Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Suiker ° Bevoegdheid tot wijziging van quota van ondernemingen, aan Lid-Staten toegekend bij artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 ° Voorwaarden voor uitoefening ° Uitoefening na uiterste datum van 1 maart voor verkoopseizoen dat aanvangt op 1 juli ° Uitsluiting ° Uitoefening tegelijk met wijziging van quota na vervreemding van suikerproducerende ondernemingen of fabrieken ° Toelaatbaarheid ° Voorwaarden ° Draagwijdte ° Vermindering van A-quotum en B-quotum met 10 % elk ° Berekeningsgrondslag ° A-quotum en B-quotum, door Lid-Staat aan onderneming toegewezen overeenkomstig artikel 24 van verordening ° Herstructureringsplannen op grond waarvan Italië 10 %-grens mag overschrijden ° Begrip
(Verordeningen van de Raad nr. 1785/81, art. 24 en 25, lid 2, en nr. 193/82, art. 2)
Samenvatting
Voor het op 1 juli ingaande verkoopseizoen kunnen de Lid-Staten de hun krachtens artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker toekomende bevoegdheid om de quota van de ondernemingen te wijzigen niet gebruiken na de bij verordening nr. 193/82 houdende de algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker vastgestelde uiterste datum van 1 maart, zelfs niet wanneer de verordening van de Raad waarbij de quota zijn vastgesteld en het gebruik van die bevoegdheid mogelijk is gemaakt, na 1 maart is vastgesteld, nu geen enkele gemeenschapsverordening in een uitdrukkelijke afwijking van deze termijn voorziet.
Het gebruik van die bevoegdheid kan samengaan met een quotawijziging overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, ten gevolge van een vervreemding van suikerproducerende ondernemingen of fabrieken, voor zover aan de toepassingsvoorwaarden van elk van deze bepalingen is voldaan. In het kader van die bevoegdheid kunnen de Lid-Staten het A-quotum en het B-quotum van een onderneming met telkens 10 % verlagen.
Deze manoeuvreerruimte van 10 % heeft betrekking op het quotum A en het quotum B welke in het kader van de vigerende quotaregeling aan de onderneming zijn toegekend bij een nationaal besluit van een Lid-Staat, vastgesteld krachtens artikel 24 van genoemde verordening, waarbij de aan die Lid-Staat toegekende basishoeveelheden A en B over de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen zijn verdeeld.
Waar artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81 bepaalt, dat in Italië voor deze manoeuvreerruimte de 10 %-grens niet geldt wanneer in het kader van "herstructureringsplannen" quotaoverdrachten plaatsvinden, gaat het om plannen voor de gehele suikersector op nationaal of op regionaal niveau.
Partijen
In zaak C-1/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Consiglio di Stato (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Cavarzere Produzioni Industriali SpA e.a.
en
Ministero dell' Agricoltura e delle Foreste e.a.
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4), en verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker (PB 1982, L 21, blz. 3),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, P. Jann, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Cavarzere Produzioni Industriali SpA en Saccarifera del Rendina SpA, vertegenwoordigd door S. Panunzio, A. Guarino en F. Sette, advocaten te Rome,
° ISI ° Industria Saccarifera Italiana Agro-Industriale SpA, vertegenwoordigd door L. F. Paolucci, advocaat te Bologna,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door proffessor U. Leanza, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, bijgestaan door I.-M. Braguglia, avvocato dello Stato,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March, als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Cavarzere Produzioni Industriali SpA en Saccarifera del Rendina SpA, van ISI ° Industria Saccarifera Italiana Agro-Industriale SpA, van Eridania ° Zuccherifici Nazionali SpA en Industria Sarda Zuccheri SpA, vertegenwoordigd door P. Crocetta, advocaat te Genua, van de Italiaanse regering en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ter terechtzitting van 6 april 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 24 april 1992, ingekomen bij het Hof op 4 januari 1994, heeft de Consiglio di Stato krachtens artikel 177 EEG-Verdrag zes vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4; hierna: "verordening nr. 1785/81"), en verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker (PB 1982, L 21, blz. 3; hierna: "verordening nr. 193/82").
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van de beroepen van de vennootschappen Cavarzere Produzioni Industriali SpA en Saccarifera del Rendina SpA, leden van de Gruppo Saccarifero Veneto (hierna: "GSV"), tegen de Ministeries van Land- en Bosbouw, en van Industrie, Handel en Ambacht, strekkende tot nietigverklaring van drie ministeriële besluiten houdende toewijzing van de suikerproduktiequota voor de verkoopseizoenen 1986/1987, 1987/1988 en 1988/1989. In deze procedures hebben onder meer geïntervenieerd, de vennootschappen ISI ° Industria Saccarifera Italiana Agro-Industriale SpA (hierna: "ISI"), Eridania ° Zuccherifici Nazionali SpA, en Industria Sarda Zuccheri SpA.
3 De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is vastgesteld bij verordening nr. 1785/81, en omvat met name een quotaregeling voor de suikerproduktie. Deze verordening onderscheidt drie soorten quota. Het A-quotum, dat overeenstemt met het verbruik in de Gemeenschap, kan vrij op de gemeenschappelijke markt worden verkocht en de afzet ervan wordt gegarandeerd door de interventieprijs. Het B-quotum is de hoeveelheid geproduceerde suiker die wel het A-quotum, doch niet het "maximumquotum" overschrijdt, dat wordt verkregen door op het A-quotum een coëfficiënt toe te passen. Dit kan eveneens vrij op de gemeenschappelijke markt worden verkocht, doch zonder de garantie van de interventieprijs, of kan met exportsteun naar derde landen worden uitgevoerd. Het C-quotum ten slotte is de produktie waarmee het "maximumquotum" (A-quotum plus B-quotum) wordt overschreden. Dit quotum mag enkel aan derde landen worden verkocht en komt niet in aanmerking voor exportsteun.
4 Artikel 24 van verordening nr. 1785/81 stelt voor elke Lid-Staat de basishoeveelheden van de A- en de B-quota vast en bepaalt, dat de Lid-Staten onder de voorwaarden van de verordening een A-quotum en een B-quotum toekennen aan iedere op hun gebied gevestigde suikerproducerende onderneming. De quota hebben betrekking op een jaarlijks verkoopseizoen dat aanvangt op 1 juli van een bepaald jaar en eindigt op 30 juni van het daaropvolgende jaar.
5 Volgens de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1785/81 gold de quotaregeling slechts voor de verkoopseizoenen 1981/1982 tot en met 1985/1986. Bij verordening (EEG) nr. 934/86 van de Raad van 24 maart 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1785/81 (PB 1987, L 87, blz. 1; hierna: "verordening nr. 934/86") werd deze regeling evenwel uitgebreid tot de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991.
6 Artikel 23 van verordening nr. 1785/81 is vervangen bij artikel 1, punt 2, van verordening nr. 934/86, bepalende dat "voor de verkoopseizoenen 1986/1987 en 1987/1988 en onverminderd het bepaalde in artikel 25 het A-quotum en het B-quotum van de suikerproducerende (...) ondernemingen overeenkomen met de quota die golden voor het verkoopseizoen 1985/1986". Bij verordening (EEG) nr. 1107/88 van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 1785/81 (PB 1988, L 110, blz. 20; hierna: "verordening nr. 1107/88") heeft de Raad op dezelfde wijze de quota vastgesteld voor de verkoopseizoenen 1988/89 tot 1990/91.
7 Krachtens artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1785/81 kunnen de Lid-Staten overdrachten van A-quota en B-quota tussen ondernemingen verrichten, waarbij het belang van elk van de betrokken partijen en met name dat van de producenten van suikerbieten of suikerriet in aanmerking wordt genomen.
8 De voorwaarden waaronder van deze "manoeuvreerruimte" gebruik kan worden gemaakt, zijn volgens lid 2 van dat artikel de volgende:
"De Lid-Staten kunnen het A-quotum en het B-quotum van elke op hun grondgebied gevestigde suikerproducerende (...) onderneming verminderen met een hoeveelheid die voor de in artikel 23, lid 1, bedoelde periode in totaal niet groter is dan 10 % van respectievelijk het A-quotum of het B-quotum dat voor elk dezer ondernemingen is bepaald overeenkomstig artikel 24.
De in de eerste alinea bedoelde grens van 10 % is niet van toepassing in Italië (...) wanneer de quotaoverdrachten geschieden op basis van plannen ter herstructurering van de suikerbiet- of suikerrietsector en van de suikersector van het betrokken gebied, voor zover zulks noodzakelijk is om de uitvoering van deze plannen mogelijk te maken.
(...)"
9 Naar luid van artikel 25, lid 3, van die verordening, kennen de Lid-Staten de afgetrokken hoeveelheden van A-quota of B-quota toe aan een of meer andere op hun grondgebied gevestigde ondernemingen.
10 Ten slotte bepaalt artikel 25, lid 4, dat de Raad algemene voorschriften vaststelt betreffende de wijziging van de quota in geval van met name fusie en vervreemding van ondernemingen. Bedoelde bepalingen zijn vastgesteld bij de reeds vermelde verordening nr. 193/82 houdende algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker.
11 Luidens artikel 7 van die verordening wijst een Lid-Staat, indien hij artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 toepast, de gewijzigde quota toe vóór 1 maart, voor toepassing ervan tijdens het volgende verkoopseizoen.
12 Wat evenwel het verkoopseizoen 1986/1987 betreft, bepaalde artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1662/86 van de Commissie van 29 mei 1986 tot vaststelling van overgangsmaatregelen inzake de overdracht van quota in de suikersector (PB 1986, L 145, blz. 41; hierna: "verordening nr. 1662/86"), dat de Lid-Staten in afwijking van artikel 7 van verordening nr. 193/82 de met toepassing van artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81 gewijzigde quota vóór 1 juli 1986 dienden toe te kennen.
13 Artikel 2 van verordening nr. 193/82 bepaalt hoe de A- en B-quota moeten worden gewijzigd in geval van fusie of vervreemding van suikerproducerende ondernemingen en in geval van vervreemding van suikerproducerende fabrieken. Meer in het bijzonder is daarin bepaald, dat de quota worden toegewezen naar rata van de produktiehoeveelheid suiker die door iedere onderneming wordt overgenomen. Artikel 6 van de verordening bepaalt dat deze toewijzing gevolgen sorteert voor het lopende verkoopseizoen, wanneer de fusie of de vervreemding plaatsvindt tussen 1 juli en 31 januari van het daaropvolgende jaar.
14 Het eerste van de drie ministeriële besluiten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, betreft het verkoopseizoen 1986/1987. Dit besluit is vastgesteld door de minister van Landbouw in overleg met de minister van Industrie, en op 19 augustus 1986 gepubliceerd in de Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana. Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn bij dit besluit de bij ministerieel besluit van 22 april 1986 aan GSV toegekende suikerproduktiequota gewijzigd, omdat in juli 1986 bepaalde fabrieken van de GSV-groep aan ISI waren verkocht.
15 Het tweede ministerieel besluit, betreffende het verkoopseizoen 1987/1988, is vastgesteld op 27 februari 1987 en gepubliceerd op 16 maart daaraanvolgend. Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn bij dit besluit de produktiequota voor bepaalde suikerproducenten verlaagd en voor andere verhoogd, en zijn de quota van GSV die bij besluit van 11 augustus 1986 voor het vorige verkoopseizoen waren vastgesteld, ongewijzigd gebleven.
16 Het derde ministerieel besluit is vastgesteld op 30 juni 1988 en gepubliceerd op 10 augustus daaraanvolgend. Volgens de verwijzende rechter zijn bij dit besluit de produktiequota voor het verkoopseizoen 1988/89 vastgesteld overeenkomstig verordening nr. 1107/88 en met gebruikmaking van de manoeuvreerruimte waarin artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 voorziet. Hierbij zijn de aan GSV toegewezen quota verlaagd.
17 Tegen deze drie ministeriële besluiten is door de twee ondernemingen van GSV voor het Tribunale amministrativo regionale del Lazio beroep ingesteld wegens onverenigbaarheid met de gemeenschapsregels. Het Tribunale amministrativo heeft de beroepen tegen de ministeriële besluiten van 11 augustus 1986 en 27 februari 1987 afgewezen, doch het beroep tegen het ministerieel besluit van 30 juni 1988 toegewezen op grond dat van de manoeuvreerruimte gebruik is gemaakt na 1 maart van dat jaar. Dit besluit is dus nietig verklaard.
18 Tegen de vonnissen van het Tribunale amministrativo zijn beroepen ingesteld bij de Consiglio di Stato die na voeging de behandeling heeft geschorst en het Hof om een antwoord heeft verzocht op de volgende prejudiciële vragen:
"1) Gezien de noodzaak om binnen de Gemeenschap de eenvormigheid te handhaven, kan worden gesteld, dat de in artikel 7 van verordening nr. 193/92 genoemde datum 1 maart peremptoir is, temeer daar het in 1986 noodzakelijk werd geacht een verordening (nr. 1662/86) vast te stellen om het verstrijken van de termijn te voorkomen.
Evenwel moet nog worden onderzocht, wat de gevolgen van het aldus geschetste systeem zijn, wanneer de verordening die de quota vaststelt, na 1 maart tot stand komt.
Men kan zich afvragen, of in dat geval de aldus vastgestelde quota niet vatbaar zijn voor wijziging, dan wel of, zoals de Ministeries van Landbouw en van Industrie staande houden, de termijnen voor herverdeling van de quota (indien aan alle overige voorwaarden is voldaan) kunnen worden geacht impliciet opnieuw te zijn ingegaan en, gelet op het moment van vaststelling van de communautaire bepalingen en het begin van het verkoopseizoen (1 juli), voor hoe lang, indien er geen uiterste datum meer is."
"2) Zijn in geval van vervreemding van producerende ondernemingen of fabrieken (zoals in casu is gebeurd), ter zake van de toewijzing van quota uitsluitend van toepassing de bepalingen die deze overgang regelen (artikel 2 van verordening nr. 193/82) en die zijn gebaseerd op een verdeling die strikt evenredig is aan de produktiecapaciteiten, of kan daarnaast ook gebruik worden gemaakt van de in artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 voorziene 'manoeuvreerruimte' ?
3) Indien dit laatste het geval is, rijst het probleem van de context van de uitoefening van die bevoegdheid, gezien de wijze waarop die in casu lijkt te zijn uitgeoefend bij ministerieel besluit van 11 augustus 1986, waarin uitdrukkelijk was bepaald dat de vaststelling van de quota van de afgestoten ondernemingen was geschied volgens de 'criteria' die waren gehanteerd bij de vorige toewijzing, die bij ministerieel besluit van 22 april 1986 was vastgesteld met algemene doeleinden, los van de doeleinden die in geval van vervreemding van fabrieken moeten worden beschermd bij de onderverdeling der quota. Er zij op gewezen, dat aan die onderverdeling van quota geen beperkingen in de tijd zijn gesteld, terwijl de overdrachten krachtens artikel 25, lid 2, ingevolge artikel 7 van verordening nr. 193/82 kunnen plaatsvinden 'vóór 1 maart' van elk jaar. Ongeacht de vraag of bovengenoemde termijn peremptoir is, zou het verschil in doelstellingen tussen de twee regels erop kunnen wijzen, dat de bepalingen betreffende de toepassing ervan gescheiden moeten worden gehouden.
4) Mag op grond van artikel 25, lid 2, eerste alinea, de 'manoeuvreerruimte' worden gebruikt voor beide quota, A en B, mits de 10 % van de totale toewijzing maar niet wordt overschreden, of vormt dit percentage een maximum voor elk quotum afzonderlijk, of sluit het schuiven met een quotum het manoeuvreren met het andere uit? De bewoordingen van de onderhavige bepaling spreken van 'respectievelijk het A-quotum of het B-quotum' .
5) Is het quotum waarop de vermindering moet worden toegepast het quotum vermeld in het oorspronkelijke toewijzingsbesluit, of moet dit quotum worden bepaald door toevoeging van eventuele aanvullende en uit vorige jaren overgedragen toewijzingen of onder aftrek van niet geproduceerde hoeveelheden suiker?
6) Moet het bestaan van 'herstructureringsplannen' ° op grond waarvan Italië de grens van 10 % mag overschrijden ° worden gekoppeld aan de afzonderlijke ondernemingen dan wel aan de gehele produktiesector in nationaal of kleiner, regionaal verband (in de betrokken communautaire verordeningen wordt vaak gesproken van 'gebieden' van kleinere omvang dan het gehele grondgebied van de Lid-Staat), die meerdere ondernemingen omvat? In het eerste geval zou de nationale bestuursmaatregel geen gevolgen hebben ten aanzien van de ondernemingen die niet bij het plan betrokken zijn; in het tweede geval zouden de gevolgen hun weerslag kunnen hebben op alle ondernemingen, en zou moeten worden overwogen of de bevoegdheid gedurende het verkoopseizoen meerdere keren mag worden uitgeoefend en hoe de ondernemingen de zekerheid kan worden geboden dat zij hun programma' s kunnen uitvoeren.
Bijgevolg moet worden vastgesteld, wat de omvang is van deze herstructurering 'op basis' waarvan de overdracht van quota kan plaatsvinden: moet worden uitgegaan van gebieden beneden nationaal niveau (zie artikel 1, punt 4, van verordening nr. 934/86)? Kan worden volstaan met het bestaan van door afzonderlijke ondernemingen goedgekeurde projecten, onafhankelijk van een nationaal of regionaal plan? Impliceert het bestaan van een herstructureringsplan (zoals in het geval van ISI, die enkele produktie-eenheden van Cavarzere heeft overgenomen), op basis waarvan (zie verordening nr. 1785/81) quotaoverdrachten kunnen plaatsvinden, noodzakelijkerwijs de uitsluiting van de ondernemingen die nog geen herstructureringsplan bij de bevoegde autoriteiten hebben ingediend, welke indiening niet verplicht is?"
De eerste vraag
19 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de Lid-Staten voor het verkoopseizoen dat ingaat op 1 juli, de manoeuvreerruimte als bedoeld in artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 na de in verordening nr. 193/82 vastgestelde datum van 1 maart kunnen aanwenden, wanneer de verordening van de Raad waarbij de quota zijn vastgesteld en het gebruik van die manoeuvreerruimte mogelijk is gemaakt, na 1 maart is vastgesteld.
20 Om te beginnen zij vastgesteld dat, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, de uiterste datum van 1 maart voor de gebruikmaking door de Lid-Staten van de hun toekomende manoeuvreerruimte, een peremptoire termijn is.
21 Zoals de ondernemingen die lid zijn van GSV, alsmede ISI en de Commissie hebben opgemerkt, volgt dit met name hieruit, dat deze termijn erop is gericht de marktdeelnemers in de suikersector een termijn van vier maanden te garanderen voor de planning van hun werkzaamheden, aangezien het verkoopseizoen aanvangt op 1 juli. Vóór 1 maart moeten zij dus weten op welke produktiequota zij mogen rekenen teneinde tijdig de koopovereenkomsten voor suikerbieten te kunnen sluiten.
22 Daarenboven is de inachtneming van de uiterste datum van 1 maart noodzakelijk om de goede werking van de quotaregeling in haar geheel te garanderen. Zoals de Commissie heeft benadrukt, dienen de suikerfabrikanten namelijk ingevolge artikel 30, lid 1, van verordening nr. 1785/81 de betrokken Lid-Staat in kennis te stellen van de met het A-quotum overeenstemmende hoeveelheden suikerbieten waarvoor zij vóór de uitzaai, normaal in maart of april, contracten hebben gesloten. Ingevolge lid 2 van dat artikel zijn suikerfabrikanten die niet vóór de uitzaai contracten hebben gesloten, verplicht voor elke hoeveelheid suikerbieten die in de betrokken onderneming tot suiker wordt verwerkt, ten minste de minimumprijs te betalen.
23 Het peremptoire karakter van de termijn wordt bovendien hierdoor bevestigd, dat de Commissie, wanneer zij de Lid-Staten in de gelegenheid wilde stellen hun manoeuvreerruimte na 1 maart aan te wenden, uitdrukkelijk in een afwijking heeft voorzien. Zo heeft de Raad in 1986 de verordening tot vaststelling van de quota voor het verkoopseizoen 1986/1987 na 1 maart vastgesteld, waarop blijkens de door de Commissie verstrekte inlichtingen bepaalde Lid-Staten om een verlenging van de termijn voor dat jaar hebben verzocht. Daarop heeft de Commissie bij verordening nr. 1662/86 van 29 mei 1986 de Lid-Staten toestemming verleend om, in afwijking van artikel 7 van verordening nr. 193/82, van hun manoeuvreerruimte gebruik te maken vóór 1 juli 1986.
24 De Italiaanse regering betwist niet het peremptoir karakter van de uiterste datum van 1 maart. Toch moet volgens haar een impliciete afwijking van deze uiterste datum worden toegestaan, wanneer de vaststelling van de produktiequota door de Raad en de uitdrukkelijke bevestiging van de mogelijkheid om gebruik te maken van de manoeuvreerruimte na 1 maart tot stand komen, wat met name in 1988 het geval is geweest. Verordening nr. 1107/88, waarbij de quota voor de seizoenen 1988/1989 tot 1990/1991 zijn vastgesteld en het onbeperkt gebruik van de manoeuvreerruimte mogelijk is gemaakt, is namelijk vastgesteld op 25 april 1988.
25 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
26 Niets wijst erop, dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 1107/88 de bedoeling had de uiterste datum van 1 maart voor het seizoen 1988/1989 stilzwijgend in te trekken.
27 Anders dan de Italiaanse regering stelt, kan namelijk het feit dat de Lid-Staten vóór de vaststelling van verordening nr. 1107/88 en dus vóór 1 maart 1988 de toe te wijzen quota niet kenden en dus niet wisten of ° en in voorkomend geval onder welke voorwaarden ° zij over een manoeuvreerruimte zouden beschikken, op zich niet de mogelijkheid creëren om na het verstrijken van de termijn alsnog van die bevoegdheid gebruik te maken.
28 De juiste uitlegging is dus dat, zoals de GSV-ondernemingen en de Commissie hebben uiteengezet, de Lid-Staten weliswaar over een manoeuvreerruimte beschikten voor de seizoenen 1989/1990 en 1990/1991, doch niet voor het seizoen 1988/1989, ook al was het toen praktisch onmogelijk de uiterste datum van 1 maart in acht te nemen.
29 Gezien de handelwijze van de Commissie toen zich in 1986 dezelfde situatie voordeed, is het immers ondenkbaar dat in 1988 de Raad de termijn stilzwijgend zou hebben willen intrekken en de Lid-Staten de gelegenheid geven, de quota zonder enige uitdrukkelijke tijdslimiet te wijzigen.
30 Voorts zij erop gewezen, dat de zienswijze van de Italiaanse regering in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit beginsel impliceert namelijk, dat de ondernemingen zich op de door de gemeenschapswetgever vastgestelde termijn van 1 maart kunnen verlaten, zodat een afwijking daarvan ° die voor de ondernemingen belangrijke gevolgen kan hebben ° niet stilzwijgend of impliciet uit een verordening kan voortvloeien.
31 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de Lid-Staten voor het op 1 juli ingaande verkoopseizoen de hun bij artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 toegekende manoeuvreerruimte niet kunnen gebruiken na de bij verordening nr. 193/82 vastgestelde uiterste datum van 1 maart, zelfs niet wanneer de verordening van de Raad waarbij de quota zijn vastgesteld en het gebruik van die manoeuvreerruimte mogelijk is gemaakt, ná 1 maart is vastgesteld, nu geen enkele gemeenschapsverordening in een uitdrukkelijke afwijking van deze termijn voorziet.
De tweede en de derde vraag
32 Met zijn tweede en zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de Lid-Staten toekomende manoeuvreerruimte kan worden gebruikt wanneer gelijktijdig een quotawijziging plaatsvindt overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, ten gevolge van een vervreemding van suikerproducerende ondernemingen of fabrieken. Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, hebben deze twee bepalingen verschillende doelstellingen, en gelden verschillende termijnen.
33 Vastgesteld moet worden, dat niets eraan in de weg staat, dat de manoeuvreerruimte waarover de Lid-Staten ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 beschikken, wordt gebruikt tegelijk met ° en eventueel in een zelfde mate als ° een quotawijziging overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, voor zover althans de voor elk van deze bepalingen geldende toepassingsvoorwaarden in acht worden genomen, en met name de quotatoekenning ingevolge artikel 2 van verordening nr. 193/82 geschiedt naar rata van de door elke onderneming overgenomen produktiehoeveelheden en de overdrachten ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 vóór 1 maart van elk jaar plaats hebben.
34 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat de ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de Lid-Staten toekomende manoeuvreerruimte kan worden gebruikt tegelijk met een quotawijziging overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, ten gevolge van een vervreemding van suikerproducerende ondernemingen of fabrieken, voor zover de toepassingsvoorwaarden van elk van deze bepalingen in acht worden genomen.
De vierde vraag
35 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de bij artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 vastgestelde manoeuvreerruimte van 10 % geldt voor elk van de twee quota, A en B, voor de totale hoeveelheid van de twee quota, of ook nog, of de verlaging van een van beide quota ° zelfs met minder dan 10 % ° een beletsel vormt voor een verlaging van het andere quotum.
36 Uit artikel 25, lid 2, waarin in de uitdrukking "respectievelijk het A-quotum of het B-quotum" het disjunctief voegwoord "of" is gebruikt, volgt, dat de manoeuvreerruimte met 10 % voor het A-quotum moet worden berekend op basis van de hoeveelheid A en voor het B-quotum op basis van de hoeveelheid B, en dat het gebruik van de manoeuvreerruimte voor een van beide quota het gebruik ervan voor het andere quotum niet uitsluit.
37 Zoals de Commissie heeft uiteengezet, pleiten overigens ook overwegingen van logica en systematiek voor deze uitlegging, nu zoals hierboven in rechtsoverweging 3 is uiteengezet, de rol van het A-quotum verschillend is en los staat van die van het B-quotum.
38 Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 aldus moet worden uitgelegd, dat de Lid-Staten het A-quotum én het B-quotum elk met 10 % mogen verminderen.
De vijfde vraag
39 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het quotum waarvoor de Lid-Staat krachtens artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 over een manoeuvreerruimte van 10 % beschikt, het quotum is van het oorspronkelijke toewijzingsbesluit, dan wel of het moet worden berekend door toevoeging van eventuele toewijzingen uit vorige jaren of onder aftrek van de niet geproduceerde hoeveelheid suiker.
40 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, de manoeuvreerruimte van 10 % geldt voor de periode bedoeld in artikel 23, lid 1, van verordening nr. 1785/81, zoals gewijzigd bij verordening nr. 934/86, dus voor de verkoopseizoenen 1986/1987 tot en met 1990/1991. In deze periode kon de Lid-Staat dus het A-quotum en het B-quotum van elke onderneming met ten hoogste 10 % verminderen.
41 Voorts blijkt uit de bewoordingen van artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81 zelf, dat het A-quotum en het B-quotum waarvoor de Lid-Staten over een manoeuvreerruimte van 10 % beschikken, de quota zijn die in het kader van de vigerende quotaregeling aan de onderneming zijn toegekend bij een nationaal besluit van een Lid-Staat, vastgesteld krachtens artikel 24 van bedoelde verordening, waarbij de aan die Lid-Staat toegekende basishoeveelheden A en B over de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen zijn verdeeld.
42 Hieruit volgt, dat de manoeuvreerruimte niet de quota betreft die krachtens artikel 2, lid 6, van verordening nr. 193/82 voor een of meer verkoopseizoenen zijn gewijzigd nadat is vastgesteld, dat de betrokken suikerproducerende onderneming niet langer haar verplichtingen ten aanzien van de betrokken producenten van suikerbieten of suikerriet kan nakomen. Evenmin wordt de manoeuvreerruimte beïnvloed door de overbrenging krachtens artikel 27 van verordening nr. 1785/81 van de produktie waarmee het A-quotum is overschreden, naar het volgende verkoopseizoen.
43 Mitsdien moet op de vijfde vraag worden geantwoord, dat de manoeuvreerruimte van 10 %, voorzien in artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81, betrekking heeft op het A-quotum en het B-quotum welke in het kader van de vigerende quotaregeling aan de onderneming zijn toegekend bij een nationaal besluit van een Lid-Staat, vastgesteld krachtens artikel 24 van bedoelde verordening, waarbij de aan die Lid-Staat toegekende basishoeveelheden A en B over de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen zijn verdeeld.
De zesde vraag
44 Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of met het begrip "herstructureringsplannen" in de zin van artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81 ° op grond waarvan in Italië quotawijzigingen mogelijk zijn waarvoor de 10 %-grens niet geldt ° plannen zijn bedoeld voor afzonderlijke ondernemingen dan wel plannen voor de gehele produktiesector op nationaal of op regionaal niveau.
45 Blijkens artikel 25, lid 2, tweede alinea, waarin sprake is van "plannen ter herstructurering van de (...) sector van het betrokken gebied", dienen deze plannen betrekking te hebben op de herstructurering van de suikersector van de betrokken Lid-Staat. Deze uitlegging wordt bevestigd door de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81.
46 Al is Italië blijkens artikel 24, lid 2, een "gebied" in de zin van deze verordening, toch moet worden vastgesteld, dat moeilijke situaties ook kunnen voorkomen in geografisch minder uitgestrekte gebieden dan het gehele grondgebied van deze Lid-Staat. Zoals de GSV-ondernemingen en de Commissie hebben gesteld, moet het begrip "herstructureringsplannen" derhalve aldus worden uitgelegd, dat het ook plannen voor de suikersector op regionaal niveau omvat.
47 Hieruit volgt, dat het gebruik van de manoeuvreerruimte voorzien in artikel 25, lid 2, tweede alinea, afhankelijk is van de vaststelling van een herstructureringsplan voor de gehele suikersector op nationaal of op regionaal niveau. Zodra een Lid-Staat een dergelijk plan heeft vastgesteld of goedgekeurd, kan hij deze manoeuvreerruimte gebruiken voor zover zulks voor de verwezenlijking van dat plan noodzakelijk is.
48 Specifieke plannen voor afzonderlijke suikerproducerende ondernemingen die deel uitmaken van een suikersector waartoe eveneens andere ondernemingen behoren, zijn evenwel toereikend noch noodzakelijk voor een overschrijding door de Lid-Staten van de 10 %-grens. Bovendien zijn de gevolgen die aan het al dan niet indienen van dergelijke specifieke plannen door de ondernemingen moeten worden verbonden, een aangelegenheid van nationaal recht.
49 Derhalve dient op de zesde vraag te worden geantwoord, dat met het begrip "herstructureringsplannen" in de zin van artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81 ° op grond waarvan in Italië quotawijzigingen mogelijk zijn waarvoor de 10 %-grens niet geldt ° plannen zijn bedoeld voor de gehele suikersector op nationaal of op regionaal niveau.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Consiglio di Stato bij beschikking van 24 april 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Voor het op 1 juli ingaande verkoopseizoen kunnen de Lid-Staten de hun krachtens artikel 25, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker toekomende manoeuvreerruimte niet gebruiken na de bij verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quota-overdrachten in de sector suiker vastgestelde uiterste datum van 1 maart, zelfs niet wanneer de verordening van de Raad waarbij de quota zijn vastgesteld en het gebruik van die manoeuvreerruimte mogelijk is gemaakt, na 1 maart is vastgesteld, nu geen enkele gemeenschapsverordening in een uitdrukkelijke afwijking van deze termijn voorziet.
2) De ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de Lid-Staten toekomende manoeuvreerruimte kan worden gebruikt tegelijk met een quotawijziging overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, ten gevolge van een vervreemding van suikerproducerende ondernemingen of fabrieken, voor zover de toepassingsvoorwaarden van elk van deze bepalingen in acht worden genomen.
3) Artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81 moet aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten het A-quotum én het B-quotum elk met 10 % mogen verminderen.
4) De manoeuvreerruimte van 10 %, voorzien in artikel 25, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1785/81, heeft betrekking op het A-quotum en het B-quotum welke in het kader van de vigerende quotaregeling aan de onderneming zijn toegekend bij een nationaal besluit van een Lid-Staat, vastgesteld krachtens artikel 24 van bedoelde verordening, waarbij de aan die Lid-Staat toegekende basishoeveelheden A en B over de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen zijn verdeeld.
5) Met het begrip "herstructureringsplannen" in de zin van artikel 25, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1785/81 ° op grond waarvan in Italië quotawijzigingen mogelijk zijn waarvoor de 10 %-grens niet geldt ° zijn plannen bedoeld voor de gehele suikersector op nationaal of op regionaal niveau.
Full & Egal Universal Law Academy