegelijkertijd als wederverkopers mogen voordoen.
8.
In hun opmerkingen stellen verweerders, dat hun activiteit rechtmatig is en geen oneerlijke concurrentie oplevert. De werkzaamheid van onafhankelijk handelaar in de automobielsector is rechtmatig, evenals de parallelimport van die voertuigen. De verordening strekt niet tot harmonisatie van de sector van de automobieldistributie, die trouwens is verdeeld tussen de dealernetten, de rechtstreekse verkoop van de fabrikanten en de onafhankelijke handelaars.
9.
Volgens verweerders waarborgt de gemeenschapsregeling de mogelijkheid van parallelimport als middel om de vrije mededinging te bevorderen. Ten slotte zou het onderscheid tussen nieuwe en gebruikte voertuigen een loutere feitenkwestie zijn, die de nationale rechter moet beoordelen.
10.
Derhalve stellen verweerders voor, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
a)
het gemeenschapsrecht definieert niet wat een nieuw voertuig is en het onderscheid tussen een nieuw en een gebruikt voertuig is een louter feitelijke kwestie. Derhalve dient de nationale rechter per geval te beoordelen of een voertuig nieuw of gebruikt is, waarbij hij rekening moet houden met de eerste ingebruikneming en het ontbreken van defecten ten gevolge van feiten die zich na het verlaten van de fabriek hebben voorgedaan;
b)
de beginselen van de vrijheid om handel te drijven en van het vrije verkeer van goederen, alsmede het doel om de consument te beschermen, staan in de weg aan belemmeringen van parallelimport en compartimentering van de markten; geen enkele tekst verplicht een onafhankelijk handelaar parallelimport uitsluitend als lasthebber te verrichten, of verbiedt hem voertuigen in te voeren.
11.
In haar opmerkingen stelt de Commissie, dat de verordening de automobielfabrikanten enerzijds niet verbiedt voertuigen anders dan via de exclusieve distributienetten te verkopen, en anderzijds evenmin eenzijdige activiteiten of overeenkomsten verbiedt, die verschillen van die welke onder de vrijstellingsverordeningen vallen.
12.
Op de eerste vraag zou volgens haar dan ook moeten worden geantwoord, dat de verordening een onafhankelijk handelaar niet verbiedt de activiteiten van gevolmachtigd tussenpersoon en van niet-erkend wederverkoper te cumuleren, wanneer vaststaat dat die cumulatie er niet toe leidt dat die twee activiteiten worden verward.
13.
Wat de tweede vraag betreft, meent de Commissie, dat aangezien de verordening de ondernemingen niet belet om buiten een distributienet nieuwe voertuigen te verkopen en er nooit sprake van is geweest dat de verordening geldt voor gebruikte voertuigen, aan de verwijzende rechter geen antwoord behoeft te worden gegeven betreffende het onderscheid tussen gebruikte en nieuwe voertuigen.
14.
De Franse regering meent in de eerste plaats, dat de verordening op zich niet belet, dat een onafhankelijk wederverkoper nieuwe voertuigen buiten het officiële distributienet om importeert en verkoopt, ook wanneer hij geen lasthebber is in de zin van artikel 3, sub 11. Aangaande de eventuele cumulatie van de activiteiten van lasthebber en onafhankelijk handelaar stelt ook zij dat dit geen vraag is waarvoor een gemeenschapsbepaling moet worden uitgelegd. De nationale rechter dient de rechtmatigheid daarvan dus te beoordelen aan de hand van de criteria van zijn eigen rechtsorde.
15.
Nu het gemeenschapsrecht geen definitie van de begrippen „nieuw voertuig” en „gebruikt voertuig” kent, dient volgens de Franse regering de nationale rechter diem begrippen op basis van zijn nationale recht te omschrijven.
16.
De Griekse regering ten slotte merkt op, dat de verordening de verkoop van nieuwe voertuigen aan onafhankelijke handelaars niet verbiedt. Daarom meent zij dat het volstaat de eerste prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden, en dat de tweede niet behoeft te worden onderzocht.
De gemeenschapsregeling inzake de afzet van motorvoertuigen
17.
De verordening omschrijft een groep van overeenkomsten die kunnen worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 ( 5 ), zodat zij buiten het anders onvermijdelijke verbod vallen. Het betreft overeenkomsten van bepaalde of onbepaalde duur, waarbij een onderneming die produkten levert, een andere onderneming met de distributie van die produkten en de klantenservice belast; aldus belast een partij (de fabrikant of, in het algemeen, de leverancier) de andere partij (de distributeur of dealer) met de taak om de afzet van en de klantenservice betreffende bepaalde produkten in de sector motorvoertuigen in een bepaald gebied te bevorderen. Bij die overeenkomsten verbindt de leverancier zich tegenover de dealer om binnen het contractgebied de voor wederverkoop bestemde contractprodukten slechts aan één dealer of, bij gebreke daarvan, aan een bepaald aantal van het distributienet deel uitmakende ondernemingen te leveren.
18.
Deze overeenkomsten zouden in beginsel nietig zijn, daar zij gewoonlijk ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en in het algemeen de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden. Van het rechtstreeks uit artikel 85, lid 1, EG-Verdrag voortvloeiende verbod van deze overeenkomsten kan krachtens artikel 85, lid 3, evenwel een vrijstelling worden verleend, wanneer het voor die overeenkomsten uitdrukkelijk buiten toepassing wordt verklaard, hetgeen slechts mogelijk is onder bepaalde, limitatief opgesomde voorwaarden en via een specifieke norm, zoals de verordening.
19.
In de onderhavige zaak levert in het bijzonder de subjectieve werkingssfeer van de verordening problemen op die moeten worden opgelost. Terwijl er geen twijfel bestaat aan de geldigheid van het distributiestelsel als zodanig [in de tijd beperkt tot 30 september 1995, op welke datum de verordening buiten werking is getreden en is vervangen door de nieuwe verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 ( 6 )], vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af wat de strekking is ten aanzien van andere marktdeelnemers die betrokken zijn bij de verkoop van motorvoertuigen.
20.
In concreto mogen dergelijke overeenkomsten krachtens artikel 3, sub 11, van de verordening clausules bevatten waarbij de distributeur of dealer zich verbindt
„motorvoertuigen uit het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, slechts te verkopen, wanneer zij voor de aankoop van een bepaald motorvoertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke, en bij inontvangstneming van het motorvoertuig door de tussenpersoon, tevens de inontvangstneming bestrijkende volmacht hebben gegeven”.
21.
Met andere woorden, de distributeur kan weigeren motorvoertuigen te verkopen aan niet-erkende tussenpersonen, tenzij zij van de eindgebruikers een schriftelijke volmacht hebben verkregen om de voertuigen voor hun rekening te kopen, een mogelijkheid die een uitzondering vormt op het beginsel dat de distributie beperkt blijft tot het net.
22.
Volgens artikel 3, sub 10, mogen in dergelijke overeenkomsten overigens ook clausules worden opgenomen waarbij de dealer of distributeur aanvaardt om „aan een wederverkoper (...) contract- en daarmee overeenstemmende produkten slechts te leveren, wanneer deze een van het distributienet deel uitmakende onderneming is”.
23.
De moeilijkheden bij de uitlegging van de begrippen „tussenpersoon” en „wederverkoper” waren voor de Commissie aanleiding om twee mededelingen te publiceren, een mededeling van 12 december 1984 ( 7 ) en de reeds genoemde mededeling van 4 december 1991, waarmee bepaalde aspecten van de betrokken verordening dienden te worden verduidelijkt.
24.
Concreet diende mededeling 91/C 329/06 „ter verduidelijking van de in deze verordening genoemde mogelijkheden tot bemiddeling door tussenpersonen”, die worden gedefinieerd als dienstverleners die voor rekening van een koper als eindgebruiker optreden, die geen risico's dragen die normaliter aan de eigendom zijn verbonden en aan wie vooraf door een nader aangeduide lastgever schriftelijk lastgeving is verleend.
25.
Volgens de Commissie is de lasthebber weliswaar gerechtigd zijn activiteiten vrij te organiseren, maar wanneer hij gebruik maakt van een net van ondernemingen die een gemeenschappelijk merk of andere gemeenschappelijke onderscheidingstekens gebruiken, mag dat niet de verkeerde indruk wekken dat het gaat om een erkend distributiestelsel. De taak van de lasthebber moet met volledige transparantie op het vlak van de aangeboden diensten en de vergoeding daarvoor worden uitgeoefend. Zijn reclame mag niet ertoe leiden dat de potentiële Manten de tussenpersoon aanzien als een wederverkoper of als een onderneming die deel uitmaakt van het distributienet van de betrokken automobielfabrikant of -fabrikanten. Wat ten slotte zijn bevoorrading betreft, mag hij met de erkende dealers geen bevoorrechte betrekkingen aangaan, die indruisen tegen de contractuele verbintenissen die zij krachtens de verordening zijn aangegaan.
26.
Werkzaamheden van de tussenpersonen die niet in overeenstemming zijn met deze richtsnoeren en criteria, geven volgens de mededeling aanleiding tot het vermoeden dat, behoudens bewijs van het tegendeel, „de tussenpersoon de in artikel 3, lid 11, van verordening (EEG) nr. 123/85 genoemde beperkingen niet in acht neemt of dat hij op dit punt bij het publiek verwarring doet ontstaan door de indruk te geven een wederverkoper te zijn”.
De positie van de onafhankelijke marktdeelnemers buiten de distributienetten van motorvoertuigen
27.
De handelaars die geen deel uitmaken van een distributienet en die actief zijn in de automobielsector, kunnen dat doen in twee hoedanigheden: als niet-erkende wederverkopers van voertuigen buiten het zogenoemd „officiële” net, of louter als door de eindgebruikers gevolmachtigde tussenpersonen.
28.
Een onderneming die gewoonlijk beroepsmatig optreedt bij de verhandeling van nieuwe voertuigen kan immers een „gevolmachtigd tussenpersoon” in de zin van de verordening zijn, zonder dat factoren als een groot aantal voertuigen in voorraad, een groot aantal verrichtingen, de ontvangst van commissies, het verlenen van krediet aan klanten voor de aankoop van een voertuig, het maken van reclame voor zijn diensten, en dergelijke op zichzelf deze juridische kwalificatie op de helling kunnen zetten.
29.
In dit verband komt een bijzondere betekenis toe aan de overwegingen in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 22 april 1993 ( 8 ), waarin het ging om een door Automobiles Peugeot en Peugeot SA ingesteld beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 4 december 1991 waarbij de Commissie een circulaire waarbij Automobiles Peugeot SA haar dealers de instructie gaf de levering van voertuigen aan een onderneming die optrad als tussenpersoon voor de uiteindelijke kopers te staken, in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag verklaarde.
30.
Bij arrest van 16 juni 1994, Peugeot ( 9 ), wees het Hof de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in deze zaak af, op grond dat
„volgens de letter zelf van artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85 het voorhanden zijn van een schriftelijke opdracht de enige voorwaarde is voor de kwalificatie van een persoon als tussenpersoon”
en
„Met betrekking tot het argument, dat het Gerecht het arrest Binon [van 3 juli 1985, zaak 243/83, Jurispr. 1985, blz. 2015] zou hebben miskend, zij opgemerkt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld, dat dit arrest inzake de toepassing van artikel 85 EG-Verdrag op de betrekkingen tussen een onderneming en een handelsagent, geen toepassing vindt op het geval van een lasthebber die voor rekening van een eindgebruiker handelt, en dat het aantal opdrachten dat een beroepsmatig handelende tussenpersoon ontvangt, op zich de aard van de activiteit van de tussenpersoon niet kan wijzigen.”
31.
In de plaats van als tussenpersoon kan een handelaar ook gewoonlijk optreden als onafhankelijk wederverkoper, waarbij hij in eerste instantie de eigendom verwerft van de goederen die hij naderhand overdraagt, en hij de risico's op zich neemt die niet kenmerkend zijn voor een tussenpersoon, maar wel voor een wederverkoper, alsmede de daarmee samenhangende garantieplicht: deze situatie zou buiten de objectieve werkingssfeer van de verordening vallen, omdat deze in beginsel niet ervan uitgaat dat er beroepsmatige marktdeelnemers bestaan die buiten de „officiële” distributienetten gewoonlijk nieuwe voertuigen verhandelen.
32.
Het gemeenschapsrecht staat evenwel niet eraan in de weg dat dergelijke activiteiten rechtmatig zijn. Dat zou indruisen tegen de strekking en het doel van de verordening, die de sector van de distributie van motorvoertuigen niet wil harmoniseren of met dwingende normen reglementeren, maar enkel de voorwaarden wil bepalen, waaronder sommige in beginsel onrechtmatige mededingingsbeperkende overeenkomsten bij uitzondering ( 10 ) toelaatbaar kunnen worden geacht.
33.
Met andere woorden, de verordening beperkt zich ertoe —via het rechtsinstrument van een groepsvrijstelling, die in casu veeleer een vrijstelling is voor een sector van economische activiteit— de nietigheid op te heffen van bepaalde afzetovereenkomsten tussen automobielfabrikanten en dealers, die als zodanig nietig zouden zijn omdat zij indruisen tegen de vrije mededinging. Zij heeft evenwel niet tot doel alle marktdeelnemers van de sector dwingende gedragsnormen op te leggen.
34.
Dienaangaande verklaarde het Hof in het arrest van 18 december 1986, VAG France ( 11 )
„dat verordening nr. 123/85, als uitvoeringsverordening van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, de ondernemingen in de automobielsector enkel zekere mogelijkheden biedt om, ondanks het feit dat in hun afzet- en klantenserviceovereenkomsten bepaalde types exclusiviteitsclausules en concurrentieverboden voorkomen, voor deze bepalingen te ontkomen aan het verbod van artikel 85, lid 1. Verordening nr. 123/85 houdt voor de ondernemingen evenwel geen verplichting in om van deze mogelijkheden gebruik te maken. Evenmin wijzigt zij de inhoud van zulk een overeenkomst of brengt zij de nietigheid ervan teweeg wanneer niet aan alle voorwaarden van de verordening is voldaan.”
en
„dat verordening nr. 123/85 (...) geen dwingende voorschriften bevat die rechtstreeks van invloed zijn op de geldigheid of de inhoud van contractuele bepalingen of die de contractpartijen verplichten de inhoud van hun overeenkomsten eraan aan te passen; dat zij enkel voorwaarden vaststelt die, zo zij worden nagekomen, bepaalde contractuele bepalingen onttrekken aan het verbod en, bijgevolg, aan de nietigheid van rechtswege ingevolge artikel 85, leden 1 en 2, EEG-Verdrag (...)”
35.
Op grond van deze overwegingen is het duidelijk, dat vanuit het oogpunt van de verordening niets kan worden ingebracht tegen een onderneming die geen deel uitmaakt van een „officieel” distributienet en die zich voor eigen rekening bezighoudt met de koop en de verkoop van zowel nieuwe als tweedehands motorvoertuigen.
36.
Zoals door sommige partijen tijdens de behandeling van deze zaak is gesteld, maakt deze conclusie het overbodig dat het Hof van Justitie de begrippen „nieuw voertuig” en „gebruikt voertuig” definieert, zoals de verwijzende rechter vraagt. Vanuit het oogpunt van de verordening vertoont de activiteit van de onafhankelijke handelaar bij beide soorten voertuigen immers dezelfde kenmerken, zonder dat het feit of het om een nieuw dan wel een gebruikt voertuig gaat, van invloed is op de mogelijkheid dat deze voertuigen worden verkocht door marktdeelnemers die geen deel uitmaken van het net.
De parallelimport door lasthebbers en wederverkopers
37.
De verwijzende rechter noch verzoeksters lijken eraan te twijfelen, dat de invoer uit andere Lid-Staten door onafhankelijke handelaars in beginsel geoorloofd is. Met andere woorden, de geldigheid van parallelimport als zodanig is niet in geding, maar enkel de mogelijkheid dat de parallelimporteur tegelijkertijd lasthebber en wederverkoper van voertuigen is.
38.
De overwegingen betreffende de positie van de onafhankelijke marktdeelnemers leveren het uitgangspunt voor het antwoord op deze laatste vraag. De onafhankelijke handelaar, die geen deel uitmaakt van het net, is immers niet gebonden door overeenkomsten die derden zijn aangegaan, zodat de relaties of overeenkomsten tussen de fabrikanten en hun dealers hem niet raken. Derhalve kan hij alle soorten voertuigen (nieuw of gebruikt, gekocht in eigen land of ingevoerd) kopen en verkopen zonder andere beperkingen dan die welke door zijn eigen rechtsorde worden opgelegd, en zonder dat de vrije verkoop hem in beginsel belet tegelijkertijd de activiteit van door de eindgebruikers of-kopers gevolmachtigd tussenpersoon uit te oefenen.
39.
Stellig heeft de activiteit van gevolmachtigd tussenpersoon in de verordening evenwel een zeer precieze betekenis. Daarom, en om de verwijzende rechter een zo nuttig mogelijk antwoord te geven, moet worden onderzocht in hoeverre de wens van de onafhankelijke handelaar om de activiteiten van wederverkoper en van tussenpersoon te cumuleren, kan worden gefnuikt ten gevolge van het optreden van fabrikanten of dealers die weigeren hem als zodanig te erkennen.
40.
Daarover moet in de eerste plaats het algemene kader van de inroepbaarheid van dealerovereenkomsten jegens derden worden onderzocht, en in de tweede plaats worden vastgesteld onder welke voorwaarden een tussenpersoon zijn activiteiten moet uitoefenen en derhalve door de ondernemingen die deel uitmaken van het distributienet, niet rechtmatig kan worden afgewezen.
41.
Uit het algemene oogpunt van de verordening heb ik reeds opgemerkt, dat de afzetovereenkomsten tussen automobielfabrikanten en „officiële” dealers of distributeurs van geen enkele invloed zijn op en niet kunnen worden ingeroepen tegen de uitoefening van een activiteit als de hoger bedoelde. Deze vrije inkoop- en verkoopactiviteit kan niet worden verboden krachtens de verordening, daar deze geen dwingende normen voorschrijft voor de wijze waarop buiten de overeenkomsten staande ondernemingen concurreren, maar slechts bepaalde mededingingsbeperkende handelingen van de partijen bij deze overeenkomsten van de nietigheid ontheft.
42.
Dat betekent evenwel niet, dat de afzetovereenkomsten tussen automobielfabrikanten en dealers elke werking jegens derden ontberen: zij hebben deze werking in een specifieke zin, zoals de mogelijkheid om die overeenkomsten in te roepen om aan andere ondernemingen die geen deel uitmaken van het erkende distributienet de levering van voertuigen, onderdelen of wisselstukken te weigeren. Het zou dan gaan om een rechtmatige weigering, voor zover de verordening een uitzonderingsbehandeling toestaat voor die praktijk, die op zich indruist tegen de regels van de vrije mededinging.
43.
Het Hof heeft erkend dat de weigering om aan ondernemingen die geen deel uitmaken van het distributienet, goederen en zelfs diensten, zoals garantie, te leveren, rechtmatig is. In het arrest van 13 januari 1994, Cartier ( 12 ), verklaarde het:\
„In dit verband zij erop gewezen dat een contractuele verbintenis om de garantie te beperken tot de handelaren die tot het net behoren, en geen garantie te verlenen voor goederen die door outsiders zijn afgezet, hetzelfde gevolg en dezelfde uitwerking heeft als contractuele bepalingen waarbij de verkoop aan leden van het net wordt voorbehouden. Evenals deze contractuele bepalingen is de garantiebeperking een middel voor de fabrikant om te voorkomen dat outsiders produkten waarop het systeem betrekking heeft, verkopen.
Wanneer echter de contractuele bepalingen waarbij de fabrikant zich verbindt om alleen via de erkende distributeurs te verkopen en de erkende distributeurs zich op hun beurt verbinden om alleen aan andere erkende distributeurs of aan de consument te verkopen, geoorloofd zijn, is er geen reden om voor de contractuele beperking van de garantie tot via erkende distributeurs verkochte produkten strengere maatstaven aan te leggen (...)”
44.
De rechtmatigheid van een dergelijke weigering is dus een eerste belangrijk gevolg voor derden van overeenkomsten tussen fabrikanten en erkende dealers in de automobielsector, daar deze laatste twee groepen krachtens de verordening het recht hebben die overeenkomsten te gebruiken als verdedigingsmechanisme van hun distributienet.
45.
Als rechtstreeks gevolg daarvan —bij wijze van keerzijde van hetzelfde juridische fenomeen — strekt de werking jegens derden zich ook uit tot de mogelijkheid om deze overeenkomsten in te roepen als geldig verweermiddel tegen beschuldigingen van derden, wanneer de partijen bij de overeenkomst een beperking van de mededinging proberen ten laste te leggen. Dat zou het „defensieve” aspect van de werking van overeenkomsten zijn, waardoor zij kunnen worden ingeroepen tegen ondernemingen die geen deel uitmaken van het distributienet en die als wederverkopers vrije toegang tot de produkten van het net beweren te hebben.
46.
Dit gevolg is uitdrukkelijk in aanmerking genomen in het arrest van 11 december 1980, L'Oréal ( 13 ), waarin het Hof juist de inroepbaarheid tegen derden van door de Commissie krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag verleende ontheffingen onderzocht. Het Hof verklaarde in dat arrest:
„dat een ontheffingsbeschikking krachtens artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag rechten doet ontstaan in die zin, dat partijen bij de daarin beoordeelde mededingingsregeling zich op die beschikking kunnen beroepen tegenover derden die op basis van artikel 85, lid 2, de nietigheid van de betrokken mededingingsregeling stellen”.
47.
Kortom, de door de partijen krachtens de verordening gesloten afzetovereenkomsten rechtvaardigen tegenover derden de weigering van de partijen bij die overeenk omsten om aan andere ondernemingen buiten het distributienet contractgoederen of -diensten te leveren; zij kunnen eveneens als grondslag dienen voor het verweer van de partijen tegen vorderingen of klachten van derden die krachtens het algemene beginsel van vrije mededinging de nietigheid van die overeenkomsten stellen. Zij kunnen evenwel niet als toereikend motief worden aangevoerd om aan derden buiten het distributienet de uitoefening van de onafhankelijke activiteit van de verhandeling van nieuwe voertuigen buiten het net te verbieden.
48.
Geldig zijn volgens de verordening de verbintenissen van de dealers om hun motorvoertuigen niet te verkopen aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, behalve indien zij de tussenpersoon daarvoor een volmacht hebben gegeven (artikel 3, sub 11). In dit laatste geval, dus wanneer de tussenpersoon een schriftelijke volmacht toont die hij heeft gekregen van de eigenlijke koper, mag de dealer niet weigeren hem het voertuig te verkopen. Niets in de verordening belet dat de beroepsactiviteit van de tussenpersoon (die de Mant via een bemiddelingsovereenkomst verbindt met de dealer) wordt gecumuleerd met de, eveneens beroepsmatige, activiteit van de wederverkoop van motorvoertuigen.
49.
De enige voorwaarde die kan worden gesteld om deze onafhankelijke activiteit en die van door een koper gevolmachtigd tussenpersoon rechtmatig te cumuleren, is dat de betrokken onderneming haar potentiële klanten niet in verwarring brengt door de verkeerde indruk te wekken dat zij deel uitmaakt van een officieel distributienet, of door hen de verschillen tussen haar dubbele hoedanigheid van onafhankelijk wederverkoper en gevolmachtigd tussenpersoon te verhelen. Logischerwijze dient de nationale rechter uit te maken, of er in een specifiek geval in feite sprake is van deze opzettelijke verwarring.
Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Tribunal de commerce de Lyon te beantwoorden als volgt:
„1)
Verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, staat niet eraan in de weg, dat ondernemingen die geen deel uitmaken van het distributienet, ook wanneer zij niet de hoedanigheid hebben van door de eindgebruikers ‚gevolmachtigd tussenpersoon’, vrij de activiteit uitoefenen van het als onafhankelijke kopen en verkopen van nieuwe of gebruikte motorvoertuigen buiten dat net.
2)
Deze verordening belet evenmin dat die ondernemingen hun activiteit als onafhankelijk wederverkoper cumuleren met die van door de eindgebruiker gevolmachtigd tussenpersoon, mits deze activiteiten zodanig worden uitgeoefend dat hun potentiële klanten niet in verwarring worden gebracht. In beide gevallen kunnen deze activiteiten vorden uitgeoefend met betrekking tot zowel in het eigen land gekochte motorvoertuigen als motorvoertuigen uit andere Lid-Staten.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 1 ) Oorspronkelijk waren er drie afzonderlijke burgerlijke vorderingen aanhangig gemaakt tegen de verweerders, maar de verwijzende rechter heeft deze op hetzelfde tijdstip waarop hij de prejudiciële vraag stelde, gevoegd.
( 2 ) Hij is voor het Tribunal de commerce de Lyon verschenen als een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, zonder dat verzoeksters daartegen bezwaar hebben gemaakt.
( 3 ) PB 1985, L 15, blz. 16.
( 4 ) PB 1991, C 329, blz. 20.
( 5 ) Verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 betreffende de toepassing van artikel 85, Hd 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 1965, blz. 533).
( 6 ) Verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1995, L 145, blz. 25).
( 7 ) 85/C 17/03, PB 1984, C 17, blz. 4.
( 8 ) ZaakT-9/92, Peugeot, Jurispr. 1993, blz. II-493.
( 9 ) Zaak C-322/93 P, Jurispr. 1994, blz. I-2727, r. o. 32 en 34.
( 10 ) Zie met betrekking tot de noodzaak om de in de verordening voorziene uitzonderingen niet ruim uit te leggen de arresten van 24 oktober 1995 (zaak C-266/93, Volkswagen en VAG Leasing, Jurispr. 1995, blz. I-3477, en zaak C-70/93, Bayerische Motorenwerke, Jurispr, 1995, blz. I-3439).
( 11 ) Zaak 10/86, Jurispr. 1936, blz. 4071, r. o. 12 en 16.
( 12 ) Zaak C-376/92, Jurispr. 1994, blz. I-15, r. o. 32 en 33.
( 13 ) Zaak 31/80, Jurispr. 1980, blz. 3775, r. o. 23.
Full & Egal Universal Law Academy