Conclusie van de advocaat generaal
1 De onderhavige zaken hebben betrekking op de strafvervolging die tegen vier personen in Frankrijk is ingesteld wegens de verhandeling van verscheidene varkensvleesproducten op de etikettering waarvan "montagne" of "Monts de Lacaune" vermeld stond. Volgens de Franse autoriteiten beschikten de verdachten niet over de vergunning die naar Frans recht voor het gebruik van dergelijke aanduidingen vereist is. De strafkamer van de Franse Cour de cassation wil weten, of een dergelijk vereiste in strijd is met verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen(1) (hierna: "oorsprongsverordening" of "verordening"), of met artikel 30 EG-Verdrag. Er zijn geen vragen opgeworpen over richtlijn 83/189/EEG inzake de mededeling van normen en technische voorschriften(2), noch over richtlijn 79/112/EEG inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame.(3)
De feiten en de toepasselijke bepalingen
2 Blijkens de verwijzingsarresten gaat het in alle vier zaken om Franse onderdanen en Franse producten. De Franse regering bevestigt, dat de vier verdachten in de hoofdgedingen - de heren Pistre, Milhau en Oberti en mevrouw Barthes - allen de Franse nationaliteit hebben, dat zij de leiding hebben over te Lacaune (Frankrijk) gevestigde bedrijven en dat de betrokken producten door die bedrijven in Frankrijk worden vervaardigd en uitsluitend op Frans grondgebied worden verhandeld.
3 De producten waarom het gaat, zijn gekookte vleeswaren. Zij worden onder verschillende benamingen verhandeld, die alle op een of andere manier het woord "montagne" bevatten of naar een berggebied verwijzen, bijvoorbeeld "saucisson de montagne pur porc (...) séché à la montagne" en "saucisson Monts de Lacaune". Alle vier verdachten staan in Frankrijk terecht wegens het feit dat zij de producten in 1991 op de markt hebben gebracht zonder te beschikken over de vergunning die naar Frans recht voor het gebruik van die aanduidingen vereist is.
4 De relevante nationale bepalingen zijn de artikelen 11 en 13 van de wet van 1 augustus 1905(4); artikel 3 van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984 (hierna: "decreet nr. 84-1147")(5); wet nr. 85-30 van 9 januari 1985 betreffende de ontwikkeling en bescherming van het gebergte (hierna: "wet nr. 85-30")(6), en decreet nr. 88-194 van 26 februari 1988 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder voor landbouwproducten en levensmiddelen de herkomstaanduiding "montagne" mag worden gebruikt (hierna: "decreet nr. 88-194").(7) Ten tijde van de ten laste gelegde feiten hield die wetgeving het volgende in.
5 Artikel 3 van decreet nr. 84-1147 bepaalde onder meer, dat de etikettering van levensmiddelen niet van dien aard mocht zijn, dat de koper of consument kon worden misleid ten aanzien van, in het bijzonder, de kenmerken van het levensmiddel, en meer bepaald van de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, conservering, oorsprong of herkomst, en wijze van vervaardiging of verkrijging.
6 Bij wet nr. 85-30 en decreet nr. 88-194 werd een vergunningenstelsel ingevoerd voor producten met de herkomstaanduiding "montagne". Artikel 3 van wet nr. 85-30 bevatte een nadere omschrijving van het begrip berggebied. Het bepaalde, kort gezegd, dat dergelijke gebieden worden gekenmerkt door belangrijke nadelen als gevolg van zeer moeilijke klimatologische omstandigheden en/of het feit dat de aanwezigheid van steile hellingen de bewerking van het land moeilijker maakt. Het preciseerde tevens, dat elk gebied bij interministerieel besluit moest worden afgebakend. In artikel 4 werden de berggebieden in de Franse overzeese departementen afgebakend op basis van hun hoogte of de steilte van hun hellingen.
7 Artikel 5 bepaalde, dat in het Franse moederland elk berggebied en de daaraan rechtstreeks grenzende gebieden die met dat gebied één geografische, economische en sociale eenheid vormden, als een massief werden aangemerkt. Het somde de massieven op als "Alpes du Nord, Alpes du Sud, Corse, Massif central, Massif jurassien, Pyrénées et Massif vosgien". Elk massief moest bij decreet worden afgebakend.
8 Artikel 34 bepaalde, kort gezegd, dat de herkomstaanduiding "montagne" en de specifieke geografische verwijzingen naar berggebieden beschermd waren. Voor alle op de markt gebrachte producten gold, dat die aanduiding en die verwijzingen slechts mochten worden gebruikt onder bij decreet vastgestelde voorwaarden. In dat decreet moesten met name de productiemethoden, de productieplaats en de herkomst van de grondstoffen worden vastgelegd.
9 Ter uitvoering van wet nr. 85-30 werd decreet nr. 88-194 vastgesteld. In artikel 2 van dat decreet was als algemene regel geformuleerd, dat de verschillende fasen van het productieproces in de berggebieden moesten geschieden en dat de grondstoffen uit die gebieden afkomstig moesten zijn. Artikel 3 stond echter bepaalde uitzonderingen toe op de verplichting, het productieproces in zijn geheel aldaar te laten verlopen. Zo mochten de grondstoffen afkomstig zijn van buiten het geografische gebied, indien zij om redenen van natuurlijke aard niet in dat gebied werden geproduceerd. Artikel 4 bepaalde, kort gezegd, dat de producten moesten worden vervaardigd overeenkomstig de procédés die waren vastgesteld bij gezamenlijke besluiten van de minister van Landbouw en de minister belast met consumentenaangelegenheden, na raadpleging van de nationale commissie voor etikettering en van de regionale commissies voor kwaliteitslevensmiddelen. Voor gekookt vlees moest in die besluiten het volgende worden gespecificeerd: de keuze van de grondstoffen; de wijze van snijden, uitbenen, hakken en toebereiden; de wijze van zouten, drogen of roken; de mengverhouding van de ingrediënten en de kookmethode.
10 Artikel 5 bepaalde, dat de vergunning voor het gebruik van de aanduiding "provenance montagne" of van enige andere specifieke geografische verwijzing naar berggebieden werd afgegeven bij gezamenlijk besluit van de minister van Landbouw en de minister belast met consumentenaangelegenheden, na raadpleging van de regionale commissie voor kwaliteitslevensmiddelen. Bovendien moest volgens deze bepaling degene aan wie de vergunning werd verleend, op zijn producten een door de minister van Landbouw bepaald onderscheidend teken aanbrengen.
11 De Franse regering erkent, dat deze wetgeving in theorie op ingevoerde producten kon worden toegepast; in de praktijk zou dit echter nooit zijn gebeurd.
De procedures voor de nationale rechterlijke instanties
12 De verdachten werden voor het Tribunal de police de Castres aangeklaagd wegens de verhandeling van producten met een etikettering "waardoor de koper of consument kan worden misleid ten aanzien van, in het bijzonder, de kenmerken van het product, en meer bepaald van (...) de hoedanigheden, zulks in strijd met artikel 3 van decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984 inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen"(8), en met wet nr. 85-30 en decreet nr. 88-194. Het Tribunal de police achtte de strafvervolging ongegrond. Van oordeel, dat het vereiste van een vergunning voor het gebruik van de herkomstaanduiding "montagne" een met de artikelen 3, 5 en 30 van het Verdrag strijdige maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking was, en wegens het gevaar van omgekeerde discriminatie ook niet ten aanzien van nationale producten kon worden toegepast, ontsloeg het de verdachten van rechtsvervolging. Op beroep van het Openbaar ministerie oordeelde de Cour d'appel de Toulouse evenwel, dat de in geding zijnde bepalingen, ofschoon zij het gebruik van de herkomstaanduiding "montagne" voorbehielden aan bepaalde nationale producten, ondanks het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen nationale en ingevoerde producten, de invoer niet belemmerden. De Cour d'appel concludeerde dan ook, dat het argument inzake het gevaar van omgekeerde discriminatie ongegrond was.
13 De verdachten wendden zich daarop tot de Cour de cassation. Volgens deze rechterlijke instantie heeft de Cour d'appel ten onrechte geoordeeld, dat er geen sprake is van strijd met artikel 30 van het Verdrag: a) in de eerste plaats heeft de Cour d'appel vastgesteld, dat de Franse regeling ertoe strekt, de producenten tegen oneerlijke concurrentie en de consumenten tegen mogelijk misleidende aanduidingen te beschermen, zonder te onderzoeken, of dit doel niet kan worden bereikt door controle op de juistheid van de etikettering; b) in de tweede plaats verbiedt het Verdrag de Lid-Staten, te discrimineren ten nadele van ingevoerde producten, terwijl de Cour d'appel met zoveel woorden heeft erkend, dat de betrokken regeling een dergelijke discriminatie behelst. De Cour de cassation heeft ook opgemerkt, dat de oorsprongsverordening, die op 26 juli 1993 in werking is getreden, voorziet in een speciale procedure voor communautaire goedkeuring van bestaande geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen. Zij vraagt zich af, of wet nr. 85-30 en decreet nr. 88-194 met deze verordening verenigbaar zijn, nu de voorwaarden voor bescherming overeenkomstig de verordening kennelijk restrictiever zijn dan die voor de afgifte van een Franse vergunning.
14 Derhalve heeft de Cour de cassation het Hof de volgende vraag voorgelegd: "Staan de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag juncto artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 in de weg aan de toepassing van een nationale wettelijke regeling als die van wet nr. 85-30 van 9 januari 1985 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde decreet nr. 88-194 van 26 februari 1988?"
De oorsprongsverordening
15 Met de op artikel 43 van het Verdrag gebaseerde oorsprongsverordening moeten, zoals uit de considerans ervan blijkt, bijzondere bepalingen worden vastgesteld ter aanvulling van richtlijn 79/112, die betrekking heeft op de etikettering en presentatie van levensmiddelen, alsmede de daarvoor gemaakte reclame.(9) Die richtlijn harmoniseert de voorschriften op het gebied van etikettering, teneinde het vrije verkeer van levensmiddelen tussen de Lid-Staten te vergemakkelijken. De Lid-Staten mogen de handel in producten die beantwoorden aan de voorschriften van de richtlijn, niet verbieden, behoudens bepaalde uitzonderingen, waaronder de bescherming van herkomstaanduidingen en geregistreerde oorsprongsbenamingen (artikel 15). Zij dienen echter regels vast te stellen om misleidende informatie tegen te gaan, daaronder begrepen informatie over de oorsprong of herkomst (artikel 2). Vóór de vaststelling van de oorsprongsverordening werden oorsprongsbenamingen en herkomstaanduidingen niet door het gemeenschapsrecht beheerst; ter bescherming van dergelijke benamingen of aanduidingen konden importen worden uitgesloten, met als enige voorbehoud de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.
16 Zoals uit artikel 2, lid 1, van de oorsprongsverordening blijkt, is het voornaamste doel van deze regeling, op het niveau van de Gemeenschap een registratiesysteem in te voeren voor de "communautaire bescherming van oorsprongsbenamingen en van geografische aanduidingen van produkten".
17 Artikel 2, lid 2, geeft een algemene definitie van de begrippen "oorsprongsbenaming" en "geografische aanduiding" in de zin van de verordening(10):
"a) $oorsprongsbenaming': de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwprodukt of levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
- waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de produktie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden;
b) $geografische aanduiding': de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwprodukt of levensmiddel:
- dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
- waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de produktie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden."
18 Artikel 5, lid 1, bepaalt, wie een registratieaanvraag kan indienen:
"Alleen groeperingen of, onder bepaalde volgens de procedure van artikel 15 vast te stellen voorwaarden, natuurlijke of rechtspersonen zijn gerechtigd een registratieaanvraag in te dienen.
Onder $groepering' wordt in dit artikel verstaan elke organisatie, ongeacht haar rechtsvorm of samenstelling, van bij hetzelfde landbouwprodukt of hetzelfde levensmiddel betrokken producenten en/of verwerkers. Andere betrokken partijen mogen van de groepering deel uitmaken."
19 Volgens artikel 1 van de door de Commissie vastgestelde toepassingsverordening(11) mag echter in "uitzonderlijke, behoorlijk gerechtvaardigde gevallen (...) de registratieaanvraag (...) door een (...) natuurlijke of rechtspersoon worden ingediend wanneer deze persoon bij de indiening van de aanvraag de enige is die het betrokken produkt in dat afgebakende geografische gebied produceert".
20 Registratieaanvragen worden via de Lid-Staten bij de Commissie ingediend.(12) Indien de Commissie van oordeel is, dat een aangemelde naam voor bescherming in aanmerking komt, worden bijzonderheden betreffende de aanvraag bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.(13) Elke Lid-Staat en elke "wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon" kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen.(14) Er zijn gedetailleerde regels voor de na ontvangst van een bezwaarschrift te volgen procedure.(15)
21 Ingevolge artikel 8 van de oorsprongsverordening mogen de vermeldingen "BOB" [beschermde oorsprongsbenaming], "BGA" [beschermde geografische aanduiding] of de gelijkwaardige nationale traditionele vermeldingen alleen voorkomen op landbouwproducten en levensmiddelen die aan de vereisten van de verordening voldoen.
22 De aard van de bescherming die registratie overeenkomstig de verordening biedt, blijkt uit artikel 13, lid 1. Hierin is onder meer bepaald:
"Geregistreerde benamingen zijn beschermd tegen:
a) elk rechtstreeks of onrechtstreeks gebruik door de handel van een geregistreerde benaming voor produkten die niet onder de registratie vallen, voor zover deze produkten vergelijkbaar zijn met de onder deze benaming geregistreerde produkten of voor zover het gebruik van de benaming betekent dat wordt geprofiteerd van de reputatie van deze beschermde benaming;
b) elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het produkt is aangegeven of indien de beschermde benaming is vertaald, of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals $soort', $type', $methode', $op de wijze van', $imitatie', en dergelijke;
c) elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het produkt op de binnen- of buitenverpakking, in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken produkt, alsmede het gebruik van een recipiënt die tot misverstanden over de oorsprong van het produkt aanleiding kan geven;
d) elke andere praktijk die het publiek ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het produkt kan misleiden.
(...)"
23 Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de verordening moesten de Lid-Staten binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening aan de Commissie meedelen, welke van hun wettelijk beschermde benamingen of, in de Lid-Staten waar geen beschermingssysteem bestaat, welke van hun door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij krachtens de verordening wilden laten registreren. Volgens artikel 17, lid 3, kunnen "de Lid-Staten de nationale bescherming van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde benamingen handhaven totdat een besluit over de registratie is genomen".
24 De verordening is op 26 juli 1993 in werking getreden.
25 Er zijn drie redenen denkbaar waarom de verordening niet aan de toepassing van de betrokken Franse bepalingen in de weg zou staan:
- ten eerste: de verordening is pas op 26 juli 1993 in werking getreden, dat wil zeggen nadat de ten laste gelegde strafbare feiten waren begaan;
- ten tweede: de verordening voorziet, zoals de Italiaanse regering betoogt, slechts in een facultatief aanvullend beschermingssysteem op het niveau van de Gemeenschap, zodat het de Lid-Staten niet is verboden, nationale maatregelen vast te stellen of te handhaven;
- ten derde: de Franse wettelijke regeling valt buiten de materiële werkingssfeer van de verordening.
26 De toepasselijkheid van de verordening kan niet worden uitgesloten met het enkele argument, dat zij ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet van kracht was. Het is namelijk mogelijk, dat in het Franse recht het beginsel van de terugwerkende kracht van de gunstigste strafwet geldt. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft de Franse regering bevestigd, dat dit inderdaad een beginsel van het Franse recht is.(16) Zij heeft erop gewezen, dat de inwerkingtreding van de verordening dezelfde effecten zou hebben als de invoering van mildere strafbepalingen, indien als gevolg van die inwerkingtreding wet nr. 85-30 en decreet nr. 88-194 onverenigbaar met het gemeenschapsrecht werden. Het is derhalve noodzakelijk, het effect van de verordening te onderzoeken.(17)
27 Met betrekking tot het tweede punt, betreffende het beweerde recht op handhaving van nationale bescherming, is artikel 17 van de oorsprongsverordening van belang. Zoals ik in punt 23 van deze conclusie al zei, bepaalt dit artikel, dat de Lid-Staten binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening de registratie van nationaal beschermde benamingen dienen aan te vragen, en dat de nationale bescherming kan worden gehandhaafd totdat een besluit over de registratie is genomen. De Commissie lijkt hieruit af te leiden, dat de verordening geen ruimte voor nationale maatregelen laat. In haar mededeling betreffende de toepassing van de verordening(18) stelt zij: "De op nationaal niveau beschermde benamingen die niet binnen de termijn van zes maanden worden meegedeeld, en de benamingen die wel zijn meegedeeld maar waarvan de registratie wordt geweigerd, zullen niet langer beschermd zijn." De Italiaanse regering beweert echter het tegendeel. In één commentaar wordt verdedigd, dat "de verhouding tussen de verordening en de nationale bescherming van geografische aanduidingen in de verordening niet wordt geregeld en dat dit dus een open vraag blijft".(19)
28 Ik geloof echter niet, dat deze kwestie voor de oplossing van de onderhavige zaken behoeft te worden beslist; ik zou alleen willen stellen, dat de verordening niet automatisch de ongeldigheid tot gevolg heeft van elke soort geografische benaming die niet onder de in de verordening gegeven definities van "oorsprongsbenaming" en "geografische aanduiding" valt. Volgens mij is het duidelijk - en dat is ook de opvatting van de Franse regering en de Commissie - dat de Franse regeling niet binnen de materiële werkingssfeer van de verordening valt, daar de benamingen waarvan zij het gebruik regelt, onder geen van beide definities vallen.
29 De aanduidingen "montagne" en "provenance montagne" hebben een volledig algemeen karakter. Zij kunnen daarom niet in verband worden gebracht met een bepaald gebied [in de woorden van de verordening, "een streek, (...) een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, (...) een land"]. Bovendien kunnen die aanduidingen volgens de Franse wettelijke regeling worden gebruikt voor allerlei soorten landbouwproducten en levensmiddelen. Decreet nr. 88-194 is van toepassing op alle soorten vleesproducten, alle soorten zuivelproducten, alcoholische dranken, fruit, groenten en planten, en honing. De vergunningen worden weliswaar afgegeven voor specifieke producten, maar de aanduiding "montagne" of "provenance montagne" blijft algemeen. Het is dus een heel ander soort aanduiding dan die waarom het in de oorsprongsverordening gaat, zoals een blik op de eerste lijst van overeenkomstig de oorsprongsverordening geregistreerde benamingen laat zien.(20) Deze zijn stuk voor stuk zeer specifiek, zoals - om maar een paar willekeurige voorbeelden te noemen - Orkney beef (Verenigd Koninkrijk), jambon d'Ardennes (België), Roquefort (Frankrijk) en Jersey Royal potatoes (Verenigd Koninkrijk). De aanduiding "montagne" zou, ook al werd zij gebruikt voor specifieke categorieën producten, in een dergelijke lijst beslist niet thuishoren.
30 Zoals de Commissie en de Franse regering aanvoeren, lijkt de Franse regeling meer weg te hebben van een maatregel op het gebied van kwaliteitscontrole dan van een maatregel die betrekking heeft op de oorsprong in de traditionele zin van het woord. Het is waar, dat "Monts de Lacaune" de naam van een bepaald berggebied is en dat deze aanduiding dus overeenkomstig de verordening zou kunnen worden geregistreerd, indien tussen de kenmerken van een bepaald product en dat gebied het door de verordening vereiste verband bestond.(21) Het bestaan van een dergelijk verband is echter geen voorwaarde voor de verkrijging van een vergunning voor het gebruik van die aanduiding overeenkomstig de Franse wettelijke regeling. De aanduiding "Monts de Lacaune" lijkt inderdaad niet als zodanig beschermd te zijn, doch enkel voor zover zij suggereert, dat het betrokken product uit de bergen afkomstig is.
31 Ik kom dan ook tot de slotsom, dat de oorsprongsverordening in casu niet van toepassing is.
Artikel 30
32 De nationale rechter vraagt ook, of de in de onderhavige zaken in geding zijnde wettelijke regeling in strijd is met artikel 30 van het Verdrag. Volgens de Franse regering is die regeling in theorie wel op ingevoerde producten van toepassing, doch wordt zij in de praktijk nooit als zodanig toegepast. De Commissie betoogt, dat de regeling zo in elkaar zit, dat de benodigde vergunningen onmogelijk kunnen worden verkregen voor producten die niet van Franse oorsprong zijn. Zij wijst erop, dat het feit dat een wet in strijd is met het gemeenschapsrecht, niet ongedaan kan worden gemaakt door een eenvoudige administratieve praktijk.
33 Ik wijs er echter al meteen op, dat de feiten van de onderhavige zaken volledig tot het nationale grondgebied beperkt lijken te zijn. In alle vier zaken wordt een Frans onderdaan strafrechtelijk vervolgd wegens het niet-beschikken over de vereiste vergunning met betrekking tot in Frankrijk geproduceerde en uitsluitend op Frans grondgebied verhandelde producten. Zoals de Franse regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, is er geen enkele aanwijzing voor, dat één of meer van de ingrediënten uit andere Lid-Staten worden ingevoerd. Volgens vaste rechtspraak is er in zuiver interne situaties geen sprake van schending van artikel 30. Zo overwoog het Hof in het arrest Waterkeyn(22), dat zijn eerdere uitspraak in de zaak Commissie/Frankrijk(23), volgens welke een Franse wet in strijd was met artikel 30, enkel gold voor zover die wet van toepassing was op ingevoerde producten, en dat artikel 30 de wet onberoerd liet, voor zover deze nationale producten betrof. Zo ook verklaarde het in de zaak Oosthoek's Uitgeversmaatschappij(24), waarin het ging om encyclopedieën waarvan sommige in Nederland door Oosthoek werden samengesteld en geproduceerd, en andere in België door een zusteronderneming van Oosthoek, dat "de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling op de verkoop in Nederland van aldaar geproduceerde encyclopedieën, (...) geen verband houdt met de invoer of uitvoer van de goederen en dus niet onder de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag valt. Ingeval van verkoop in Nederland van in België geproduceerde encyclopedieën en verkoop in andere Lid-Staten van in Nederland geproduceerde encyclopedieën is er echter sprake van intracommunautaire handelstransacties."(25)
34 Aangezien het in de onderhavige zaken uitsluitend om nationale producten gaat, moet worden nagegaan, of het Hof de vraag betreffende artikel 30 moet beantwoorden, voor zover van toepassing op importen. Het is duidelijk, dat het Hof kan en moet beslissen, dat artikel 30 niet van toepassing is op situaties die zuiver intern zijn, in die zin dat zij enkel betrekking hebben op nationale, in het binnenland verhandelde producten. De vraag van de verwijzende rechter is echter in algemene termen geformuleerd en niet uitdrukkelijk beperkt tot de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaken. Het zou het Hof derhalve vrijstaan, bij zijn beantwoording op soortgelijke wijze te werk te gaan als het in de zaken Waterkeyn en Ooksthoek's Uitgeversmaatschappij heeft gedaan, dat wil zeggen de toepassing van artikel 30 met betrekking tot zowel nationale als ingevoerde producten te onderzoeken. Echter, anders dan in die zaken het geval was, wordt in casu geen van de betrokken producten geïmporteerd. De thans gestelde vraag lijkt te zijn ingegeven door de voor de nationale rechter bestaande noodzaak, een oordeel uit te spreken over het door de verdachten aangevoerde argument betreffende omgekeerde discriminatie; dat wil zeggen over hun stelling dat, indien de nationale wet niet ten aanzien van ingevoerde producten kan worden toegepast wegens onverenigbaarheid met artikel 30, hetzelfde zou moeten gelden voor nationale producten, omdat deze anders slechter af zouden zijn dan ingevoerde producten.
35 Het is duidelijk, dat het gemeenschapsrecht een dergelijke omgekeerde discriminatie niet verbiedt. Zoals het Hof in het arrest Mathot(26) heeft verklaard, vindt het gemeenschapsrecht geen toepassing, wanneer een Lid-Staat in een sector waarin geen gemeenschapsregeling geldt noch een harmonisatie van nationale wetgevingen tot stand is gebracht, nationale producten ongunstiger behandelt dan ingevoerde producten. Het is echter mogelijk, dat het door de verdachten voor de nationale rechter aangevoerde argument gebaseerd is op een beginsel van nationaal recht, dat omgekeerde discriminatie verbiedt. Ofschoon de verwijzende rechter niet zegt, waarop het argument inzake omgekeerde discriminatie gebaseerd is, lijkt dit beginsel te zijn geformuleerd in een eerdere uitspraak van de strafkamer van de Cour de cassation zelf.(27) De vraag rijst dan, of het Hof uitspraak moet doen, wanneer de verdragsbepaling slechts indirect kan worden toegepast en het een zuiver interne situatie betreft.
36 In de zaak Smanor(28) achtte het Hof zich bevoegd een uitspraak te doen over de toepassing van artikel 30 ten aanzien van ingevoerde producten in omstandigheden die vergelijkbaar waren met die van de onderhavige zaken. Zoals het in rechtsoverweging 7 van zijn arrest vaststelde, had de Franse regering betoogd, dat de situatie die tot het hoofdgeding had geleid, niet onder artikel 30 van het Verdrag viel en dat de vraag over dat artikel derhalve niet behoefde te worden beantwoord. Hiertoe zou de Franse regering hebben aangevoerd, dat het in de betrokken zaak ging om de toepassing van Frans recht op een Franse vennootschap die op Frans grondgebied diepgevroren yoghurt vervaardigde en in de handel bracht. Het Hof achtte het evenwel niet uitgesloten, dat dergelijke producten in Frankrijk werden ingevoerd en dat de Franse wettelijke regeling erop van toepassing was.(29) Het overwoog: "Met betrekking tot de vraag of Smanor zich voor de nationale rechter met succes kan beroepen op de belemmering die de Franse regeling zou vormen voor de invoer van diepgevroren yoghurt, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, het in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag aan de nationale rechter staat om in het licht van de concrete feiten te beoordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk is voor zijn uitspraak."(30) Het Hof ging dan ook in op de vraag over artikel 30 en concludeerde, dat dit artikel aan een wettelijke regeling als de in geding zijnde in de weg stond, voor zover deze van toepassing was op uit andere Lid-Staten ingevoerde producten.
37 Het Hof lijkt ertoe geneigd te zijn, de beantwoording van vragen over artikel 30 alleen dan te weigeren op grond dat er sprake is van een zuiver interne situatie, wanneer de nationale bepaling uitsluitend nationale producten betreft en nimmer op ingevoerde producten van toepassing zou zijn.(31)
38 Mijns inziens zou het Hof echter moeten weigeren zich over de toepassing van artikel 30 ten aanzien van ingevoerde producten uit te spreken, wanneer uit de feiten duidelijk blijkt, dat een situatie volledig tot het nationale grondgebied beperkt is. Zoals advocaat-generaal Cosmas in zijn conclusie in de zaak Belgapom(32) zei, kan men stellen dat "de aanknopingsfactor opdat een bepaalde situatie binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt, moet worden gezocht in de herkomst van de produkten waarvan wordt gesteld, dat zij in dat bijzondere geval door een bepaalde nationale maatregel worden getroffen. Artikel 30 zou dus niet van toepassing zijn, wanneer de situatie die tot het geschil voor de nationale rechter heeft geleid, uitsluitend en alleen goederen betreft die zijn geproduceerd of vervaardigd in de Lid-Staat waarin zij in het verkeer zijn gebracht en waar het betrokken geschil is gerezen."(33)
39 Ik ben mij ervan bewust dat, zoals advocaat-generaal Elmer in zijn conclusie in de zaak CIA Security International(34) opmerkte, een product dikwijls uit een reeks onderdelen is samengesteld en dat zijn verschillende bestanddelen dus uit een aantal verschillende Lid-Staten afkomstig kunnen zijn, ook al is het in de betrokken Lid-Staat geassembleerd. Soms zal uit de verwijzingsbeschikking niet blijken, of de goederen in het binnenland vervaardigd dan wel ingevoerd zijn, laat staan waar hun bestanddelen vandaan komen. Wanneer echter, zoals in casu, niet wordt gesteld dat artikel 30 wordt geschonden wat de rechtstreeks in geding zijnde producten of hun bestanddelen betreft, doch enkel dat van schending van deze bepaling sprake zou kunnen zijn, voor zover de nationale maatregelen op andere, ingevoerde producten worden of zouden kunnen worden toegepast, dient het Hof volgens mij die situatie als zuiver intern te beschouwen en te beslissen, dat artikel 30 op die grond niet van toepassing is.
40 Dit lijkt mij bovendien ook dan de juiste benadering te zijn, wanneer over de relevantie van de gestelde vraag geen twijfel bestaat, bijvoorbeeld omdat de verwijzende rechter verklaart, dat een nationale bepaling omgekeerde discriminatie verbiedt. Zoals ik in mijn conclusie in de zaken Leur-Bloem en Giloy(35) te kennen gaf, acht ik het van belang, dat het Hof bij de uitoefening van zijn bevoegdheid krachtens artikel 177 van het Verdrag uitspraak doet in het kader van de feitelijke situatie van het geval. Het moge soms voor het Hof gemakkelijk lijken zich uit te spreken over een vraag van gemeenschapsrecht die, ofschoon uit een oogpunt van nationaal recht relevant, niet rechtstreeks uit de feiten van een bepaalde zaak voortvloeit: bijvoorbeeld in zaken als de onderhavige, waar de wettelijke regeling klaarblijkelijk met artikel 30 in strijd is, voor zover zij van toepassing is op uit andere Lid-Staten ingevoerde producten. Men zou het Hof zelfs een nodeloos gebrek aan medewerking kunnen verwijten, indien het de nationale rechter in dergelijke zaken niet te hulp kwam. Echter, om de in mijn conclusie in de zaken Leur-Bloem en Giloy uiteengezette redenen zal het dikwijls riskant zijn, een op het gemeenschapsrecht betrekking hebbende vraag buiten de gegeven context te beantwoorden. Het is evident dat, zelfs in zaken als de onderhavige, ingewikkelde vragen zouden kunnen rijzen. Gesteld bijvoorbeeld dat een Lid-Staat zou aanvoeren, dat een bepaalde herkomstaanduiding zou moeten worden beschermd tegen importen uit andere Lid-Staten. Dit zou ingewikkelde vragen kunnen doen rijzen, zoals: 1) valt de betrokken herkomstaanduiding binnen de werkingssfeer van de oorsprongsverordening; 2) zo ja, sluit de verordening een beroep op artikel 36 van het Verdrag uit, en 3) zou een beroep op artikel 36 hoe dan ook gerechtvaardigd zijn, gelet op de feiten van de zaak. Het lijkt mij duidelijk, dat dergelijke vragen enkel kunnen en moeten worden onderzocht in een feitelijke context waarin zij echt zijn gerezen.
41 Het is van belang, dat het Hof een consistente benadering volgt ten aanzien van de vraag, of het van zijn bevoegdheid gebruik zal maken. Het meest consequent zou zijn, beantwoording van een vraag van gemeenschapsrecht te weigeren in alle gevallen waarin de relevantie van de vraag wordt ingegeven door het feit dat het nationale recht gemeenschapsbepalingen heeft getransponeerd in een zuiver binnenlandse context waarin zij als zodanig niet van toepassing zijn. Het is daarbij niet van belang, of die transpositie heeft plaatsgevonden door middel van een specifieke nationale wettelijke regeling waarbij de werkingssfeer van de gemeenschapsbepalingen is overgenomen of uitgebreid, zoals in de zaken Leur-Bloem en Giloy, dan wel door middel van een algemene bepaling van nationaal recht waarbij omgekeerde discriminatie of oneerlijke concurrentie wordt verboden, zoals in casu het geval zou kunnen zijn.
42 Ik ben dan ook de mening toegedaan, dat het Hof moet weigeren een hypothetische vraag te beantwoorden en enkel dient te verklaren: "Artikel 30 van het Verdrag is niet van toepassing op een nationale wettelijke regeling, voor zover deze voor nationale producten geldt."
Conclusie
43 Concluderend geef ik het Hof in overweging, de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
"1) Verordening (EEG) nr. 2081/92 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen, staat niet in de weg aan de toepassing van nationale maatregelen die de aanduiding $montagne' of $provenance montagne' voor landbouwproducten en levensmiddelen beschermen.
2) Artikel 30 EG-Verdrag is niet van toepassing op een nationale wettelijke regeling, voor zover deze voor nationale producten geldt."
(1) - PB 1992, L 208, blz. 1.
(2) - Richtlijn van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8).
(3) - Richtlijn van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1).
(4) - Inmiddels opgenomen in de "Code de la Consommation" bij wet nr. 93-949 van 26 juli 1993 (JORF van 27 juli 1993).
(5) - JORF van 21 december 1984, blz. 3925.
(6) - JORF van 10 januari 1985, blz. 320.
(7) - JORF van 27 februari 1988, blz. 2747.
(8) - Aangehaald in voetnoot 5.
(9) - Aangehaald in voetnoot 3.
(10) - Vgl. de verklaring van de begrippen "herkomstaanduiding" en "oorsprongsbenaming" in 's Hofs arrest van 10 november 1992 (zaak C-3/91, Exportur, Jurispr. 1992, blz. I-5529, r.o. 11).
(11) - Verordening (EEG) nr. 2037/93 van de Commissie van 27 juli 1993 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2081/82 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen (PB 1993, L 185, blz. 5).
(12) - Artikel 5 van de oorsprongsverordening.
(13) - Artikel 6 van de oorsprongsverordening.
(14) - Artikel 7 van de oorsprongsverordening.
(15) - Artikelen 7, lid 5, en 15 van de oorsprongsverordening.
(16) - Hierbij heeft zij verwezen naar arresten van de strafkamer van de Cour de cassation van 25 januari 1988, 8 februari 1988, 10 oktober 1988, 13 februari 1989 en 8 maart 1993.
(17) - Het feit dat aldus op grond van nationaal recht terugwerkende kracht kan worden verleend aan een bepaling van gemeenschapsrecht, belet het Hof niet, een vraag over de betekenis van die bepaling te beantwoorden; het Hof wordt daarmee niet verzocht, de bepaling buiten haar eigen context uit te leggen (zie hierover nader de punten 32-42 van deze conclusie). Dat het Hof in casu bevoegd is, wordt bevestigd door zijn arresten van 23 februari 1995 (gevoegde zaken C-358/93 en C-416/93, Bordessa e.a., Jurispr. 1995, blz. I-361, r.o. 8-10), en 14 december 1995 (gevoegde zaken C-163/94, C-165/94 en C-250/94, Sanz de Lera e.a., Jurispr. 1995, blz. I-4821, r.o. 13-15). Zie ook arrest van 26 september 1996 (zaak C-341/94, Allain, Jurispr. 1996, blz. II-4631, r.o. 9-13).
(18) - Mededeling aan de in de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen geïnteresseerde marktdeelnemers in verband met de vereenvoudigde communautaire registratieprocedure bedoeld in artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 (PB 1993, C 273, blz. 4).
(19) - Beier en Knaak, "The Protection of Direct and Indirect Geographical indications of source in Germany and the European Community", IIC, deel 25, nr. 1/1994.
(20) - Bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie van 12 juni 1996 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad (PB 1996, L 148, blz. 1).
(21) - Zie, bijvoorbeeld, de registratie van "Cerezas de la Montaña de Alicante" (BGA) (PB 1996, L 148, blz. 8).
(22) - Arrest van 14 december 1982 (gevoegde zaken 314/81-316/81 en 83/82, Jurispr. 1982, blz. 4337).
(23) - Arrest van 10 juli 1980 (zaak 152/78, Jurispr. 1980, blz. 2299).
(24) - Arrest van 15 december 1982 (zaak 286/81, Jurispr. 1982, blz. 4575).
(25) - R.o. 9 van het arrest.
(26) - Arrest van 18 februari 1987 (zaak 98/86, Jurispr. 1987, blz. 809, r.o. 9).
(27) - Zie het aan de opmerkingen van Pistre gehechte commentaar in RJDA 1/95, nr. 96.
(28) - Arrest van 14 juli 1988 (zaak 298/87, Jurispr. 1988, blz. 4489).
(29) - R.o. 8 van het arrest.
(30) - R.o. 9 van het arrest.
(31) - Zie de conclusie van advocaat-generaal Cosmas bij het arrest van 11 augustus 1995, in de zaak Belgapom (zaak C-63/94, Jurispr. 1995, blz. I-2467, punt 13).
(32) - Aangehaald in voetnoot 31.
(33) - Punt 14 van de conclusie (cursivering in het origineel).
(34) - Conclusie van 24 oktober 1995 (zaak C-194/94, punt 28).
(35) - Conclusie van 17 september 1996 in de zaken C-28/95 (Leur-Bloem) en C-130/95 (Giloy).
Full & Egal Universal Law Academy