Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Hof van Justitie ° Organisatie ° Samenstelling van kamers ° Artikel 165, tweede alinea, Verdrag, dat vorming van kamers van drie of vijf rechters toelaat ° Bepaling die organisatie van Hof in kamers, die uit hoger aantal rechters bestaan, niet uitsluit
(EG-Verdrag, art. 165, tweede alinea)
2. Vrij verkeer van personen ° Werknemers ° Gelijke behandeling ° Toegang tot onderwijs van kinderen van werknemer ° Kind ° Begrip ° Uitsluiting van kinderen ouder dan 21 jaar die niet meer ten laste zijn ° Niet-toelaatbaarheid
(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 12)
Samenvatting
1. Artikel 165, tweede alinea, van het Verdrag, dat ter berechting van bepaalde soorten van zaken de vorming van kamers met drie of vijf rechters toelaat, belet niet, dat om redenen van rechterlijke organisatie van het Hof de drie of vijf rechters die zijn aangewezen om in een bepaalde zaak te beslissen, deel uitmaken van een formatie die uit een hoger aantal rechters bestaat.
2. Voor het begrip kind in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1612/68, betreffende de toelating tot het onderwijs van kinderen van migrerende werknemers, gelden niet dezelfde voorwaarden van leeftijd of levensonderhoud als voor de in de artikelen 10, lid 1, en 11 van genoemde verordening geregelde rechten, zodat dit begrip zich uitstrekt tot kinderen ouder dan 21 jaar die niet meer ten laste van hun ouders zijn.
Het zou immers in strijd zijn met zowel de letter als de geest van deze bepaling, die een beginsel van zich tot iedere vorm van onderwijs uitstrekkende gelijke behandeling inhoudt, om ze aldus uit te leggen, dat reeds verder in hun opleiding gevorderde studenten, wanneer zij 21 jaar of ouder zijn en niet meer ten laste zijn van hun ouders, van de in het gastland bestaande financiële steun uitgesloten zijn.
Partijen
In zaak C-7/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Landesamt fuer Ausbildungsfoerderung Nordrhein-Westfalen
en
L. Gaal,
in aanwezigheid van de
Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht,
interveniënt,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), G. F. Mancini, C. N. Kakouris en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie voor Economische zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, een bij de juridische dienst van de Commissie gedetacheerd Duits ambtenaar in het kader van de uitwisseling van nationale ambtenaren, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van L. Gaal, vertegenwoordigd door R. Diez, advocaat te Tuebingen, de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Kreppel, ter terechtzitting van 8 december 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 20 oktober 1993, ingekomen bij het Hof op 11 januari 1994, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers in de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2; hierna: de "verordening").
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding in "Revision" tussen het Landesamt fuer Ausbildungsfoerderung Nordrhein-Westfalen (dienst studiefinanciering van het Land Nordrhein-Westfalen, hierna: "Landesamt") en L. Gaal, in aanwezigheid van de Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht (eerste advocaat-generaal bij het Bundesverwaltungsgericht), interveniënt.
3 L. Gaal, geboren in 1967 en van Belgische nationaliteit, woont sinds 1969 in Duitsland. Sedert het overlijden van zijn vader ontvangt hij een wezenpensioen; hij is niet ten laste van zijn moeder. Nadat hij in 1986 in Duitsland het einddiploma middelbaar onderwijs had behaald, ging hij aldaar biologie studeren. Om zijn universitaire opleiding gedurende het jaar 1989/1990 in het Verenigd Koninkrijk te kunnen voortzetten, vroeg hij een studiebeurs aan.
4 Het Landesamt wees deze aanvraag bij beschikking van 30 juni 1989 af, op grond dat hij ouder was dan 21 jaar en zijn ouders niet in zijn onderhoud voorzagen.
5 Volgens § 5, lid 2, van het Bundesausbildungsfoerderungsgesetz (hierna: "BAfoeG") wordt aan studenten die hun vaste woonplaats op het nationale grondgebied hebben, voor het bezoek van een in het buitenland gelegen onderwijsinstelling een bijdrage in de studiekosten toegekend. Volgens § 8, lid 1, van deze wet wordt deze bijdrage met name toegekend aan "studenten die krachtens het Aufenthaltsgesetz/EWG als kind aanspraak hebben op vrij verkeer of over een verblijfsrecht beschikken".
6 Het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap is geregeld in het Aufenthaltsgesetz/EWG (hierna: "AufenthG/EWG"). Volgens § 1, lid 2, van deze wet worden onder gezinsleden verstaan: "1) de echtgenoot en de bloedverwanten in afdalende lijn tot 21 jaar; 2) de bloedverwanten in opgaande en afdalende lijn van de in lid 1 bedoelde personen of van hun echtgenoot, die ten laste zijn van deze personen of van hun echtgenoot".
7 Het Verwaltungsgericht verklaarde de afwijzingsbeschikking van het Landesamt nietig bij vonnis van 18 februari 1991, welk vonnis door het Verwaltungsgerichtshof op 8 november 1991 werd bekrachtigd. Het oordeelde, dat Gaal weliswaar geen aanspraak kon maken op een studiebeurs op grond van § 5, lid 2, en § 8, lid 1, BAfoeG juncto § 1 AufenthG/EWG, maar wel op grond van § 5, lid 2, BAfoeG juncto artikel 12 van de verordening.
8 Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn partijen in de "Revision"-sprocedure voor het Bundesverwaltungsgericht nog slechts verdeeld over de vraag, of de personele werkingssfeer van artikel 12 van de verordening, gezien de context en het doel van dit artikel, gebonden is aan leeftijdsgrenzen of de verstrekking van levensonderhoud.
9 Van oordeel dat het antwoord hierop afhangt van een uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Wordt het begrip kind in artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 (PB 1968, L 257, blz. 2) evenzo door een leeftijdsgrens of het vereiste van verstrekking van levensonderhoud beperkt als de in de artikelen 10, lid 1, en 11, van genoemde verordening geregelde rechten?"
De exceptie van procedurele aard
10 Alvorens op deze vraag in te gaan, moet worden geantwoord op een door de Duitse regering ter terechtzitting opgeworpen exceptie van procedurele aard.
11 De gemachtigde van de Duitse regering heeft de regelmatigheid van de samenstelling van de Zesde kamer betwist, op grond dat artikel 165, tweede alinea, tweede zin, EG-Verdrag voorziet in kamers van vijf rechters, terwijl volgens besluit 94/C 304/03 van het Hof van 10 oktober 1994 (PB 1994, C 304, blz. 1) de Zesde kamer bestaat uit zes rechters, wat geen grondslag vindt in het Verdrag.
12 Dit bezwaar is niet gegrond.
13 De door de Duitse regering aangevoerde bepaling, die in het Verdrag voorkwam op een tijdstip waarop het Hof uit dertien rechters bestond, stelt het Hof in staat om "bepaalde soorten van zaken te berechten", niet in voltallige zitting, waarvoor een quorum van zeven rechters is vereist (artikel 15 van 's Hofs Statuut-EEG), maar in rechtsprekende formaties van drie of vijf rechters. Blijkens de bewoordingen van artikel 165, tweede alinea, tweede zin, laat deze bepaling de vorming van kamers toe ter berechting van een aantal zaken door drie of vijf rechters. Deze bepaling belet evenwel niet, dat de drie of vijf rechters die zijn aangewezen om in een bepaalde zaak te beslissen, om redenen van de rechterlijke organisatie van het Hof deel uitmaken van een formatie die uit een hoger aantal rechters bestaat.
14 Verder betoogt de Duitse regering, dat de omstandigheid dat de Zesde kamer voor de berechting van deze zaak bestaat uit vijf rechters, niets afdoet aan de onregelmatigheid van de samenstelling ervan, nu zij geen kennis heeft van de criteria die bij de samenstelling van de formatie zijn gehanteerd.
15 In zoverre volstaat de vaststelling, dat de Duitse regering de concrete samenstelling van de kamer in deze zaak niet heeft betwist. De kamer heeft overigens niet kunnen vaststellen, hoe haar samenstelling in deze zaak de rechten van de betrokkenen zou kunnen beïnvloeden.
De prejudiciële vraag
16 Met zijn prejudiciële vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het begrip kind in artikel 12 van de verordening, beperkt is tot kinderen beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten laste zijn, zoals dat bij de artikelen 10, lid 1, en 11, van de verordening het geval is.
17 Artikel 10, lid 1, van de verordening verleent aan de echtgenoot en aan de bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten laste zijn van een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, het recht om zich met deze werknemer te vestigen. Krachtens artikel 11 van de verordening hebben deze personen ook het recht om op het gehele grondgebied van die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden.
18 Volgens de in het hoofdgeding omstreden eerste alinea van artikel 12 van de verordening worden "de kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding."
19 Om te beginnen zij in herinnering gebracht, dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 12 van de verordening niet enkel ziet op de toelatingsregels in eigenlijke zin, maar ook op de algemene maatregelen om de deelneming aan het onderwijs te vergemakkelijken. In dit verband heeft het Hof onder meer overwogen, dat de status van kind van een communautair werknemer heel in het bijzonder meebrengt, dat de betrokkene op grond van het gemeenschapsrecht in aanmerking dient te komen voor overheidssteun bij de studie, ten einde aldus zijn integratie in het sociale leven van het gastland mogelijk te maken. Dit impliceert volgens het Hof, dat de kinderen van migrerende werknemers onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van het gastland recht hebben op steun die wordt toegekend ter dekking van de kosten van onderwijs en levensonderhoud (arrest van 13 november 1990, zaak C-308/89, Di Leo, Jurispr. 1990, blz. I-4185, r.o. 9).
20 De prejudiciële vraag werpt het probleem op, of een kind van een migrerend werknemer van 21 jaar of ouder dat niet meer ten laste is van deze werknemer, zich eveneens kan beroepen op het recht op gelijke behandeling als neergelegd in artikel 12 van de verordening.
21 De Duitse regering heeft betoogd, dat gezien de nauwe samenhang tussen de artikelen 10 en 11 van de verordening enerzijds en artikel 12 van de verordening anderzijds, artikel 12 dit recht alleen toekent aan kinderen die aan de vereisten van de artikelen 10 en 11 voldoen.
22 Dit argument kan niet worden aanvaard.
23 In de eerste plaats bevat artikel 12 geen enkele verwijzing naar de artikelen 10 en 11 van de verordening.
24 Vervolgens laat de rechtspraak van het Hof zien (arrest van 15 maart 1989, gevoegde zaken 389/87 en 390/87, Echternach e.a., Jurispr. 1989, blz. 723, r.o. 29 en 30), dat het beginsel van gelijke behandeling als neergelegd in artikel 12 van de verordening zich uitstrekt tot iedere vorm van onderwijs, of het nu tot de beroepsopleiding dan wel tot het algemene onderwijs behoort, en dus ook het academisch onderwijs omvat. Dit beginsel vereist, dat het kind van een migrerend werknemer de mogelijkheid moet hebben om zijn opleiding voort te zetten teneinde die met succes te kunnen afmaken.
25 Artikel 12 van de verordening is derhalve van toepassing op de financiële bijdragen voor studenten die in hun opleiding reeds verder gevorderd zijn, zelfs wanneer zij reeds 21 jaar of ouder zijn en niet meer ten laste zijn van hun ouders. De toepassing van artikel 12 afhankelijk te stellen van een leeftijdsgrens of van de status van kind ten laste zou bijgevolg niet alleen met de letter, maar ook met de geest van deze bepaling in strijd komen.
26 Naar de mening van de Duitse regering zou deze oplossing als paradoxale consequentie hebben, dat kinderen zonder afgeleid recht van vestiging niettemin op grond van artikel 12 aanspraak zouden kunnen maken op studiefinanciering.
27 In dit verband zij slechts in herinnering gebracht, dat artikel 12 van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat het slechts rechten toekent aan een kind dat met zijn ouders of met een van hen in een Lid-Staat heeft gewoond terwijl ten minste één van zijn ouders daar woonde in de hoedanigheid van werknemer (arrest van 21 juni 1988, zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, r.o. 30).
28 Ter terechtzitting heeft de Duitse regering nog aangevoerd, dat volgens het reeds aangehaalde arrest Echternach e.a. de artikelen 12 en 7, lid 2, van de verordening op uniforme wijze moeten worden uitgelegd. Nu volgens de rechtspraak sociale voordelen in de zin van laatstgenoemde bepaling enkel worden toegekend indien de rechthebbenden ° wanneer zij tot het gezin van de migrerende werknemer behoren ° te zijnen laste zijn, moet deze voorwaarde eveneens gelden bij toepassing van artikel 12.
29 Dit argument kan evenmin worden aanvaard.
30 Immers, zoals uit de rechtsoverwegingen 34 en 35 van het arrest Echternach e.a. alsmede uit de rechtsoverwegingen 14 en 15 van het arrest Di Leo blijkt, had de verwijzing naar artikel 7, lid 2, van de verordening als element ter uitlegging van artikel 12 niet tot doel extra vereisten te stellen bovenop die van artikel 12. Het Hof heeft met die verwijzing veeleer willen benadrukken, dat de voordelen die krachtens artikel 7, lid 2, aan de migrerende werknemers zelf worden toegekend niet mogen worden ontzegd aan hun kinderen, wanneer dezen zich op het in artikel 12 neergelegde recht beroepen.
31 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het begrip kind in artikel 12 van de verordening niet wordt beperkt door een leeftijdsgrens of het vereiste van verstrekking van levensonderhoud, zoals het geval is bij de artikelen 10, lid 1, en 11, van de verordening geregelde rechten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 20 oktober 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het begrip kind in artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap wordt niet beperkt door een leeftijdsgrens of het vereiste van verstrekking van levensonderhoud, zoals het geval is bij de in de artikelen 10, lid 1, en 11, van de verordening geregelde rechten.
Full & Egal Universal Law Academy