CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. FENNELLY
van 16 november 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
Deze zaak betreft de Franse wetgeving inzake de registratie en de bemanning van vissersvaartuigen, plezierboten en handelsvaartuigen. Zij doet interessante vragen rijzen over onder meer de bevoegdheid van het Hof ter zake van beroepen wegens niet-nakoming na de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de toepassing van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht.
2.
De Commissie verzoekt het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (hierna: het „Verdrag”):
i)
vast te stellen dat de Franse Republiek, door wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te handhaven die het recht een vaartuig in het nationaal register in te schrijven en de nationale vlag te voeren, beperken tot vaartuigen die voor meer dan de helft toebehoren aan natuurlijke personen die de Franse nationaliteit bezitten, of aan rechtspersonen die bepaalde bijzondere banden met Frankrijk hebben, en op grond waarvan een bepaald aantal leden van de bemanning Frans onderdaan moet zijn, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6 (non-discriminatie), 48 (vrij verkeer van werknemers), 52, 58 en 221 (vrijheid van vestiging en deelneming in vennootschappen) van het Verdrag, en krachtens bepalingen waarbij het vrije verkeer nader wordt geregeld ( 1 );
ii)
vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Frankrijk ( 2 ) (waarbij al was vastgesteld dat de Franse Republiek haar verplichtingen krachtens het Verdrag niet was nagekomen door haar voorschriften op het gebied van de samenstelling van de bemanning), de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 171 van het Verdrag; en
iii)
de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
De Franse regering betwist het standpunt van de Commissie niet, doch wijst erop dat de situatie thans door de wetgever wordt gecorrigeerd. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Feitelijk en rechtskader
3.
Naar Frans recht kan een vaartuig onder Franse vlag varen indien het is geregistreerd („francisation”). ( 3 ) Een vaartuig kan worden geregistreerd mits:
i)
het voor ten minste de helft toebehoort aan Fransen die, indien zij minder dan zes maanden per jaar in Frankrijk verblijven, aldaar voor alle administratieve en gerechtelijke aangelegenheden betreffende de eigendom en de staat van het vaartuig, woonplaats moeten kiezen; of
ii)
het volledig toebehoort aan een vennootschap die haar zetel in Frankrijk heeft of aan een vennootschap met zetel in een vreemd land, waar Franse vennootschappen krachtens een overeenkomst met Frankrijk hun activiteit kunnen uitoefenen, en zij voor alle administratieve en gerechtelijke aangelegenheden betreffende de eigendom en de staat van het vaartuig in Frankrijk domicilie kiezen (in elk geval en ongeacht de plaats waar de vennootschap haar zetel heeft, moeten bepaalde bestuurders of commissarissen, of een meerderheid daarvan, of een meerderheid van de aandeelhouders, naar gelang van het soort vennootschap, Frans onderdaan zijn); of
iii)
het toebehoort aan een groep natuurlijke en rechtspersonen die voldoen aan de onder i) en ii) gestelde voorwaarden; of
iv)
het bestemd is om, nadat gebruik is gemaakt van de optie om de eigendom van het vaartuig te verkrijgen in het kader van een leaseovereenkomst, toe te behoren aan personen die voldoen aan de onder i) en iii) gestelde voorwaarden; of
v)
wanneer een vaartuig dat onder vreemde vlag vaart, volledig overgaat in Franse handen na schipbreuk op de Franse kust en na herstelkosten ten bedrage van ten minste vier keer de aankoopprijs.
Registratie kan ook worden toegestaan met instemming van de minister, bevoegd voor de handelsvloot, en de minister van Begroting:
a)
wanneer natuurlijke en rechtspersonen van voormelde groepen ii) tot en met iv) slechts een meerderheid van de eigendom van een vaartuig in handen hebben terwijl volledige eigendom is vereist, mits het beheer van het vaartuig aan hen wordt opgedragen of aan andere personen die aan de gestelde voorwaarden beantwoorden; of
b)
wanneer het vaartuig door een Franse reder die het toezicht, de uitrusting, de exploitatie en het zeevaartbeheer verzorgt, als scheepsromp is bevracht en indien in dat geval volgens de wet van de vlaggestaat van de vreemde vlag kan worden afgezien. ( 4 )
4.
Een aantal Franse wetsbepalingen verlangt, dat de bemanningsleden van zeevaartuigen in de bij ministerieel besluit ( 5 ) bepaalde verhouding Frans onderdaan zijn. Artikel 4 van een decreet van 7 augustus 1967 bepaalt, dat de bemanningsleden van een Frans vaartuig (onder voorbehoud van bepaalde in de wet van 1926 voorziene afwijkingen) van Franse nationaliteit moeten zijn. ( 6 ) In het arrest Commissie/Frankrijk ( 7 ) heeft het Hof dit nationale voorschrift al in strijd verklaard met artikel 48 van het Verdrag en artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad. ( 8 ) Een na dit arrest verspreide ministeriële circulaire bepaalt, dat de voorwaarden van dit decreet niet van toepassing zijn op onderdanen van andere Lid-Staten van de Gemeenschap. ( 9 )
Procesverloop
5.
De Commissie heeft de precontentieuze procedure van artikel 169 van het Verdrag ingeleid door aan de Franse Republiek vier officiële aanmaningsbrieven te doen toekomen op respectievelijk 21 augustus 1989 (over de registratie van plezierboten), 16 mei 1990 (over de registratie door rechtspersonen), 21 mei 1990 (over de registratie van vissersvaartuigen en de in het arrest Commissie/Frankrijk ( 10 ) veroordeelde vereisten betreffende de bemanning) en 24 april 1992 (over de registratie van handelsvaartuigen). De eerste twee brieven bleven onbeantwoord. De Franse regering beantwoordde de brief van 21 mei 1990 op 30 juli van dat jaar met een verzoek om verlenging van de termijn voor beantwoording; bij brief van 17 januari 1991 wees zij op het belang dat zij hechtte aan het beginsel, dat een vaartuig en de staat waarvan het de vlag voert, een reële economische band hebben, doch zij voegde hieraan toe, dat het in de bedoeling lag de vigerende regels betreffende eigendom te vervangen door criteria op basis van de nationaliteit van een Lid-Staat van de Gemeenschap. De Franse regering beantwoordde op 7 juli 1992 de aanmaningsbrief van 24 april 1992, onder verwijzing naar een wetsontwerp waarbij het Franse recht in overeenstemming zou worden gebracht met het gemeenschapsrecht op dit gebied en op het gebied van de tewerkstelling van onderdanen van andere Lid-Staten op vaartuigen die onder Franse vlag varen.
6.
Toen zij van de Franse regering geen nadere berichten ontving, met name niet over de wijzigingen van de Franse wettelijke regeling, bracht de Commissie op 11 oktober 1993 één met redenen omkleed advies uit, betreffende de vier aanmaningsbrieven, waarin zij een termijn van twee maanden stelde voor nakoming. De Franse regering antwoordde in een korte nota van 24 december 1993, dat de geplande wetswijziging nog niet door het Franse Parlement was besproken. Op 22 juli 1994 zond de Franse regering de Commissie een afschrift van een ontwerp van een wet die, indien aangenomen, volgens de Commissie alle in casu aangevoerde schendingen van het gemeenschapsrecht zou opheffen. (Volgens het wetsontwerp kwamen de posten van kapitein en eerste stuurman uitsluitend toe aan Franse onderdanen, doch volgens de Commissie is deze uitzondering gerechtvaardigd krachtens artikel 48 van het Verdrag, aangezien de functie van deze officieren de uitoefening van het openbaar gezag omvat.) De Commissie ontving evenwel geen nader bericht over de geplande wetswijzigingen en stelde op 22 december 1994 krachtens artikel 169 van het Verdrag het onderhavige beroep in. De Franse regering heeft op 15 maart 1995 haar verweerschrift ingediend. Met instemming van partijen heeft het Hof krachtens artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering besloten, af te zien van de mondelinge behandeling.
7.
Deel ii) van het beroep van de Commissie, dat hiervóór in punt 2 is samengevat, is gebaseerd op artikel 171 van het Verdrag en is uitdrukkelijk ontleend aan niet-nakoming door de Franse Republiek van het arrest van het Hof waarbij, zoals hiervoor uiteengezet in punt 4, de Franse wet inzake de nationaliteitsvereisten voor bemanningen is veroordeeld. Deel i) van het beroep heeft gedeeltelijk betrekking op dezelfde Franse wet, doch daarbij wordt schending van een andere bepaling van gemeenschapsrecht (artikel 52 van het Verdrag) aangevoerd. Wegens de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna soms aangeduid onder zijn gebruikelijke benaming „Verdrag van Maastricht”), dient te worden nagegaan of de eruit voortgevloeide wijziging van artikel 171 van het Verdrag, eventueel van invloed is op deze aspecten van het onderhavige beroep.
Relevantie van artikel 171, lid 2, van het Verdrag
8.
Ingevolge artikel 169 van het Verdrag kan de Commissie het Hof verzoeken vast te stellen, dat een Lid-Staat een bepaling van gemeenschapsrecht (met inbegrip van het Verdrag) heeft geschonden. De verplichting van de Lid-Staten de arresten van het Hof uit te voeren was en is nog steeds neergelegd in artikel 171 van het Verdrag. Vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie op 1 november 1993 stond dit artikel op dezelfde voet als alle overige verdragsbepalingen waarbij verplichtingen aan Lid-Staten worden opgelegd. Er was niet voorzien in een bijzondere procedure voor de gedwongen nakoming van deze verplichting en het beroep werd, zoals bij alle aangevoerde schendingen van gemeenschapsrecht, krachtens artikel 169 ( 11 ) ingesteld door de Commissie. Artikel 171, lid 2, voorziet thans in een afzonderlijke procedure voor beroepen wegens niet-uitvoering van een eerder arrest van het Hof.
9.
Zoals gewijzigd bij het Verdrag van Maastricht, bepaalt artikel 171 thans het volgende:
„1.
Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een Lid-Staat een der krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze staat gehouden die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.
2.
Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken Lid-Staat deze maatregelen niet heeft genomen, brengt zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, een met redenen omkleed advies uit waarin de punten worden gepreciseerd waarop de betrokken Lid-Staat het arrest van het Hof van Justitie niet is nagekomen.
Indien de betrokken Lid-Staat de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Hof niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn heeft genomen, kan de Commissie de zaak voor het Hof van Justitie brengen. Zij vermeldt het bedrag van de door de betrokken Lid-Staat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.
Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de betrokken Lid-Staat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.
Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel 170.”
10.
In het in artikel 171 van het Verdrag ingelaste tweede lid wordt in menig opzicht de procedure van artikel 169 overgenomen: het voorziet in een uitnodiging tot het indienen van opmerkingen en in een met redenen omkleed advies waarbij een termijn wordt gesteld voor de uitvoering van het arrest door de Lid-Staat, vooraleer de Commissie, indien zij zulks nodig acht, de contentieuze procedure inleidt. Wat aan deze nieuwe bepaling het meest opvalt, is dat de Commissie een geldboete kan voorstellen, die het Hof de betrokken Lid-Staat kan opleggen. ( 12 ) Dit is duidelijk bedoeld als een stimulans om de arresten van het Hof uit te voeren. Een onwillige Lid-Staat zal al verschillende gelegenheden hebben gehad, vóór het arrest door de procedure van artikel 169 en na het arrest door de termijn van artikel 171, lid 2, om zich te voegen naar de vereisten van gemeenschapsrecht.
11.
Mijns inziens is het de vraag, of de Commissie niet deze nieuwe, bijzondere procedure van artikel 171 van het Verdrag had moeten toepassen in plaats van, zoals zij heeft gedaan, de gewoonlijke procedure krachtens artikel 169. In de eerste plaats is het arrest van het Hof waarvan om uitvoering wordt verzocht, gewezen op 4 april 1974 en dateert het dus van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, evenals de officiële aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies van de Commissie (respectievelijk van 21 mei 1990 en 11 oktober 1993). In de tweede plaats verstreek de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn op 11 december 1993 en werd de zaak bij het Hof aanhangig gemaakt op 22 december 1994, dus na de inwerkingtreding van dat Verdrag.
12.
Aangezien niet de vraag is opgeworpen of de Commissie, in een geval waarin kan worden gesteld dat artikel 171, lid 2, van toepassing is, bevoegd blijft artikel 169 van het Verdrag toe te passen, dien ik te onderzoeken, of niet de aandacht van het Hof hierop moet worden gevestigd. ( 13 ) Indien de wijziging in artikel 171 van invloed is geweest op de bevoegdheid van de Commissie, geldt dat ook voor de bevoegdheid van het Hof. Het Hof kan zich niet bevoegd verklaren op de enkele grond dat partijen daarmee instemmen. ( 14 ) Blijkens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid in behandeling nemen die een absoluut beletsel vormen om van de zaak kennis te nemen. Voorts blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof, dat vragen betreffende de bevoegdheid van het Hof van openbare orde zijn en ambtshalve moeten worden opgeworpen. ( 15 ) Het Hof acht zich ook gehouden, beroepen waarbij een oneigenlijk gebruik van procedure wordt gemaakt (soms om te ontkomen aan de toepassing van strenge termijnen en aan andere strenge voorwaarden van de correcte procedure), ambtshalve niet-ontvankelijk te verklaren. ( 16 ) Het staat dus aan het Hof, de vraag van de ontvankelijkheid op te werpen, wanneer een andere procedure wordt gebruikt dan die welke volgens het Verdrag in het betrokken geval verplicht moet worden gevolgd, te meer wanneer het gebruik van deze of gene procedure voor partijen merkbaar verschillende gevolgen kan sorteren. ( 17 )
13.
Derhalve moet worden nagegaan, of de procedure van artikel 171, lid 2, van het Verdrag verplicht moet worden toegepast, wanneer het gaat om de afdwinging van artikel 171, lid 1, dan wel of de Commissie in dergelijke gevallen, naar eigen goeddunken of in overgangsgevallen, de procedure van artikel 169 kan blijven aanwenden. De nieuwe procedure van artikel 171, lid 2, van het Verdrag moet mijns inziens verplicht worden toegepast in gevallen waarop dit artikel van toepassing is, aangezien er nu een bijzondere procedure is, die volgens de gebruikelijke uitleggingsregels derogeert aan elke bepaling met een meer algemene strekking voor zover zij onverenigbaar zijn. ( 18 ) Deze onverenigbaarheid blijkt uit het dwingende karakter van de bewoordingen van artikel 171, lid 2, eerste alinea. Die dwingende toon (die ook te horen is in de tweede alinea) verplicht de Commissie mijns inziens, een aantal stappen te doen vooraleer zij krachtens artikel 171, lid 2, kan optreden: zij moet de Lid-Staat in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken; zij moet een met redenen omkleed advies uitbrengen; en in een verder stadium, indien zij besluit de zaak voor het Hof te brengen, moet zij het bedrag vermelden van de door de betrokken Lid-Staat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Dat dergelijke sancties kunnen worden opgelegd, kan, zoals wij zullen zien, van invloed zijn op de eerste twee stappen.
14.
Deze uitlegging is niet in tegenspraak met de even dwingende bewoordingen van artikel 169. Artikel 171, lid 2, van het Verdrag betreft specifiek het geval waarin een Lid-Staat een arrest van het Hof niet uitvoert, en verplicht de Commissie, op deze niet-nakoming de erin bepaalde procedure toe te passen. Volgens artikel 171, lid 2, vierde alinea, geldt de bij dit artikel ingevoerde nieuwe procedure „onverminderd het bepaalde in artikel 170”, dat een algemene strekking heeft, terwijl een verwijzing naar artikel 169 ontbreekt. Waar artikel 171, lid 2, derhalve uitdrukkelijk bepaalt, dat een Lid-Staat gebruik kan blijven maken van de algemene procedure, waarin geen geldboetes worden opgelegd, volgt hieruit stilzwijgend, dat de Commissie die keuzemogelijkheid niet meer heeft in het kader van artikel 169. Bijgevolg moet de Commissie de procedure van artikel 171, lid 2, thans steeds toepassen wanneer zij de naleving van artikel 171, lid 1, wil afdwingen. ( 19 ) Om de hierna genoemde redenen moet op dit algemene uitgangspunt mijns inziens evenwel een uitzondering worden gemaakt in overgangsgevallen als het onderhavige.
15.
Mijns inziens vloeit uit het dwingende karakter van de nieuwe procedure van artikel 171, lid 2, van het Verdrag voort, dat de Commissie tegen de betrokken Lid-Staat geen nieuw beroep krachtens artikel 169 kan instellen op basis van de materiële bepalingen van gemeenschapsrecht die al het onderwerp zijn geweest van een eerder arrest. Wanneer de betrokken feiten ongewijzigd zijn gebleven, is de schending door het Hof in een arrest vastgesteld, en het zou overbodig zijn, het Hof te verzoeken zulks nogmaals te doen. Het Hof geeft geen verklaringen af van precies dezelfde strekking als een eerder arrest dat kracht van gewijsde heeft. ( 20 ) Slechts indien een Lid-Staat de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen opnieuw niet nakomt, door niet de maatregelen te treffen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof, is een nieuw beroep, krachtens artikel 171, lidi, van het Verdrag, gerechtvaardigd.
16.
De Commissie en het Hof is het er in de eerste plaats om te doen, de naleving van de verdragsbepalingen te verzekeren; de inhoud zelf van de gelaakte nationale bepalingen, praktijken of verzuimen komt pas op de tweede plaats. Het komt mij dan ook voor dat de Commissie, ook nadat een Lid-Staat in een arrest van het Hof is veroordeeld wegens niet-nakoming van een bepaalde uit het Verdrag voortvloeiende verplichting, bevoegd blijft zich ten aanzien van dezelfde nationale bepaling, praktijk of omissie in een procedure krachtens artikel 169 op andere verdragsbepalingen te beroepen. De Commissie treedt dus niet buiten haar bevoegdheid door het onderdeel van punt 1 van haar beroep, dat betrekking heeft op de in het arrest van 1974 veroordeelde Franse voorschriften betreffende de bemanning, bij het Hof in te stellen, maar dan wel wegens onverenigbaarheid met andere verdragsbepalingen. ( 21 )
17.
Dan moet thans worden nagegaan, of de procedure van artikel 171, lid 2, van toepassing is op de gestelde niet-uitvoering van arresten van het Hof die dateren van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Is zulks niet het geval, dan is de verplichte toepassing ervan (enkel op de tenuitvoerlegging van de na 1 november 1993 gewezen arresten) in casu irrelevant. Ten minste één auteur stelt zich op het standpunt, en ik ben het met hem eens, dat, op grond van de beginselen van rechtszekerheid en van non-retroactiviteit van wetten, de mogelijk+ieid van geldboetes krachtens de nieuwe procedure in dergelijke gevallen is uitgesloten. ( 22 ) Het betreft hier algemene beginselen van gemeenschapsrecht, die in het bijzonder van toepassing zijn op het opleggen van straffen met terugwerkende kracht ( 23 ), doch ook (behoudens gerechtvaardigde uitzonderingen) verbieden, dat wettelijke maatregelen met een civielrechtelijk karakter terugwerkende kracht hebben. ( 24 ) Onder dit belangrijke voorbehoud is de procedure mijns inziens toch toepasselijk op beroepen wegens niet-nakoming van arresten die gewezen zijn vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht, mits de voorgeschreven precontentieuze procedure wordt toegepast ten aanzien van elke periode van niet-uitvoering na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht. ( 25 )
18.
De bij artikel 171, lid 1, opgelegde verplichting blijft ongewijzigd, zodat van de oplegging van een nieuwe fundamentele verplichting aan de Lid-Staten geen sprake is. Bij niet-nakoming van deze fundamentele verplichting kan voor hen evenwel de potentiële nieuwe verplichting ontstaan, een forfaitaire som of dwangsom te betalen. Het Hof kan mijns inziens duidelijk geen sanctie opleggen over een periode van niet-nakoming van een arrest, die vóór 1 november 1993 ligt. Elke krachtens artikel 171, lid 2, van het Verdrag aan een Lid-Staat opgelegde sanctie wegens voortgezette schending van artikel 171, lid 1, kan alleen betrekking hebben op de periode na 1 november 1993. De Commissie zal mijns inziens met deze beginselen rekening moeten houden bij de vaststelling van de door de betrokken Lid-Staat te betalen forfaitaire som of dwangsom, die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Sinds 1 november 1993 ontleent de Commissie haar bevoegdheid Lid-Staten te vervolgen voor na Maastricht gelegen periodes van niet-nakoming van arresten van het Hof van om het even welke datum, mijns inziens duidelijk aan artikel 171, lid 2, van het Verdrag en niet aan artikel 169, ongeacht of het Hof een sanctie voor eerdere periodes van niet-nakoming kan opleggen.
19.
Gelet op het voorgaande dient thans te worden nagegaan, of de in punt 11 geresumeerde bijzondere feiten in gevallen als de onderhavige in de weg staan aan de normalerwijze verplichte toepassing van artikel 171, lid 2, van het Verdrag.
20.
Allereerst wijs ik erop, dat artikel 171, lid 2, van het Verdrag in één opzicht uitdrukkelijk meer vereist dan artikel 169, doordat de Commissie in haar met redenen omkleed advies de punten moet preciseren waarop de betrokken Lid-Staat het arrest van het Hof van Justitie niet is nagekomen. Maar, ofschoon artikel 169 niets zegt over de mate van nauwkeurigheid waarmee de Commissie de niet-nakoming van een verdragsverplichting door een Lid-Staat moet omschrijven, is dit artikel in de praktijk aldus uitgelegd, dat de Commissie duidelijk de gronden moet uiteenzetten die haar tot haar overtuiging hebben gebracht. ( 26 ) De twee artikelen stellen dus identieke vereisten, waaraan mijns inziens in casu is voldaan.
21.
In vaste rechtspraak heeft het Hof erop gewezen, dat het voorwerp van een beroep krachtens artikel 169 wordt afgebakend in de precontentieuze procedure. ( 27 ) Zoals het Hof laatstelijk heeft verklaard in het arrest Commissie/Spanje vormt „het regelmatig verloop van de precontentieuze procedure (...) een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet enkel ter bescherming van de rechten van de aangesproken Lid-Staat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het onderwerp van het geding duidelijk is omschreven”. ( 28 ) Het beginsel dat het voorwerp van het geschil zich in de precontentieuze fase moet kristalliseren, geldt zowel voor de temporele als voor de inhoudelijke aspecten van de zaak, zij het op verschillende wijze.
22.
Het uitbrengen door de Commissie van haar met redenen omkleed advies krachtens artikel 169 betekent een keerpunt in deze procedure. Tot de feiten die aan het uitbrengen van dit advies voorafgaan, kunnen onder meer klachten tegen een Lid-Staat van een particulier of een andere Lid-Staat of een onafhankelijk onderzoek van de Commissie behoren. In alle gevallen zal de Commissie de eerste stap hebben gezet, door de betrokken Lid-Staat uit te nodigen zijn opmerkingen te maken. Gevallen waarbij de Lid-Staat
terstond overtuigend en afdoend antwoordt of onmiddellijk uitvoert, laat ik hier terzijde. Ik ga ervan uit, dat de Lid-Staat niet uitvoert. De Commissie zal vervolgens haar standpunt bepalen in de vorm van een met redenen omkleed advies. Zij formuleert haar grieven, verzoekt om nakoming en stelt een termijn. Als reactie daarop zal de Lid-Staat veelal gaan stilzitten. Hij kan de grieven van de Commissie uitdrukkelijk betwisten of proberen tijd te winnen, waarvan gemakkelijk voorbeelden zijn te vinden in de rechtspraak.
23.
In deze beide gevallen staat het de Commissie geheel vrij de zaak krachtens artikel 169 bij het Hof aanhangig te maken. Anders kan de Lid-Staat een maatregel nemen die ik in het kader van de uitlegging van artikel 169 afdoende acht. Hij kan ervoor kiezen zich binnen de door de Commissie gestelde termijn te voegen naar de voorwaarden van het met redenen omkleed advies. Van de bevoegdheid van de Commissie „de zaak aanhangig [te] maken bij het Hof van Justitie” is enkel sprake bij niet-nakoming door de Lid-Staat binnen de gestelde termijn, die de Lid-Staat een soort respijt geeft waardoor de Commissie en het Hof elk hun bevoegdheid wordt ontnomen. Het met redenen omkleed advies bepaalt dus op de dag waarop het wordt uitgebracht, door aan te geven welke schending van gemeenschapsrecht moet worden opgeheven en binnen welke termijn, het voorwerp van een eventueel daaropvolgend beroep krachtens artikel 169. Indien de betrokken Lid-Staat na afloop van die periode maatregelen neemt om zijn verplichtingen na te komen, blijft het Hof bevoegd om op verzoek van de Commissie uitspraak te doen over de niet-nakoming van verplichtingen vóór de datum waarop het met redenen omkleed advies is uitgebracht. Aldus is het de Lid-Staat alleen binnen de bij het met redenen omkleed advies gestelde termijn mogelijk orde op zaken te stellen, en is er een evenwicht tussen de gedurende die periode aan de verdediging geboden gelegenheid en het belang beroep in te stellen, zelfs na te late nakoming, ter vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die ten gevolge van de niet-nakoming op een Lid-Staat kan rusten jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren. ( 29 )
24.
Ik geef toe, dat de tekst van arresten en conclusies soms dubbelzinnig is wat betreft het juiste tijdstip waarop het voorwerp van de procedure krachtens artikel 169 zich kristalliseert. Zo bij voorbeeld is in de zaak Commissie/Duitsland sprake van „niet-nakoming, waarvan het bestaan moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de termijn van het met redenen omkleed advies verstrijkt”. ( 30 ) In soortelijke termen merkt advocaatgeneraal Reischl in de zaak Commissie/Italië op, dat „het onderwerp van geschil na beëindiging van de precontentieuze procedure niet meer kan worden uitgebreid”. ( 31 ) Daartegenover kan de zienswijze van het Hof in die zaak worden gesteld, dat een wetsontwerp in het kader van de betrokken procedure niet kon worden onderzocht, omdat het aan de Commissie was meegedeeld „nadat deze haar met redenen omkleed advies had uitgebracht”. ( 32 ) Tenzij de preliminaire procedure wordt beëindigd of afgesloten door het uitbrengen van het met redenen omkleed advies en niet door het verstrijken van de erin gestelde termijn (wat niet plausibel is en wordt tegengesproken door de Franse tekst van het hierboven weergegeven citaat uit het arrest Commissie/Duitsland), is er een zekere inconsistentie tussen deze citaten. In de zaken waaruit ik heb geciteerd, was het evenwel niet de vraag, of de zaak door het uitbrengen van het met redenen omkleed advies of door het verstrijken van de in dit advies gestelde termijn in de tijd wordt afgebakend. Het ging daar om (door het Hof verworpen) pogingen, na afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn de inhoudelijke omvang van het beroep te wijzigen — in het eerste geval door de Lid-Staat, die zich wilde beroepen op een latere nakoming van zijn verplichtingen, in het tweede geval door de Commissie, die het voorwerp van de zaak wilde uitbreiden tot voormeld wetsontwerp. ( 33 ) In casu zou de afbakening in de tijd van de contentieuze procedure aan het einde en niet aan het begin van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, niet zonder gevolgen blijven. In dat geval ben ik het eens met de verklaring van het Hof in het arrest Commissie/Italië, dat het tijdstip waarop het met redenen omkleed advies wordt uitgebracht, het meest logische punt is om een daaropvolgend beroep van de Commissie in de tijd af te bakenen.
25.
In een aantal gevallen heeft het Hof definitieve temporele werking toegekend aan de aanmaningsbrief en niet aan het met redenen omkleed advies. Het betreft hier jaarlijks terugkerende niet-nakomingen van bij voorbeeld betalingsverplichtingen in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, ( 34 ) of algemene verplichtingen waarvan de gestelde niet-nakoming in de tijd wordt uitgebreid naarmate de draagwijdte van de verplichting ruimer wordt. ( 35 ) In dergelijke gevallen heeft het Hof verklaard dat wanneer de Commissie in haar verzoekschrift in het algemeen stelt dat de betrokken verplichting niet is nagekomen, die stelling niet kan worden uitgebreid tot soortgelijke niet-nakomingen na de officiële aanmaningsbrief aan de betrokken Lid-Staat, aangezien dit de rechten van de verdediging zou aantasten. Ook al zou de onderhavige zaak onder een van deze twee categorieën vallen (wat niet het geval is), zouden deze zaken echter enkel bevestigen, dat het voorwerp van het geschil vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie vaststond.
26.
Anderzijds heeft het Hof in meer uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid aanvaard, de procedure uit te breiden tot feiten die hadden plaatsgevonden nadat het met redenen omkleed advies was uitgebracht of de daarin gestelde termijn was verstreken, mits zij „van dezelfde aard zijn als de daarin bedoelde en een zelfde gedraging opleveren”. ( 36 ) Deze mogelijke uitbreiding van het geschil ratione temporis moet eng v/orden uitgelegd, doch lijkt mij in beginsel ook mogelijk in gevallen waarin, in strijd met artikel 171, lid 1, van het Verdrag, nog steeds niet de maatregelen zijn getroffen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest van het Hof. Zolang er geen verandering is in de materiële feiten, worden de rechten van de verdediging niet aangetast doordat rekening wordt gehouden met grieven op basis van identieke handelingen of verzuimen die na het uitbrengen van het met redenen omkleed advies voortduren. In dergelijke gevallen kan een Lid-Staat die het in het met redenen omkleed advies gegeven respijt niet benut om orde op zaken te stellen, voor de gehele periode tot de datum van inleiding van de contentieuze fase (of tot de datum van eventuele nakoming, indien vroeger wordt nagekomen) door het Hof worden veroordeeld.
27.
Deze uitzonderlijke mogelijkheid geldt thans evengoed voor beroepen waarmee krachtens artikel 171, lid 2, de naleving van artikel 171, lid 1, wordt afgedwongen, als vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht voor beroepen met dezelfde strekking, ingesteld krachtens artikel 169. De nieuwe procedure onderscheidt zich evenwel doordat sancties kunnen worden opgelegd voor schendingen die na 1 november 1993 blijven voortduren. Mijns inziens kan op basis van het met redenen omkleed advies dat in casu op basis van artikel 169 is uitgebracht, geen beroep worden ingesteld dat, al zij het slechts gedeeltelijk, betrekking heeft op de periode van niet-nakoming na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht, en dus aanleiding zou kunnen geven tot het opleggen van sancties: gelet op de rechten van de verdediging en op de rechtszekerheid heeft de betrokken Lid-Staat er recht op, dat hij in kennis wordt gesteld van de mogelijkheid dat sancties worden opgelegd (al was het maar door de vermelding van artikel 171, lid 2, van het Verdrag). ( 37 ) Indien de Commissie in haar verzoekschrift had getracht, onder het voorwerp van haar beroep een schending van artikel 171, lid 1, van het Verdrag te doen vallen die na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht had voortgeduurd, had ik op dit punt moeten concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Aangezien het verzoekschrift evenwel in algemene termen is gesteld, verkies ik het aldus te lezen, dat het alleen betrekking heeft op de periode die eindigt bij het uitbrengen van het met redenen omkleed advies op 11 oktober 1993, zonder dat daarbij wordt getracht, gebruik te maken van de uitzonderlijke uitbreiding van het voorwerp van beroepen wegens niet-nakoming ratione temporis tot perioden na die datum. Bij deze uitlegging betreft de zaak alleen vermeende schendingen van artikel 171, lid 1, vóór 1 november 1993 en komt de kwestie van sancties niet aan de orde.
28.
Aangezien het voorwerp van dit beroep vaststond vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, was artikel 169 van het Verdrag mijns inziens de juiste grondslag om de zaak bij het Hof aanhangig te maken, ook na 1 november 1993. Anikei 169 schreef op het relevante tijdstip de bevoegdheid van de Commissie voor en de procedure om deze zaken bij het Hof aanhangig te maken. Ofschoon ik hierboven concludeerde, dat de werkingssfeer ratione materiae van artikel 169 door de inlassing van artikel 171, lid 2, in het Verdrag stilzwijgend is beperkt, geldt deze wijziging mijns inziens alleen voor de toekomst, te weten de toekomst vanaf het uitbrengen van het met redenen omkleed advies in de relevante zaken na 1 november 1993 (of mogelijk vanaf de kennisgeving waarbij tot het maken van opmerkingen wordt uitgenodigd in zaken zoals beschreven in punt 24 hierboven). Anders zouden alle beroepen wegens niet-nakoming krachtens artikel 171, lid 1, van het Verdrag waarin het met redenen omkleed advies vóór 1 november 1993 is uitgebracht, doch die na die datum bij het Hof zijn ingesteld, hun nuttig effect worden ontzegd. Het ware in strijd met de aan het nieuwe artikel 171, lid 2, van het Verdrag onderliggende doelstellingen, indien door de invoering ervan de inspanningen van de Commissie om de uitvoering van de arresten van het Hof te verzekeren, zij het in een gering aantal overgangsgevallen, zouden worden ondermijnd.
29.
Indien het Hof mocht oordelen, dat artikel 171, lid 2, van het Verdrag in casu de enige juiste grondslag was om tot de contentieuze fase over te gaan, aangezien de zaak bij het Hof na 1 november 1993 aanhangig werd gemaakt, stel ik subsidiair voor, dat het beroep wordt geacht op die grondslag te zijn ingesteld. Behalve wat de sancties betreft, vormen de artikelen 169 en 171, lid 2, in termen van hun formele vereisten ( 38 ) en mogelijke uitkomst (zelfs nog duidelijker dan in de zaak Chevalley) „een en dezelfde rechtsgang”. ( 39 ) Aangezien de oplegging van sancties niet aan de orde komt in een zaak die volledig betrekking heeft op inbreuken op artikel 171, lid 1, vóór 1 november 1993, de rechten van de verdediging niet zijn aangetast en niet-ontvankelijkverklaring in strijd zou zijn met het algemeen belang van eerbiediging van het gemeenschapsrecht, moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.
30.
Ik concludeer, dat artikel 171, lid 2, voorziet in een verplichte procedure voor de tenuitvoerlegging van artikel 171, lid 1, van het Verdrag, wanneer de Commissie na 1 november 1993 haar met redenen omkleed advies uitbrengt. Het Hof mag de Lid-Staten evenwel geen sancties opleggen over vóór 1 november 1993 gelegen tijdvakken van niet-uitvoering van arresten. Artikel 169 van het Verdrag bevat dan ook de geschikte procedure voor de tenuitvoerlegging van artikel 171, lid 1, wanneer het met redenen omkleed advies vóór 1 november 1993 is uitgebracht en het voorwerp van het beroep bijgevolg vóór die datum vaststond. Daar komt bij dat, zelfs indien artikel 171, lid 2, van het Verdrag van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof, op basis van artikel 169 kan worden vastgesteld dat verschillende bepalingen van gemeenschapsrecht worden geschonden door nationale bepalingen, praktijken of verzuimen die in een eerder arrest aan de orde zijn geweest. Daarom is het beroep van de Commissie in casu ontvankelijk voor zover het ertoe strekt, de naleving van artikel 171, lid 1, van het Verdrag en het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Frankrijk ( 40 ) ten uitvoer te leggen, en het Hof daarbij wordt verzocht vast te stellen, dat de Franse bepalingen betreffende de nationaliteit van de bemanning van vaartuigen in strijd zijn met andere bepalingen van gemeenschapsrecht dan die waarnaar in dat arrest wordt verwezen (dat wil zeggen de bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging). Over de andere aspecten van de zaak rijzen geen ontvankelijkheidsvragen.
Opmerkingen ten gronde van partijen
31.
In haar bezwaren tegen de Franse registratieregeling voor vaartuigen maakt de Commissie onderscheid tussen vaartuigen die voor de uitoefening van een economische activiteit dienen en die welke niet daartoe dienen, al kent de Franse wet dit onderscheid niet.
i) Vaartuigen die dienen voor de uitoefening van een economische activiteit
32.
De Commissie acht de Franse registratieregeling in strijd met de artikelen 6, 52, 58 en 221 van het Verdrag, voor zover zij betrekking heeft op vaartuigen die dienen voor de uitoefening van een economische activiteit. De Commissie beroept zich vooral op het arrest van het Hof in de zaak Factortame e. a. (Factortame II). ( 41 ) Daarin verklaarde het Hof dat wanneer voor het gebruik van een vaartuig voor economische doeleinden is vereist dat de gebruiker metterwoon in de betrokken Lid-Staat gevestigd is, de registratie ervan moet geschieden overeenkomstig de voorschriften betreffende de vrijheid van vestiging; daarom waren registratievoorschriften waarbij op grond van nationaliteit werd gediscrimineerd, verboden. Meer bepaald waren registratievoorschriften waarbij werd verlangd dat de eigenaars of bevrachters van vaartuigen een bepaalde nationaliteit bezaten of dat in geval van vennootschappen een bepaald percentage aandeelhouders of bestuurders die nationaliteit hadden, dan ook in strijd met artikel 52 van het Verdrag. Dergelijke voorschriften met betrekking tot vennootschappen waren ook in strijd met artikel 221 van het Verdrag betreffende de gelijke behandeling van de onderdanen van Lid-Staten wat betreft de deelneming in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel 58. Voorschriften waarbij registratie afhankelijk werd gesteld van de voorwaarde, dat natuurlijke personen hun woonplaats hadden in de betrokken Lid-Staat, waren eveneens in strijd met artikel 52, evenals voorschriften betreffende de vestiging van het centrum dat de exploitatie van het vaartuig in de betrokken Lid-Staat beheerde en controleerde, voor zover daarbij werd uitgesloten dat een secundaire vestiging handelde op instructie van een hoofdvestiging in een andere Lid-Staat. ( 42 ) De Commissie voegt hieraan toe, dat het vereiste dat vennootschappen hun zetel in Frankrijk hebben, een belemmering vormt voor de vestiging aldaar van agentschappen, filialen of dochterondernemingen met het doel een handelsvaartuig te beheren, en in strijd is met artikel 58 van het Verdrag.
33.
Wat vissersvaartuigen betreft, herinnert de Commissie aan de rechtspraak van het Hof volgens welke de bevoegdheid van de Lid-Staten om de exploitatievoorwaarden voor hun vangstquota te bepalen, moet worden uitgeoefend overeenkomstig het gemeenschapsrecht. Weliswaar kan worden gepreciseerd, dat de vaartuigen die onder de vangstquota mogen vissen, een „reële economische band” met de betrokken Lid-Staat moeten hebben, doch de doelstellingen van het communautaire quotastelsel staan toe, dat die band enkel de relatie betreft tussen de visserijactiviteiten van die vaartuigen en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën. ( 43 ) Uit de rechtspraak blijkt duidelijk, dat nationale voorschriften waarbij nationaliteits- en verblijfsvoorwaarden worden gesteld inzake eigendom of beheer (of bemanning) van vissersvaartuigen, geen verband houden met deze doelstellingen. ( 44 ) Deze voorschriften vinden dus geen toepassing wanneer een onderdaan van de Unie zich in een Lid-Staat op het recht van vestiging beroept om er te vissen onder de vangstquota van die staat.
ii) Vaartuigen die niet dienen voor de uitoefening van een economische activiteit
34.
Volgens de Commissie is de Franse registratieregeling in strijd met de artikelen 6, 48 en 52 van het Verdrag, alsook met de regel inzake gelijke behandeling van artikel 7 van verordening nr. 1251/70 ( 45 ) en met artikel 7 van verordening 75/34 ( 46 ), voor zover zij betrekking heeft op vaartuigen die niet voor de uitoefening van een economische activiteit dienen. De registratie van een plezierboot betreft weliswaar niet de arbeidsvoorwaarden in enge zin, doch de mogelijkheid om in een Lid-Staat aan vrijetijdsbesteding te doen, is het logische gevolg van de vrijheid van werknemers zich naar die staat te begeven om er een betrekking te vervullen. Niemand mag op gebieden die verband houden met de uitoefening van een uit het gemeenschapsrecht voortvloeiend recht, worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit. De Commissie beroept zich op het arrest Cowan ( 47 ), zoals bevestigd in het arrest Commissie/Spanje. ( 48 ) In de zaak Cowan wees het Hof erop dat een nationale wetgeving, ook al heeft zij betrekking op gebieden die in beginsel onder de bevoegdheid van de Lid-Staten vallen (waaronder strafrecht en strafvordering), geen discriminatie mag bevatten ten aanzien van personen aan wie het gemeenschapsrecht het recht op gelijke behandeling toekent. Het Hof stelde vast, dat personen die zich naar een andere Lid-Staat begeven om aldaar diensten te ontvangen, onder meer recht hebben op dezelfde bescherming als de onderdanen en ingezetenen van de betrokken Lid-Staat en dus bij schade recht hebben op de uitkeringen van een nationale vergoedingsregeling onder dezelfde voorwaarden als onderdanen en ingezetenen, ook al vallen de bepalingen die in die vergoeding voorzien, onder de nationale bevoegdheid. ( 49 ) Het Hof veroordeelde in het arrest Commissie/Spanje de discriminatie inzake toegangsvoorwaarden tot musea in Spanje, wegens strijd met de artikelen 59 en 6 (in zijn huidige versie) van het Verdrag.
35.
De Commissie pleit er ook voor, het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Frankrijk ( 50 ), betreffende de Franse regeling inzake de bemanning van zeevaartuigen, overeenkomstig artikel 171, lid 1, van het Verdrag te doen uitvoeren. Zij betoogt dat een wettekst die in strijd is met het Verdrag, niet afdoende bij ministeriële circulaire kan worden gewijzigd, waarbij zij wijst op vaste rechtspraak van het Hof, dat zulks geen geschikt middel is om richtlijnen rechtens doeltreffend uit te voeren. ( 51 ) Bovendien is de Franse wet in strijd met artikel 52 van het Verdrag alsook met artikel 48 (waarop het Hof zijn arrest van 1974 in samenhang met verordening nr. 1612/68 heeft gebaseerd) ( 52 ), aangezien zij ondernemers uit andere Lid-Staten die zich in Frankrijk willen vestigen, belemmeringen in de weg legt, in het bijzonder voor de toegang tot de visserijsector.
36.
De Franse regering erkent de gegrondheid van de argumenten ten gronde van de Commissie, zoals geformuleerd in het verzoekschrift. Zij wijst erop, dat de minister van Verkeer naar aanleiding van het arrest Commissie/Frankrijk ( 53 ) bij circulaire de administratie eraan heeft herinnerd, dat de Franse regels betreffende de nationaliteit van de bemanning niet van toepassing waren op gemeenschapsonderdanen. De Franse regering geeft in haar verweerschrift ook de hoofdlijnen weer van een wetsontwerp betreffende het vervoer in het algemeen, waarmee, volgens de Commissie, haar verschillende grieven op het gebied van registratie en bemanning volledig worden weggenomen. Door de parlementaire agenda en door het besluit, in de nieuwe wet bepalingen over het lucht- en wegvervoer op te nemen, kon de wet evenwel niet op ti)d worden aangenomen.
Conclusies ten gronde
37.
Wat zeevaartuigen betreft die dienen voor de uitoefening van economische activiteiten, ga ik akkoord met de argumenten van de Commissie, zoals ik die hiervoor heb geresumeerd en uiteengezet, en concludeer ik dat de Franse registratieregeling voor dergelijke vaartuigen het Verdrag schendt.
38.
Het verzoek van de Commissie noopt mij ook nader in te gaan op de registratie van zeevaartuigen die niet voor de uitoefening van economische activiteiten worden gebruikt. Partijen hebben op dit punt weliswaar geen gedetailleerde opmerkingen bij het Hof ingediend, doch ook hier komt de Franse Republiek mijns inziens haar verdragsverplichtingen niet na. Het op het gebied van het vrije verkeer van diensten in het arrest Cowan door het Hof geformuleerde beginsel ( 54 ) geldt duidelijk ook op andere door het Verdrag beheerste gebieden: vrijheid van vestiging en vrij verkeer van werknemers en het recht in een Lid-Staat verblijf te houden na er die rechten te hebben uitgeoefend. ( 55 ) Zoals het Hof in het arrest Cowan verklaarde met betrekking tot diensten, kunnen uit primaire economische rechten bepaalde aanspraken op gelijke behandeling ontstaan, zelfs op gebieden die in hoofdzaak onder de bevoegdheid van de Lid-Staten vallen; daarvan is gelijke bescherming tegen schade een van de belangrijkste rechten. Gebieden waarop de Lid-Staten bevoegd zijn, vallen onder de werkingssfeer van het Verdrag, voor zover gelijke behandeling op deze gebieden een onontbeerlijk uitvloeisel is van het primaire economische recht, zich naar een Lid-Staat te begeven of zich aldaar te vestigen met een economisch oogmerk. Bij gebreke van meer gedetailleerde bepalingen wordt de gelijke behandeling dan gewaarborgd door het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde verbod van dis- criminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van het Verdrag.
39.
Dit beginsel geldt in sterkere mate voor degenen die zich in een andere Lid-Staat hebben gevestigd voor de uitoefening van economische activiteiten, dan voor degenen die slechts tijdelijk in een andere Lid-Staat verblijven, zoals toeristen. Eerstgenoemden vertonen met de ontvangststaat de „nauwere band” op basis waarvan de Franse regering in de zaak Cowan tevergeefs betoogde, dat de vergoeding van schade voortvloeiend uit een geweldmisdrijf kan worden beperkt tot eigen onderdanen en tot vreemdelingen die in Frankrijk wonen. ( 56 )
40.
Migrerende werknemers genieten al aanzienlijke rechten krachtens de wettelijke waarborg van gelijkheid op het gebied van „sociale en fiscale voordelen”. ( 57 ) Sociale voordelen zijn alle voordelen die „al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, zodat de uitbreiding ervan tot werknemers die onderdaan van andere Lid-Staten zijn geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”. ( 58 ) Zij omvatten (wanneer deze rechten aan de onderdanen van de betrokken Lid-Staat worden toegekend) het recht op aan grote gezinnen verstrekte reductiekaarten voor openbaar vervoer ( 59 ), het gebruik van een andere taal in een geding voor een nationaal gerecht ( 60 ), het recht om in een Lid-Staat te verblijven met zijn ongehuwde partner ( 61 ) en het recht op studiefinanciering voor kinderen ten laste die in een andere Lid-Staat verblijven. ( 62 )
41.
De vaststelling van afgeleid gemeenschapsrecht om dergelijke rechten aan werknemers te garanderen, sluit niet het bestaan uit van een restcategorie van rechten op gelijke behandeling, die krachtens het Verdrag voortvloeien uit het vrije verkeer van werknemers en uit de vrijheid van vestiging. Deze uit de gelijkheid voortvloeiende rechten zouden voor werknemers die zich op artikel 48 beroepen, gelden in aangelegenheden die geen sociale voordelen in de zin van verordening nr. 1612/68 vormen; zij zouden belangrijker zijn op het gebied van de vrijheid van vestiging krachtens artikel 52, waarop de gemeenschapswetgever geen gelijkwaardige regels heeft vastgesteld.
42.
De omvang van deze uit de gelijke behandeling voortvloeiende rechten wordt bepaald door de wezenlijke menselijke alsook de economische behoeften van degenen die zich op het Verdrag beroepen. De weigering van vele sociale voordelen (zoals deze uitdrukking wordt gebruikt in verordening nr. 1612/68) aan degenen die anders dan in loondienst werken en aan degenen die diensten verrichten, kan hun mededingingspositie aantasten en dus een ontoelaatbare belemmering vormen voor de uitoefening van die activiteiten, zoals het Hof in het arrest Commissie/Italië verklaarde met betrekking tot de toegang tot sociale huisvesting. ( 63 ) Ofschoon dat arrest in economische termen is gesteld, vertoont het verwantschap met het arrest Cowan, omdat beide zaken betrekking hebben op het sociale milieu waarin die economische vrijheden worden uitgeoefend. ( 64 )
43.
Onderdanen van de Unie die naar een andere Lid-Staat gaan om aldaar een economische activiteit uit te oefenen, moeten zich aldaar kunnen vestigen om zich in de samenleving van de betrokken Lid-Staat te kunnen integreren, en mogen niet door een discriminatie op andere voor hun welzijn wezenlijke gebieden worden afgeschrikt, hun economische rechten uit te oefenen. ( 65 ) Ik zie dit als het logische gevolg van de uitspraak in het arrest Cowan. Zij moeten in een andere Lid-Staat dus niet alleen in loondienst kunnen werken of er verblijf kunnen houden na er een economische activiteit te hebben uitgeoefend, doch ook kunnen deelnemen aan sociale activiteiten en aan vrijetijdsbesteding.
44.
De registratie van plezierboten is mijns inziens geen sociaal voordeel in de zin van verordening nr. 1612/68. Ofschoon deze materie haast onvermijdelijk slechts voor een kleine minderheid van belang zal zijn, maakt zij toch duidelijk deel uit van het grote aantal door een Lid-Staat geboden vrijetijdsbestedingen. Toegang tot die vrijetijdsbestedingen is een logisch gevolg van het vrije verkeer met het oog op het uitoefenen van een economische activiteit en valt dus binnen de werkingssfeer van het Verdrag. Discriminatie in dit opzicht op grond van nationaliteit is dus voor degenen die zich beroepen op het vrije verkeer van werknemers of op de vrijheid van vestiging of op het bijkomende recht om na uitoefening van deze rechten verblijf te houden, in strijd met artikel 6 van het Verdrag.
45.
Wat de Franse regels inzake de nationaliteit van de bemanning betreft, ga ik akkoord met het betoog van de Commissie, dat een ministeriële circulaire ongeschikt is om de door het Hof in de zaak Commissie/Frankrijk ( 66 ) vastgestelde schending van gemeenschapsrecht rechtens afdoende ongedaan te maken. Dat blijkt uit het arrest van het Hof in die zaak ( 67 ) en vindt bevestiging in de door de Commissie aangehaalde vaste rechtspraak. ( 68 )
46.
Wat het betoog van de Commissie betreft, dat de Franse voorschriften betreffende de bemanning in strijd zijn met artikel 52 van het Verdrag, vormt het bestaan van voorschriften (ook al worden deze niet toegepast) die de categorie personen die op een in Frankrijk geregistreerd vaartuig kunnen worden tewerkgesteld, beperken, een belemmering voor de vestiging van natuurlijke of rechtspersonen die een dergelijk vaartuig bij de uitoefening van economische activiteiten willen gebruiken. Het vormt ook een beperking van het aantal vaartuigen die onder de Franse vangstquota kunnen vissen, die niet gerechtvaardigd is uit hoofde van de doelstellingen van de quotaregeling. ( 69 )
Kosten
47.
Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien ik heb geconcludeerd, dat de Commissie op alle punten in het gelijk moet worden gesteld, concludeer ik tot verwijzing van de Franse Republiek in de kosten.
Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1)
vast te stellen dat de Franse Republiek, door een wettelijke regeling te handhaven die het recht een vaartuig in het nationaal register in te schrijven en de Franse vlag te voeren, beperkt tot vaartuigen die (voor meer dan de helft) toebehoren aan personen die de Franse nationaliteit bezitten of aan rechtspersonen die bepaalde bijzondere banden met Frankrijk hebben, en op grond waarvan een bepaald aantal leden van de bemanning Frans onderdaan moet zijn, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 van het Verdrag, verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie en richtlijn 75/34/EEG van de Raad;
2)
vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Frankrijk ( 70 ), de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens artikel 171, lid 1, EG-Verdrag op haar rusten;
3)
de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) De Commissie beroept zich vooral op verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PB 1970, L 142, biz. 24), en richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PB 1975, L 14, biz. 10).
( 2 ) Arrest van 4 april 1974 (zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359).
( 3 ) Artikel 217 Code des douanes (Frans douanewetboek).
( 4 ) Artikel 219 van het Franse douanewetboek.
( 5 ) Artikel 3 van de wet van 13 december 1926 betreffende de Code du Travail Maritime, artikel 221 van het Franse douanewetboek.
( 6 ) Decreet 67-690 van 7 augustus 1967. Dit decreet (waarop de Commissie zich in casu baseert) is niet het besluit waarvan sprake was in het arrest Commissie/Frankrijk (zaak 167/73, reeds aangehaald, voetnoot 2). Dit betrof (zoals blijkt uit r. o. 3 van het arrest) het ministerieel besluit van 21 november 1960, gewijzigd bij besluit van 12 juni 1969, bepalende dat — behoudens bepaalde plaatselijke ontheffingen — op handels-, vissers- en pleziervaartuigen het brug-, machinekamer- en radiopersoneel geheel en het personeel van de algemene dienst voor drie vierde uit personen van Franse nationaliteit moeten bestaan; deze besluiten werden evenwel vastgesteld krachtens artikel 3 van de wet van 1926 en, voor zover daarbij is toegestaan dat één buitenlander wordt aangeworven voor drie Fransen, is het mogelijk dat zij naar Frans recht worden beschouwd als afwijkingen op dit artikel in de zin van het decreet van 1967.
( 7 ) Zaak 167/73 (reeds aangehaald, voetnoot 2).
( 8 ) Verordening betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, biz. 2).
( 9 ) Circulaire van 29 april 1975, Journal officiel de la République française, 2.5.1975.
( 10 ) Zaak 167/73, reeds aangehaald, voetnoot 2.
( 11 ) De eerste zaak van dit type was het arrest van 13 juli 1972 (zaak 48/71, Commissie/Italië, Jurispr. 1972, blz. 529, „Cultureel erfgoed”). Na 1985 ¡s het aantal dergelijke zaken aanzienlijk gestegen.
( 12 ) Andere belangrijke tcksrverschillen ¡n de procedureregels van de artikelen 169 en 171, lid 2, worden hierna besproken in punt 20.
( 13 ) Er kon niet worden verwacht, dat de Commissie de nietontvankclijkhcid van haar eigen beroep zou aanvoeren of dat de Franse regering zou betogen dat een procedure met eventueel ernstiger gevolgen tegen haar moest worden ingeleid.
( 14 ) Zie bij voorbeeld arresten van 11 maart 1980 (zaak 104/79, Foglia, Jurispr. 1980, blz. 745) en 16 december 1981 (zaak 244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045).
( 15 ) Zie bij voorbeeld arrest van 8 oktober 1992 (zaak T-84/91, Mcskcns, Jurispr. 1992, blz. II-2335), waarbij het Gerecht van eerste aanleg zich ambtshalve gehouden achtte, een verzoek tot oplegging van een financiële sanctie aan een gemeenschapsinstelling om de uitvoering van een eerder arrest van het Hof te verzekeren, niet-ontvankelijk te verklaren. Zie ook arrest van 17 februari 1970 (zaak 31/69, Co m missie/Italië, Jurispr. 1970, blz. 25, r. o. 8), waarin het Hof erop wees, dat ofschoon een middel (volgens hetwelk de procedure van artikel 169 niet kan worden ingeleid bij een gewoon verzuim een rechtstreeks bindende gemeenschapsregeling uit te voeren) na ommekomst van de termijn was voorgedragen, het door het Hof „ambtshalve moe(s)t worden onderzocht”. Andere voorbeelden van gevallen waarin het Hof van oordeel was dat het krachtens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verplicht was ambtshalve ontvankelijkheidsvragcn op te werpen, zijn te vinden in de arresten van 17 november 1965 (zaak 55/64, Lens, Jurispr. 1965, blz. 1169, 1175 en 1176, over de in het personeelsstatuut gestelde termijnen); 27 juni 1989 (zaak 200/87, Giordani, Jurispr. 1989, blz. 1877, r. o. 10, waarin het niet duidelijk was of de Commissie de niet-ontvankclijkhcid aanvoerde), en 11 juli 1991 (zaak T-19/90, Von Hoessle, Jurispr. 1991, blz. II-615, r. o. 23 — termijnen dienen om de rechtszekerheid te waarborgen en „zijn derhalve van openbare orde en partijen of de rechter kunnen er niet naar believen over beschikken”); zie de zaken waarin de niet-naleving van de precontentieuze procedure krachtens artikel 169, die gericht is op de bescherming van de Lid-Staten, niet door het Hof behoefde te worden opgeworpen, aangezien de betrokken Lid-Staat dienaangaande geen bezwaar had opgeworpen: conclusie van advocaatgeneraal Lenz in de zaak Commissie/Frankrijk (beschikking van 4 maart 1994, zaak C-249/91, Jurispr. 1994, blz. I-787, r. o. 22), en conclusie van advocaatgeneraal Gulmann in de zaak Commissie/Griekenland (arrest van 7 april 1992, zaak C-61/90, Jurispr. 1992, blz. I-2407, r. o. 16).
( 16 ) Zie bij voorbeeld beschikking van 7 mei 1980 (gevoegde zaken 114/79, 115/79, 116/79 en 117/79, Fournier e. a., Jurispr. 1980, blz. 1529), waarin de gezinsleden van een gcmcenschapsambtcnaar op gebieden die normaal door het Statuut worden beheerst, beroep wilden instellen op basis van de artikelen 175 en 178 van het Verdrag; arrest van 6 april 1962 (gevoegde zaken 21/61-26/61, Mcroni e. a., Jurispr. 1962, blz. 145, 157) waarin het Hof ambtshalve oordeelde, dat een beroep wegens nalaten een procedurele „kunstgreep” was en niet kon worden ingesteld tegen de Hoge Autoriteit wanneer deze weigerde, een beschikking te herzien waartegen wegens verjaring geen beroep tot nietigverklaring meer kan worden ingesteld; arrest van 10 december 1969 (gevoegde zaken 10/68 en 18/68, Eridania e. a., Jurispr. 1969, blz. 459, 483), in dezelfde zin. Slechts wanneer de voorwaarden voor een beroep op zowel artikel 173 als artikel 175 zijn vervuld, zal het Hof deze twee bepalingen beschouwen als „een enkele rechtsgang” zoals in het arrest van 18 november 1970 (zaak 15/70, Chevalley, Jurispr. 1970, blz. 975, r. o. 6).
( 17 ) Dat was niet het geval in het arrest Chevalley (reeds aangehaald, voetnoot 16).
( 18 ) Dit standpunt wordt gedeeld door D. Ritlcng: „Article 171”, in Traite sur l'Union européenne: commentaire, article par article, V. Constan ti nesco, R. Kovar & D. Simon éditeurs, Parijs, 1995, blz. 577. Over het beginsel van de lex specialis, zie bij voorbeeld de conclusie van advocaatgeneraal VerLoren van Themaat in de zaak Gerlach (arrest van 24 oktober 1985, zaak 239/84, Jurispr. 1985, blz. 3507, 3510).
( 19 ) Doordat in artikel 171, lid 2, eerste alinea, in menig opzicht dezelfde bewoordingen worden gebruikt als in artikel 169, valt het besluit een beroep in te stellen om artikel 171, lid 1, van het Verdrag te doen naleven, mijns inziens nog steeds onder de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie.
( 20 ) Zie beschikking van 28 maart 1980 (zaken 24/80 en 97/80 R, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 1319, r. o. 16, 17 en 19), waarin het Hof weigerde voorlopige maatregelen te gelasten om de uitvoering te verzekeren van een eerder tegen Frankrijk gewezen arrest (arrest van 25 september 1979, zaak 232/78, Jurispr. 1979, blz. 2729).
( 21 ) Zie punt 7 supra.
( 22 ) Zie J. Diez-Hochleitncr: „Le traité de Maastricht et l'inexécution des arrêts de la Cour de justice par les États membres” (1994), Revue du Marché unique europeen 111, biz. 130.
( 23 ) Zie arrest van 10 juli 1984 (zaak 63/83, Kirk, Jurispr. 2689, r. o. 21-23).
( 24 ) Zie bij voorbeeld arresten van 9 januari 1990 (zaak C-337/88, Safa, Jurispr. 1990, blz. I-1, r. o. 13), en 13 november 1990 (zaak C-331/88, Fedcsa e. a., Jurispr. 1990, blz. I-4023, r. o. 45).
( 25 ) Anders gezegd, de „pre-” respectievelijk „post-” Maastricht arresten.
( 26 ) Arrest van 19 december 1961 (zaak 7/61, Commissie/Italië, Jurispr. 1961, blz. 671, 693).
( 27 ) Zie bij voorbeeld de zaken 31/69, Commissie/Italië, reeds aangehaald in voetnoot 15, r. o. 12, en 232/78, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald in voetnoot 20, r. o. 3; arresten van 9 december 1981 (zaak 193/80, Commissie/Italië, Jurispr. 1981, blz. 3019, r. o. 12); 15 december 1982 (zaak 211/81, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1982, blz. 4547, r. o. 14); 8 februari 1983 (zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 203, r. o. 6 en 7); 14 februari 1984 (zaak 325/82, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1984, blz. 777, r. o. 8 en 9); 7 februari 1984 (zaak 166/82, Commissie/Italië, Jurispr. 1984, blz. 459, r. o. 16 en 17); 7 mei 1987 (zaak 186/85, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 2029, r. o. 13); 13 december 1990 (zaak C-347/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4747, r. o. 16 en 17), en 31 maart 1992 (zaak C-52/90, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1992, blz. 2187, r. o. 17).
( 28 ) Beschikking van 11 juli 1995 (zaak C-266/94, Commissie/ Spanje, Jurispr. 1995, blz. I-1975, r. o. 17).
( 29 ) Zie bij voorbeeld arrest van 30 mei 1991 (zaak C-361/88, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1992, blz. I-2567, r. o. 31). Zie ook arresten van 7 februari 1973 (zaak 39/72, Commissie/Italië Jurispr. 1973, blz. 101), en 20 februari 1986 (zaak 309/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 599).
( 30 ) Arrest van 1 juni 1994 (zaak C-317/92, Jurispr. 1994, blz. I-2039, r. o. 3). De Franse tekst is nauwkeuriger dan de Engelse, doordat hij verwijst naar de datum waar de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn verstrijkt.
( 31 ) Zaak 166/82, reeds aangehaald, voetnoot 27, blz. 477.
( 32 ) Reeds aangehaald, voetnoot 31, r. o. 17 (cursivering van mij).
( 33 ) Zie ook een volledig verschillende zaak waar het Hof in dezelfde zin heeft geoordeeld (zaak 309/84, Commissie/Italic, reeds aangehaald, voetnoot 29, r. o. 14); daarbij ging het evenwel, zoals wij hierna zullen zien, om een zaak waarbij de officiële aanmaningsbrief het begin van de contentieuze procedure bepaalde.
( 34 ) Zie bij voorbeeld zaak 309/84 (Commissie/Italië, reeds aangehaald, voetnoot 33) over de jaarlijkse betaling van premies voor stopzetting van de wijnbouw, en arrest van 10 juli 1990 (zaak C-217/88, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1990, blz. I-2879) over de verplichte distillane van wijnen van bepaalde wijnoogstjaren.
( 35 ) Zie bij voorbeeld zaak 31/69 (Commissie/Italic, reeds aangehaald, voetnoot 15), waarin een stelsel van uitvoerrestituties enkele dagen voor de uitnodiging opmerkingen te maken, was uitgebreid tot andere produkten.
( 36 ) Zie arresten van 22 maart 1983 (zaak 42/82, Commissie/ Frankrijk, Jurispr. 1983, blz. 1013) en 4 februari 1988 (zaak 113/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 607).
( 37 ) Zie het twaalfde jaarlijks verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (PB 1995, C 254, biz. 1) over haar praktijk (biz.;) om de Lid-Staten in elke aanmaning en elk met redenen omkleed advies te wijzen op de mogelijkheid dat krachtens de nieuwe procedure geldboetes worden opgelegd.
( 38 ) Zie puni 20 supra.
( 39 ) Zie het arrest Chevalley. (reeds aangehaald, voetnoot 16).
( 40 ) Zaak 167/73 (reeds aangehaald, voetnoot 2).
( 41 ) Arrest van 25 ¡uli 1991 (zaak C-221/89, Jurispr. 1991, biz. I-3905).
( 42 ) Zaak Factortame II (reeds aangehaald, voetnoot 41, r. o. 22, 29-31, 33-35). Zie ook arresten van 4 oktober 1991 (zaak C-246/89, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1991, blz. I-4585, en zaak C-93/89, Commissie/Ierland, Jurispr. 1991, blz. I-4569). Blijkens het arrest van 30 mei 1989 (zaak 305/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 1461, r. o. 12) zijn alle met artikel 52 van het Verdrag onverenigbare regels eveneens onverenigbaar met artikel 6.
( 43 ) Zie arresten van 14 december 1989 (zaak C-3/87, Agcgate, Jurispr. 1989, blz. 4459, r. o. 17 en 27; zaak C-216/87, Jadcrow, Jurispr. 1989, blz. 4509, r. o. 18 en 43 en 4 oktober 1991 (zaak C-246/89, reeds aangehaald, voetnoot 42, r. o. 12 en 35).
( 44 ) Over de registratie, de zetel, de controle en de eigendom van vennootschappen en over de nationaliteit van natuurlijke personen, zie arrest Jaderow (reeds aangehaald, voetnoot 43, r. o. 42); zaak C-246/89 (Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, voetnoot 42, r. o. 31 en 39); zaak C-93/89 (Commissie/Ierland, reeds aangehaald, voetnoot 42, r. o. 10, 11 en 15) enkel wat de registratie van vennootschappen betreft; over de woonplaats van de bemanning zie net arrest Agegatc (reeds aangehaald, voetnoot 43, r. o. 24-26).
( 45 ) Reeds aangehaald, voetnoot 1.
( 46 ) Reeds aangehaald, voetnoot 1.
( 47 ) Arrest van 2 februari 1989 (zaak 186/87, Jurispr. 1989, blz. 195).
( 48 ) Arrest van 15 maart 1994 (zaak C-45/93, Jurispr. 1994, blz. I-911).
( 49 ) Arrest reeds aangehaald in voetnoot 47, r. o. 17-19; zie ook arrest van 11 november 1981 (zaak 203/80, Casati, Jurispr. 1981, blz. 2595).
( 50 ) Zaak 167/73. reeds aangehaald, voetnoot 2.
( 51 ) Zie arresten van 15 oktober 1986 (zaak 168/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 2945, r. o. 15), 30 mei 1991 (zaak C-361/88, reeds aangehaald, voetnoot 29, r. o. 24) en 1 oktober 1991 (zaken C-13/90, C-14/90 en C-64/90, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-4327, I-4331 en I-4335).
( 52 ) Reeds aangehaald, voetnoot 8.
( 53 ) Zaak 167/73, reeds aangehaald, voetnoot 2.
( 54 ) Uit de tekst van het arrest in zaak C-45/93 (Commissie/Spanje, reeds aangehaald, voetnoot 48), blijkt niet, of het Hof van oordeel was dat de discriminatie inzake de toc-f;angsprijs tot musea verband hield met bijkomende voordeen die invloed hebben op de voorwaarden waaronder ten behoeve van toeristen diensten worden verricht of door toeristen diensten worden ontvangen (zoals duidelijk bleek uit het arrest Cowan) of met de voorwaarden voor levering van diensten aan of ontvangst van diensten door toeristen: zie respectievelijk r. o. 5 en 7 van het arrest, waarin het betoog van de Commissie wordt samengevat.
( 55 ) De Commissie beroept zich niet, en ik evenmin, op de rechten van andere onderdanen van de Unie, die krachtens andere bij het gemeenschapsrecht toegekende rechten, thans versterkt bij artikel 8 A van het Verdrag, gerechtigd zijn in een andere Lid-Staat verblijf te houden: zie richtlijn 90/365/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd (PB 1990, L 180, biz. 28); richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB 1990, L 180, biz. 26), en richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 inzake het verblijfsrecht voor studenten (PB 1993, L 317, biz. 59).
( 56 ) Arrest Cowan (reeds aangehaald, voetnoot 47, r. o. 16).
( 57 ) Verordening nr. 1612/68, artikel 7, lid 2, reeds aangehaald, voetnoot 8.
( 58 ) Arrest van 31 mei 1979 (zaak 207/78, Even, Jurispr. 1979, blz. 2019, r. o. 22).
( 59 ) Arrest van 30 september 1975 (zaak 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085).
( 60 ) Arrest van 11 juli 1985 (zaak 137/84, Mutsch, Jurispr. 1985, blz. 2681).
( 61 ) Arrest van 17 april 1986 (zaak 59/85, Reed, Jurispr. 1986, blz. 1283). J K
( 62 ) Arrest van 26 februari 1992 (zaak C-3/90, Bernini, Jurispr. 1992, blz. I-1071).
( 63 ) Arrest vin 14 januari 1988 (zaak 63/86, Jurispr, 1988, blz. 29, r. o. 16 en 17).
( 64 ) De twee beslissingen zijn genomen „dans une même perspective de protection dc l'environnement sociologique des libertés garanties”, aidus J. Menens de Wilmars: „l'Arrêt Cowan”, Cahiers de droit européen 388, 1990, blz. 401.
( 65 ) Zie bij voorbeeld arrest van 15 maart 1989 (gevoegde zaken 359/87 en 390/87, Echternach en Moritz, Jurispr. 1989, blz. 723, r. o. 20).
( 66 ) Zaak 167/73, reeds aangehaald, voetnoot 2.
( 67 ) Zie r. o. 41 en 42 van het arrest.
( 68 ) Zie in voetnoot 51 aangehaalde zaken.
( 69 ) Zie arrest Agcgatc (reeds aangehaald, voetnoot 43).
( 70 ) Arrest van 4 april 1974 (zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359).
Full & Egal Universal Law Academy